id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 12 juli 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.173.413 Rolnummer: Zaak: Arrest 173413 - Milieuvergunningen - 12/07/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-08-02 Raadplegingen: 58 - laatst gezien 2026-06-29 22:50 Fiche Arrest nr 173.413 van 12 juli 2007 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Milieuvergunningen Beslissing : Vernietiging Verwerping bekendmaking Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 173.413 van 12 juli 2007 in de zaken I. A. 166.768/VII-34.744 II. A. 170.053/VII-35.
- In zake : I. + II. de b.v.b.a. MULTOGAS SERVICE, die woonplaats kiest bij advocaat E. DESAIR, kantoor houdende te ANTWERPEN, Alfred Coolsstraat 2 tegen : I. + II. het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, vertegenwoordigd door de Brusselse Hoofdstedelijke regering, dat woonplaats kiest bij advocaten F. TULKENS en P. PEETERS, kantoor houdende te BRUSSEL, Terhulpsesteenweg 177/
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, VIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat de b.v.b.a. MULTOGAS SERVICE op 4 november 2005 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van het "besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering dd. 29 september 2005 (...) waarbij het beroep, ingediend door verzoekster tegen de weigering door het Milieucollege tot verlenging van haar milieuvergunning klasse 1B voor de verdere exploitatie van haar benzinestation aan de Akenkaai 18 te 1000 Brussel, is verworpen, en derhalve de verlenging van de milieuvergunning met een nieuwe periode van 15 jaar is geweigerd" ( zaak A. 166.768/VII-34.744); Gezien het verzoekschrift dat de b.v.b.a. MULTOGAS SERVICE op 16 maart 2006 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van "het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering dd. 26 januari 2006, waarbij de eerdere beslissing van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 29 september 2005 wordt ingetrokken, opnieuw uitspraak wordt gedaan inzake het beroep ingediend door verzoekster tegen de beslissing van het Milieucollege van 26 juli 2005 en waarbij dit beroep ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond wordt verklaard en zodoende aan verzoekster een verlenging van de milieuvergunning wordt toegekend voor een duur VII-34.744 en VII-35.422-1/11 van 1 jaar en negen maanden 'niet verlengbaar', vanaf de vervaldatum van de oorspronkelijke vergunning (...)" (zaak A. 170.053/VII-35.422); Gelet op het arrest nr. 150.424 van 19 oktober 2005 waarbij de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit in de zaak A. 166.768/VII-34.744 wordt bevolen; Gelet op het arrest nr. 155.458 van 22 februari 2006 waarbij de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerleg- ging van het bestreden besluit in de zaak A. 170.053/VII-35.422 wordt verworpen; Gelet op het arrest nr. 160.595 van 27 juni 2006 waarbij de debatten worden heropend in de zaak A. 166.768/VII- 34.744 en de zaken A. 166.768/VII-34.744 en A. 170.053/VII-35.422 worden gevoegd; Gelet op het arrest nr. 160.829 van 29 juni 2006 waarbij de schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit in de zaak A. 170.053/VII-35.422 wordt bevolen; Gezien het verzoekschrift tot voortzetting ingediend door de verwerende partij (zaak A. 170.053/VII-35.422); Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord (zaak A. 170.053/VII-35.422); Gezien het verslag opgemaakt door auditeur P. SOURBRON in de beide zaken; Gelet op de beschikking van 11 januari 2007 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memories; Gelet op de beschikking van 10 mei 2007 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 14 juni 2007; Gehoord het verslag van staatsraad E. BREWAEYS; VII-34.744 en VII-35.422-2/11 Gehoord de opmerkingen van advocaat C. LESAFFER die, loco advocaat E. DESAIR verschijnt voor de verzoekende partij, en van advocaat A. VANDAELE die, loco advocaten F. TULKENS en P. PEETERS verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur P. SOURBRON; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- De feiten 1.
- De verzoekende partij exploiteert een benzinestation aan de Akenkaai 18 te Brussel. 1.
- De percelen waarop de inrichting gevestigd is zijn eigendom van de gewestelijke vennootschap van de Haven van Brussel. Met een overeenkomst van 4 november 1977 zijn ze in concessie gegeven aan de verzoekende partij. Met betrekking tot de duur van die concessie werd een procedure gevoerd bij het hof van beroep te Brussel. 1.
