id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 06 augustus 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.173.889 Rolnummer: A. 179727/X-13118 Zaak: Arrest 173889 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 06/08/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-10-17 Raadplegingen: 58 - laatst gezien 2026-06-29 23:38 Fiche Arrest nr 173.889 van 6 augustus 2007 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 173.889 van 6 augustus 2007 in de zaak A. 179.727/X-13.
- In zake :
- Alphons DE CLERCK,
- Lucia MERTENS, die woonplaats kiezen bij advocaat K. DE PUYDT, kantoor houdende te 1080 BRUSSEL, Ninoofsesteenweg 153 tegen :
- de gemeente PUURS,
- de deputatie van de provincie ANTWERPEN. DE Wnd. VOORZITTER VAN DE Xe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Alphons DE CLERCK en Lucia MERTENS op 23 december 2006 hebben ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van :
- het besluit van 28 september 2006 van de deputatie van de provincie Antwerpen waarbij hun beroep tegen het besluit van 3 januari 2006 van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Puurs waarbij hen de vergunning wordt geweigerd voor de regularisatie van de bijgebouwen van de manège op een perceel gelegen te Puurs, Dendermondsesteenweg 137, kadastraal bekend Sectie B, nr. 315, wegens laattijdigheid niet ontvankelijk wordt verklaard en
- het besluit van 3 januari 2006 van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Puurs waarbij hen de vergunning voor de regularisatie van de bijgebouwen van de manège op hetzelfde perceel wordt geweigerd; Gezien de nota van de tweede verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur A. EYLENBOSCH; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen; Gelet op de beschikking van 13 februari 2007 waarbij de terecht- zitting bepaald wordt op 9 maart 2007; X-13.118-1/9 Gehoord het verslag van staatsraad J. BOVIN; Gehoord de opmerkingen van advocaat K. de PUYDT, die verschijnt voor de verzoekers, en van afdelingshoofd H. PETTENS, die verschijnt voor de tweede verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur A. EYLENBOSCH; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat de verzoekers op 12 februari 1993 een stedenbouwkundige vergunning voor het oprichten van een paardenfokkerij verkrijgen; dat in 1995 het gehele gebouw ten gevolge van een brand wordt vernield; dat het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Puurs op 9 oktober 1995 de stedenbouwkundige vergunning voor het herbouwen van de paarden-fokkerij verleent; dat na het afleveren van deze vergunning zonder voorafgaandelijke vergunning gebouwen werden opgericht; dat de verzoekers bij het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Puurs op 11 mei 2004 een vergunningsaanvraag indienen voor de regularisatie van de gebouwen bij de paardenfokkerij op een perceel gelegen te Puurs, Dendermondsesteenweg 137, kadastraal bekend Sectie B, nr. 315; dat het perceel overeenkomstig het gewestplan Mechelen, vastgesteld bij koninklijk besluit van 5 augustus 1976, in agrarisch gebied is gelegen; dat het niet gelegen is binnen een gebied waarvoor een goedgekeurd bijzonder plan van aanleg of ruimtelijk uitvoeringsplan bestaat, en evenmin binnen het gebied van een behoorlijk vergunde, niet vervallen verkaveling; dat het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Puurs op 3 januari 2006 de vergunning overeenkomstig het ongunstig advies van de gemachtigde ambtenaar van 22 december 2005, heeft geweigerd; dat dit de tweede bestreden beslissing is; dat de gemeente Puurs op 6 januari 2006 per aangetekend schrijven haar weigeringsbesluit van 3 januari 2006 naar het adres te 1840 Londerzeel, Meerstraat 256, verstuurt alwaar de verzoekers op dat ogenblik niet meer woonachtig zijn; dat op 9 januari 2006 de gemeente haar weigeringsbesluit van 3 januari 2006 opnieuw per aan-getekend schrijven verstuurt, ditmaal op het adres te 2870 Puurs, Dendermondse-steenweg 137, waar de verzoekers sedert 1 maart 2005 zijn ingeschreven; dat op 10 januari 2006 de postbode de aangetekende zending heeft aangeboden, maar de verzoekers op dat ogenblik afwezig waren; dat de eerste X-13.118-2/9 verzoeker op 11 januari 2006 de zending heeft afgehaald; dat de verzoekers op 13 juni 2006 bij de bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen tegen het weigerings-besluit van 3 januari 2006 beroep aantekenen; dat in het beroepschrift wordt verklaard dat de beslissing van 3 januari 2006 aan de verzoekers “recent” en “informeel” ter kennis is gebracht; dat in een aanvullend schrijven van 8 september 2006 de verzoekers de onregelmatigheid van de betekening opwerpen op grond dat deze uitsluitend is gebeurd op naam van de eerste