id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 12 juli 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.173.494 Rolnummer: A. 163065/VII-34109 Zaak: Arrest 173494 - Milieuvergunningen - 12/07/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-08-03 Raadplegingen: 56 - laatst gezien 2026-06-29 23:01 Fiche Arrest nr 173.494 van 12 juli 2007 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Milieuvergunningen Beslissing : Vernietiging bekendmaking Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 173.494 van 12 juli 2007 in de zaak A. 163.065/VII-34.
- In zake :
- Dirk BLOMME,
- Viviane FILLIERS, die woonplaats kiezen bij advocaat K. ROELANDT, kantoor houdende te BRUSSEL, Terhulpsesteenweg 187 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat J. BERGÉ, kantoor houdende te LEUVEN, Naamsestraat
- tussenkomende partij : de n.v. DOSSCHE MILLS & BAKERY, die woonplaats kiest bij advocaat M. DEKETELAERE, kantoor houdende te ANTWERPEN, Meir
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, VIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Dirk BLOMME en Viviane FILLIERS op 3 juni 2005 hebben ingediend om de vernietiging te vorderen van het besluit van de Vlaamse minister van Openbare Werken, Energie, Leefmilieu en Natuur van 4 april 2005 waarbij na een vergunning op proef aan de n.v. DOSSCHE MILLS & BAKERY definitief de vergunning wordt verleend om een vergunde graanmaalderij, gelegen te Deinze, Tolpoortstraat 40, verder te exploiteren en te veranderen door wijziging en uitbreiding; Gelet op het arrest nr. 150.151 van 13 oktober 2005 waarbij het verzoek tot tussenkomst van de n.v. DOSSCHE MILLS & BAKERY wordt ingewilligd, het annulatieberoep niet kennelijk gegrond wordt bevonden, de debatten worden heropend en het door de auditeur-generaal aangewezen lid van het auditoraat wordt gelast met het aanvullend onderzoek van de vordering tot schorsing; VII-34.109-1/14 Gelet op het arrest nr. 156.449 van 16 maart 2006 waarbij de schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit wordt bevolen; Gezien het verzoekschrift tot voortzetting ingediend door de verwerende partij; Gezien het verzoekschrift tot voortzetting ingediend door de tussenkomende partij; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur P. PROVOOST; Gelet op de beschikking van 3 oktober 2006 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen; Gelet op de beschikking van 10 mei 2007 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 14 juni 2007; Gehoord het verslag van staatsraad E. BREWAEYS; Gehoord de opmerkingen van advocaat K. ROELANDT, die verschijnt voor de verzoekende partijen, van advocaat N. SCHEEPMANS die, loco advocaat J. BERGÉ verschijnt voor de verwerende partij, en van advocaat M. DEKETELAERE, die verschijnt voor de tussenkomende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur P. PROVOOST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- De feiten 1.
- De tussenkomende partij exploiteert een graan- en meelmaalderij, gelegen aan de Tolpoortstraat 40 te Deinze. VII-34.109-2/14 1.
- Volgens het bij koninklijk besluit van 24 februari 2005 vastgestelde gewestplan Oudenaarde is de inrichting gelegen in een gebied voor ambachtelijke bedrijven en K.M.O.'s, volledig omgeven door woongebied. 1.
- De verzoekende partijen wonen in de onmiddellijke omgeving van de inrichting. 1.
- Op 30 mei 1986 verleent de bestendige deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen een vergunning voor de verdere exploitatie van de inrichting, voor een termijn van vijftien jaar. 1.
- Op 5 november 1993 maakt de tussenkomende partij melding van een "uitbreiding van een inrichting voor voedingsproducten" en op 14 oktober 1996 maakt zij melding van "het veranderen van een meelmaalderij door het uitbreiden met diverse elektrische motoren met vermogen 69,2 kW (een grofmeelinstallatie) en een bijkomende opslag van 129 ton bakkerijmeel (tot in totaal 20.854,5 ton)". 1.
- Op respectievelijk 19 oktober 1995 en 13 februari 1997 neemt de bestendige deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen akte van deze meldingen en wordt bepaald dat de meldingen gelden als milieuvergunningen voor een termijn verstrijkend op 30 mei
- 1.
- Op 3 februari 2000 dient de tussenkomende partij bij de bestendige deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen een milieuvergunningsaanvraag in voor "het verder exploiteren en veranderen, door wijziging en uitbreiding, van een vergunde graanmaalderij". 1.
- Op 24 augustus 2000 verleent de bestendige deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen de gevraagde vergunning voor een termijn van twintig jaar. 1.
