id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 13 juli 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.173.526 Rolnummer: A. 184271/X-13355 Zaak: Arrest 173526 - Varia (ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu) - 13/07/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-07-18 Raadplegingen: 59 - laatst gezien 2026-06-29 23:02 Fiche Arrest nr 173.526 van 13 juli 2007 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Varia (ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu) Beslissing : Verwerping Inwilliging tussenkomst Tussenkomst geweigerd Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 173.526 van 13 juli 2007 in de zaak A. 184.271/X-13.
- In zake : de GEMEENTE WAASMUNSTER, die woonplaats kiest bij advocaat D. LINDEMANS, kantoor houdende te BRUSSEL, Keizerslaan 3 tegen : het VLAAMSE GEWEST, dat woonplaats kiest bij advocaat P. DEVERS, kantoor houdende te GENT, Kouter 71-
- verzoekende partijen in tussenkomst :
- de ORDE VAN VLAAMSE BALIES, die woonplaats kiest bij advocaat D. MATTHYS, kantoor houdende te GENT, Sint-Annaplein 34
- Patrick ROBBERECHT wonende te WAASMUNSTER, Dam
- -------------------------------------------------------------------------------------------------- - DE RAAD VAN STATE, XIIe VAKANTIEKAMER, Gezien het verzoekschrift dat de GEMEENTE WAASMUNSTER op 6 juli 2007 heeft ingediend om bij uiterst dringende noodzakelijkheid de schorsing te vorderen van de tenuitvoerlegging van de beslissing van 2 juli 2007 van de beroepsinstantie inzake de openbaarheid van bestuur waarbij de gemeente bevolen wordt inzage te verlenen in volgende bescheiden: X-13.355-1/13 - de notulen van de vergadering van het college van burgemeester en schepenen van 19 maart 2007 waarin besloten werd een advocaat om advies te vragen aangaande een door de bestendige deputatie aan de gemeente gestelde vraag of de gemeente (m.b.t. de vaststelling van het rooilijnplan voor het verleggen van een deel van buurtweg nr. 14 en een nieuwe verbindingsweg) beschikt over een rooilijnplan waarop de stempel van de gemeenteraad en de vereiste handtekeningen zijn aangebracht, - de vraag d.d. 22 maart 2007 om advies vanwege de gemeente, - het advies d.d. 27 maart 2007 van de advocaat; Gezien de nota van de verwerende partij; Gelet op de beschikking van 9 juli 2007 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 11 juli 2007, om 14.00 uur; Gehoord het verslag van staatsraad A. VANDENDRIESSCHE; Gehoord de opmerkingen van advocaat F. DE PRETER die, loco advocaat D. LINDEMANS verschijnt voor de verzoekende partij, van advocaat P. DEVERS die verschijnt voor de verwerende partij, van de tweede tussenkomende partij en van advocaat D. MATTHYS die verschijnt voor de tussenkomende partij; Gehoord het andersluidend advies van auditeur T. DE WAELE; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, X-13.355-2/13 WIJST HET VOLGENDE ARREST: De feiten 1.
- In het raam van het rechtsherstel na een vernietigingsarrest van de Raad van State neemt de gemeenteraad van Waasmunster op 5 mei 2006 een beslissing met betrekking tot de vaststelling van de rooilijn in het “oud vliegveld”. Het betreft een beslissing die aan bijzonder toezicht onderworpen is. 1.
- Op 7 maart 2007 vraagt de deputatie van Oost-Vlaanderen aan de gemeente Waasmunster om de toezending van een rooilijnplan waarop “de stempel van de gemeenteraad en de vereiste handtekeningen zijn aangebracht” of om de schriftelijke bevestiging dat geen ondertekend rooilijnplan bestaat. Op 30 maart 2007 antwoordt het college van burgemeester en schepenen dat geen ondertekend exemplaar van het rooilijnplan bestaat, maar dat de gemeenteraadsbeslissing van 5 mei 2006 niet gebrekkig tot stand gekomen is. Het college argumenteert dat de afstempeling en de ondertekening van het plan slechts nuttig is om aan te tonen dat het plan hoort bij het besluit van 5 mei 2006 en dat het niet-ondertekenen slechts bewijsproblemen zou kunnen creëren in geval van betwisting over het juiste plan dat werd goedgekeurd. Tenslotte wordt bevestigd dat het eerder opgestuurde plan wel degelijk het plan is dat de gemeenteraad goedgekeurd heeft. 1.