- De inrichting is volgens het Gewestelijk Bestemmingsplan (besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke regering van 3 mei 2001) gelegen in het "gebied van gewestelijk belang nr. 1". Het programma hiervan voorziet onder meer in de "begroening van de kanaaloevers". 1.
- Op 2 augustus 1999 wordt door het Brussels Instituut voor Milieubeheer een milieuvergunning verleend, die, wat de duur ervan betreft, het volgende bepaalt : "§
- De milieuvergunning wordt toegekend voor een periode van 6 jaar. De milieuvergunning wordt toegekend voor een periode van minder dan 15 jaar omwille van de volgende redenen : I. om de toekomst te vrijwaren inzake de heraanleg van de betreffende zone door het Gewest en de stad Brussel II. omdat er geen planning is vastgelegd voor de uitvoering van de werken §
- Indien er geen plan en planning wordt vastgelegd voor de aanleg van de promenade op de rechteroever kan de duur van de milieuvergunning verlengd worden voor een duur van 15 jaar. De aanvraag om verlenging VII-34.744 en VII-35.422-3/11 moet echter naar behoren minstens 12 maanden voor de vervaldatum ingediend zijn, op straffe van vervallenverklaring". 1.
- Op 14 juli 2003 dient de verzoekende partij een aanvraag in tot verlenging van de milieuvergunning. 1.
- Na een incidentrijke voorafgaande procedure, wordt die vergunning geweigerd bij besluit van 29 september
- Bij arrest nr. 150.424 van 19 oktober 2005 schorst de Raad van State bij uiterst dringende noodzakelijkheid de tenuitvoerlegging van dit besluit. 1.
- Ingevolge dit arrest komt de thans bestreden beslissing tot stand. Bij besluit van 26 januari 2006 van de Brusselse Hoofdstedelijke regering wordt het (geschorste) besluit van 29 september 2005 ingetrokken. Tegelijk wordt opnieuw uitspraak gedaan over het beroep dat de verzoekende partij had ingediend : dat beroep wordt gedeeltelijk gegrond verklaard, de beroepen beslissing van het Milieucollege van 26 juli 2005 wordt vernietigd en aan de verzoekende partij wordt vergunning verleend om haar inrichting verder te exploiteren voor een "niet verlengbare" termijn van één jaar en negen maanden, vanaf de vervaldatum van de te hernieuwen vergunning (d.w.z. tot 2 mei 2007). Dit besluit is, wat de duur van de vergunning betreft, als volgt gemotiveerd : "Overwegende dat het tankstation van de verzoekende partij gelegen is in het gebied van gewestelijk belang nr. 1 (hierna 'GGB') volgens het GBP (goedge- keurd door het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 3 mei 2001); Overwegende dat het programma van het GGB nr. 1 de begroening van de kanaaloevers voorziet (zie bepaling J van de GBP); Overwegende dat het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 18 juli 2002 voorziet dat op de Akenkaai een openbare ruimte wordt aangelegd die bestemd is als wandelruimte en vrijetijdsactiviteiten die verbonden zijn met waterwegen en die vaste en verplaatsbare uitrustingen omvat alsook stadsmeu- bilair, aanplanting van bomen; dat dit besluit de gemeenteraad van de Stad Brussel vraagt om twee BBP's aan te nemen inzake het grondgebied van het GGB nr. 1 namelijk het BBP Helihaven en het BBP Willebroeck; dit laatste BBP zal het grondgebied beslaan waar het benzinestation van de eiseres gelegen is; Overwegende dat de procedure voor de goedkeuring van het BBP Wille- broeck gaande is maar dat het plan nog niet definitief goedgekeurd werd, dat de auteur van het ontwerp van BBP en van het Milieueffectenrapport evenwel aangesteld werd bij besluit van de Gemeenteraad van de Stad Brussel van 21 november 2005; (...) Overwegende dat de verwezenlijking van deze wandelruimte onverenigbaar is met de inplanting van een pompstation aan het eind van de wandeling op de Akenkaai; VII-34.744 en VII-35.422-4/11 (...) Overwegende van zodra het BBP Willebroeck goedgekeurd zal zijn, de (sic) tankstation van verzoekende partij niet meer verenigbaar zal zijn met de stedenbouwkundige voorschriften; dat het onbetwistbaar is dat de bevoegde overheid met betrekking tot milieu de stedenbouwkundige wetgeving moet naleven en bijgevolg nagaan of het project de stedenbouwkundige