- Na het administratief beroep van 29 september 2000 van de afdeling Milieuvergunningen Oost-Vlaanderen, vervangt de minister van Leefmilieu en Landbouw op 23 maart 2001 de vergunning van 24 augustus 2000 door een vergunning op proef, voor een termijn tot 23 augustus
- Er worden bijzondere vergunningsvoorwaarden opgelegd. Relevant voor voorliggend beroep zijn de vergunningsvoorwaarden inzake geluidshinder : VII-34.109-3/14 "
- M.b.t. het geluidsaspect - De exploitant dient het specifieke geluid van de inrichting te evalueren door het uitvoeren van een nieuw geactualiseerd volledig akoestisch onderzoek zoals beschreven in bijlage 4.5.2 van titel II van het VLAREM. De inrichting dient hierbij getoetst te worden aan de voorwaarden vervat in afdeling 4.5.3 van titel II van het Vlarem (voorwaarden voor nieuwe inrichtingen en voor veranderingen van bestaande inrichtingen). Indien nodig dient een saneringsplan voor geluidshinder zoals beschreven in bijlage 4.5.3 van titel II van het VLAREM uitgewerkt en uitgevoerd. Deze documenten dienen binnen een termijn van vier maand na ondertekening van onderhavig besluit ter goedkeuring te worden voorgelegd aan de provinciale entiteit van de Afdeling milieu-inspectie alsook ter kennisgeving aan het hoofdbestuur van de Afdeling Milieuvergunningen. De vereiste saneringsmaatregelen worden zo snel als mogelijk uitgevoerd. - Na uitvoering van de saneringsmaatregelen laat de exploitant binnen het jaar na datum van ondertekening van onderhavig besluit, en mits het in acht nemen van de termijn van rapportage, zoals hierna vermeld, een tweede volledig akoestisch onderzoek uitvoeren, waaruit moet blijken dat de geluidsnormen van afdeling 4.5.3 van titel II van het Vlarem steeds gerespecteerd worden. Het rapport van dit laatste onderzoek wordt uiterlijk één jaar na datum van ondertekening van dit besluit ter goedkeuring voorgelegd aan de provinciale entiteit van de Afdeling milieu-inspectie en ter kennisgeving overgemaakt aan het hoofdbestuur van de Afdeling Milieuvergunningen". Deze worden als volgt gemotiveerd : "Overwegende dat onderhavige aanvraag een verandering door aanzienlijke uitbreiding betreft van een bestaande inrichting van klasse 1; dat immers het vermogen van de graanmaalderij wordt uitgebreid met 1.619,8 kW tot in totaal 4.588,75 kW; dat bijgevolg de geluidsvoorwaarden van afdeling 4.5.3 van titel II van het Vlarem van toepassing zijn (voorwaarden voor nieuwe inrichtingen van klasse 1 en 2 en voor veranderingen van bestaande inrichtingen van klasse 1 en 2); dat uit hogervermeld 'saneringsplan met betrekking tot geluid' kan worden afgeleid dat LA95,lh van het oorspronkelijke omgevingsgeluid lager is dan de richtwaarden in het gebied; dat bijgevolg, volgens artikel 4.5.3.1, §3 van titel II van het Vlarem, het specifieke geluid in open lucht voortgebracht door het geheel, respectievelijk door het onderdeel van de bestaande inrichting dat het voorwerp van de verandering uitmaakt, beperkt moet worden tot de richtwaarden vermeld in bijlage 4.5.4 verminderd met 5 dB(A); dat op basis van hogervermelde gegevens bijgevolg het specifieke geluid de richtwaarden met maximaal 18 dB(A) zou overschrijden (nachtperiode), hetgeen onaanvaardbaar is (...)". 1.10 Tegen deze beslissing dient de tussenkomende partij een annulatieberoep in bij de Raad van State (A. 105.205/VII-23.824), dat bij arrest nr. 137.643 van 25 november 2004 wordt verworpen. Het arrest stelt het volgende over de bestreden proefvergunning : "'(...) dat een proefvergunning immers de mogelijkheid biedt om snel en adequaat de genomen saneringsmaatregelen te kunnen evalueren en desgevallend bij te sturen'; dat voor de geluidshinder nog een volledig akoestisch onderzoek dient te worden uitgevoerd, indien nodig gevolgd door VII-34.109-4/14 een saneringsplan en effectieve sanering, met in dat geval een tweede volledig akoestisch onderzoek ter evaluatie; dat derhalve nog moet blijken of de in de vergunning opgelegde geluidsnormen kunnen worden gehaald, en op welke wijze, zodat de opgelegde proefperiode ongetwijfeld verantwoord is". 1.
- Op 22 augustus 2002 verleent de minister van Leefmilieu en Landbouw een definitieve vergunning. In voornoemde beslissing wordt melding gemaakt van "een bundel" die een aantal omwonenden op 19 juli 2002 hebben overgemaakt aan de minister "met bezwaren inzake geluids-, stof-, geur- en verkeersoverlast (...)". 1.
