id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 12 juli 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.173.408 Rolnummer: A. 104252/VII-23685 Zaak: Arrest 173408 - Milieuvergunningen - 12/07/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-08-02 Raadplegingen: 51 - laatst gezien 2026-06-29 22:48 Fiche Arrest nr 173.408 van 12 juli 2007 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Milieuvergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 173.408 van 12 juli 2007 in de zaak A. 104.252/VII-23.
- In zake : de b.v.b.a. ANNÉ GEBROEDERS, die woonplaats kiest bij advocaten I. CUYPERS en G. CNUDDE, kantoor houdende te ANTWERPEN, Frankrijklei 146 tegen : de deputatie van de provincie OOST-VLAANDEREN. tussenkomende partij : Gunter EGGHE, wonende te TEMSE, Esdreef
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, VIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat de b.v.b.a. ANNÉ GEBROEDERS op 4 mei 2001 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van het besluit van de bestendige deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen van 8 maart 2001 waarbij het beroep van Gunter EGGHE, ingesteld tegen de beslissing van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Temse van 17 oktober 2000, waarbij aan de verzoekende partij een milieuvergunning wordt verleend voor het exploiteren van een transportbedrijf, gelegen Esdreef 30 te Temse, wordt ingewilligd en de beroepen beslissing wordt opgeheven; Gezien het verzoekschrift tot tussenkomst van 26 juli 2001; Gelet op de beschikking van 3 september 2001 die de tussenkomst van Gunter EGGHE toelaat; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur P. PROVOOST; VII-23.685-1/5 Gelet op de beschikking van 23 augustus 2006 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gezien de laatste memorie van de verzoekende partij; Gelet op de beschikking van 7 mei 2007 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 7 juni 2007; Gehoord het verslag van staatsraad E. BREWAEYS; Gehoord de opmerkingen van advocaat B. DE BECKER die, loco advocaat I. CUYPERS verschijnt voor de verzoekende partij, en van bestuurssecretaris-jurist K. VAN KEYMEULEN, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur P. PROVOOST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- De feiten 1.
- De verzoekende partij exploiteert sinds 1962 een transportbedrijf in Temse. Volgens het bij koninklijk besluit van 7 november 1978 vastgestelde gewestplan Sint-Niklaas-Lokeren ligt de inrichting in woongebied. Volgens het bijzonder plan van aanleg Ter Cauwerburg, goedgekeurd bij ministerieel besluit van 16 maart 1999, liggen delen van de inrichting in een bufferzone, terwijl de toegangsweg gaat doorheen een strook voor aaneengesloten bebouwing, bijgebouwen, koeren en tuinen en doorheen bufferzone. 1.
- Op 29 november 1977 verleent het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Temse een exploitatievergunning voor een mazouttank van 20.000 liter met verdeelpomp, voor een termijn van dertig jaar. Op 16 oktober 1990 verleent hetzelfde college van burgemeester en schepenen een exploitatie- vergunning voor "een onderhoudswerkplaats voor vrachtwagens met een compressor van +_ 3kW", voor een termijn van tien jaar. VII-23.685-2/5 1.
- De inrichting wordt in de loop der jaren uitgebreid zonder dat daarvoor de nodige milieu- en bouwvergunningen worden gevraagd. 1.
- Op 20 juni 2000 dient de verzoekende partij een milieuvergunningsaanvraag in voor de verdere exploitatie en de verandering van de inrichting. 1.
- Op 17 oktober 2000 verleent het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Temse de gevraagde vergunning "voor een termijn van 4 jaar om de exploitant de gelegenheid te bieden de bedrijfsactiviteiten te herlokaliseren in een geschikte vestigingszone". 1.
- Er wordt administratief beroep aangetekend door een groep buurtbewoners, waaronder de tussenkomende partij. 1.
- Op 8 maart 2001 wordt het bestreden besluit genomen. De vergunning wordt geweigerd.
- De ontvankelijkheid 2.
- In zijn verslag komt de auditeur, na briefwisseling met de verzoekende partij, tot de bevinding dat het beroep niet langer ontvankelijk is omdat de betrokken inrichting ondertussen is geherlocaliseerd en het belang van de verzoekende partij er niet langer in kan bestaan dat haar alsnog de gevraagde vergunning kan worden toegestaan. 2.