voorschriften naleeft (zie onder andere Raad van State, arrest 104.057 van 27 februari 2002); (...) Overwegende dat het beroep van de eiseres bij de Regering gedeeltelijk gegrond verklaard moet worden, aangezien het verlengingsbeginsel niet betwistbaar is, bij gebrek aan elementen die gebaseerd zijn op artikel 2 van de ordonnantie van 5 juni 1997; Dat het beroep daarentegen slechts gedeeltelijk gegrond is aangezien de milieuvergunning niet voor 15 jaar verlengd kan worden, zoals gevraagd door de eiseres, zo niet wordt de eerder vermelde aanleg op de helling geplaatst; deze aanleg werd reeds sinds lang aangekondigd, is bij Multogas gekend en had reeds in 1999 een vergunning van beperkte duur gerechtvaardigd die niet betwist werd; Dat dezelfde redenen dus opnieuw een vergunning van beperkte duur rechtvaardigen; dat een verlenging voor een periode van een jaar en negen maanden (vanaf de vervaldatum van de oorspronkelijke vergunning 99/025, namelijk van 2 augustus 2005 tot 2 mei 2007) niet verlengbaar dus gerechtvaar- digd is, namelijk de tijd die in principe nodig is voor de goedkeuring van het BBP Willebroeck dat een duidelijk en onbetwistbare juridische basis zal zijn voor de geplande aanleg die uitgevoerd zal worden, een aanleg waarmee de activiteiten van Multogas objectief gezien niet verenigbaar zijn".
- De ontvankelijkheid 2.
- Het besluit van 29 september 2005, dat het voorwerp uitmaakt van het beroep in de zaak A. 166.768/VII-34.744 werd ingetrokken, zodat dit beroep, zoals de verzoekende partij het zelf stelt, zonder voorwerp is geworden. Het beroep in deze zaak wordt verworpen. 2.
- De verzoekende partij heeft vanzelfsprekend geen belang bij de vernietiging van artikel 3 van het tweede bestreden besluit (zaak A.170.053/VII- 35.422), dat het besluit van 29 september 2005 intrekt. Die bepaling is volledig afsplitsbaar van de overige onderdelen van het bestreden besluit. 2.3.
- De verwerende partij betwist in de memorie van antwoord de regelmatigheid van het in rechte treden van de verzoekende partij in de zaak A. 170.053/VII-35.
- VII-34.744 en VII-35.422-5/11 Zij stelt daarover het volgende : " (...) De 'beslissing tot procederen - bestatiging' die verzoekende partij, de BVBA Multogas Service, overlegt als stuk 1, is gedateerd op 7 februari 2006 en ondertekend door de heer P. Van Mullem, zaakvoerder. Overeenkomstig de overgelegde stukken werd de heer P. Van Mullem, samen met de heer J. Van Mullem, benoemd tot zaakvoerder van PVBA Multogas in 1968 (zie proces-verbaal van benoeming betreffende 'PVBA Multogas' van 14 mei 1968, neergelegd ter griffie op 20 mei 1968, bij uittreksel bekendgemaakt in de bijlagen van het Belgisch Staatsblad van 30 mei 1968). De heer P. Van Mullem werd, steeds blijkens de overgelegde stukken, opnieuw benoemd in 1981, en dit 'voor de duur van de vennootschap' (zie proces-verbaal van 15 september 1981 betreffende wijziging van de statuten van 'PVBA Multogas', bij uittreksel bekendgemaakt in de bijlagen van het Belgisch Staatsblad van 6 oktober 1981). (...) De BVBA Multogas Service, verzoekster, enerzijds, en de PVBA Multogas, anderzijds, zijn onderscheiden vennootschappen. Ze hebben een verschillend handelsregisternummer en BTW-nummer. Daarenboven blijkt PVBA Multogas niet meer te bestaan. Uit het proces- verbaal van de buitengewone vergadering van 23 maart 1989, neergelegd ter griffie op 6 april 1989 en bij uittreksel bekendgemaakt in de bijlagen van het Belgisch Staatsblad van 21 april 1989, blijkt dat PVBA Multogas sinds 23 maart 1989 definitief heeft opgehouden te bestaan (...). Verzoekende partij, BVBA Multogas Service, legt daarenboven geen stukken over waaruit zou blijken dat zij, op enigerlei wijze is getreden in de rechten van PVBA Multogas, noch dat er enige identiteit is tussen beide vennootschappen. (...) In de mate verzoekende partij naar de statuten van de PVBA Multogas verwijst om aan te tonen dat de heer P. Van Mullem rechtsgeldig de beslissing kon nemen om onderhavig beroep in te stellen voor de BVBA Multogas Service, moet de vordering dan ook als niet-ontvankelijk worden afgewezen". 2.3.