- Deze definitieve vergunning wordt echter op vordering van eerste verzoeker door de Raad van State geschorst bij arrest nr. 120.126 van 4 juni 2003 en vernietigd bij arrest nr. 138.268 van 9 december
- Het vernietigingsarrest stelt het volgende : "dat bijgevolg uit de bestreden beslissing zelf blijkt dat de tussenkomende partij niet binnen de in de proefvergunning opgelegde termijn de sanering heeft uitgevoerd, en dat zij niet binnen de termijn het volledig akoestisch onderzoek heeft voorgelegd dat moest aantonen dat de sanering tot het gewenste resultaat had geleid; dat toch een definitieve vergunning wordt verleend, (...); dat wanneer uit het akoestisch onderzoek, uitgevoerd na de bestreden beslissing, zou blijken dat de geldende Vlarem II-normen wel worden gehaald, dit gegeven de gebrekkige motivering van de bestreden beslissing of het onzorgvuldig karakter ervan niet kan goedmaken; dat het middel gegrond is". 1.
- Op 4 april 2005 neemt de Vlaamse minister van Openbare Werken, Energie, Leefmilieu en Natuur, ten gevolge van het vernietigingsarrest, opnieuw een besluit, waarbij de vergunning enerzijds wordt verleend voor een termijn tot 24 augustus 2020 en anderzijds wordt geweigerd voor het lozen van huishoudelijk afvalwater in de Leie. Wat het punt betreft dat aanleiding heeft gegeven tot de vernietiging van de voorafgaande milieuvergunning, luidt de motivering van het bestreden besluit als volgt : "(...) Overwegende dat in de geluidsstudie 'Opvolging saneringsplan deel 2' van 16 februari 2004 in puntje 6.3 een vergelijking wordt gegeven van omgevingsmetingen 2001, 2002 en 2004; dat meetpunt MP1 bij de metingen in 2004 niet meer werd weerhouden omdat deze zich op het bedrijfsterrein bevindt en werd vervangen door MP4, zijnde achtergevel van omwonenden, in dezelfde richting als MP1; dat uit tabel 6-2 het volgende werd geconcludeerd : C er treden geen spectaculaire dalingen meer op van het omgevingsgeluid ten gevolge van de doorgevoerde geluidssaneringen; VII-34.109-5/14 C er wordt een stijging van het omgevingsgeluid opgemerkt, welke eerder te wijten is aan een tijdelijke bijkomende geluidsbron voor MP2 en MP3 (compressor voor gevelreiniging) gedurende de dagperiode en/of eventuele gewijzigde omgevingsparameters; C enkel ter hoogte van MP3 stijgt het omgevingsgeluid significant met 3dB(A), waarschijnlijk ten gevolge van de tijdelijke geluidsbron; C verdere geluidssaneringen zullen op het omgevingsgeluid steeds minder effect hebben; Overwegende dat in tabel 7-1 een oplijsting wordt gemaakt van het berekende specifiek geluid van Dossche Mills & Bakery; dat uit de berekende waarden voor het specifiek geluid blijkt dat in de meeste beoordelingspunten het specifiek geluid voldoet aan de richtwaarden van titel II van het Vlarem; dat in BP1 (aan de overzijde van de Leie) de richtwaarde gedurende de dagperiode met 2dB(A) wordt overschreden; Overwegende dat tabel 7-2 de vergelijking weergeeft van het specifiek geluid in 2001, 2002 en 2004; dat door de sanering van de ventilatoren van de pelletverharding en de omkasting van de zuigleiding voor de scheepslossing het specifiek geluid voornamelijk gedurende de dagperiode gedaald is; dat voor BP2 eveneens de sanering van de inlaatventilator en het dichtmetsen van twee raamopeningen in cijfers en letters geldt voor een verbetering van het geluidsklimaat; Overwegende dat specifiek voor MP4 (slaapkamer achteraan Tolpoortstraat 64) een kortstondige meting gedurende de nachtperiode werd uitgevoerd; dat hieruit bleek dat het gemeten Laeq, T 44 dB(A) bedraagt; dat dit één dB(A) onder de richtwaarde van titel II van het Vlarem bedraagt; dat de meting echter werd uitgevoerd in de raamopening zodat reflecties de meting kunnen beïnvloed hebben; dat het specifiek geluid van het bedrijf in de praktijk dus iets lager zal liggen; dat uit het rekenmodel het specifiek geluid 41 dB(A) bedroeg; dat de analyse van de langdurige omgevingsmetingen (op 3,5 meter vanaf de gevel) aantoont dat het specifiek geluid 43 dB(A) bedraagt gedurende de nachtperiode; dat uit de tertsbandanalyse