- Op de gemeenteraad van 3 mei 2007 is een agendapunt gewijd aan de regelmatigheid van het rooilijnplan. Er wordt verwezen naar een schriftelijk advies van de raadsman van de gemeente. 1.
- Op 18 mei 2007 vraagt de tweede tussenkomende partij om openbaarmaking van de notulen van het college van burgemeester en schepenen X-13.355-3/13 waarbij beslist werd juridisch advies te vragen aangaande de vraag van de deputatie, van de brief van de gemeente aan haar raadsman en van het antwoord van de raadsman. 1.
- Op 31 mei 2007 weigert de gemeentesecretaris in te gaan op de vraag. Hij verwijst daarvoor naar twee uitzonderingsgronden die in het decreet van 26 maart 2004 betreffende de openbaarheid van bestuur vermeld zijn, met name artikel 14, 4/ -het belang van de openbaarheid weegt niet op tegen de bescherming van de belangen die verband houden met de rechtspleging in een burgerlijk of administratief rechtsgeding en met de mogelijkheid een eerlijk proces te verkrijgen- en artikel 14, 5/ -het belang van de openbaarheid weegt niet op tegen de bescherming van de belangen die verband houden met de vertrouwelijkheid van het handelen van het bestuur in zoverre die vertrouwelijkheid noodzakelijk is voor de politieke besluitvorming-. Hij is van oordeel dat “in beide gevallen” de belangenafweging “noopt tot het afwijzen van de aanvraag” en verduidelijkt zijn standpunt als volgt: er bestaat weliswaar geen hangend rechtsgeding, maar de gemeenteraadsbeslissing van 5 mei 2006 was een eerste beslissing in het kader van de regularisatie van de situatie na een vernietigingsarrest van de Raad van State en de kans is reëel dat nieuwe procedures worden gevoerd aangaande de wettigheid van de nog te treffen beslissingen. De gemeente heeft het recht om zich te laten bijstaan door een raadsman en hem te vragen of en hoe zij bepaalde beslissingen moet nemen. Dat recht op overleg met de raadsman kadert in de vereiste van het verkrijgen van een eerlijk proces. Het vertrouwelijk karakter van de briefwisseling tussen een advocaat en zijn cliënt is het logisch gevolg van het beroepsgeheim van de advocaat en dat vertrouwelijk karakter is nodig om een eerlijk proces te krijgen. In het kader van de belangenafweging die het bestuur moet maken mag rekening gehouden worden met de kans op een rechtsgeding. Wat betreft de bescherming van de belangen van de gemeente in het kader van de vertouwelijkheid die noodzakelijk is voor de politieke besluitvorming, stelt de gemeentesecretaris dat de raadsman van de gemeente een advies gegeven heeft aan een politiek orgaan dat moet beslissen over de verplaatsing van een voetweg -dat derhalve een X-13.355-4/13 politieke beslissing neemt- en dat de politieke besluitvorming gebaat is bij voorafgaand overleg met de raadsman. De secretaris verwijst tenslotte ook naar de federale wet inzake de openbaarheid van bestuur, waar voorzien is in de mogelijkheid om inzage te weigeren wanneer de aanvraag afbreuk doet aan een bij wet ingestelde geheimhoudingsverplichting. Te dezen kan in dat verband verwezen worden naar het beroepsgeheim van de advocaat, dat als correlarium heeft dat de briefwisseling tussen de advocaat en zijn cliënt vertrouwelijk is. 1.