- Uit de door de verzoekende partij neergelegde stukken en uit de gegevens die zij in haar memorie van wederantwoord verschaft blijkt dat de b.v.b.a. MULTOGAS SERVICE, de verzoekende partij in voorliggende vordering, de voortzetting onder een andere naam vormt van de p.v.b.a. MULTO-SERVICE (later omgevormd tot b.v.b.a.), die werd opgericht bij notariële akte verleden op 27 juni 1975 en die op 23 maart 1989 de p.v.b.a. MULTOGAS en de p.v.b.a. STAR SERVICE heeft opgeslorpt. De opgeslorpte vennootschappen hielden op te bestaan, terwijl de opslorpende vennootschap haar rechtspersoonlijkheid voortzette. De exceptie van de verwerende partij gaat er ten onrechte van uit dat de vroegere p.v.b.a. MULTOGAS, die intussen inderdaad heeft opgehouden te bestaan, wordt aanzien als de rechtsvoorgangster van de verzoekende partij. De exceptie mist derhalve feitelijke grondslag. VII-34.744 en VII-35.422-6/11
- Ten gronde 3.
- In het vierde middel voert de verzoekende partij de schending aan van "artikel 62 van de Ordonnantie van 5 juni 1997 betreffende de milieuver- gunningen, uit het verbod op machtsoverschrijding, uit de schending van artikel 5 van het K.B. van 5 december 1991 tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State, uit de schending van de formele motiveringsplicht van de Wet van 29 juli 1991, uit de schending van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, inzonderheid de materiële motiveringsplicht, het zorgvuldigheidsbeginsel, en uit de afwezigheid van de rechtens vereiste feitelijke en juridische grondslag". Dit middel wordt, onder meer, als volgt toegelicht : "(...) Artikel 4 van het bestreden besluit verleent de verlenging van de milieuver- gunning aan Multogas voor een termijn van 1 jaar en 9 maanden 'niet verlengbaar', vanaf de vervaldatum van de oorspronkelijke vergunning. Ook de motivering van het bestreden besluit geeft aan dat de milieuvergun- ning na 2 mei 2007 niet verlengd zal worden, wegens de vermeende onverenig- baarheid met het toekomstige BBP Willebroeck. De Brusselse regering heeft zich derhalve met het bestreden besluit al uitgesproken over de door Multogas in te dienen nieuwe verlengingsaanvraag voor de periode na 2 mei
- (...) De Brusselse regering mag zich evenwel enkel uitspreken over de huidige aanvraag. Zij begaat een onwettigheid in de mate zij zich uitspreekt over eventuele toekomstige (verlengings-)aanvragen. Dit werd reeds met zoveel woorden bevestigd door Uw Raad in het arrest nr. 150.424 van 19 oktober 2005 inzake de eerdere weigering van de verlenging van de milieuvergunning aan Multogas door de Brusselse Regering (zie eveneens R.v.St., nr. 105.949, 25 mei 2002) : '..., dat die vergunning (de initiële vergunning van 2 augustus 1999) zich bovendien alleen vermocht uit te spreken over de toentertijd ingediende aanvraag, en niet over eventuele toekomstige aanvragen, en derhalve op het eerste gezicht geen voorwaarden kon stellen voor het inwilligen van toekomstige aanvragen, bijvoorbeeld tot verlenging van de vergunning, noch een oordeel kon inhouden over toekomstige aanvragen, ...'. (...) Tegenpartij heeft zich dan ook bezondigd aan machtsoverschrijding, en miskent het gezag van gewijsde van het schorsingsarrest van Uw Raad dd. 19 oktober
- Tevens schendt de bestreden beslissing artikel 62 van de Ordonnantie van 5 juni 1997, dat aan elke exploitant het recht verleent om een verlenging van zijn milieuvergunning te vragen. Dit recht wordt aan Multogas in de bestreden beslissing al preventief ontzegd, en dan nog wel op grond van een onwettige argumentatie, met name de verwijzing naar een op heden onbestaand BBP (cf. tweede middel : verbod een aanvraag te toetsen aan toekomstige, en dus actueel onbestaande, voorschriften)". VII-34.744 en VII-35.422-7/11 3.