geen zuivere toon kan gedetecteerd worden; dat indien een zuivere toon auditief waargenomen wordt een fijnere analyse dient toegepast te worden; dat uit auditieve waarnemingen en een fijnere FFT analyse blijkt dat er mogelijk hoorbare zuivere tonen aanwezig zijn bij 76, 100 en/of 300 Hz; dat daarom een toeslag van 2 dB dient toegekend te worden aan het specifiek geluid; dat het specifiek geluid gedurende de nachtperiode zodoende 45 dB(A) bedraagt (inclusief tonale correctie), hetgeen gelijk is met de richtwaarde; dat ook dient opgemerkt te worden dat auditieve waarnemingen in de kamer met gesloten ramen leidden tot het bepalen van een duidelijk hoorbare periodieke geluidsbron in de kamer die lange tijd aanhoudt en die binnen goed waarneembaar is; dat dit passerende treinen door Deinze betreft die telkens gedurende enkele minuten het geluidsdrukniveau in de kamer doen stijgen; Overwegende dat er door de exploitant een overzicht met uitgevoerde geluidsbeheersingsmaatregelen werd overhandigd; dat deze werd bijgewerkt op 2 februari 2005; dat het een document van 7 pagina's saneringsmaatregelen betreft; dat deze allen werden uitgevoerd; dat het Slingstation in oktober 2004 werd stilgelegd; dat tegen april 2005 ook de zakgoed verlading zal verplaatst worden naar de industriezone; dat dit laatste concreet betekent dat de vertrekuren zakkenwagens en het rijden van de vrachtwagens voor de verlading op de koer 's morgens vroeg nog zal wegvallen; Overwegende dat in de proefvergunning werd geargumenteerd dat de door de exploitant aangevraagde uitbreiding een 'aanzienlijke uitbreiding' betrof, waardoor de volledige inrichting diende te voldoen aan de voorwaarden voor nieuwe inrichtingen; dat in het besluit van de bestendige deputatie afdoende werd gemotiveerd dat de aangevraagde uitbreiding circa 55 % bedroeg; dat ook VII-34.109-6/14 de uitbreiding van de opslag van de grondstoffen en de afgewerkte producten niet als een 'aanzienlijke' uitbreiding kon worden beschouwd; dat evenwel afdeling 4.5.3 van titel II van het Vlarem inzake de beheersing van geluidshinder dezelfde voorwaarden vastlegt voor nieuwe inrichtingen van klasse 1 en 2 en voor de verandering van bestaande inrichtingen van klasse 1 en 2; dat bij de uitgevoerde geluidsmetingen er niet werd nagegaan of de inrichting nu wel dan niet voldoet aan de bepalingen van afdeling 4.5.3; dat dit door de afdeling Milieu-inspectie ook werd opgemerkt en gemeld; Overwegende dat tijdens het plaatsbezoek van een vertegenwoordiger van de afdeling Milieuvergunningen kon vastgesteld worden dat de inrichting, in volle exploitatie, buiten het bedrijfsterrein niet hoorbaar was; dat er wel geluid op te merken viel van de vrachtwagens, doch niet van de maalderij; dat achteraan op het terrein bij het lossen van de boot het geluid van de filter hoorbaar was; dat aan de overkant van de Leie (volgens de geluidsstudie het meest kritische punt) dit geluid niet kon opgemerkt worden; Overwegende dat alhoewel de exploitant alle saneringen heeft doorgevoerd, hij heeft nagelaten om het geluid van de inrichting te toetsen aan afdeling 4.5.3 van titel II van het Vlarem; dat in de proefvergunning niet werd gezegd dat de volledige inrichting dient te voldoen aan de voorwaarden voor nieuwe inrichtingen, maar dat deze wel gelden voor de onderdelen die veranderd werden; dat dit telefonisch aan de exploitant gemeld werd en dat er werd aangedrongen op een document waarin de verenigbaarheid wel wordt aangetoond; Overwegende dat dergelijk document werd overhandigd op de zitting van de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie van 14 februari 2005; dat hierin volgende conclusies gemaakt worden : - aangezien de nieuwe inrichtingen (compressoren en koelgroepen) door de gedegen geluidssaneringsmaatregelen geen invloed hebben naar de omgeving wordt er aandacht besteed aan de verandering van de bestaande inrichting namelijk die van het molengebouw; - de capaciteit van de molen is met minder dan 100% uitgebreid, waardoor de totale inrichting niet 'nieuw' wordt; - volgens afdeling 4.5.
