← België

Arrest 173484 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 12/07/2007

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 12 juli 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.173.484 Rolnummer: A. 181546/X-13203 Zaak: Arrest 173484 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 12/07/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-08-22 Raadplegingen: 63 - laatst gezien 2026-06-29 22:57 Fiche Arrest nr 173.484 van 12 juli 2007 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 173.484 van 12 juli 2007 in de zaak A. 181.546/X-13.203. In zake : Bernard VAN HOUTTE, die woonplaats kiest bij advocaat D. SOCQUET, kantoor houdende te 3080 TERVUREN, Merenstraat 28 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat M. van DIEVOET, kantoor houdende te 1000 BRUSSEL, Boomstraat 14, bus 3. DE WND. VOORZITTER VAN DE Xe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Bernard VAN HOUTTE op 7 maart 2007 heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van het besluit van 20 december 2006 van de Vlaamse minister van Financiën en Begroting en Ruimtelijke Ordening, houdende inwilliging van het administratief beroep ingesteld door VAN ROSSUM-VAN ROY tegen het uitblijven van een beslissing van de bestendige deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant over het beroep dat zij hadden ingesteld tegen het besluit van 19 juni 2006 van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Tervuren, waarbij hen de vergunning is geweigerd voor het oprichten van een eengezinswoning, voorafgegaan door de afbraak van een eengezinswoning en het vellen van drie hoogstammige bomen te Tervuren, Wezembeekstraat 6, kadastraal bekend sectie G, nrs. 42/y en 43/b2; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur T. DE WAELE; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; X-13.203-1/11 Gelet op de beschikking van 8 mei 2007 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 25 mei 2007; Gehoord het verslag van staatsraad D. MOONS; Gehoord de opmerkingen van advocaat D. SOCQUET, die verschijnt voor de verzoekende partij, en van advocaat T. DE KETELAERE, die loco advocaat M. van DIEVOET verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur T. DE WAELE; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; 1. Feiten Overwegende dat de feitelijke gegevens van de zaak zich in de huidige stand van het geding als volgt aandienen: 1.1. De verzoeker stelt samen met zijn echtgenote sedert 1985 eigenaar en bewoner te zijn van een “villa, type bungalow”, gelegen aan de Wezembeekstraat nr. 8 te Tervuren. De eigendom en de buurt errond blijken volgens de bestemmingsvoorschriften van het gewestplan Leuven gesitueerd te zijn in een woonparkgebied. Ter plaatse is geen bijzonder plan van aanleg of ruimtelijk uitvoeringsplan van kracht, noch zijn er verkavelingsvoorschriften. 1.2. In mei 2006 dienen de heer en mevrouw VAN ROSSUM-VAN ROY bij het gemeentebestuur van Tervuren een stedenbouwkundige aanvraag in met betrekking tot de aanpalende eigendom, gelegen aan de Wezembeekstraat nr. 6. Het blijkt de bedoeling te zijn om op dit perceel een aan de straatzijde op de rooilijn staande oudere woning te slopen, en deze te vervangen X-13.203-2/11 door een nieuwbouw met een bouwlijn op meer dan 5 meter van de straat, en met zijdelingse bouwvrije stroken van 3,03m links en 3,51m rechts. Aan de zijde van de eigendom van de verzoeker voorzien de bouwplannen een aan de woning gebouwde garage, die op de perceelgrens zou worden opgetrokken. 1.3. Over de aanvraag wordt een openbaar onderzoek georganiseerd, en met een aangetekend schrijven van 6 juni 2006 dienen de verzoeker en zijn echtgenote bezwaar in tegen de plannen. In hun bezwaarschrift merken zij onder meer op dat de op de perceelgrens voorziene garage op slechts 0,40 m afstand van de zijmuur van hun eigen garage zal komen te staan. De verzoeker bezit inderdaad een garage, waarvan de inplanting oorspronkelijk in 1980 eveneens vergund werd op de perceelgrens. De garage werd evenwel geplaatst op 0,40 meter uit de perceelgrens, en naar aanleiding van een uitbreiding van deze garage met een schildersatelier werd deze inplanting mee geregulariseerd door het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Tervuren met een vergunning verleend op 19 november 2001. 