← België

Arrest 173485 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 12/07/2007

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 12 juli 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.173.485 Rolnummer: A. 181756/VII-37575 Zaak: Arrest 173485 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 12/07/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-08-22 Raadplegingen: 52 - laatst gezien 2026-06-29 22:58 Fiche Arrest nr 173.485 van 12 juli 2007 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Inwilliging tussenkomst Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 173.485 van 12 juli 2007 in de zaak A. 181.756/X-13.216. In zake : 1. Wilfried PYPE, 2. Nelly WERBROUCK, die woonplaats kiezen bij advocaat B. SCHUTYSER, kantoor houdende te 1050 BRUSSEL, Louizalaan 106 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat B. BRONDERS, kantoor houdende te 8400 OOSTENDE, E. Beernaertstraat 106. tussenkomende partij : de n.v. AQUAFIN, die woonplaats kiest bij advocaten B. ASSCHERICKX en I. COOREMAN, kantoor houdende te 1070 BRUSSEL, Ninoofsesteenweg 643. DE WND. VOORZITTER VAN DE Xe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Wilfried PYPE en Nelly WERBROUCK op 16 maart 2007 hebben ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van het besluit van 18 december 2006 van de Vlaamse minister van Openbare Werken, Energie, Leefmilieu en Natuur waarbij de oprichting van rioolwaterzuiveringsinfrastructuur in de stad Torhout, de gemeente Hooglede en de gemeente Lichtervelde van openbaar nut wordt verklaard; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd F. DE BUEL; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; X-13.216-1/7 Gelet op de beschikking van 8 mei 2007 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 25 mei 2007; Gehoord het verslag van staatsraad D. MOONS; Gehoord de opmerkingen van advocaat B. SCHUTYSER, die verschijnt voor de verzoekende partijen, en van advocaat K. PHILIPS, die loco advocaten B. ASSCHERICKX en I. COOREMAN verschijnt voor de tussen- komende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelings- hoofd F. DE BUEL; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; 1. Rechtspleging Overwegende dat de n.v. AQUAFIN met een verzoekschrift van 10 april 2007 heeft gevraagd om in het administratief kort geding te mogen tussenkomen; dat er grond is om het verzoek in te willigen; 2. Feiten Overwegende dat de feitelijke gegevens van de zaak zich in de huidige stand van het geding als volgt aandienen: 2.1. De verzoekers houden voor dat zij eigenaar zijn van landbouw- gronden gelegen te Torhout, kadastraal bekend sectie F, nrs. 797/a, 798/a, 799, 800/f en 791. 2.2. Van 18 januari 2006 tot 16 februari 2006 wordt een openbaar onderzoek gehouden betreffende de aanvraag van de tussenkomende partij tot openbaar nut verklaring van de aanleg van een collector in de Bakvoordestraat en de Sint-Henricusstraat. Het tracé van voornoemde collector loopt, deels, over voormelde kadastrale percelen. X-13.216-2/7 2.3. Op 14 februari 2006 dient de raadsman van de verzoekers een omstandig bezwaar in. 2.4. Op 18 december 2006 neemt de verwerende partij de thans bestreden beslissing, die op 12 januari 2007 ter kennis wordt gebracht aan de verzoekers; 3. Ten gronde 3.1. Overwegende dat krachtens artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging kan worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten beslissing kunnen verantwoor- den en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; 3.2.1. Overwegende, wat de tweede voorwaarde betreft, dat de verzoekers aanvoeren dat het door hen aangevoerde moeilijk te herstellen ernstig nadeel vierledig is; Overwegende dat de verzoekers vooreerst wijzen op de schade die wordt veroorzaakt door het uitvoeren van de bouwwerken zelf; dat zij in dit verband in essentie betogen dat “om een gleuf aan te leggen (in hun teelgronden) er een werkzone nodig (