- dient elke verandering aan een installatie voor de discipline geluid bepaald te worden en getoetst te worden aan de grenswaarden voor nieuwe inrichtingen; - dit laatste stond ook zo in de proefvergunning; - het specifiek geluid van de situatie van voor de uitbreiding en na de uitbreiding diende te worden uitgesplitst; - aangezien er geen meetgegevens zijn van voor de uitbreiding, kan deze uitsplitsing niet gedaan worden op basis van meetgegevens; - er diende dus aan de hand van indicatieve Lw's gewerkt te worden; - het oorspronkelijk omgevingsgeluid voordat het molengebouw is uitgebreid, is niet gekend; daarom wordt met het huidige omgevingsgeluid rekening gehouden; - aangezien het bedrijf de laatste jaren heel wat geïnvesteerd heeft in geluidssaneringen, kan er gesteld worden dat het omgevingsgeluid in de huidige situatie lager ligt dan het omgevingsgeluid voordat de saneringen zijn doorgevoerd; - het huidige omgevingsgeluid als oorspronkelijk omgevingsgeluid aannemen zal dus steeds leiden tot een strengere beoordeling van het specifiek geluid voor de nieuwe inrichtingen of verandering van bestaande inrichtingen; - in tabel 2-1 werd dus de oefening gedaan; - uit de berekeningen blijkt dat het specifiek geluid van de verandering van bestaande inrichtingen op of onder de grenswaarden van titel II van het Vlarem blijft; dat het splitsen van het molengebouw dus niet veel impact VII-34.109-7/14 heeft naar de algemene beoordeling van het specifiek geluid van het bedrijf; (...) Overwegende dat er zodoende aan de voorwaarden, opgelegd in de proefvergunning werd voldaan; dat alle nodige saneringen, zowel op het gebied van de veiligheid als op het gebied van geluid werden doorgevoerd; dat de vergunning definitief kan worden verleend (...)". Dit is het thans bestreden besluit.
- Ten gronde 2.
- In het eerste middel wordt de schending aangevoerd van artikel 17 van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning (milieuvergunningsdecreet), van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, van artikel 4.5.3.1., §3, van afdeling 4.5.
- van het besluit van de Vlaamse regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale voorwaarden inzake milieuhygiëne (Vlarem II), van artikel 2 van bijlage 4.5.
- van Vlarem II en van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, meer bepaald van het zorgvuldigheids- en het materiële motiveringsbeginsel. De verzoekende partijen stellen dat de geluidsvoorwaarden van afdeling 4.5.
- van Vlarem II op de betrokken inrichting van toepassing zijn, maar dat de inrichting hier echter niet aan voldoet. Zij zeggen verder dat de inrichting "in haar geheel de richtwaarden, zoals vooropgesteld in de proefvergunning, overschrijdt" en wijzen erop dat de vaststelling dat bij het plaatsonderzoek de exploitatie niet hoorbaar was buiten het bedrijfsterrein, geen akoestisch onderzoek kan vervangen of weerleggen. In het verzoekschrift wordt de volgende passage uit de beslissing van 23 maart 2001 geciteerd, waaruit zou blijken welke de toepasselijke geluidsnormen zijn : "Overwegende dat onderhavige aanvraag een verandering door aanzienlijke uitbreiding betreft van een bestaande inrichting van klasse 1; dat immers het vermogen van de graanmaalderij wordt uitgebreid met 1.619,8 kW tot in totaal 4.588,75 kW; dat bijgevolg de geluidsvoorwaarden van afdeling 4.5.3 van titel II van het Vlarem van toepassing zijn (voorwaarden voor nieuwe inrichtingen van klasse 1 en 2 en voor veranderingen van bestaande inrichtingen van klasse 1 en 2); dat uit hogervermeld 'saneringsplan met betrekking tot geluid' kan worden afgeleid dat LA95,lh van het oorspronkelijke omgevingsgeluid lager is dan de richtwaarden in het gebied; dat bijgevolg, volgens artikel 4.5.3.1, §3 van titel II van het Vlarem, het specifieke geluid in open lucht voortgebracht door het geheel, respectievelijk door het onderdeel van de bestaande inrichting dat het voorwerp van de verandering uitmaakt, beperkt moet worden tot de richtwaarden vermeld in bijlage 4.5.4 verminderd met 5 dB(A); VII-34.109-8/14 dat op basis van hogervermelde gegevens bijgevolg het specifieke geluid de richtwaarden met maximaal 18 dB(A) zou overschrijden (nachtperiode), hetgeen onaanvaardbaar is". De verzoekende partijen stellen nog het volgende : "Bijgevolg mag de door de gehele inrichting, respectievelijk door het onderdeel van de bestaande inrichting dat het voorwerp van de verandering uitmaakt, geproduceerde geluidshinder in het woongebied van verzoekende partijen niet meer bedragen dan 45 dB(A) overdag, 40 dB(A) 's avonds en 35 dB(A) 's nachts. In de proefvergunning werd uitdrukkelijk bepaald dat uit de door de exploitant meegedeelde, en door de Afdeling Milieu-inspectie en de afdeling milieuvergunningen goedgekeurde akoestische onderzoeken (zie artikel 4.5.2 van titel II van Vlarem), moet blijken dat deze richtwaarden steeds worden gerespecteerd. Dit was de inzet van de proefperiode. De motivering van het bestreden besluit dient steun te vinden in de vaststellingen (akoestisch onderzoek) m.b.t. de inzet van de proefperiode. Welnu, verzoekende partijen stellen vast dat enkel het verslag van 16 februari 2004, waarin een eindbeoordeling van de geluidssanering te vinden is, werd voorgelegd aan de afdeling Milieu-inspectie, zoals vereist door artikel 2 van bijlage 4.5.2 van titel II van Vlarem. Bijgevolg diende verwerende partij aan de hand van dit verslag te oordelen of aan de inzet van de proefvergunning voldaan was (...)". 2.