1.4. Met een besluit van 19 juni 2006 weigert het college van burgemeester en schepenen de gevraagde vergunning. Het gemeentebestuur bevindt het bezwaarschrift van de verzoeker deels gegrond, en motiveert daarnaast o.a. dat de in de plannen voorziene zijdelingse bouwvrije stroken in een woonpark eerder beperkt zijn, dat ook de garage tot op de perceelgrens en het gebrek aan aansluiting op de garage van de verzoeker strijdt met de goede ruimtelijke ordening, en dat de derde bouwlaag in de woning niet kan worden aanvaard. 1.5. De aanvragers tekenen tegen dit besluit administratief beroep aan bij de deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant. Wegens het uitblijven van een tijdige beslissing van de deputatie, dienen zij op 19 september 2006 beroep in bij de bevoegde Vlaamse minister. X-13.203-3/11 1.6. Op 13 oktober 2006 bericht de gemachtigde ambtenaar van Vlaams-Brabant de minister dat hij de aanvraag ongunstig adviseert, en dat hij de argumentatie van het gemeentebestuur bijtreedt. Ook de gemeente Tervuren laat bij brief van 17 oktober 2006 weten bij haar standpunt te blijven. Naar aanleiding van een hoorzitting op de diensten van de administratie verdedigen de aanvragers en hun architect het dossier. 1.7. Met een besluit van 20 december 2006 willigt de minister het door de aanvragers ingestelde beroep in. 1.8. Op zijn verzoek, krijgt de verzoeker per brief van 24 januari 2007 een kopie van het bestreden besluit; 2. Ten gronde 2.1. Overwegende dat krachtens artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging kan worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; 2.2.1. Overwegende, wat de tweede voorwaarde betreft, dat de verzoeker het volgende aanvoert: “De verzoekende partij is destijds in 1985 overgegaan tot de aankoop van zijn woning, gelegen langsheen de Wezembeekstraat te Tervuren en is er sindsdien met zijn gezin woonachtig. Verzoeker heeft de woning destijds aangekocht gelet op de zeer rustige ligging, de residentiële aard en het groene karakter van de omgeving. Verzoeker was de mening toegedaan dat de ter plaatse geldende planologische voorschriften, inzonderheid de bestemming woonpark, hem hiertoe de nodige garanties zou bieden naar de toekomst toe. Tot vandaag, anno 2007, heeft verzoeker, samen met zijn gezin, het volle genot gehad van het feit dat hun woning gelegen is in een woonpark. De bouwplannen van de aanpalende buur dreigen dit rustige genot en de hieraan verbonden leefkwaliteit te verstoren. De omgeving ter plaatse wordt gekenmerkt door alleenstaande woningen omgeven met groen, waarbij de woningen een vergelijkbare bouwtrend hebben X-13.203-4/11 met een gabariet met een maximaal bouwvolume van twee bouwlagen met een zadeldak. Het woonpark is ook effectief bestemd als een woongebied van louter residentiële aard en bijgevolg gericht op het rustig verblijven in een homogeen voor het wonen bestemd woongebied in het groen. Uit de bespreking van de middelen blijkt echter dat de thans op het aanpalende perceel voorziene constructie geenszins overeenstemt met de bedoeling van een woonpark en inzonderheid niet verenigbaar is met de onmiddellijke omgeving. In deze dient thans te worden vastgesteld dat de aanpalende buren thans een woonhuis gaan (oprichten) tot op de perceelsgrens, dat hierbij de bestaande groenaanplanting zal dienen te verdwijnen en minstens ernstige schade zal ondervinden en dat daarenboven de op te richten constructie wordt gebouwd met drie woonlagen met grote glaspartijen, hoekraam en terrassen. Eén en ander zal niet alleen nefast zijn voor het esthetische karakter van de buurt, doch tevens voor het rustige genot van de woning van verzoeker en diens gezin. Daarenboven zal de aanbouw tot tegen de perceelsgrens uiteraard tevens een belangrijke waardevermindering tot gevolg hebben voor de woning van verzoeker. De garage van verzoeker werd ingeplant op ongeveer een halve meter van de perceelsgrens; zo thans de woning van de aanpalende buren zou worden opgericht op de perceelsgrens is het eenvoudigweg materieel niet meer mogelijk om nog tussen de twee muren te geraken, laat staan met het oog op het uitvoeren