- Op beroep van de tweede tussenkomende partij treft de beroepsinstantie inzake de openbaarheid van bestuur, opgericht bij artikel 22 van het decreet van 26 maart 2004 op 2 juli 2007, de thans bestreden beslissing. Daarbij wordt de aanvraag tot openbaarmaking van de tweede tussenkomende partij ingewilligd. Het besluit bevat volgende te dezen relevante motivering: “(...) Overwegende dat Patrick ROBBERECHT met zijn beroepschrift inzage wil afdwingen in de brief die het college van burgemeester en schepenen aan Mr. LINDEMANS zou hebben geschreven over het vereiste een door de gemeenteraad vastgesteld rooilijnplan te ondertekenen; dat de beroeper ook inzage wil in de antwoordbrief van de raadsman en de notulen waaruit de beslissing van het college blijkt het advies van Mr. LINDEMANS in te winnen; Overwegende dat de zaak teruggaat tot het besluit van 5 mei 2006 van de gemeenteraad houdende vaststelling van het rooilijnplan betreffende de verlegging van buurtweg nr. 14 en de herinrichting van de wegenis van het zogenoemde “Oud Vliegveld”; dat in het dossier gevoegd bij de al genoemde brief van 21 juni 2007 aan de beroepsinstantie een kopie is opgenomen van een advies dat Mr. LINDEMANS op 27 maart 2007 aan de gemeente heeft geschreven; dat dit advies blijkbaar is geschreven in antwoord op een vraag van de gemeente gesteld niet per brief, maar per e-mail op 22 maart 2007; Overwegende dat de beroepsinstantie per e-mail op 25 juni 2007 de gemeente heeft gevraagd het op 22 maart verzonden mailbericht aan de raadsman door te zenden; dat de gemeente daaraan op 26 juni gevolg heeft gegeven; dat in dit mailbericht ook wordt geciteerd uit de notulen van 19 maart 2007 waaruit blijkt dat het college van burgemeester en schepenen akte heeft genomen van de vraag van de bestendige deputatie of de gemeente beschikt over een rooilijnplan waarop de vereiste handtekeningen zijn aangebracht, en dat het college beslist deze aangelegenheid te onderzoeken; dat bij het mailbericht verzonden op 26 juni deze brief van de bestendige deputatie, die dateert van 9 maart 2007, als bijlage is gevoegd; Overwegende dat de gemeente in de in beroep bestreden beslissing de uitzonderingsgrond opgenomen in artikel 14, 4/ van het decreet van 26 maart X-13.355-5/13 2004 heeft toegepast om de openbaarmaking door inzage van de gevraagde bestuursdocumenten - de notulen, de vraag aan de raadsman en het antwoord daarop - te weigeren; dat deze bepaling een instantie verplicht een aanvraag af te wijzen als het belang van de openbaarheid niet opweegt tegen de bescherming van de rechtspleging in een burgerlijk en administratief rechtsgeding en de mogelijkheid een eerlijk proces te verkrijgen; Overwegende dat, zoals de gemeente zelf met zoveel woorden toegeeft, er hier en nu geen rechtsgeding loopt; dat de gemeente echter verwijst naar eerdere procedures betreffende de verplaatsing van buurtweg nr. 14; dat zij uitgebreid motiveert dat de kans op een nieuw rechtsgeding reëel is; dat de gemeente vervolgt dat de vertrouwelijkheid van het overleg met haar raadsman onontbeerlijk is om een eerlijk proces te verkrijgen; dat het recht op een eerlijke rechtsbedeling ook kan worden geschonden door handelingen die zich vóór de start van het proces hebben voorgedaan; dat de openbaarmaking van het door de raadsman in vertrouwen