id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 12 juli 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.173.484 Rolnummer: A. 181546/X-13203 Zaak: Arrest 173484 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 12/07/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-08-22 Raadplegingen: 63 - laatst gezien 2026-06-29 22:57 Fiche Arrest nr 173.484 van 12 juli 2007 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 173.484 van 12 juli 2007 in de zaak A. 181.546/X-13.203. In zake : Bernard VAN HOUTTE, die woonplaats kiest bij advocaat D. SOCQUET, kantoor houdende te 3080 TERVUREN, Merenstraat 28 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat M. van DIEVOET, kantoor houdende te 1000 BRUSSEL, Boomstraat 14, bus 3. DE WND. VOORZITTER VAN DE Xe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Bernard VAN HOUTTE op 7 maart 2007 heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van het besluit van 20 december 2006 van de Vlaamse minister van Financiën en Begroting en Ruimtelijke Ordening, houdende inwilliging van het administratief beroep ingesteld door VAN ROSSUM-VAN ROY tegen het uitblijven van een beslissing van de bestendige deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant over het beroep dat zij hadden ingesteld tegen het besluit van 19 juni 2006 van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Tervuren, waarbij hen de vergunning is geweigerd voor het oprichten van een eengezinswoning, voorafgegaan door de afbraak van een eengezinswoning en het vellen van drie hoogstammige bomen te Tervuren, Wezembeekstraat 6, kadastraal bekend sectie G, nrs. 42/y en 43/b2; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur T. DE WAELE; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; X-13.203-1/11 Gelet op de beschikking van 8 mei 2007 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 25 mei 2007; Gehoord het verslag van staatsraad D. MOONS; Gehoord de opmerkingen van advocaat D. SOCQUET, die verschijnt voor de verzoekende partij, en van advocaat T. DE KETELAERE, die loco advocaat M. van DIEVOET verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur T. DE WAELE; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; 1. Feiten Overwegende dat de feitelijke gegevens van de zaak zich in de huidige stand van het geding als volgt aandienen: 1.1. De verzoeker stelt samen met zijn echtgenote sedert 1985 eigenaar en bewoner te zijn van een “villa, type bungalow”, gelegen aan de Wezembeekstraat nr. 8 te Tervuren. De eigendom en de buurt errond blijken volgens de bestemmingsvoorschriften van het gewestplan Leuven gesitueerd te zijn in een woonparkgebied. Ter plaatse is geen bijzonder plan van aanleg of ruimtelijk uitvoeringsplan van kracht, noch zijn er verkavelingsvoorschriften. 1.2. In mei 2006 dienen de heer en mevrouw VAN ROSSUM-VAN ROY bij het gemeentebestuur van Tervuren een stedenbouwkundige aanvraag in met betrekking tot de aanpalende eigendom, gelegen aan de Wezembeekstraat nr. 6. Het blijkt de bedoeling te zijn om op dit perceel een aan de straatzijde op de rooilijn staande oudere woning te slopen, en deze te vervangen X-13.203-2/11 door een nieuwbouw met een bouwlijn op meer dan 5 meter van de straat, en met zijdelingse bouwvrije stroken van 3,03m links en 3,51m rechts. Aan de zijde van de eigendom van de verzoeker voorzien de bouwplannen een aan de woning gebouwde garage, die op de perceelgrens zou worden opgetrokken. 1.3. Over de aanvraag wordt een openbaar onderzoek georganiseerd, en met een aangetekend schrijven van 6 juni 2006 dienen de verzoeker en zijn echtgenote bezwaar in tegen de plannen. In hun bezwaarschrift merken zij onder meer op dat de op de perceelgrens voorziene garage op slechts 0,40 m afstand van de zijmuur van hun eigen garage zal komen te staan. De verzoeker bezit inderdaad een garage, waarvan de inplanting oorspronkelijk in 1980 eveneens vergund werd op de perceelgrens. De garage werd evenwel geplaatst op 0,40 meter uit de perceelgrens, en naar aanleiding van een uitbreiding van deze garage met een schildersatelier werd deze inplanting mee geregulariseerd door het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Tervuren met een vergunning verleend op 19 november 2001. 