verzoeker; dat bij besluit van 28 september 2006 de deputatie van de provincie Antwerpen het beroep niet ontvankelijk verklaart wegens laattijdigheid; dat de verzoekers bij aangetekend schrijven van 24 oktober 2006 in kennis van de eerste bestreden beslissing worden gesteld; Overwegende dat tegen de tweede bestreden beslissing krachtens artikel 53, § 1, van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996 (hierna: Coördinatiedecreet), een administratief beroep openstaat bij de bestendige deputatie; dat beslissingen waartegen een georganiseerd administratief beroep openstaat niet vatbaar zijn voor vernietiging; dat bovendien blijkt dat de verzoekers het door voormeld artikel 53, § 1, voorziene administratief beroep bij de bestendige deputatie hebben ingesteld en dat de deputatie bij de eerste bestreden beslissing van 28 september 2006 over dit beroep uitspraak heeft gedaan; dat ingevolge de devolutieve werking van het administratief beroep dit besluit in de plaats is getreden van het besluit van het college van burgemeester en schepenen, en dat dit laatste besluit moet worden geacht niet meer te bestaan; dat de terzake door de tweede verwerende partij opgeworpen exceptie van niet-ontvankelijkheid gegrond is; dat de vordering in zover zij gericht is tegen de beslissing van 3 januari 2006 van het college van burgemeester en schepenen niet ontvankelijk is; Overwegende dat krachtens artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging kan worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; Overwegende dat, wat de eerste door artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State opgelegde voorwaarde betreft, de verzoekers in het enig middel gericht tegen de eerste bestreden beslissing de X-13.118-3/9 schending aanvoeren van artikel 52, §1, van het Coördinatiedecreet, van de materiële en formele motiveringsplicht zoals opgelegd door de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen en van het zorgvuldigheidsbeginsel, het vertrouwensbeginsel en het redelijkheidsbeginsel; dat zij dienaangaande laten gelden wat volgt: “Doordat, eerste onderdeel, de Bestendige Deputatie van de Provincie Antwerpen van oordeel was dat het beroep laattijdig werd ingediend; Doordat, tweede onderdeel, de Bestendige Deputatie de kennisgeving als rechtsgeldig beschouwd; Terwijl, eerste onderdeel, ernstige vragen dienen te worden gesteld bij het verloop van de kennisgeving; Dat de gemeente op 6 januari een aangetekend schrijven stuurde aan eerste verzoeker op zijn oude woonplaats; Dat de gemeentelijke overheid beweert op 9 januari 2006 eerste verzoeker opnieuw te hebben aangeschreven, ditmaal op het correcte adres; Dat eerste verzoeker dit schrijven ging afhalen op 11 januari 2006; Dat echter getwijfeld kan worden of de bewuste beslissing gevoegd was; Dat daarenboven het begeleidende schrijven bijzonder veel verwarring veroorzaakte bij verzoekers, daar zij enkel het volgende vermeldde (...) "- afschrift van de beslissing van het College van Burgemeester en Schepenen, van 3 januari 2006 houdende stedenbouwkundige vergunning" Dat ofschoon er sprake is van een weigeringsbeslissing, het begeleidend schrijven melding maakt van een beslissing houdende een stedenbouwkundige vergunning; Dat zelf indien een kopie van de vergunning zou zijn gevoegd, het begeleidende schrijven verwarring kon stichtten bij verzoekers; Dat in casu verzoekers zich verheugde over de mededeling van het bekomen van een stedenbouwkundige vergunning, ofschoon hen een weigeringsbeslissing werd toegestuurd; Dat voorzover de beslissing was gevoegd de motieven aangehaald door de vergunningverlenende overheid niet van die aard waren dat zij hieromtrent meer duidelijkheid konden scheppen (zie tweede middel, tweede onderdeel); Dat derhalve niet kan worden beweerd dat verzoekers op 11 januari 2006 voldoende kennis hadden van de omvang van de tweede bestreden beslissing; Dat Uw Raad al oordeelde dat wanneer de kennisgeving van een bouwvergunning door middel van een brief die verwarring sticht over de omvang van de vergunning, niet kan worden beschouwd als het moment waarop de termijn, waarbinnen beroep moet worden aangetekend, begint te lopen (...) Dat verzoekers pas na verloop van tijd - begin juni 2006 - en na contact met de vergunningverlenende overheid, vernamen dat geen vergunning werd verleend; Dat verzoekers geen kopie van de verleende vergunning in hun bezit hadden, waardoor het vermoeden rijst dat nooit een exemplaar werd overgemaakt op het correcte adres; Dat zij terstond een kopie opvroegen van de beslissing bij de vergunningverlenende overheid; Dat deze begin juni op informele wijze werd verkregen van de gemeentelijke diensten en dat zij op 13 juni 2006 beroep aantekenden