id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 17 juli 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.173.567 Rolnummer: A. 176901/X-13017 Zaak: Arrest 173567 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 17/07/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-07-23 Raadplegingen: 59 - laatst gezien 2026-06-29 23:15 Fiche Arrest nr 173.567 van 17 juli 2007 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Inwilliging tussenkomst Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 173.567 van 17 juli 2007 in de zaak A. 176.901/X-13.
- In zake : Katia VAN STALLE, die woonplaats kiest bij advocaat C. GYSEN, kantoor houdende te 2800 MECHELEN, Antwerpsesteenweg 18 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat M. van DIEVOET, kantoor houdende te 1000 BRUSSEL, Boomstraat 14, bus
- tussenkomende partij : de n.v. INFRABEL, die woonplaats kiest bij advocaat J. BOUCKAERT, kantoor houdende te 1000 BRUSSEL, Loksumstraat
- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE Xe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Katia VAN STALLE op 18 september 2006 heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van de beslissing van 14 juli 2006 van de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar waarbij aan de n.v. INFRABEL de stedenbouwkundige vergunning wordt verleend voor het project genaamd “Noordelijke spoorontsluiting van de luchthaven van Zaventem-DIABOLO-project”; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur T. DE WAELE; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; X-13.017-1/8 Gelet op de beschikking van 4 december 2006 waarbij de terecht- zitting bepaald wordt op 12 januari 2007; Gehoord het verslag van staatsraad J. BOVIN; Gehoord de opmerkingen van advocaat C. GYSEN, die verschijnt voor de verzoekende partij, van advocaat T. DE KETELAERE, die loco advocaat M. van DIEVOET verschijnt voor de verwerende partij, en van advocaten J. BOUCKAERT en J. ROGGEN, die verschijnen voor de tussenkomende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur T. DE WAELE; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat de n.v. INFRABEL met een verzoekschrift van 30 oktober 2006 heeft gevraagd om in het administratief kort geding te mogen tussenkomen; dat er grond is om het verzoek in te willigen; Overwegende dat met het oog op een verdere ontwikkeling en uitbreiding van het spoorwegstation van de luchthaven van Zaventem/Brussel en het doortrekken van de spoorlijnen in de richting van zowel Brussel als Antwerpen een nieuwe infrastructuur in de richting van de hoofdstad ter hoogte van Schaarbeek wordt voorzien waarbij aansluiting wordt gezocht op de bestaande spoor- en TGV-verbindingen; dat in de tegenovergestelde richting vanaf de luchthaven noordwaarts een nieuw sporentracé wordt uitgewerkt, met een eerste ondergronds gedeelte tot aan het op- en afrittencomplex van de E19-autosnelweg te Machelen (2 ½ km), vervolgens een tweede gedeelte in de middenberm van de E19 tot Mechelen-zuid (11 ½ km), en een derde en laatste deel tot in Mechelen ter aansluiting met de bestaande spoorverbindingen 27 en 25, dit laatste ter hoogte van de Abeelstraat (2 km); dat met betrekking tot het gedeelte van het tracé dat langs de Rietstraat loopt waar de verzoekster woont, reeds bij besluit van de Vlaamse regering van 24 juli 1991 het gewestplan Mechelen werd gewijzigd, en daarbij aan weerszijden van de bestaande spoorlijnen 25 en 27 een reservatie- en erfdienstbaarheidsstrook werd ingetekend; dat met betrekking tot het nieuwe spoortraject een voorlichtingstraject werd georganiseerd, en op 24 mei 2005 door de cel-MER van de administratie milieu-, natuur-, land- en waterbeheer een X-13.017-2/8 milieueffectrapport (hierna: MER) werd goedgekeurd; dat in het MER wordt geopperd om ten voordele van de bewoners van de Rietstraat maximaal milderende maatregelen toe te passen, zoals het integreren van een geluidsscherm in de voorziene viaductconstructie, het implementeren van trillingsbeperkende technieken, en de aanleg van een groene wand; dat tevens in het MER wordt gesuggereerd om aan de bewoners de mogelijkheid te bieden om hun woning aan de NMBS te verkopen, die deze woning dan zou wederverkopen aan de meest biedende na verloop van één jaar exploitatie van de nieuwe spoorlijn; dat in tussentijd de eigenaar die daartoe beslist, de woning desgewenst verder zou kunnen bewonen tegen een “symbolische” huurprijs; dat op 3 juni 2005 de