van enige werken, zoals bijvoorbeeld het instrijken van de gevel tegen vocht of het vervangen of herstellen van de regenpijp. Feit is dat de buitenmuren van de garage van verzoeker geschilderd zijn; hoe kan de verzoekende partij de zijgevel van de garage nog opnieuw schilderen? De stelling van de minister dat ‘gezien het resterende gedeelte van 0,50 à 0,40 m tussen de bestaande garage en de aangrenzende perceelsgrens, onderhoud nog steeds mogelijk blijft’, getuigt echter van weinig realiteitszin; immers, hoe kan een schilder in een ‘spouw' van een halve meter of minder een stelling maken of ladders plaatsen met het oog op het uitvoeren van schilderwerken? Dit is eenvoudigweg niet mogelijk. Feit is bovendien dat de verzoekende partij niet meer in de mogelijkheid zal zijn om rondom zijn eigendom te gaan; van een open bebouwing verwordt het perceel van verzoeker als het ware (tot) een halfopen bebouwing (tenzij de minister ook hier de mening is toegedaan dat men maar tussen de spouw dient te kruipen). Waar in het woonpark tot op heden alleenstaande villa’s werden gebouwd, wordt thans toegelaten dat er een volledige woning tot tegen de perceelsgrens wordt opgericht. Hierbij dient dan nog te worden opgemerkt dat het hier niet de oprichting betreft van een bij een woning aanhorige constructie in de tuinzone, zoals bijvoorbeeld een tuinhuis of de aanleg van een openlucht zwembad of van tuinpaden of een carport, zelfs niet van een afzonderlijke garage. De minister laat uitschijnen dat het hier om een afzonderlijke constructie zou gaan die zelfs dient te zorgen ‘om een overgang te voorzien naar het op het rechterperceel gelegen garagegebouw’. De garage van verzoeker betreft een afzonderlijke constructie; de garage voorzien in het bestreden ontwerp maakt eenvoudigweg integraal deel uit van de woning. De bestreden vergunning laat aldus toe, niet dat een afzonderlijke beperkte constructie zou worden opgericht tot op de perceelsgrens, doch wel dat een volledige woning op het bouwperceel wordt opgericht tot op de perceelsgrens zonder dat er enige rekening dient te worden gehouden met enige zijdelingse X-13.203-5/11 afstand tussen de percelen of de bestaande constructies op het perceel van verzoeker. Zoals hiervoor reeds uiteengezet heeft nochtans de gemeente er uitdrukkelijk op gewezen dat het in deze gaat om een garage die in de woning zelf geïntegreerd is en die bijgevolg geen vrijstaand bijgebouw is. Bovendien sluit de op te richten woning ook niet op harmonische wijze aan op de bestaande garage van verzoeker. De inplanting van de garage van verzoeker, alhoewel oorspronkelijk anders voorzien, is stedenbouwkundig in orde; immers, in de oorspronkelijke vergunning van 2 oktober 1980 was inderdaad voorzien dat de garages zouden worden opgericht tot op de perceelsgrens, doch op 19 november 2001 werd de inplanting volledig geregulariseerd ingevolge de toegekende vergunning (voor) het uitbreiden van de alsdan bestaande garage met een schildersatelier. De redenering van de minister dat ‘bij een mogelijke herbouwing van deze garage wel perfect aansluiting kan bekomen worden met onderhavige garage’ kan uiteraard niet worden weerhouden; het is integendeel de minster die bij de toekenning van een nieuwe stedenbouwkundige vergunning rekening dient te houden met de onmiddellijke omgeving en met de bestaande (vergunde) constructies; de verzoekende partij kan toch moeilijk overgaan tot de afbraak van de voorheen gebouwde garages teneinde de thans bestreden vergunde woning te laten aansluiten tot een harmonisch geheel? Ook het toelaten van het oprichten van een constructie met drie volwaardige bouwlagen brengt de verzoekende partij een ernstig nadeel toe. Immers, enerzijds zal de oprichting van deze constructie een ernstige verstoring in het straatbeeld teweeg brengen, temeer daar de gangbare bouwnorm thans woningen betreft met telkens maximaal twee bouwlagen met een zadeldak; één en ander doet afbreuk aan de homogeniteit van het straatbeeld. Anderzijds is het inderdaad zo dat, temeer gelet op de inplanting van de woning tot op de perceelsgrens en aldus het manifest gebrek van een zone non aedificandi, de oprichting van een constructie met drie woonlagen de privacy en aldus het rustig genot van verzoeker niet ten goede zal komen; hierbij dient rekening te worden gehouden met het feit dat de beplantingen gedeeltelijk(