- De verwerende partij stelt daar het volgende tegenover : "(...) De milieuvergunningenordonnantie bevat geen enkele bepaling die aan de vergunningverlenende overheid zou verbieden om een niet-verlengbare milieuvergunning of verlenging toe te kennen. (... ) Daarenboven suggereert verzoekende partij opnieuw dat zij een subjectief recht zou hebben op de verlenging van de milieuvergunning. Hoger werd er reeds op gewezen dat verzoekende partij onder geen beding dergelijk recht kan doen gelden. Het behoort tot de discretionaire bevoegdheid van de vergunning- verlenende overheid om de vergunning of verlenging al dan niet toe te kennen, mits naleving van de toepasselijke wetgeving en inachtname van redelijke motieven. (...) Het is trouwens de logica zelve dat een milieuvergunning die wordt toegekend met een kortere termijn dan de algemene regel van vijftien jaar, eveneens kan opleggen dat deze nieuwe vergunning niet meer verlengbaar is. (...) De praktijk van het BIM bevestigt daarenboven dat milieuvergunningen met een kortere en niet verlengbare termijn worden afgeleverd (...). Het eerste voorbeeld dat onder stuk 23 is bijgevoegd, is exemplarisch voor onderhavige zaak. In deze zaak werd de vergunning slechts voor twee jaar verleend (niet verlengbaar) aangezien de site in een GGB gelegen was en aangezien de GGB op korte termijn herzien zou worden dank zij Europese fondsen. De motivatie van de vergunning luidt als volgt : 'le permis est donc compatible avec la destination de la zone à condition de limiter la durée de validité du permis à une durée de 2 ans' (vrije vertaling : 'de vergunning is dus verenigbaar met de bestemming van de zone, op voorwaarde van vermindering van de geldingsduur van de vergunning tot een duur van twee jaar'). Die situatie is vergelijkbaar met de huidige situatie, waar de uitbating thans conform is met de voorschriften maar niet met de bestaande plannen terzake. (...) Ten slotte werd bij de bespreking van de drie eerste middelen reeds uitvoerig uiteengezet dat verwerende partij redelijkerwijze kon besluiten dat de milieuvergunning niet meer verlengd zou worden. In casu komt de termijn van een jaar en 9 maanden overeen met de tijd die nodig is om het BBP Willebroeck goed te keuren. (...) Meer zelfs, door te stellen dat geen verlenging meer mogelijk is, geeft verwerende partij duidelijk aan dat verzoekende partij, op basis van de huidige elementen, zich niet moet verwachten aan een verlenging. Niets sluit evenwel uit dat verwerende partij, bij een wijziging van omstandigheden, alsnog zou terugkomen op de beslissing om niet te verlengen. Uiteraard zal elke nieuwe verlengingsaanvraag opnieuw op haar merites worden getoetst door verwerende partij. Verwerende partij heeft door de bestreden beslissing dus enkel een duidelijke beslissing genomen met de nodige rechtszekerheid voor verzoekende partij. De bestreden beslissing is dan ook gebaseerd op een respect van de in het middel opgeworpen algemene beginselen van behoorlijk bestuur, eerder dan dat zij deze beginselen zou schenden. Door haar optreden verhindert verwerende partij immers het ontstaan van onterechte verwachtingen in hoofde van verweerster (sic), waardoor het vertrouwensbeginsel zou worden geschonden. (...)". VII-34.744 en VII-35.422-8/11 3.