- In haar memorie van antwoord repliceert de verwerende partij dat de verzoekende partijen zich vooral baseren op verouderde gegevens en dat ze "een fundamentele redeneringsfout" maken "met betrekking tot de naleving van de geluidsvoorwaarden van de afdeling 4.5.3". Zij stelt hieromtrent het volgende : "Tevergeefs proberen de verzoekende partijen te zeggen dat de exploitatie als geheel moet voldoen aan de geluidsvoorwaarden van de afdeling 4.5.
- VLAREM II. Deze afdeling bepaalt de geluidsvoorwaarden voor de nieuwe inrichtende klasse I en II voor de veranderingen van de bestaande inrichtingen van dezelfde klasse. Er is op grond van de vergunning op proef geen discussie over het feit dat de verandering een uitbreiding van de molenactiviteiten met 55% betrof. De verzoekende partijen betwisten dit ook niet. De afdeling Milieuvergunningen redeneert dus op een geldige wijze dat de geluidsvoorwaarden van de afdeling 4.5.
- VLAREM II niet voor het geheel van de exploitatie gelden, maar wel voor de veranderde onderdelen". 2.
- In hun memorie van wederantwoord wijzen de verzoekende partijen erop dat de verwerende partij zelf in de proefvergunning heeft beslist dat de gehele inrichting moet voldoen aan de voorwaarden van afdeling 4.5.
- van Vlarem II en dat zij dit ook heeft verdedigd in de procedure voor de Raad van State die heeft geleid tot het arrest nr. 137.643 van 25 november 2004, waarbij het annulatieberoep van de thans tussenkomende partij tegen de proefvergunning werd verworpen. Zij voegen hieraan het volgende toe : VII-34.109-9/14 "Het Addendum is een aanvulling - het woord zegt het zelf - op reeds gedane geluidsstudies (akoestische onderzoeken) en maakt er dus geen deel van uit. Uitgerekend om te vermijden dat arbitraire en door de exploitant zelf gevraagde en betaalde geluidsmetingen zonder meer de basis zouden vormen voor het afleveren van een definitieve vergunning (voor 20 jaar), werd met artikel 2 van bijlage 4.5.2 van titel II van het Vlarem door de wetgever een controlemechanisme ingebouwd : 'Uitvoering Een volledig akoestisch onderzoek wordt uitgevoerd door een milieudeskundige, erkend in de discipline geluid en trillingen. Mits toestemming van de Afdelingen Milieu-inspectie en Milieuvergunningen en op verantwoordelijkheid van de milieudeskundige, erkend in de discipline geluid en trillingen, mogen evenwel bepaalde metingen door de exploitant worden uitgevoerd. Het volledige akoestisch onderzoek wordt door de exploitant in drie exemplaren toegestuurd aan de vergunningverlenende overheid, die het ter beoordeling en goedkeuring voorlegt aan de Afdelingen Milieuvergunningen en Milieu-inspectie'. In casu kan niet redelijk worden betwist dat het addendum van 14 februari 2005 doorslaggevend was bij de beoordeling van de aanvraag. In die omstandigheden zou elke zorgvuldige overheid het addendum van 14 februari 2005 van geluidsmetingen voorleggen aan de bij wet bepaalde controle-instanties. Verwerende partij betwist niet dat dit niet gebeurd is : 'De verwerende partij ontkent niet dat het addendum van 14 februari 2005 niet aan de afdeling Milieuinspectie werd voorgelegd'". 2.