  1. e)zullen (dienen
  2. te)verdwijnen en met het feit dat de derde verdieping effectief zal gebruikt worden als leefruimte en niet als een zolderkamer en dat deze verdieping voorzien is van drie grote glaspartijen tot op de grond, waarvan twee in de hoek; daarenboven worden er op deze verdieping nog terrassen aangebracht, hetgeen uiteraard eveneens nefast zal zijn voor de privacy. Het is tot slot onaanvaardbaar dat de op te richten constructie, die tot een diepte van 15 meter zal worden bebouwd vanaf de rooilijn, tot op de perceelsgrens mag worden opgericht in een woonpark dat juist gericht is op het rustig verblijven in een homogeen voor het wonen bestemd woongebied in het groen, waarbij er tenandere nog een aantal bomen zullen worden gerooid (drie volgens de vergunning) en er ongetwijfeld veel schade zal worden toegebracht aan de reeds 40 jaar bestaande beplanting. Alle beplanting tussen de bestaande garage van verzoeker en de nieuw op te richten constructie zal daarenboven noodgedwongen dienen verwijderd te worden. Ook al de beplantingen langsheen de zijdelingse perceelsgrens, tot in de tuin van verzoeker, zullen dienen te verdwijnen; ofwel zullen deze worden beschadigd ingevolge de uit te voeren funderingswerken voor de nieuwbouw ofwel zullen deze eenvoudigweg afsterven ingevolge een gebrek aan zonlicht (planten die tegen een muur staan, worden nu eenmaal bruin langs de zijde waar er geen licht aan kan). Door de oprichting van de thans vergunde constructie, tot op de perceelsgrens, dewelke voor een groot gedeelte tot in de tuin van verzoekers zal X-13.203-6/11 reiken, zal verzoeker, samen met zijn gezin, dienen uit te kijken, niet langer op planten en bomen, doch wel op een blinde muur. De oprichting van de bestreden constructie zal aldus tot rechtstreeks gevolg hebben dat er licht, lucht en bezonning zal verdwijnen in de tuin van verzoeker. De bedoeling van een woning te kopen in een woonpark was echter om rustig te kunnen wonen omgeven door veel groen; één en ander verklaart ten andere ook de hoge aankoopprijs van de bouwgronden en woningen in de buurt. Verzoeker zal ingevolge de tenuitvoerlegging van de bestreden vergunning ten definitieve titel niet langer woonachtig zijn op een ‘open perceel’ doch zal gedeeltelijk ingesloten zijn met alle negatieve gevolgen van dien voor het rustige woongenot. Dat verzoeker aldus wel degelijk een ernstig nadeel dreigt te ondergaan ingevolge de realisatie van de thans bestreden stedenbouwkundige vergunning. Het moge anderzijds duidelijk zijn dat de nadelen die verzoeker dreigt te ondervinden ingevolge de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing moeilijk te herstellen zullen zijn middels de tussenkomst van een annulatiearrest. De waardevermindering van de eigendom van verzoeker zou in beginsel moeten kunnen worden hersteld door (
  3. de)tussenkomst van een vernietigingsarrest, ware het niet dat het uiterst onwaarschijnlijk is dat de thans vergunde constructie, eens opgericht, ooit zal moeten worden afgebroken. Door het verlies van het ‘open’ karakter van de bebouwing van het perceel van verzoeker zal er aldus een permanent waardeverlies optreden eens de woning opgericht; dit verlies kan enkel worden vermeden middels de schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing. Het is anderzijds een feitelijk gegeven dat de verzoekende partij zeer moeilijk zelf de afbraak van de constructie, eens opgericht, zou kunnen bewerkstelligen(,) gegeven het feit dat in voorkomend geval een deel van de woning zou dienen te worden afgebroken hetgeen de volledige woning onbruikbaar zou maken; de kans dat een rechtbank een zulke ingrijpende herstelmaatregel zou bevelen is niet alleen zeer onwaarschijnlijk, doch zou zelfs niet meer in verhouding (staan) tot het voordeel dat de afbraak met zich zou brengen, noch voor verzoeker, noch naar een goede ruimtelijke ordening toe. Hoe dan ook is de latere afbraak van een woning minstens uitermate onzeker en daarom het nadeel moeilijk herstelbaar. Alhoewel op zich genomen de duurtijd van een annulatieberoep geen MTHEN