← België

Arrest 173415 - Milieuvergunningen - 12/07/2007

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 12 juli 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.173.415 Rolnummer: A. 182434/VII-36971 Zaak: Arrest 173415 - Milieuvergunningen - 12/07/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-07-30 Raadplegingen: 51 - laatst gezien 2026-06-29 22:50 Fiche Arrest nr 173.415 van 12 juli 2007 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Milieuvergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 173.415 van 12 juli 2007 in de zaak A. 182.434/VII-36.

  1. In zake :
  2. Bruno STESSENS,
  3. Hugo VAN GESTEL, die woonplaats kiezen bij advocaat L. SOL, kantoor houdende te TURNHOUT, Gemeentestraat 4, bus 6 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat J. BERGÉ, kantoor houdende te LEUVEN, Naamsestraat
  4. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Bruno STESSENS en Hugo VAN GESTEL op 13 april 2007 hebben ingediend om de schorsing te vorderen van de tenuitvoerlegging van het besluit van de Vlaamse minister van Openbare Werken, Energie, Leefmilieu en Natuur van 12 februari 2007 waarbij het beroep ingesteld tegen de beslissing van de bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen van 11 mei 2006, houdende het gedeeltelijk verlenen van de vergunning aan Roel MEEUS om een varkensbedrijf te Retie, Kortijnen 23, verder te exploiteren na verandering en de aktename van de in klasse 3 ingedeelde onderdelen van de inrichting, ongegrond wordt verklaard en de beroepen beslissing wordt bevestigd; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur E. LANCKSWEERDT; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen; VII-36.971-1/6 Gelet op de beschikking van 29 mei 2007 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 28 juni 2007; Gehoord het verslag van staatsraad E. BREWAEYS; Gehoord de opmerkingen van advocaat B. D' HAENE die, loco advocaat L. SOL verschijnt voor verzoekers, en van advocaat N. SCHEEPMANS die, loco advocaat J. BERGÉ verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur E. LANCKSWEERDT; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  5. De feiten 1.
  6. Roel MEEUS exploiteert een varkensbedrijf aan de Kortijnen 23 te Retie. 1.
  7. Verzoekers zijn omwonenden van de inrichting. 1.
  8. Volgens het bij koninklijk besluit van 28 juli 1978 vastgestelde gewestplan Herentals-Mol is de inrichting gelegen in landschappelijk waardevol agrarisch gebied. 1.
  9. Op 11 januari 2006 vraagt Roel MEEUS een milieuvergunning aan om zijn inrichting verder te exploiteren na verandering en doet hij eveneens melding van de verschillende in klasse 3 ingedeelde onderdelen van de inrichting. 1.
  10. Tijdens het openbaar onderzoek wordt slechts één collectief bezwaarschrift ingediend door het buurtcomité "Kortijnen". 1.
  11. Op 11 mei 2006 verleent de bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen, enerzijds, de gevraagde milieuvergunning voor een termijn verstrijkend op 11 mei 2026 en wordt, anderzijds, akte genomen van de in klasse 3 ingedeelde onderdelen van de inrichting. VII-36.971-2/6 1.
  12. Tegen voornoemde beslissing wordt op 31 juli 2006 door omwonenden beroep ingesteld bij de Vlaamse minister van Openbare Werken, Energie, Leefmilieu en Natuur. 1.
  13. Na het inwinnen van de nodige adviezen, wordt op 12 februari 2007 het ministerieel besluit genomen, waarbij het administratief beroep wordt verworpen en de beroepen beslissing wordt bevestigd. Dit is het thans bestreden besluit.
  14. Beoordeling 2.
  15. Op grond van artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten akte of verordening kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden akte of verordening een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen. Er kan alleen rekening worden gehouden met hetgeen terzake in het verzoekschrift wordt uiteengezet en gestaafd. De Raad van State kan geen acht slaan op hetgeen in later ingediende geschriften of ter terechtzitting nog door verzoekers wordt bijgebracht. 2.2.
  16. In het eerste middel voeren verzoekers de schending aan van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshande- lingen. Zij beweren dat het bestreden besluit "enkel formeel rekening houdt met het aspect landschappelijk waardevol agrarisch gebied", terwijl het minstens een motivering moet weergeven met betrekking tot de bescherming van het landschap. Zij wijzen erop dat het bestreden besluit geen rekening houdt met het specifiek karakter van het gebied en voegen hieraan toe dat "enkel en alleen al" "stallen voor 1.478 varkens, de uitbreiding van opslag tot een totaal van 2.520 m³ mengmest, ... de schoonheidswaarde van het landschap in gevaar brengen en verstoren". Ten slotte beweren zij dat de omliggende buurt "Kortijnen" haar "verzadigingspunt" heeft bereikt, maar het bestreden besluit hiermee geen rekening heeft gehouden. 2.2.
  17. In haar nota repliceert de verwerende partij dat verzoekers onvoldoende concrete elementen aanbrengen om het eerste middel kracht bij te zetten en dat het bestreden besluit afdoende wordt gemotiveerd omtrent de VII-36.971-3/6 ruimtelijke verenigbaarheid van de inrichting met het bestemmingsgebied. Zij stelt hieromtrent het volgende in haar nota : "(...) De gratuite bewering van de verzoekende partijen dat de bouw van de imposante varkensstallen het esthetisch karakter van het gebied zal bedreigen (...) is niet van die aard dat de motivering van het bestreden besluit op het vlak van de ruimtelijke verenigbaarheid wordt aangetast. (...)