  1. is)van 30 meter. In deze zone wordt de teelaarde tot op een diepte van 6 meter volledig omgewoeld. Dit brengt uiteraard aanzienlijke structuurschade aan de ondergrond toe. De diverse grondlagen met elk hun eigen structuur en grondsamenstelling (bv leem, zand, klei) worden immers door elkaar gewoeld. De vruchtbare gronden worden aldus vernield. Deze schade kan op geen enkele wijze hersteld worden en is eeuwigdurend. De vruchtbare grondlaag zal nl. worden vermengd met minder vruchtbare grond zodat die niet meer dezelfde rijke opbrengst aan landbouwvruchten zal genereren zoals dat het geval is vóór de uitvoering van de werken. De verwerende partij (erkent) overigens in de bestreden beslissing het bestaan van die schade - zij schrijft immers dat na de aanleg van de collector en bijhorigheden de percelen ‘in de mate van het mogelijke’ hersteld zullen worden. (...) De ‘vergoeding’ die hiervoor aan verzoekende partij dient te worden betaald, is geenszins van aard aan het moeilijk te herstellen of het ernstig karakter van dit nadeel, d.i. een eeuwigdurende structuurschade, afbreuk te doen”; X-13.216-3/7 Overwegende dat de verzoekers in tweede instantie wijzen op de blijvende schade die wordt veroorzaakt aan het bestaande drainagesysteem dat in hun akkerland is aangelegd; dat zij dit als volgt toelichten: “Het tracé van de collector doorkruist het drainagesysteem over (
  2. de)ganse breedte van het perceel. Alle drainagebuizen worden dus dwars middendoor gesneden, er wordt een stuk uit verwijderd gedurende de uitvoering van de werken en daarna worden de buizen hersteld door het aanbrengen van een nieuw tussenstuk. De herstelling van de buizen is echter nooit van aard om de buizen opnieuw te laten functioneren als voorheen. Vooreerst is het zo dat er tijdens de werken omwoelde aarde van het akkerland in de buizen spoelt waardoor er onvermijdelijk verstoppingen zullen ontstaan. Bovendien kan dit herstelde drainagesysteem nadien niet meer naar behoren functioneren, laat staan functioneren zoals dat heden het geval is. De ‘nieuwe’ delen van het drainagesysteem worden immers in de omgewoelde grond aangelegd. Door het omwoelen heeft deze grond (zijn) stabiliteit verloren. Welnu, wanneer de ondergrond zich met de tijd zal aandichten, beginnen de buizen dan ook te verzakken en zullen zij geen goede aansluiting meer geven met de ander(
  3. e)delen van het drainagesysteem. Het gevolg is dat de goede afwatering van het perceel voor altijd is verstoord zodat een annulatiearrest van Uw Raad op dat punt geen afdoend(
  4. e)rechtsherstel kan bieden”; Overwegende dat de verzoekers in derde instantie wijzen op de onherstelbare schade veroorzaakt door de inspectieputten in het akkerland zelf, dat voor een intensieve gewassenteelt wordt gebruikt; dat, volgens de verzoekers de inspectieputten van de tussenkomende partij nadelig zijn voor de bewerking van het akkerland omdat zij uitermate hinderlijk zijn bij het maneuvreren van landbouwmateriaal; dat de verzoekers dit door hen aangevoerde nadeel als volgt toelichten: “ Er moet steeds voldoende afstand gehouden worden van de inspectieputten teneinde de putten en hun deksels alsook het landbouwmateriaal niet te beschadigen. Zo moet men zowel in de lengte als in de breedte van de landbouwmachine een vijftal meter afstand van de inspectieput houden (bv een aardappelmachine of een bietenmachine is 5 meter breed). Het akkerland dat in deze zone ligt, kan dan ook niet worden bewerkt. Tevens groeit er onkruid in deze zone wat nadelig is voor de akkerbouw zelf. Verder leiden deze inspectieputten ertoe dat het bewerken van het akkerland zelf ook niet vlot verloopt. Men verliest tijd door de diverse manoeuvres die moeten worden uitgevoerd om rondom de inspectieputten het akkerland te bewerken. Het spreekt voor zich dat het efficiënter is om in rechte doorlopende stroken te werken. Dit alles wordt bevestigd door de verklaring van de zaakvoerder van de bvba Denys-Willaert Loonwerken (stuk 22) die in de streek ook akkerland bewerkt waar in het verleden door Aquafin al inspectieputten zijn aangelegd. Daarbij komt nog dat een perceel waarin zich inspectieputten bevinden, ook te allen tijde toegankelijk moet blijven voor het personeel van Aquafin, (omdat) zij de vereiste controles moeten kunnen uitvoeren. Verzoekende partijen kunnen dus niet meer vrij hun stuk landbouwgrond beheren. De controles en X-13.216-4/7 eventuele herstellingswerken die moet(