tussenkomende partij bij de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar een stedenbouwkundige aanvraag indient om het spoortraject te kunnen verwezenlijken; dat ter hoogte van de Rietstraat te Mechelen, de plannen voorzien dat de nieuwe spoorlijn wordt aangelegd onmiddellijk naast spoorlijn 27 in het talud daarvan, op een viaduct dat ondersteund wordt door pijlers, en dat ten opzichte van de aanpalende bewoonde eigendommen zal worden afgeschermd door een schuin oplopende geluidswal die met groen dient te worden bekleed; dat tevens zal worden gebruik gemaakt van geluidsabsorberende materialen; dat de nieuwe spoorbedding tenslotte ongeveer 4 meter lager komt te liggen dan de bestaande spoorbedding van lijn 27; dat over de plannen een openbaar onderzoek wordt georganiseerd, in het kader waarvan in Mechelen 5 bezwaarschriften worden ingediend, waaronder één collectief bezwaar- schrift uitgaande van de bewoners van de Rietstraat; dat tevens op 29 juni 2005 een publieke hoor- en overlegvergadering plaatsvindt; dat het college van burgemeester en schepenen van de stad Mechelen op 31 augustus 2005 een voorwaardelijk gunstig advies over de aanvraag verleent, waarin met name op de effectieve uitvoering van de in het MER voorziene milderende maatregelen wordt aangedrongen; dat met een koninklijk besluit van 5 maart 2006 de onmiddellijke inbezitneming van sommige percelen, nodig voor de bouw van de noordelijke spooraansluiting van de nationale luchthaven te Zaventem (“Diaboloproject”), gelegen op het grondgebied van de gemeenten Zaventem, Steenokkerzeel, Machelen, Zemst en Mechelen, van algemeen nut wordt verklaard (hierna: het koninklijk besluit van 5 maart 2006); dat in de bijgevoegde lijst ook de eigendom van de verzoekster wordt vermeld, waarvoor een grondinname van 6a 57ca wordt voorzien; dat met een besluit van 14 juli 2006 de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar de gevraagde vergunning onder een aantal voorwaarden verleent, waarbij o.m. de naleving van de in het MER opgenomen milderende maatregelen wordt opgelegd; X-13.017-3/8 Overwegende dat krachtens artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot de schorsing van de tenuitvoerlegging kan worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de nietigverklaring van de aangevochten akte of verordening kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden akte of verordening een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; Overwegende dat artikel 17, § 3, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State bepaalt dat de vordering tot schorsing een uiteenzetting van de middelen en de feiten dient te bevatten die volgens de indiener ervan het bevelen van de schorsing rechtvaardigen; dat het op het ogenblik van het indienen van het verzoekschrift van toepassing zijnde artikel 8, tweede lid, 5/, van het koninklijk besluit van 5 december 1991 tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State bepaalt dat de vordering tot schorsing dient te bevatten “een uiteenzetting van de feiten die kunnen aantonen dat de onmiddellijke tenuitvoer- legging van de aangevochten akte of het aangevochten reglement de eiser een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen”; dat uit deze bepalingen volgt dat de verzoeker in zijn verzoekschrift duidelijk en concreet dient aan te geven waarin precies het moeilijk te herstellen ernstig nadeel is gelegen dat hij ingevolge de onmiddellijke tenuitvoerlegging van het bestreden besluit ondergaat of dreigt te ondergaan, en dat met niet in het verzoekschrift tot schorsing opgenomen feiten en verklaringen hieromtrent geen rekening kan worden gehouden; Overwegende, wat de tweede voorwaarde van voornoemd artikel 17, § 2, betreft, dat de verzoekster betoogt dat de thans bestreden beslissing tot gevolg heeft dat een bijkomende dubbele spoorlijn op tien meter van de perceelgrens met haar eigendom wordt aangelegd; dat de geplande spoorlijn derhalve vlak voorbij zijn tuinzone, in het thans bestaande talud, komt te liggen; dat tussen de op te richten dubbele spoorlijn en haar tuin in uitvoering van de thans bestreden beslissing een vol betonnen geluidswand van twaalf meter hoog wordt opgetrokken; dat deze wand op ongeveer twee meter van het einde van haar tuin is gelegen; dat voorts voor de uitvoering van de aanlegwerkzaamheden een deel van haar tuin, al dan niet tijdelijk, door de n.v. INFRABEL wordt ingenomen; dat bovendien de aantasting van haar