- In haar laatste memorie voegt de verwerende partij daar het volgende aan toe : "(...) De Milieuvergunningenordonnantie bevat geen enkele bepaling die aan de vergunningverlenende overheid zou verbieden om een termijn op te leggen van minder dan vijftien jaar en een niet-verlengbare milieuvergunning of verlenging toe te kennen. (...) Met betrekking tot de vergunningsduur, kan de milieuvergunning overeenkomstig artikel 61, tweede lid, van de Milieuvergunningenordonnantie worden toegekend voor een termijn van minder dan vijftien jaar. Verzoekende partij kan geen subjectief recht laten gelden op de verlenging van de milieuvergunning, laat staan op een verlenging met de maximumduur van 15 jaar. Verwerende partij kan op basis van redelijk verantwoorde doelstellingen van algemeen nut beslissen om de verlenging slechts voor een kortere periode toe te staan. Te dezen wordt deze korte verlenging daarenboven gerechtvaardigd op basis van de bindende planologische voorschriften van het GBP, het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 18 juli 2002, de bestaande plannen tot opmaak van een BBP, en de overwegingen van goede plaatselijke ruimtelijke ordening, die nu reeds hun grondslag vinden in bestaande normen. (...) Met betrekking tot de niet-verlengbaarheid van de vergunning, beschikt verwerende partij eveneens over een beleidsvrijheid, die te dezen niet op een onredelijke wijze werd uitgeoefend. Meer zelfs, door te stellen dat geen verlenging meer mogelijk is, geeft verwerende partij duidelijk aan dat verzoekende partij, op basis van de huidige elementen, zich niet moet verwachten aan een verlenging. Niets sluit evenwel uit dat verwerende partij, bij een wijziging van omstandigheden, alsnog zou terugkomen op de beslissing om niet te verlengen. Uiteraard zal elke nieuwe verlengingsaanvraag opnieuw op haar merites worden getoetst door verwerende partij. Verwerende partij heeft door de bestreden beslissing dus enkel een duidelijke beslissing genomen met de nodige rechtszekerheid voor verzoekende partij. De bestreden beslissing is dan ook gebeurd op een respect van de in het middel opgeworpen algemene beginselen van behoorlijk bestuur, eerder dan dat zij deze beginselen zou schenden. Door haar optreden verhindert verwerende partij immers het ontstaan van onterechte verwachtingen in hoofde van verweerster (sic), waardoor het vertrouwensbeginsel zou worden geschonden". 3.
- Door het verlenen van de vergunning voor een "niet verlengbare" termijn anticipeert de verwerende partij op eventuele toekomstige aanvragen tot hernieuwing van de inrichting, terwijl zij enkel bevoegd was om aan de door haar beoordeelde milieuvergunningsaanvraag gevolgen te verbinden met betrekking tot de duur van die vergunning. Een eventuele hernieuwing van de vergunning zal op haar merites moeten worden beoordeeld door de op dat ogenblik bevoegde overheid, mede aan de hand van de dan geldende of met zekerheid te verwachten regelgeving. Door te stellen dat de verleende termijn "niet verlengbaar" was heeft de verwerende partij te dezen haar bevoegdheid als beroepsinstantie overschreden. Artikel 62, § 1, van de ordonnantie van 5 juni 1997 betreffende de milieuvergunning bepaalt dat enkel de geldigheidsduur van tijdelijke inrichtingen niet kan worden verlengd. Te VII-34.744 en VII-35.422-9/11 dezen gaat het niet om een tijdelijke inrichting in de zin van artikel 3, 2/, van deze ordonnantie. Het middel is gegrond, BESLUIT: Artikel
- Het beroep in de zaak A. 166.768/VII-34.744 wordt verworpen. Artikel
- Vernietigd wordt het artikel 4 van "het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering dd. 26 januari 2006, waarbij de eerdere beslissing van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 29 september 2005 wordt ingetrokken, opnieuw uitspraak wordt gedaan inzake het beroep ingediend door (de b.v.b.a. MULTOGAS SERVICE) tegen de beslissing van het Milieucollege van 26 juli 2005 en waarbij dit beroep ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond wordt verklaard en zodoende aan (de b.v.b.a. MULTOGAS SERVICE) een verlenging van de milieuvergunning wordt toegekend voor een duur van 1 jaar en negen maanden 'niet verlengbaar', vanaf de vervaldatum van de oorspronkelijke vergunning" (zaak A. 170.053/VII-35.422). Artikel
- Dit arrest zal worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als het vernietigde artikel. Artikel
- De kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid in de zaak A. 166.768/VII-34.744, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verwerende partij. De kosten van de vordering tot schorsing in de zaak A. 170.053/VII-35.422, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verwerende partij. De kosten van de annulatieberoepen, bepaald op 350 euro, komen ten laste van de verwerende partij. VII-34.744 en VII-35.422-10/11 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op twaalf juli tweeduizend en zeven, door de VIIe kamer, die was samengesteld uit : Mevr. M.-R. BRACKE, voorzitter van de Raad van State, de H. E. BREWAEYS, staatsraad, Mevr. Ch. BAMPS, staatsraad, Mevr. E. IMPENS, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, E. IMPENS. M.-R. BRACKE. VII-34.744 en VII-35.422-11/11 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.173.413 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div