gegeven advies afbreuk doet aan het recht op een eerlijk proces en de wapengelijkheid van de partijen; dat vertrouwelijk overleg met raadslieden onmogelijk wordt als de briefwisseling met de advocaat aan de openbaarheid zou moeten worden prijsgegeven; Overwegende dat al deze bedenkingen niet wegnemen dat er in de huidige stand van zaken geen burgerlijk of administratief rechtsgeding bestaat; dat de in artikel 14,4/ bepaalde uitzonderingsgrond, zoals elke uitzondering op de openbaarheid, restrictief moet worden geïnterpreteerd; dat de kans op of de reële en concrete dreiging van een proces niet volstaat; dat het administratief toezicht waaraan de door de beroeper geviseerde beslissing van 5 mei 2006 onderworpen is, evenmin de toepassing van artikel 14,4/ wettigt; dat op het bezwaar van de gemeente dat door het vrijgeven van juridische adviezen het voor derden eenvoudiger wordt om de wettigheid van een bepaalde beslissing aan te vechten, moet worden geantwoord dat het juist één van de basisdoelstellingen van het grondwettelijk recht op openbaarheid is dat de burger beter in staat wordt gesteld te controleren of een beslissing van de administratieve overheid wel voldoende steun vindt in het dossier; dat de openbaarheid van bestuur een middel is om met kennis van zaken te beslissen of er redenen zijn een beslissing bij de rechter aan te vechten; Overwegende dat de gemeente haar weigering ook steunt op de in artikel 14, 5/ van het decreet van 26 maart 2004 bepaalde uitzonderingsgrond die, na afweging tegen het belang van de openbaarheid, de vertrouwelijkheid van het handelen van een instantie beschermt nodig voor de politieke besluitvorming; dat de gemeente voorhoudt dat de beslissing over de verplaatsing van de buurtweg een politieke beslissing is; dat het de politieke besluitvorming dient dat het bevoegde orgaan op voorhand in vertrouwen kan overleggen met haar raadsman; Overwegende dat artikel 14, 5/ van het decreet van 26 maart 2004 informatie wil afschermen die met politieke beraadslagingen te maken heeft; dat ook deze bepaling strikt moet worden geïnterpreteerd; dat vooral de bescherming van informatie wordt beoogd die dient voor het nemen van een beslissing waarin politieke, maatschappelijke, economische en financiële X-13.355-6/13 belangen moeten worden afgewogen; dat het overduidelijk is dat de vraag van een advocaat om een juridisch advies over de geldigheid van een rooilijnplan en het advies zelf niet tot de politieke beraadslagingen kunnen worden gerekend; dat de gemeente zich ten onrechte op artikel 14, 5/ heeft beroepen; Overwegende dat de gemeente tot slot artikel 458 van het Strafwetboek als grondslag aanvoert om de gevraagde inzage te weigeren; dat de gemeente aanvoert dat de vertrouwelijkheid van de briefwisseling tussen advocaten en hun cliënten voortvloeit uit het strafrechtelijk gesanctioneerd beroepsgeheim; dat zij om die reden besluit dat artikel 458 van het Strafwetboek een bij wet ingestelde geheimhoudingsverplichting is in de zin van artikel 6, § 2, 2/ van de wet van 11 april 1994 betreffende de openbaarheid van bestuur; Overwegende dat artikel 458 van het Strafwetboek al wie uit hoofde van zijn staat of beroep kennis heeft van geheimen die hem zijn toevertrouwd, tot zwijgen verplicht, uitgezonderd de in dit artikel of in een andere wet bepaalde