leefomgeving door het MER expliciet wordt erkend: “Ter hoogte van de Rietstraat cumuleren effecten van ruimtebeslag, geluids- hinder, visuele verstedelijking, trillingshinder, verlies aan bezonning... zodat X-13.017-4/8 zonder milderende maatregelen (geen geluidsschermen, geen visuele inkleding, ...) de toestand onleefbaar wordt. Maximale uitvoering van milderende maatregelen is hier essentieel. Slechts met deze maatregelen is het behoud van de woonmogelijkheid in de Rietstraat langs de zijde van de spoorlijn te verdedigen”; dat zij aangaande de geluidshinder en de toename van het aantal trillingen stelt dat gedurende de werkzaamheden er voortdurend lawaai van de werktuigen en machines zal zijn; dat eenmaal de werken zijn afgerond er een aanzienlijke toename van het treinverkeer zal zijn; dat bovendien uit enerzijds, de geluidsmetingen in situ en anderzijds, een computersimulatie van het spoorwegverkeer op de thans bestaande spoorlijnen L25 en L27 duidelijk blijkt dat de trillinghinder in haren hoofde meer dan reëel is; dat voorts de zogenaamde trillingbeperkende maatregelen die in het MER worden voorgesteld aan haar geen enkele zekerheid bieden; dat met betrekking tot de visuele hinder kan worden gesteld dat het optrekken van een betonnen geluidswand met een hoogte van twaalf meter op het einde van de tuinzone in plaats van het bestaande groene talud een onmiskenbaar visueel nadeel met zich zal meebrengen alsook het residentieel karakter van de woonwijk en het ruimtelijk gevoel zal aantasten; dat bovendien een zeer groot aandeel van het zonlicht in de tuin en in de woning zal wegvallen, hetgeen uiteraard gevolgen zal hebben op het vlak van warmteverlies en lichtinval; dat voorts het voorgestelde project een serieuze aantasting van de woon- en leefkwaliteit tot gevolg zal hebben, met name met o.m. een verstoring van de nachtrust, een toename van de vervuiling en een impact op het veiligheidsgevoel; dat zij tenslotte stelt dat zij de reeds bestaande woning op 23 mei 1995 heeft aangekocht en op het ogenblik van deze aankoop volkomen onwetend was over de toekomstige plannen voor haar perceel; dat haar woning derhalve door de thans bestreden beslissing een aanzienlijke objectieve en subjectieve waardevermindering zal ondergaan in vergelijking met de datum van aankoop; Overwegende dat het moeilijk te herstellen ernstig nadeel zijn rechtstreekse oorzaak moet vinden in het aangevochten besluit; dat in casu door de verzoekster niet wordt betwist dat de door de bestreden beslissing vergunde werken gesitueerd zijn binnen een reservatie- en erfdienstbaarheidsgebied, zoals dit op het gewestplan Mechelen werd ingetekend ingevolge het besluit van de Vlaamse regering van 24 juli 1991 houdende vaststelling van een gedeelte van het gewestplan Mechelen op het grondgebied van de gemeenten Duffel, Mechelen en Sint- Katelijne-Waver; dat deze strook toentertijd op het gewestplan werd voorzien teneinde een nieuwe hoge snelheidslijn te kunnen aanleggen naast de reeds X-13.017-5/8 bestaande sporentracés; dat waar de verzoekster in haar verzoekschrift zelf stelt dat zij haar eigendom in de Rietstraat in 1995 heeft verworven, dient te worden vastgesteld dat zij blijkbaar in rechte nooit iets heeft ondernomen tegen die gewestplanwijziging die nochtans een uitbreiding en verbreding van de spoorinfrastructuur in het vooruitzicht stelde en mogelijk maakt; dat ook in het raam van de huidige procedure de verzoekster nergens aanvoert dat de in 1991 doorgevoerde gewestplanwijziging om enige reden voor onwettig zou moeten worden gehouden; dat de reservatie- en erfdienstbaarheidsgebieden die op de gewestplannen worden voorzien, luidens artikel 18.7.3, van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerpgewestplannen en gewestplannen letterlijk als bedoeling hebben “de nodige ruimten te reserveren voor de uitvoering van (toekomstige) werken van openbaar nut”; dat in casu de reservatie- en erfdienstbaarheidsstrook voor de verwezenlijking van een uitbreiding en verbreding van het sporentracé is bestemd, en in afwachting daarvan beperkingen gelden om de latere uitvoering van die werken mogelijk te maken en te houden; dat in zoverre het aangevoerde nadeel erin bestaat dat op de betreffende locatie, volledig binnen de reservatiestrook, werken zullen worden uitgevoerd die ertoe strekken een nieuwe spoorlijn aan te leggen, dient te worden vastgesteld dat dit nadeel zijn rechtstreekse oorsprong vindt in de