← België

Arrest 173563 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 17/07/2007

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 17 juli 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.173.563 Rolnummer: A. 183088/X-13278 Zaak: Arrest 173563 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 17/07/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-07-24 Raadplegingen: 55 - laatst gezien 2026-06-29 23:13 Fiche Arrest nr 173.563 van 17 juli 2007 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 173.563 van 17 juli 2007 in de zaak A. 183.088/X-13.

  1. In zake : Jacques WINSEL, wonende te 1702 DILBEEK, Nieuwe Gentsesteenweg 12, bus 11 tegen : de deputatie van de provincieraad van VLAAMS-BRABANT. DE WND. VOORZITTER VAN DE Xe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Jacques WINSEL op 3 mei 2007 heeft ingediend om te vragen dat “de definitieve weigering van een milieu- vergunning op basis van art. 57 - Vlarem - (koppeling milieu- en bouwvergunning) en de Vlarebo- en Vlaamse Raad decreten wordt bekrachtigd door de bekendmaking en uitschrijven van een arrest ter zake” en “de aangevraagde bouwvergunning dd. 18 januari 1998, ingediend door de n.v. Priveco, ongegrond en nietig te verklaren”; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd F. DE BUEL, op grond van artikel 93 van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State; Gelet op de beschikking van 12 juni 2007, houdende bevel tot neerlegging van het verslag over het beroep tot nietigverklaring en waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 29 juni 2007 om 11.00 uur; Gelet op de mededeling van het verslag aan partijen; Gehoord het verslag van staatsraad J. BOVIN; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelings- hoofd F. DE BUEL; X-13.278-1/5 Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  2. Overwegende dat de verzoeker in zijn verzoekschrift uiteenzet wat volgt: “G/DE DOOR VERZOEKER AANVRAAG AAN DE RAAD van STATE-AFDELING LEEFMILIEU ZAKEN-BEVOEGDE SPECIALE RECHTERLIJKE KAMER: G/1,- OP BASIS VAN AL DE HIERHOGER AANGEHAALDE FEITEN EN BEWIJZEN: vraagt VERZOEKER een UITSPRAAK en ARREST te willen bekend maken en uit te schrijven: G/1.1-met als de HIERHOGER OPGESOMDE INBREUKEN (Zie hierhoger aangehaald PUNT C/1-en in liet bijzonder ART-56-VLAREM=KOPPELING MILIEU EN BOUWVERGUNNING) alsook al de hierhoger aangehaalde en uitvoerige BEWIJSELEMENTEN gestaafd op de MILIEU WETGEVING ter zake, (zie ingediende aanvraag voor SCHORSINGSARREST dd. 23 JANUARI 2007 bij de 10de KAMER-RUIMTELIJKE ORDENING-BOUWVERGUN-NINGEN door VERZOEKER; G/1.2.waarbij de door VERZOEKER het toepassen van zijn aangevraagd SCHORSINGSARREST dd. 23 JANUARI 2007 (alvorens definitief UITSPRAAK te doen TEN GRONDE) ten overstaan van de 10de KAMER- RUIMTELIJKE ORDENING-BOUWVERGUNNINGEN zou in aanmerking en aangenomen worden. WEL DEGELIJK EN WETTELIJK diende te gebeuren op basis van de bestaande leemten en gebreken aan specifieke coördinatie-wetgeving ter zake, G/2.OP BASIS VAN ART.57-KOPPELING MILIEU EN BOUW- VERGUNNING" vraagt VERZOEKER EEN DEFINITIEVE UITSPRAAK met ARREST te willen bekend maken en uit te schrijven: G/2.1.waarbij VERZOEKER niet meer in staat is geweest om ten gepaste tijd (18 JANUARI 1998 = NEGEN JAAR GELEDEN) tot een BODEM- EXPERTISE-TUSSENKOMST-ONDERZOEK op basis van de hierhoger opgesomde VLAREBO en VLAAMSE RAAD DECRETEN (Zie o.a. hierhoger aangehaalde PUNTEN C/1+D/ + E/) te ondernemen door het feit dat de BOUWAANVRAGER, de N.V.- PRIVECO, de BESTAANDE WET- GEVINGEN OP DE MILIEU-VERGUNNING ten tijde van het indienen van ZIJN BOUWAANVRAAGVERGUNNING heeft genegeerd; G/2.
  3. waarbij de DEFINITIEVE WEIGERING VAN EEN MILIEUVERGUNNING gekoppeld aan de aangevraagde BOUW- VERGUNNING door NV PRIVECO wordt toegepast bij ART.57 (KOPPELING MILIEU EN BOUWVERGUNNING)”;
  4. Overwegende dat de gegevens van de zaak kunnen worden samengevat als volgt: Op 18 februari 1998 dient de n.v. Priveco bij het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Dilbeek een bouwaanvraag in voor het X-13.278-2/5 oprichten van “kantoorgebouwen alsook magazijn” te Dilbeek (Groot-Bijgaarden), Brusselsesteenweg, op een perceel kadastraal bekend sectie A, nrs. 134/l en 135/m. Bij besluit van 23 november 1998 weigert het college van burgemeester en schepenen de gevraagde bouwvergunning. In beroep wordt de gevraagde bouw- vergunning bij besluit van 10 juni 1999 van de bestendige deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant verleend. Het beroep tot nietigverklaring dat de verzoeker tegen laatstgenoemd besluit van de bestendige deputatie bij de Raad van State heeft ingesteld, wordt verworpen bij arrest nr. 168.581 van 7 maart