gevallen; dat deze bepaling twee categorieën onderscheidt, te weten de daarin expliciet opgesomde beroepsgroepen en een “restcategorie”, bestaande uit alle beoefenaren van beroepen voor wie de geheimhouding noodzakelijk is omwille van de vertrouwensrelatie met de cliënt; dat de wet of het decreet het beroepsgeheim kan uitbreiden naar specifieke beroepscategorieën; dat advocaten vallen onder het toepassingsgebied van artikel 458 van het Strafwetboek; dat een advocaat tot geheimhouding verplicht is van beroepsmatig verkregen gegevens die uit hun aard vertrouwelijk zijn of expliciet of impliciet onder voorwaarde van confidentialiteit zijn toevertrouwd; Overwegende dat het de evidentie zelf is dat de advocaat van de gemeente Waasmunster gebonden is door het beroepsgeheim wat de vraag om advies en het advies zelf betreft; dat daaruit niet als een automatisme volgt dat de gemeente, gesteld voor een aanvraag tot openbaarmaking van die informatie, ook aanspraak kan maken op dat beroepsgeheim; dat de gemeente de vertrouwensrelatie met haar raadsman niet schendt door, in het vervullen van haar wettelijke verplichtingen betreffende de openbaarheid van bestuur, die informatie openbaar te maken; dat noch artikel 458 van het Strafwetboek, noch enige andere bij wet of decreet bepaalde geheimhoudingsverplichting zich verzet tegen de openbaarmaking door de gemeente van de beoogde informatie; Overwegende dat geen van de door de gemeente aangevoerde uitzonderingsgronden de weigering van de inzage in de geviseerde bestuursdocumenten schragen; dat de beroepsinstantie evenmin andere uitzonderingsgronden ziet die zich verzetten tegen de inzage; dat het beroep wordt ingewilligd;” 1.
- Blijkens de kennisgevingsbrief d.d. 5 juli 2007 moet de gemeente “uiterlijk tegen 16 juli 2007 uitvoering geven aan deze beslissing”. Krachtens artikel 24, § 3 van het decreet van 26 maart 2004 voert de X-13.355-7/13 beroepsinstantie zelf haar beslissing uit wanneer het bestuur veertig dagen in gebreke blijft. De tussenkomsten
- Er werden twee verzoekschriften tot tussenkomst ingediend. De ORDE VAN VLAAMSE BALIES ondersteunt de vordering tot schorsing. Patrick ROBBERECHT vraagt om de vordering te verwerpen.
- De eerste tussenkomende partij, de ORDE VAN VLAAMSE BALIES, wijst wat haar belang betreft, op haar wettelijke opdracht om de beroepsbelangen van haar leden, de advocaten, te verdedigen. Zij verwijst dan naar de door verzoekster in het middel aan de orde gestelde problematiek van de openbaarmaking van vertrouwelijke correspondentie gevoerd tussen een advocaat en diens cliënt en van het beroepsgeheim van de advocaat, hetgeen volgens haar een gemeenschappelijk belang van de advocaten uitmaakt waarvoor zij in rechte kan treden, ook omdat de problematiek “de rechtsbedeling zelf” aangaat.
- De eerste tussenkomende partij heeft geen belang bij de schorsing van de bestreden beslissing als zodanig. Haar belang ligt in het horen gegrond verklaren van het aangevoerde middel omdat naar haar oordeel daarmee de rechten van de advocaat en, in een ruimer kader, de rechtsbedeling zelf veilig gesteld worden. Dergelijk belang stoelt op de bekommernis om de wettigheid nageleefd te zien en volstaat niet om een tussenkomst te rechtvaardigen. In de huidige stand van de rechtspleging wordt de tussenkomst niet toegelaten.