verantwoordt, zou verzoeker desalniettemin in afwachting van de tussenkomst van een vernietigingsarrest - en dan nog ervan uitgaande dat het vernietigingsarrest tot de latere afbraak van de alsdan wederrechtelijk opgerichte constructie zou leiden, hetgeen, zoals gesteld, weinig waarschijnlijk is - beroofd worden van het rustige woongenot waarop hij in die tussentijd wel degelijk recht heeft. Dat deze vaststellingen dienen te volstaan om te concluderen tot het bestaan van een moeilijk te herstellen ernstig nadeel in hoofde van de verzoekende partij. Dat de enige mogelijkheid om te voorkomen dat het ernstig nadeel zich realiseert er in bestaat de tenuitvoerlegging van de bekomen stedenbouw- kundige vergunning te schorsen. Dat de bouwheer ondertussen zinnens is om een aanvang te nemen met de werkzaamheden moge blijken uit het schrijven van 28 februari 2007 dat verzoeker mocht ontvangen van de architect van de bouwheer, waarbij deze vooropstelt om een plaatsbeschrijving uit (
  4. te)voeren op datum van 7 maart 2007. Dat dientengevolge voldaan is aan de tweede voorwaarde van artikel 17, §2 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State”; X-13.203-7/11 2.2.2. Overwegende dat de verwerende partij in essentie als volgt repliceert: - de verzoeker of zijn rechtsvoorganger zijn verantwoordelijk voor de bouw van de garage op 40 centimeter uit de zijdelingse perceelgrens en de verzoeker kijkt grotendeels uit op zijn eigen bijgebouw in plaats van op de constructie van de vergunninghouders, - de ontworpen nieuwbouw van de vergunninghouders heeft een geringer bouwvolume vergeleken met de bestaande woning die zal worden afgebroken, - de dennen die werden ingeplant op de perceelgrens moeten geveld worden en dienen te worden vervangen door twee streekeigen bomen achteraan op het perceel, - residentiële bebouwing in een woonpark stemt overeen met de planologische bestemming en is bijgevolg toelaatbaar, - de woning van de verzoeker is meer dan 20 meter verwijderd van het vergund bouwproject; 2.2.3. Overwegende dat de verzoeker vooreerst betoogt dat het vergunde ontwerp niet zou passen in het woonpark waar hij woont en leeft; gelet op de stedenbouwkundige kenmerken van een woonpark; Overwegende dat een dergelijke stellingname niet voldoet aan de vereiste van concreetheid en nauwkeurigheid, waaraan het aangevoerde moeilijk te herstellen ernstig nadeel moet voldoen; dat het aanvoeren van ernstige middelen en het moeilijk te herstellen ernstig nadeel immers twee afzonderlijke voorwaarden zijn, die gezamenlijk moeten vervuld zijn om de schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit te bekomen; Overwegende dat, hoewel de woonparkgebieden, overeenkomstig het koninklijk besluit van 28 december 1972, betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerpgewestplannen en gewestplannen op het eerste gezicht, worden gekenmerkt door een geringe gemiddelde woningdichtheid en een in verhouding ruime aanwezigheid van groen, dit niet belet dat de woonparken, overeenkomstig artikel 6 van voormeld koninklijk besluit een “nadere aanwijzing” vormen van woongebieden, en derhalve voor woningbouw geschikt zijn; Overwegende dat uit het administratief dossier blijkt dat op het bouwperceel, dat het voorwerp uitmaakt van het bestreden besluit, aan de straatzijde een oude woning werd gebouwd op de rooilijn; dat deze woning zou worden X-13.203-8/11 afgebroken door de vergunninghouders en worden vervangen door een nieuwbouw op ruim 5 meter van de rooilijn, met een aanzienlijk kleiner bouwvolume dan de te slopen woning (899 m³ t.o.v. 1.147 m³); Overwegende dat op het eerste gezicht niet kan worden ingezien dat een dergelijk bouwproject in een woonpark voor de verzoeker een moeilijk te herstellen ernstig nadeel uitmaakt; Overwegende dat de verzoeker vervolgens aanvoert dat het vergunde bouwwerk gepaard gaat met het verdwijnen van groen; dat hij niet preciseert, waarom en in welke mate dit voor hem persoonlijk een ernstig nadeel zou uitmaken; Overwegende dat in een woonpark zekere ontbossingswerken kunnen verantwoord zijn om de woonbestemming van de gronden te kunnen realiseren; dat in voorliggend geval het op het eerste gezicht niet gaat om een echte ontbossing, omdat