- In haar laatste memorie stelt de verzoekende partij daar het volgende tegenover : "(...) Verzoekende partij kan zich niet aansluiten bij deze beoordeling. Rechtspraak van de Raad van State bevestigt dat niet kan worden besloten tot de onontvankelijkheid van de vordering zolang de vernietiging van de bestreden (be)handeling voor de verzoeker nog enig persoonlijk, rechtstreeks, actueel en zeker belang vertoont, ook al is dit belang anders dan initieel voorzien. (...) Overigens bepaalt de wet niet dat het belang slechts aanvaard wordt mits de gevorderde vernietiging enkel zuiver gerelateerd wordt aan de uitvoerbaar- heid of resp. de vordering tot schorsing of vernietiging van de uitvoerbaarheid van een administratieve beslissing op zich. Het feit dat niet alleen de Raad exclusief uitspraak kan doen over de gevraagde vaststelling van onwettigheid - gezien het feit dat de rechtbanken deze vraag ook kunnen beantwoorden mits toetsing van de beslissing aan art. 159 G.W. - doet anderzijds evenmin afbreuk VII-23.685-3/5 aan het concrete belang. De wetgever heeft niet vereist dat de verzoeker aantoont dat de Raad exclusief uitspraak kan doen over het gevraagde, met uitsluiting van alle andere rechtbanken, opdat er sprake zou zijn van een reëel belang. (...) Anderzijds kan niet geloochend worden dat de burgerlijke rechtbanken minder vertrouwd zijn met het administratief contentieux dan de Raad van State en dat de beoordelingsmogelijkheden en maturiteit van de burgerlijke rechtbanken in de praktijk op dat vlak dan ook zelden evenwaardig zijn aan die van de Raad van State. Alhoewel de burgerlijke rechtbanken inderdaad bevoegd zijn te oordelen over de onwettigheid, is dit in de praktijk vaak een weinig bevredigend gegeven voor de rechtzoekende, als men weet dat de burgerlijke rechtbanken overwegend denken in termen van subjectief recht, eerder dan van objectief recht. (...) Bovendien is er het gegeven dat bij gebrek aan belang de Raad van State in concreto zal beslissen dat de bestreden beslissing NIET vernietigd wordt en hiermee wordt de facto de wettigheid van de beslissing vermoed tenzij expliciet wordt vermeld in het beschikkend gedeelte van het arrest dat de bestreden beslissing niet vernietigd wordt bij gebreke aan ontvankelijkheid van de vordering in hoofde van verzoekende partij. Normaliter wordt dit evenwel niet vermeld. (...) Alhoewel het proceseconomische geen beoordelingselement vormt, kan anderzijds niet geloochend worden dat het zonde van tijd, energie en geld is dat de procedure die ondertussen al een tijdje hangende is en waarin het voornaamste studiewerk in hoofde van het auditoraat en partijen geleverd is, in dit verregaand stadium, zou onttrokken worden van de beoordeling van de Raad". 2.
- Het belang dat louter gelegen is in het verkrijgen van een arrest waarin erga omnes de onwettigheid van een bestuurshandeling wordt vastgesteld is geen rechtstreeks belang dat verbonden is aan de finaliteit van het vernietigingscontentieux die erin bestaat onwettige rechtshandelingen ex tunc uit de rechtsorde te doen verdwijnen. Het belang dat erin bestaat een titel te bekomen om voor de "gewone" rechter schadevergoeding te vorderen is niet rechtstreeks verbonden aan het uit het rechtsverkeer verwijderen van een onwettige bestuurshandeling, maar aan het gegrond horen verklaren van een middel. Ook de "gewone" rechter kan in een procedure tot schadevergoeding de onwettigheid van een bestuurshandeling vaststellen. De hierboven weergegeven beschouwingen in de laatste memorie vermogen daaraan geen afbreuk te doen. 2.
- Het feit dat de verzoekende partij, zoals zij in haar brief aan de auditeur beweert, strafrechtelijk zou worden vervolgd of voor de burgerlijke rechter zou worden gedagvaard in verband met haar activiteiten op de thans verlaten locatie, is nogal hypothetisch omdat geen enkel bewijs wordt voorgelegd dat dergelijke vervolgingen effectief werden ingesteld, hetgeen door de verzoekende partij ter terechtzitting wordt bevestigd, en de verzoekende partij niet aantoont hoe de VII-23.685-4/5 gebeurlijke vernietiging van de thans bestreden weigeringsbeslissing zou inhouden dat haar exploitatie niet onwettig was. 2.
- De verzoekende partij beschikt niet over het rechtens vereiste zeker en actueel belang. Het beroep is niet ontvankelijk, BESLUIT: Artikel
- Het beroep wordt verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. De kosten van de tussenkomst, bepaald op 123,95 euro, komen ten laste van de tussenkomende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op twaalf juli tweeduizend en zeven, door de VIIe kamer, die was samengesteld uit : Mevr. M.-R. BRACKE, voorzitter, de H. E. BREWAEYS, staatsraad, Mevr. Ch. BAMPS, staatsraad, Mevr. E. IMPENS, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, E. IMPENS. M.-R. BRACKE. VII-23.685-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.173.408 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div