- Aan de tweede tussenkomende partij, Patrick ROBBERECHT, is de openbaarmaking van de door hem opgevraagde stukken geweigerd. Hij heeft tegen die weigering beroep ingesteld bij de beroepsinstantie en deze heeft besloten hem inzage te verlenen van de gevraagde stukken. Zijn vordering tot tussenkomst is ontvankelijk. X-13.355-8/13 De voorwaarden voor schorsing
- Overeenkomstig artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan slechts tot de schorsing van de tenuitvoerlegging worden besloten onder de drievoudige voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden, dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen en dat de zaak hoogdringend is. Het moeilijk te herstellen ernstig nadeel
- Verzoekster adstrueert haar nadeel als volgt: “(...) Als evenwel de verzoekende partij uitvoering zou moeten worden geven aan de bestreden beslissing vóór de nietigverklaring, of als de Beroepsinstantie dat doet, dan wordt de nietigverklaring van de beslissing zinloos: de gevolgen ervan kunnen niet meer teruggeschroefd worden, en ook elk rechtsherstel “in natura” is dus onmogelijk. Het gevraagde advocatenadvies - en de aanvraag om dat advies - zullen dan bekendgemaakt zijn, zodat een nietigverklaring gesteund op de overweging dat de inzage en mededeling van een kopie mochten worden geweigerd, geen enkel praktisch nut meer hebben en enkel nog een precedentwaarde zal hebben. Meteen zal dan een inbreuk gemaakt zijn op een essentieel recht in de rechtstaat: het recht op vertrouwelijkheid van briefwisseling tussen advocaat en cliënt (zie nader het middel). Het nadeel is dus helemaal niet herstelbaar. Het nadeel is ook ernstig, nu het een onaanvaardbare inbreuk betekent op het beroepsgeheim van de advocaat en de vertrouwelijkheid van de briefwisseling tussen advocaat en cliënt. Daarover wordt hierna, bij de toelichting bij het middel, meer ten gronde gehandeld. Overigens leidt ook belangenafweging tot een inwilliging van het schorsingsverzoek: geen enkel recht wordt onherstelbaar aangetast als de tenuitvoerlegging wordt geschorst, terwijl dat wel het geval is als de schorsing zou worden verworpen.”
- De verwerende partij stelt daar tegenover dat de uiteenzetting van verzoekster enkel betrekking heeft op de vraag van de gemeente aan een raadsman en het antwoord van de raadsman. Met betrekking tot de beslissing van X-13.355-9/13 het college van burgemeester en schepenen om advies van een advocaat in te winnen wordt geen nadeel aangevoerd. Voor het overige verwijst verzoekster naar de bescherming van de relatie tussen een advocaat en zijn cliënt, maar blijft zij zeer algemeen en duidt zij niet in concreto aan welk nadeel de gemeente ondergaat wanneer de beslissing van de beroepsinstantie toch wordt uitgevoerd. De problematiek ten gronde betreft de rechtsgeldigheid van het gemeenteraadsbesluit van 5 mei 2006, dat besluit kan door de inwoners van de gemeente ingezien worden en derhalve kan de tweede tussenkomende partij langs die weg nagaan of de bijlage bij dat besluit ondertekend is. Aangenomen dat de bijlage bij het gemeenteraadsbesluit niet regelmatig ondertekend is, dan kan het advies enkel betrekking hebben op de wettelijkheid van het gemeenteraadsbesluit en op de mogelijkheid om die onregelmatigheid te herstellen, maar er wordt niet ingezien welk nadeel -laat staan ernstig- de gemeente kan ondergaan door de bekendmaking van dergelijk advies en van de desbetreffende aanvraag. Overigens kunnen de bewuste stukken ook niet doorslaggevend zijn wanneer de tweede tussenkomende partij ze wenst te gebruiken in een gerechtelijk of administratief rechtsgeding en zal de bevoegde rechtbank moeten oordelen of de stukken regelmatig verkregen zijn.