1.4. Met een besluit van 19 juni 2006 weigert het college van burgemeester en schepenen de gevraagde vergunning. Het gemeentebestuur bevindt het bezwaarschrift van de verzoeker deels gegrond, en motiveert daarnaast o.a. dat de in de plannen voorziene zijdelingse bouwvrije stroken in een woonpark eerder beperkt zijn, dat ook de garage tot op de perceelgrens en het gebrek aan aansluiting op de garage van de verzoeker strijdt met de goede ruimtelijke ordening, en dat de derde bouwlaag in de woning niet kan worden aanvaard. 1.5. De aanvragers tekenen tegen dit besluit administratief beroep aan bij de deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant. Wegens het uitblijven van een tijdige beslissing van de deputatie, dienen zij op 19 september 2006 beroep in bij de bevoegde Vlaamse minister. X-13.203-3/11 1.6. Op 13 oktober 2006 bericht de gemachtigde ambtenaar van Vlaams-Brabant de minister dat hij de aanvraag ongunstig adviseert, en dat hij de argumentatie van het gemeentebestuur bijtreedt. Ook de gemeente Tervuren laat bij brief van 17 oktober 2006 weten bij haar standpunt te blijven. Naar aanleiding van een hoorzitting op de diensten van de administratie verdedigen de aanvragers en hun architect het dossier. 1.7. Met een besluit van 20 december 2006 willigt de minister het door de aanvragers ingestelde beroep in. 1.8. Op zijn verzoek, krijgt de verzoeker per brief van 24 januari 2007 een kopie van het bestreden besluit; 2. Ten gronde 2.1. Overwegende dat krachtens artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging kan worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; 2.2.1. Overwegende, wat de tweede voorwaarde betreft, dat de verzoeker het volgende aanvoert: “De verzoekende partij is destijds in 1985 overgegaan tot de aankoop van zijn woning, gelegen langsheen de Wezembeekstraat te Tervuren en is er sindsdien met zijn gezin woonachtig. Verzoeker heeft de woning destijds aangekocht gelet op de zeer rustige ligging, de residentiële aard en het groene karakter van de omgeving. Verzoeker was de mening toegedaan dat de ter plaatse geldende planologische voorschriften, inzonderheid de bestemming woonpark, hem hiertoe de nodige garanties zou bieden naar de toekomst toe. Tot vandaag, anno 2007, heeft verzoeker, samen met zijn gezin, het volle genot gehad van het feit dat hun woning gelegen is in een woonpark. De bouwplannen van de aanpalende buur dreigen dit rustige genot en de hieraan verbonden leefkwaliteit te verstoren. De omgeving ter plaatse wordt gekenmerkt door alleenstaande woningen omgeven met groen, waarbij de woningen een vergelijkbare bouwtrend hebben X-13.203-4/11 met een gabariet met een maximaal bouwvolume van twee bouwlagen met een zadeldak. Het woonpark is ook effectief bestemd als een woongebied van louter residentiële aard en bijgevolg gericht op het rustig verblijven in een homogeen voor het wonen bestemd woongebied in het groen. Uit de bespreking van de middelen blijkt echter dat de thans op het aanpalende perceel voorziene constructie geenszins overeenstemt met de bedoeling van een woonpark en inzonderheid niet verenigbaar is met de onmiddellijke omgeving. In deze dient thans te worden vastgesteld dat de aanpalende buren thans een woonhuis gaan (oprichten) tot op de perceelsgrens, dat hierbij de bestaande groenaanplanting zal dienen te verdwijnen en minstens ernstige schade zal ondervinden en dat daarenboven de op te richten constructie wordt gebouwd met drie woonlagen met grote glaspartijen, hoekraam en terrassen. Eén en ander zal niet alleen nefast zijn voor het esthetische karakter van de buurt, doch tevens voor het rustige genot van de woning van verzoeker en diens gezin. Daarenboven zal de aanbouw tot tegen de perceelsgrens uiteraard tevens een belangrijke waardevermindering tot gevolg hebben voor de woning van verzoeker. De garage van verzoeker werd ingeplant op ongeveer een halve meter van de perceelsgrens; zo thans de woning van de aanpalende buren zou worden opgericht op de perceelsgrens is het eenvoudigweg materieel niet meer mogelijk om nog tussen de twee muren te geraken, laat staan met het oog op het uitvoeren van enige werken, zoals bijvoorbeeld het instrijken van de gevel tegen vocht of het vervangen of herstellen van de regenpijp. Feit is dat de buitenmuren van de