- In haar verzoek tot tussenkomst citeert de tussenkomende partij de motivering van het bestreden besluit met betrekking tot de conclusies van het addendum dat door haar werd overhandigd op de zitting van de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie van 14 februari
- Zij beweert dat de aanvaardbaarheid van de geluidshinder wel degelijk werd getoetst aan de van toepassing zijnde richtwaarden en argumenteert -bij de uiteenzetting van "feiten en voorgaanden"- het volgende : "Verzoekster tot tussenkomst werd gehoord door de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie op 14 februari
- Zij overhandigde daarbij onder meer een nota van de erkende milieudeskundige SGS Ecocare met betrekking tot de uitsplitsing van het specifiek geluid voor de uitbreiding en het specifiek geluid na de uitbreiding. Deze nota (addendum bij de geluidsstudie) werd uitgewerkt en opgesteld naar aanleiding van de vraag van de Afdeling Milieuvergunningen dienaangaande dd. 8 februari
- De conclusie van de erkende deskundige luidt dat er na de toetsing aan de afdeling 4.5.
- van Vlarem II nog steeds voldaan is aan de grenswaarden (...)". 2.5.
- Bijlage 4.5.
- van Vlarem II legt de milieukwaliteitsnormen vast in gebieden of delen van gebieden op minder dan 500 meter gelegen van gebieden voor ambachtelijke bedrijven en kleine en middelgrote ondernemingen, op 50 dB(A) overdag, 45 dB(A) 's avonds en 40 dB(A) 's nachts. Deze waarden moeten bij toepassing van artikel 4.5.3.1., §3, van Vlarem II met 5 dB(A) worden verminderd. VII-34.109-10/14 De proefvergunning is er van uit gegaan dat de aanvraag getoetst moest worden aan het punt 3 van bijlage 4.5.
- van Vlarem II, voor gebieden op minder dan 500 meter van gebieden voor ambachtelijke bedrijven en K.M.O.'s waarbij deze laatste categorie van gebieden in feite op het bedrijfsterrein zelve slaat. De tussenkomende partij meent dat er moet worden getoetst aan het punt 2 van bijlage 4.5.
- van Vlarem II, voor gebieden op minder dan 500 meter van gebieden voor gemeenschapsvoorzieningen en openbare nutsvoorzieningen; er is inderdaad een dergelijk gebied aanwezig. De verwerende partij lijkt thans ook die mening toegedaan. In het bestreden besluit preciseert zij de ligging van de graanmaalderij overigens als volgt: "Gelet op het feit dat het gebied volledig omgeven is door woongebied (centrum Deinze); dat de inrichting zich bevindt tussen de Leie en de Tolpoortstraat, een drukke winkelstraat met naast vele winkels ook woongelegenheden op de verdiepingen van de huizen; dat bovendien in de onmiddellijke omgeving nog enkele scholen gevestigd zijn; dat in de Guido Gezellestraat zich een school voor secundair onderwijs bevindt waarvan de gebouwen zich uitstrekken tot vlak tegen de perceelsgrens van de graanmaalderij (...)". 2.5.
- Volgens de proefvergunning van 23 maart 2001 moest aan de hand van een akoestisch onderzoek worden aangetoond dat werd voldaan aan de voorwaarden vervat in afdeling 4.5.
- van Vlarem II. Volgens dezelfde proefvergunning, die zich baseerde op het in opdracht van de exploitant uitgevoerde akoestisch onderzoek, lag het oorspronkelijk omgevingsgeluid (in de meetpunten 1 en 3) tussen 35 en 40 dB(A). Dit betekent dat artikel 4.5.3.1., §3, van Vlarem II van toepassing is, zodat het specifiek geluid moet worden beperkt tot de richtwaarde van bijlage 4.5.
- van Vlarem II, verminderd met 5 dB(A). 2.5.
- De proefvergunning nam het punt 3 van bijlage 4.5.
- van Vlarem II als uitgangspunt. Dit betekent dat het specifieke geluid van de inrichting 's nachts beperkt moet blijven tot 35 dB(A). Er is in voornoemde hypothese te dezen een overschrijding van de toegelaten richtwaarde met 10 dB(A). Thans neemt de tussenkomende partij - daarin niet tegengesproken door de verwerende partij - het punt 2 van bijlage 4.5.
- van Vlarem II als uitgangspunt. Daaruit volgt dan dat het specifieke geluid 's nachts beperkt moet blijven tot 40 dB(A). Ook in deze hypothese is er dus een overschrijding van de toegelaten richtwaarde met 5 dB(A). 2.5.
- In het door de tussenkomende partij bezorgde addendum van 14 februari 2005 wordt gezegd dat deze overschrijding van de richtwaarden van VII-34.109-11/14 bijlage 4.5.