  18. De verzoekende partijen geven geen uitleg over de ruimtelijke impact van de hinder uit oorzaak van de exploitatie. De wijze waarop het ruimtelijk draagvlak van de wijk Kortijnen op dit punt wordt overschreden is op grond van de gegevens van de zaak allesbehalve evident. Het komt aan de verzoeken- de partijen toe om het saturatiepunt toe te lichten, wat niet gebeurt. De bestaande exploitatie betreft sinds jaar en dag 1120 varkens, waaraan het bestreden besluit een vergunning voor 358 varkens toevoegt, wat een uitbreiding van 31,96 %, of minder dan 1/3 betekent. De nieuwe ammoniakemissie-arme stal voldoet klaarblijkelijk al aan alle aspecten van de BBT, en het bestreden besluit strekt ertoe om de hinder maximaal te beperken. De verzoekende partij(en) (tonen) het tegendeel niet aan. (...)". 2.2.
  19. In het bestreden besluit wordt overwogen : "dat vanuit oogpunt van de stedenbouwkundige en ruimtelijke aspecten gesteld kan worden dat de exploitatie van de inrichting die het voorwerp van de voormelde milieuvergunningsaanvraag uitmaakt, hier verenigbaar is met de toepasselijke ruimtelijke en stedenbouwkundige voorschriften; dat de oprichting van de nieuwe ammoniakemissiearme vleesvarkensstal voldoende aansluit bij het bestaande stallencomplex en qua beoogd gebruik verenigbaar is met de planologische bestemming; dat de orthofoto aantoont dat de nieuwe stalling gebouwd wordt op een plaats die westelijk paalt aan het bestaand stallencomplex en die zuidelijk en oostelijk omgeven wordt door een beperkt bomenbestand; dat er in de feitelijke context dan ook slechts een beperkte aantasting van de schoonheidswaarden van het landschap kan worden verwacht". 2.2.
  20. De bewering van verzoekers dat het bestreden besluit geen motivering bevat omtrent de verenigbaarheid van de vergunde inrichting met de bestemmingsvoorschriften van het gebied, mist op het eerste gezicht feitelijke grondslag. Het bestreden besluit bevat immers een aantal concrete gegevens en beschrijvingen, op grond waarvan de verwerende partij rechtsgeldig kon besluiten tot de verenigbaarheid van de betrokken inrichting met het bestemmingsgebied. Verzoekers tonen niet aan dat deze feitelijke gegevens op het eerste gezicht onjuist zouden zijn, noch dat de daaruit getrokken conclusie kennelijk onredelijk zou zijn. VII-36.971-4/6 Ook stelt artikel 15.4.6.
  21. van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp- gewestplannen en gewestplannen dat er bepaalde beperkingen kunnen worden opgelegd in een landschappelijk waardevol gebied, met het oog op de bescherming of de ontwikkeling van het landschap en dat "alle handelingen en werken mogen worden uitgevoerd" die overeenstemmen met de bestemming van het gebied, voor zover zij "de schoonheidswaarde van het landschap niet in gevaar brengen". Verzoekers voeren onvoldoende concrete elementen aan die zouden aantonen dat de schoonheidswaarde van het agrarisch gebied in het gedrang wordt gebracht door de toevoeging van een ammoniakemissiearme stal aan de betrokken inrichting. Het eerste middel is niet ernstig. 2.3.
  22. In het tweede middel voeren verzoekers aan dat er sprake is van dwaling over de feiten, doordat de minister in het bestreden besluit verkeerdelijk stelt "dat voor personen die woonachtig zijn in een agrarisch gebied, er wordt vanuit gegaan dat er een grotere tolerantiegraad wordt geduld voor de exploitatie van veehouderijen". Verder wijzen zij er opnieuw op dat er reeds twee milieuvergun- ningen in het betrokken gebied zijn verleend en de tolerantiedrempel zal worden overschreden door de thans vergunde verandering van de inrichting. 2.3.
  23. Het tweede middel is zeer gebrekkig geformuleerd. In het bestreden besluit is een omstandige milieuhygiënische motivering aan te treffen waaruit op het eerste gezicht kan worden afgeleid dat de hinder en de risico's ten gevolge van de verandering van de inrichting binnen aanvaardbare grenzen zullen blijven. Verzoekers brengen geen concrete elementen aan om het tegendeel te bewijzen. Het loutere feit dat er in het verleden reeds vergunningen werden verleend voor andere veehouderijen in de omgeving, toont niet aan dat de tolerantiedrempel te dezen zou zijn overschreden. Het blijkt ook niet dat de minister, bij het nemen van het thans bestreden besluit, de toedracht van de feiten zou hebben miskend of kennelijk onredelijk zou hebben gehandeld. Het tweede middel is niet ernstig.
  24. Er is bijgevolg niet voldaan aan de eerste voorwaarde van artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State. Deze vaststelling volstaat om de vordering tot schorsing af te wijzen, VII-36.971-5/6 BESLUIT: Artikel
  25. De vordering tot schorsing wordt verworpen. Artikel
  26. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op twaalf juli tweeduizend en zeven, door : de H. E. BREWAEYS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. E. IMPENS, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, E. IMPENS. E. BREWAEYS. VII-36.971-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.173.415 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.192.594 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.