  5. Met een verzoekschrift van 29 maart 2007 vraagt de verzoeker de schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de procedure waarover de Raad van State bij voormeld arrest nr. 168.581 uitspraak heeft gedaan “in afwachting dat (...) verzoeker dit geschil zal doen behandelen volgens de reglementering ter zake met gebeurlijk indien van een aanvraag voor verder gevolg”. De vordering wordt verworpen bij arrest nr. 169.853 van 5 april 2007 op grond van artikel 4, derde lid, van het koninklijk besluit van 5 december 1991 tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State, aangezien de verzoeker op de terechtzitting niet aanwezig noch vertegenwoordigd was.
  6. Overwegende dat in het verslag van het met het onderzoek van de zaak gelaste lid van het auditoraat betreffende de ontvankelijkheid van het beroep wordt uiteengezet wat volgt: “Uit verzoekers feitenuiteenzetting kan, zij het moeizaam, worden afgeleid dat, naar zijn oordeel, de bouwaanvraag van 18 februari 1998, gelet op ‘menige leefmilieuproblematieken’, diende te worden beschouwd als een zgn. ‘gemengd dossier’ en dus diende mede afge- en behandeld worden ‘op basis van de destijds bestaande wettelijke regelingen, nml. Vlarem-, Vlarebo- en Vlaamse decreten’, meer bepaald op grond de artikelen 56 en 57 van Vlarem. Anders dan verzoeker dat blijkbaar ziet, schrijven voornoemde artikelen geenszins voor dat de bouw- en milieuvergunningsaanvragen, in een enkele procedure dienen te worden afgehandeld en derhalve verleend dienen te worden in een enige vergunning, doch wel dat, zo voor de realisatie van een bepaald project een bouw- én milieuvergunning vereist is, de eerst afgeleverde vergunning, zijnde, al naar gelang het geval, een bouw- dan wel een milieuvergunning, geschorst is zolang de andere vergunning, zijnde, al naar gelang het geval, een milieu- of bouwvergunning, niet is bekomen. M.a.w., aangenomen dat, in casu, benevens een bouwvergunning ook een milieuvergunning zou zijn vereist geweest, dan kan, op grond van het enkele X-13.278-3/5 feit dat er voor de afgeleverde bouwvergunning nog geen milieuvergunning zou zijn afgeleverd, niet worden besloten tot de nietigheid van die bouwvergunning. Om die reden alleen al, daargelaten de vraag of de Raad van State daar toe, hoe dan ook, bevoegd zou zijn, kan niet worden ingegaan op het verzoek 'de definitieve weigering van een milieuvergunning op basis van art. 57 - Vlarem (koppeling milieu- en bouwvergunning) en de Vlarebo- en Vlaamse Raad decreten (te bekrachtigen) door de bekendmaking en uitschrijven van een arrest ter zake’. Daarbij dient, daarenboven, vastgesteld dat voormelde bouwaanvraag van 18 februari 1998 bij beslissing van de bestendige deputatie van 10 juni 1999 werd bewilligd; dat verzoekers beroep tegen die bouwvergunning van 10 juni 1999 bij arrest nr. 168.581, van 7 maart 2007, werd verworpen en dat derhalve, voor zover onderhavig beroep gericht is tegen voornoemd arrest, dit beroep, kennelijk, niet ontvankelijk is, gelet op artikelen 30, § 1, tweede lid, en 35 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State. Het spreekt voor zich dat een stedenbouwkundige aanvraag het begin vormt van een administratieve procedure welke, uiteindelijk, kan leiden tot het verlenen van de gevraagde vergunning. Dergelijke aanvraag kan dan ook geenszins worden aangemerkt als een ‘akte of reglement van een administratieve overheid’, als bedoeld in artikel 14, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State. In de mate verzoekers beroep gericht is tegen ‘de aangevraagde bouw- vergunning dd. 18januari 1998, ingediend door de n. v. Priveco’, is dit beroep dan ook, kennelijk, niet ontvankelijk. In de gegeven zijn wij dan ook van oordeel dat het op 3 mei 2007 ingestelde annulatieberoep, kennelijk, niet ontvankelijk en dat het derhalve dient te orden verworpen;” Overwegende dat, om de redenen hiervoor uiteengezet in het verslag van het met het onderzoek van de zaak gelaste lid van het auditoraat, het beroep kennelijk niet ontvankelijk is, B E S L U I T: Artikel
  7. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  8. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van verzoeker. X-13.278-4/5 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zeventien juli 2007, door: de H. J. BOVIN, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. S. DOMS, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DOMS. J. BOVIN. X-13.278-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.173.563 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.