- De tweede tussenkomende partij betwist eveneens de ernst van het ingeroepen nadeel. Zij stelt dat verzoekster verwijst naar de onmogelijkheid om “de gevolgen van de bekendmaking” terug te schroeven, maar dat zij niet vermeldt welke die gevolgen zijn en dat zij niet inziet welke nadelige gevolgen het bekendmaken van stukken die betrekking hebben op het al dan niet ondertekenen van een rooilijnplan voor de gemeente kan hebben. De verwijzing naar de schending van het recht op vertrouwelijke correspondentie tussen een advocaat en zijn cliënt betreft het ingeroepen middel en vormt geen persoonlijk nadeel voor de gemeente. Overigens kan de gemeente het nadeel van de advocaat -de schending van zijn beroepsgeheim- niet tot haar eigen nadeel ombuigen. De vraag tot belangenafweging is niet te verzoenen met het grondwettelijk recht op openbaarheid. X-13.355-10/13
- De openbaarmaking van vertrouwelijke briefwisseling in een aangelegenheid waarin reeds rechtsgedingen zijn gevoerd en waarin nieuwe rechtsgedingen niet uitgesloten en zelfs te verwachten zijn, kan in de mate dat zij de bewegingsruimte van de gemeente tijdens de verdere administratieve afhandeling van de zaak en in rechtsgedingen daaromtrent beïnvloedt, gezien worden als een nadeel dat de schorsing van het bevel tot openbaarmaking kan verantwoorden. Het is voorts ook duidelijk dat de vernietiging van het opgelegde bevel geen rechtsherstel kan opleveren.
- Het nadeel moet evenwel ook ernstig zijn. Verzoekster verwijst te dien aanzien naar de inbreuk op het beroepsgeheim van de advocaat en de vertrouwelijkheid van de briefwisseling tussen advocaat en cliënt. Die uiteenzetting refereert aan het middel op grond waarvan zij het bestreden besluit vernietigd wil zien en waarin onder meer aangevoerd wordt dat de vertrouwelijkheid van de briefwisseling tussen advocaat en cliënt dezelfde bescherming geniet als het beroepsgeheim van de advocaat. De schending van wat verzoekster als een “essentieel recht” betitelt, volstaat evenwel op zich niet om te besluiten dat het nadeel ook ernstig is, aangezien de ernst van het nadeel verband houdt met de gevolgen van de bestreden beslissing. Daarvoor moet verzoekster aannemelijk maken dat de openbaarmaking van de stukken die de tweede tussenkomende partij opgevraagd heeft, haar voor problemen plaatst met betrekking tot haar verdere acties in de aangelegenheid waarmee de bestreden beslissing verband houdt. Zij duidt die problemen niet aan.
- Er wordt ook niet ingezien op welke wijze de bekendmaking van een advies over de regelmatigheid van een gemeenteraadsbesluit en mogelijks zelfs over de houding die de gemeente bij eventuele betwistingen dienaangaande kan aannemen, haar initiatiefrecht of haar mogelijkheden van verweer zowel wat het administratief aspect van de zaak betreft als ten aanzien van de rechtsgedingen die daarover worden gevoerd, beperkt of aantast. X-13.355-11/13
- Verzoekster betoogt nog dat een schorsing de rechten van de tweede tussenkomende partij niet onherstelbaar aantast. Die bemerking houdt geen verband met het bewijs van een moeilijk te herstellen ernstig nadeel en negeert eigenlijk dat dergelijk bewijs een wezenlijke voorwaarde voor de schorsing vormt.
- Verzoekster maakt niet aannemelijk dat zij een ernstig nadeel dreigt te ondergaan wanneer de bestreden beslissing onmiddellijk ten uitvoer wordt gelegd. De tweede grondvoorwaarde voor het bevelen van de schorsing is niet vervuld. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE: Artikel
- Het verzoek tot tussenkomst van de ORDE VAN VLAAMSE BALIES in het administratief kort geding bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt afgewezen. Het verzoek tot tussenkomst van Patrick ROBBERECHT in het administratief kort geding bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt ingewilligd. Artikel
- De vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt verworpen. Artikel
- X-13.355-12/13 De kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, bepaald op 175 euro, komen ten laste van verzoekster. De kosten van de verzoeken tot tussenkomst in de schorsingsprocedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid, bepaald op 250 euro, komen ten laste van de verzoekende partijen in tussenkomst, elk voor de helft. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op 13 juli 2007, door : de H. A. VANDENDRIESSCHE, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. G. SCHEVENEELS, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, G. SCHEVENEELS. A. VANDENDRIESSCHE. X-13.355-13/13 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.173.526 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div