de bouwplannen aantonen dat slechts drie hoogstammige naaldbomen dienen te worden verwijderd, waaromtrent het agentschap voor natuur en bos van de Vlaamse Gemeenschap op 23 mei 2006 heeft geadviseerd dat de drie hoogstammige naaldbomen die zich op de perceelgrens bevinden om veiligheidsredenen beter zouden verdwijnen; dat dit agentschap daaraan toevoegt dat destijds ook “een volledig verkeerde plantenkeuze” werd gemaakt en dat het aangewezen is, achteraan op het perceel over te gaan tot de aanplanting van twee nieuwe streekeigen bomen; dat wat het overige groen betreft de verzoeker geen nadere informatie verschaft waarom het verdwijnen ervan voor hem een nadeel zou uitmaken; Overwegende ten slotte, wat de nieuw te bouwen woning betreft, dat de verzoeker beweert dat de combinatie van de bouwhoogte, de uitvoering met veel glas en het bouwen van terrassen zal zorgen voor problemen van privacy en beschaduwing; Overwegende dat de verzoeker niet aantoont hoe de vergunde constructie voor hem problemen van privacy en beschaduwing zou kunnen veroorzaken, nu uit de bouwplannen blijkt dat de zijgevel van de woning van de verzoeker zich op meer dan 25 meter zal bevinden van de zijgevel van de nieuwbouwwoning; dat de verzoeker bovendien niet uiteenzet vanuit welke X-13.203-9/11 leefruimte van zijn woning hij visueel rechtstreeks zal worden geconfronteerd met de nieuwbouw; dat hij in dit verband geen plannen of schetsen voorlegt die een adequaat beeld weergeven van de concrete situatie; dat met de verwerende partij in dit verband wordt aangenomen dat de verzoeker vanuit zijn woning hoofdzakelijk uitkijkt op zijn garage met atelier; dat dit aannemelijk wordt gemaakt door wat de verzoeker schreef in zijn bezwaarschrift van 6 juni 2006, dat hij tijdens het openbaar onderzoek heeft ingediend; dat de terzake dienende passus uit het bezwaarschrift, in het verzoekschrift tot schorsing als volgt wordt weergegeven: “Vooreest wensen we aan te stippen dat we het niet willen hebben over het grootste deel van de geplande werken (afbraak bestaande huis, bouw nieuw woonhuis). Onze bezwaren betreffen de inplanting van de geplande garage”; Overwegende wat de inplanting van de garage van de nieuwbouw op de perceelgrens betreft, dat uit het administratief dossier blijkt dat de garage van de verzoeker destijds werd voorzien en vergund op de perceelgrens, om op het aanpalende perceel een aanbouw mogelijk te maken; dat blijkt dat de garage van de verzoeker, wederrechtelijk op 0,40 meter uit de perceelgrens werd gebouwd en dat de verzoeker gebruik heeft gemaakt van zijn uitbreidingsplannen van de garage met een atelier, om op dat ogenblik de inplanting van de garage te regulariseren; dat er zich tussen de zijgevel van de garage en de eigendomsgrens van de vergunning- houders slechts een beperkte ruimte bevindt, kan de verzoeker ofwel enkel aan zichzelf wijten, ofwel was hij zich van dit probleem bewust bij de aankoop van het onroerend goed in 1985 en heeft hij gezorgd voor de administratieve regularisatie van dit bouwmisdrijf; dat, indien de garage op de perceelgrens was gebouwd, een aanbouw van de garage van de vergunninghouders perfect mogelijk zou zijn en er ook geen problemen zouden zijn voor het onderhoud van de buitenste zijmuur van de garage van de verzoeker; dat de inplanting van het vergunde bouwwerk met de bijhorende garage bijgevolg geen moeilijk te herstellen ernstig nadeel uitmaakt voor de verzoeker; 2.3. Overwegende dat niet is voldaan aan de tweede cumulatieve voorwaarde van voornoemd artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State; dat deze vaststelling volstaat om de vordering tot schorsing te verwerpen, X-13.203-10/11 BESLUIT: Artikel 1. De vordering tot schorsing wordt verworpen. Artikel 2. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op twaalf juli 2007, door : de H. D. MOONS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. G. SCHEVENEELS, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, G. SCHEVENEELS. D. MOONS. X-13.203-11/11 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.173.484 Gerelateerde publicatie(
  5. s)gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.201.673 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.