- van Vlarem II eigenlijk niet bestaat. Het bestreden besluit neemt deze redenering over, zonder eigen evaluatie. Het addendum vertrekt niet van de geluidsproductie vóór de verandering, om vervolgens te bepalen hoeveel geluid er bij mag komen ná de verandering, maar neemt de geluidsproductie ná de verandering als uitgangspunt. De tussenkomende partij toetst in dit addendum niet de werkelijke geluidsproductie (dus van het geheel van het veranderde onderdeel) aan de Vlarem II- normen, maar enkel een theoretische toename van geluid na de verandering. 2.5.
- De proefvergunning van 23 maart 2001 eist dat aan de hand van een akoestisch onderzoek wordt aangetoond dat de inrichting voldoet aan de norm gesteld door artikel 4.5.3.1., §3, van Vlarem II. Het laatst beschikbaar akoestisch onderzoek heeft bij het slaapkamerraam van eerste verzoeker een specifiek geluid van de inrichting gemeten van 45 dB(A), wat in het voor de exploitant meest gunstige uitgangspunt een overschrijding van de norm met 5 dB(A) betekent, en in het uitgangspunt van de proefvergunning zelfs een overschrijding met 10 dB(A). In het bestreden besluit wordt gesteld dat het specifieke geluid gedurende de nachtperiode 45 dB(A) bedraagt. Deze vaststelling is -in het licht van de geuite bezwaren- onvolledig en zelfs misleidend, aangezien die waarde de door artikel 4.5.3.1., § 3, van Vlarem II toegelaten waarden met 5 dB (A) overschrijdt en zelfs- als de verwerende partij zou zijn uitgegaan van de waarden vastgelegd in de proefvergunning - met 10 dB (A). 2.5.
- Uit hetgeen voorafgaat blijkt dat de verwerende partij in de proefvergunning oordeelt dat het punt 3 van bijlage 4.5.
- van Vlarem II van toepassing is. Het is evenwel volstrekt onduidelijk of de verwerende partij toen gewoon zonder verdere verificatie het door de tussenkomende partij bezorgde saneringsplan van februari 1999 heeft gevolgd, dan wel of ze van oordeel was dat de reglementering zo moest worden toegepast dat enkel het gebied van waaruit de geluidshinder kwam relevant was. Omgekeerd is met het thans bestreden besluit even onduidelijk of de stilzwijgend gewijzigde houding van de verwerende partij een rechtzetting inhoudt van een vergissing, dan wel een gewijzigde interpretatie van de toepasselijke reglementering. 2.5.
- Luidens artikel 2 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen moeten alle bestuurshandelingen met individuele strekking uitdrukkelijk worden gemotiveerd. Artikel 3 van diezelfde wet bepaalt dat de motivering de juridische en feitelijke VII-34.109-12/14 overwegingen moet vermelden die aan de beslissing ten grondslag liggen en dat de motivering afdoende moet zijn. Te dezen hebben een aantal omwonenden -voorafgaand aan het verlenen van de vergunning van 22 augustus 2002- hoofdzakelijk bezwaren ingediend inzake de geluidsoverlast die de betrokken graan- en meelmaalderij zou veroorzaken. Nu het door de inrichting geproduceerde geluid het voorwerp uitmaakt van de betwisting, had de verwerende partij terzake in het bestreden besluit hieromtrent een eenduidige, duidelijke, sluitende en overtuigende motivering moeten geven. Dit is te dezen niet het geval. Het eerste middel is gegrond, BESLUIT: Artikel
- Vernietigd wordt het besluit van de Vlaamse minister van Openbare Werken, Energie, Leefmilieu en Natuur van 4 april 2005 waarbij na een vergunning op proef aan de n.v. DOSSCHE MILLS & BAKERY definitief de vergunning wordt verleend om een vergunde graanmaalderij, gelegen te Deinze, Tolpoortstraat 40, verder te exploiteren en te veranderen door wijziging en uitbreiding. Artikel
- Dit arrest zal worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als het vernietigde besluit. Artikel
- De kosten van de vordering tot schorsing, bepaald op 350 euro, komen ten laste van de verwerende partij. De kosten van het annulatieberoep, bepaald op 350 euro, komen ten laste van de verwerende partij. De kosten van de tussenkomst, bepaald op 125 euro, komen ten laste van de tussenkomende partij. VII-34.109-13/14 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op twaalf juli tweeduizend en zeven, door de VIIe kamer, die was samengesteld uit : Mevr. M.-R. BRACKE, voorzitter, de H. E. BREWAEYS, staatsraad, Mevr. Ch. BAMPS, staatsraad, Mevr. E. IMPENS, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, E. IMPENS. M.-R. BRACKE. VII-34.109-14/14 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.173.494 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.150.151 ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.156.449 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div