  5. en)worden uitgevoerd brengen ook steeds schade aan de cultuurgewassen met zich mee”; Overwegende dat de verzoekers in vierde instantie een moreel nadeel aanvoeren; dat zij stellen dat de eerste verzoeker respectievelijk vijfenzestig jaar is en de tweede verzoekster zestig jaar; dat zij daaraan toevoegen dat zij van hun landbouwpercelen één groot geheel hebben gemaakt en dat dit hun levenswerk is; dat de verzoekers vrezen dat hun landbouwexploitatie door de installatie van de tussenkomende partij zal worden ondermijnd, doordat hun teelgronden onherroepelijk zouden worden aangetast en zij aldus hun levenswerk zien teloorgaan; 3.2.2. Overwegende dat de verwerende partij repliceert dat de vier nadelen die de verzoekers aanvoeren “in se financieel van aard zijn, en derhalve (...) in beginsel herstelbaar zijn” en dit in de hypothese dat “zou worden aangenomen dat de door verzoekende partijen aangevoerde nadelen met betrekking tot het gebruik, het genot en de beschikking over hun eigendom hun onmiddellijke oorzaak vinden in de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit, waarbij enkel een erfdienstbaarheid van openbaar nut wordt gevestigd, en niet in de eventueel nog te verlenen stedenbouwkundige en milieuvergunningen voor de beoogde infra- structuur”; 3.2.3. Overwegende dat de tussenkomende partij in essentie het volgende aanvoert: “De thans bestreden beslissing betreft een verklaring van openbaar nut van de betrokken infrastructuur ten voordele van de NV AQUAFIN, dewelke aan de NV AQUAFIN geenszins de mogelijkheid geeft de betrokken infrastructuur op te richten. Het bestreden besluit houdt immers geenszins de nodige stedenbouwkundige vergunning in voor de oprichting van de betrokken rioolwaterzuiverings- installatie. De door verzoekers aangevoerde nadelen vloeien echter allen voort uit de bouw van de betrokken installatie en vinden aldus hun rechtstreekse oorzaak niet in het bestreden besluit maar in een later nog te nemen beslissing”; Overwegende dat de tussenkomende partij daaraan toevoegt dat het nadeel dat de verzoekers inroepen hoogstens een hypothetisch nadeel kan zijn, waarvan de ernst niet wordt aangetoond en dat het niet gaat om een moeilijk te herstellen ernstig nadeel; X-13.216-5/7 3.2.4. Overwegende dat met de verwerende partij en de tussenkomende partij wordt aangenomen dat het bestreden besluit enkel een verklaring van openbaar nut inhoudt die betrekking heeft op de oprichting van een rioolwaterzuiveringsinfrastructuur in de stad Torhout, de gemeente Hooglede en de gemeente Lichtervelde en dat voornoemd besluit “geenszins de nodige stedenbouwkundige vergunning (inhoudt) voor de oprichting van de betrokken rioolwaterzuiveringsinstallatie”; dat de tussenkomende partij daaraan op goede gronden toevoegt dat de nadelen die de verzoekers aanvoeren uitsluitend voortvloeien uit de bouw en de exploitatie van de op te richten rioolwater- zuiveringsinfrastructuur en dat zij bijgevolg hun oorzaak niet vinden in het bestreden besluit maar in beslissingen die later eventueel kunnen of zullen worden genomen; Overwegende tenslotte dat de nadelen die de verzoekers inroepen op dit ogenblik een hypothetisch karakter vertonen; 3.3. Overwegende dat uit wat voorafgaat volgt dat niet is voldaan aan de tweede voorwaarde van voornoemd artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State; dat deze vaststelling volstaat om de vordering tot schorsing te verwerpen, BESLUIT: Artikel 1. Het verzoek tot tussenkomst van de n.v. AQUAFIN in het administratief kort geding wordt ingewilligd. Artikel 2. De vordering tot schorsing wordt verworpen. Artikel 3. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. X-13.216-6/7 De kosten van de tussenkomst in de schorsingsprocedure, bepaald op 125 euro, komen ten laste van de tussenkomende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op twaalf juli 2007, door : de H. D. MOONS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. G. SCHEVENEELS, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, G. SCHEVENEELS. D. MOONS. X-13.216-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.173.485 Gerelateerde publicatie(
  6. s)gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.201.486 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.