bestemming die het gewestplan Mechelen aan de betrokken gronden heeft gegeven, en dat de bestreden stedenbouwkundige vergunning hiervan slechts de concrete realisatie is; dat waar de verzoekster er zich over beklaagt dat de vergunde werken een aantasting zullen betekenen van haar eigendom, dit nadeel het gevolg is van het hiervoor vermelde koninklijk besluit van 5 maart 2006 waarbij wordt beslist dat het algemeen nut de onmiddellijke inbezitneming vordert van een aantal percelen, waaronder een deel van verzoeksters eigendom, nodig voor de verwezenlijking van het zogenaamde “Diabolo-project” en dat bij gebrek aan afstand in der minne, de voor de betreffende werken benodigde en op voormelde plannen aangeduide percelen ingenomen en bezet worden overeenkomstig de wet van 2 juli 1962 betreffende de onteigeningen ten algemenen nutte en de concessies voor de bouw van de autosnelwegen; dat blijkt dat de verzoekster ook dit besluit niet in rechte heeft aangevochten; dat voor het overige de verzoekster niet beweert dat de wijze waarop in concreto het door het gewestplan mogelijk gemaakte tracé wordt aangelegd op zich een ernstig nadeel zou veroorzaken, los van het nadeel dat geacht moet worden reeds uit de verwezenlijking van de gewestplanbestemming voort te vloeien; dat ten overvloede kan worden vastgesteld dat de verzoekster in 1995 er zelf heeft voor gekozen om zich te komen vestigen in de onmiddellijke nabijheid van twee toen reeds bestaande X-13.017-6/8 en druk bereden spoortracés, aan de rand van de stedelijke Mechelse agglomeratie; dat mede gelet op de bevindingen in het opgestelde MER, het aannemelijk is dat het geluidsniveau afkomstig van het spoorverkeer ingevolge de aan te leggen geluidswal en de verschillende andere geluidswerende maatregelen die in uitvoering van de bestreden vergunning dienen te worden genomen, zal afnemen of alleszins niet in ernstige mate zal toenemen en dat geen trillingshinder te verwachten is volgens de DIN-4150 in de toekomstige situatie; dat ook om de trillingen te beperken trillingsbeperkende maatregelen en monitoring ervan worden opgelegd; dat wat de zichthinder betreft dient te worden opgemerkt dat aan de opgelegde betonnen geluidswerende wand een hellingsgraad dient te worden gegeven die moet toelaten om deze met landschappelijk verantwoord groen te bekleden; dat blijkt dat de verzoekster vanuit haar woning ook nu reeds achteraan op het talud van de bestaande spoorlijnen 25 en 27 uitkijkt, zij het dat dit talud thans schuin oplopend is; dat alle in het MER opgenomen maatregelen en voorwaarden krachtens het beschikkende gedeelte van de bestreden vergunning “stipt en integraal” dienen te worden nageleefd; dat tenslotte de mogelijke nadelen die volgen uit de werfwerkzaamheden uiteraard en per definitie een tijdelijk karakter zullen hebben, en derhalve in beginsel niet “moeilijk te herstellen” zijn; dat de verzoekster in dit opzicht in ieder geval niet aantoont dat de hinder die veroorzaakt zal worden door de uitvoering van de werken, nadelen met zich zouden brengen die een moeilijk herstelbaar karakter zouden hebben; dat de uiteenzetting van de verzoekster geen afdoende gegevens bevat die aannemelijk maken dat de onmiddellijke tenuitvoer- legging van het bestreden besluit een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen in de zin van artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State; Overwegende dat niet is voldaan aan de tweede door artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State opgelegde voorwaarde om de schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit te kunnen bevelen; dat die vaststelling volstaat om de vordering af te wijzen, BESLUIT: Artikel
- Het verzoek tot tussenkomst van de n.v. INFRABEL in het administratief kort geding wordt ingewilligd. X-13.017-7/8 Artikel
- De vordering tot schorsing wordt verworpen. Artikel
- De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. De kosten van de tussenkomst in de schorsingsprocedure, bepaald op 125 euro, komen ten laste van de tussenkomende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zeventien juli 2007, door : de H. J. BOVIN, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. S. DOMS, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DOMS. J. BOVIN. X-13.017-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.173.567 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.176.268 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div