garage van verzoeker geschilderd zijn; hoe kan de verzoekende partij de zijgevel van de garage nog opnieuw schilderen? De stelling van de minister dat ‘gezien het resterende gedeelte van 0,50 à 0,40 m tussen de bestaande garage en de aangrenzende perceelsgrens, onderhoud nog steeds mogelijk blijft’, getuigt echter van weinig realiteitszin; immers, hoe kan een schilder in een ‘spouw' van een halve meter of minder een stelling maken of ladders plaatsen met het oog op het uitvoeren van schilderwerken? Dit is eenvoudigweg niet mogelijk. Feit is bovendien dat de verzoekende partij niet meer in de mogelijkheid zal zijn om rondom zijn eigendom te gaan; van een open bebouwing verwordt het perceel van verzoeker als het ware (tot) een halfopen bebouwing (tenzij de minister ook hier de mening is toegedaan dat men maar tussen de spouw dient te kruipen). Waar in het woonpark tot op heden alleenstaande villa’s werden gebouwd, wordt thans toegelaten dat er een volledige woning tot tegen de perceelsgrens wordt opgericht. Hierbij dient dan nog te worden opgemerkt dat het hier niet de oprichting betreft van een bij een woning aanhorige constructie in de tuinzone, zoals bijvoorbeeld een tuinhuis of de aanleg van een openlucht zwembad of van tuinpaden of een carport, zelfs niet van een afzonderlijke garage. De minister laat uitschijnen dat het hier om een afzonderlijke constructie zou gaan die zelfs dient te zorgen ‘om een overgang te voorzien naar het op het rechterperceel gelegen garagegebouw’. De garage van verzoeker betreft een afzonderlijke constructie; de garage voorzien in het bestreden ontwerp maakt eenvoudigweg integraal deel uit van de woning. De bestreden vergunning laat aldus toe, niet dat een afzonderlijke beperkte constructie zou worden opgericht tot op de perceelsgrens, doch wel dat een volledige woning op het bouwperceel wordt opgericht tot op de perceelsgrens zonder dat er enige rekening dient te worden gehouden met enige zijdelingse X-13.203-5/11 afstand tussen de percelen of de bestaande constructies op het perceel van verzoeker. Zoals hiervoor reeds uiteengezet heeft nochtans de gemeente er uitdrukkelijk op gewezen dat het in deze gaat om een garage die in de woning zelf geïntegreerd is en die bijgevolg geen vrijstaand bijgebouw is. Bovendien sluit de op te richten woning ook niet op harmonische wijze aan op de bestaande garage van verzoeker. De inplanting van de garage van verzoeker, alhoewel oorspronkelijk anders voorzien, is stedenbouwkundig in orde; immers, in de oorspronkelijke vergunning van 2 oktober 1980 was inderdaad voorzien dat de garages zouden worden opgericht tot op de perceelsgrens, doch op 19 november 2001 werd de inplanting volledig geregulariseerd ingevolge de toegekende vergunning (voor) het uitbreiden van de alsdan bestaande garage met een schildersatelier. De redenering van de minister dat ‘bij een mogelijke herbouwing van deze garage wel perfect aansluiting kan bekomen worden met onderhavige garage’ kan uiteraard niet worden weerhouden; het is integendeel de minster die bij de toekenning van een nieuwe stedenbouwkundige vergunning rekening dient te houden met de onmiddellijke omgeving en met de bestaande (vergunde) constructies; de verzoekende partij kan toch moeilijk overgaan tot de afbraak van de voorheen gebouwde garages teneinde de thans bestreden vergunde woning te laten aansluiten tot een harmonisch geheel? Ook het toelaten van het oprichten van een constructie met drie volwaardige bouwlagen brengt de verzoekende partij een ernstig nadeel toe. Immers, enerzijds zal de oprichting van deze constructie een ernstige verstoring in het straatbeeld teweeg brengen, temeer daar de gangbare bouwnorm thans woningen betreft met telkens maximaal twee bouwlagen met een zadeldak; één en ander doet afbreuk aan de homogeniteit van het straatbeeld. Anderzijds is het inderdaad zo dat, temeer gelet op de inplanting van de woning tot op de perceelsgrens en aldus het manifest gebrek van een zone non aedificandi, de oprichting van een constructie met drie woonlagen de privacy en aldus het rustig genot van verzoeker niet ten goede zal komen; hierbij dient rekening te worden gehouden met het feit dat de beplantingen gedeeltelijk(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.