bij de Bestendige Deputatie van de Provincie Antwerpen; Dat derhalve tijdig beroep werd aangetekend; Dat de Bestendige Deputatie de in feite en in rechte draagkrachtige motieven ontbreekt om tot de niet ontvankelijkheid van het beroep te beslissen; Dat zij dan ook het redelijkheidsbeginsel schendt nu er geen feiten voor handen zijn die haar beslissing rechtvaardigt; Dat dit onderdeel ernstig is; X-13.118-4/9 Terwijl, tweede onderdeel, artikel 52, §1 DROG duidelijk stipuleert dat beslissing van het College van Burgemeester en Schepenen ter kennis wordt gegeven aan de aanvrager; Dat in casu de aanvraag werd gedaan op naam van eerste én tweede verzoeker; Dat de tweede bestreden beslissing derhalve diende te worden ter kennis gegeven aan zowel eerste als tweede verzoeker; Dat nu de tweede bestreden beslissing niet ter kennis werd gebracht aan de tweede verzoekster, de vergunningverlenende overheid hiermee het artikel 52, § 1 van het DROG schendt; Dat de Bestendige Deputatie in de eerste bestreden beslissing tot feitelijke vaststelling komt dat er zich een probleem voordeed met de kennisgeving van de weigeringsbeslissing, maar hieraan geen enkel gevolg geeft; Dat dit het vertrouwenbeginsel schendt; Dat dit onderdeel ernstig is”; Overwegende, wat het eerste onderdeel van het middel betreft, dat de raadsman van de verzoekers in hun beroepschrift bij de deputatie van de provincie Antwerpen met betrekking tot de beslissing van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Puurs van 3 januari 2006 houdende de weigering van een aanvraag voor de regularisatie van gebouwen bij een paardenfokkerij, stelt wat volgt: “(...) Op 3 januari 2006 nam het College van Burgemeester en Schepenen van de gemeente Puurs een beslissing houdende de weigering van een aanvraag tot regularisatie van ‘bijgebouwen manège’ (zie kopie in bijlage). Deze beslissing werd per brief dd. 6 januari 2006 aangetekend verzonden aan mijn cliënte op een adres te 1840 Londerzeel, Meerstraat 256 ofschoon mijn cliënten reeds meer dan een jaar verhuisd waren naar bovenstaand adres. Recent werd hen deze beslissing dan informeel ter kennis gebracht. (...)”; dat hij met een faxbericht verzonden op 24 juli 2005 met het oog op de behandeling van hun beroep voor de deputatie van de provincie Antwerpen een nota heeft neergelegd, waarin met betrekking tot de betekening van de tweede bestreden beslissing wordt uiteengezet wat volgt: “Volgens het verslag van de provinciaal stedenbouwkundige ambtenaar verstuurde de gemeente op 9 januari 2006 de bestreden beslissing een tweede maal aan beroepers en dit op het juiste adres. In het administratieve dossier zit effectief een afgiftebewijs van een aangetekende zending afgestempeld op 9 januari
- Het adres dat wordt vermeld is: Dendermondsesteenweg 137, 2870 Puurs, wat dus kennelijk het correcte adres betreft. Beroepers blijven evenwel bij hun standpunt geen aangetekend schrijven van de gemeente Puurs te hebben ontvangen ter mededeling van de bestreden beslissing. Zij ontvingen de weigeringsbeslissing op een informele manier begeleid met een schrijven waarop het foutieve adres vermeld staat. X-13.118-5/9 Navraag bij de bevoegde postinstanties levert geen bijkomende informatie op. Wel merkte het afgiftekantoor Puurs op dat het bizar was dat dit schrijven niet in hun systeem terug te vinden was. Dit doet twijfels rijzen over de bezorging van het kwestieuze poststuk. Bijkomende informatie lijkt noodzakelijk, maar kan enkel schriftelijk worden aangevraagd én op de daartoe geijkte formulieren. Deze formulieren zijn heden op weg naar de raadman van beroepers. Indien de Deputatie van oordeel is dat het beroep niet tijdig zou zijn ingediend, lijkt het aangewezen onderhavige zaak uit te stellen. Gezien het belang van de gegevens over de betekening en de onduidelijkheid die nu heerst, is het nuttig te wachten tot er een definitief antwoord komt van De Post”; dat een onderzoek ingesteld bij De Post uitwijst dat, in tegenstelling tot hetgeen door de verzoekers in voormelde nota wordt beweerd, zij wel degelijk een ter post aangetekend schrijven van de gemeente Puurs hebben ontvangen; dat de resultaten van het onderzoek door de diensten van de Ombudsman van De Post hieromtrent formeel zijn, zoals blijkt uit een brief van 10 augustus 2006 aan de raadsman van de verzoekers: “Naar aanleiding van uw brief van 3 augustus hebben wij een grondig onderzoek ingesteld. Dat onderzoek is afgerond en hierbij vindt u de resultaten. Mevrouw Annemie Puttemans, de postmeesteres van Puurs-Mail, heeft op ons verzoek de uitreiking van deze aangetekende zending nagegaan. Daaruit blijkt dat de postman deze aangetekende zending op 10/1/2006 heeft aangeboden, maar de bestemmeling was afwezig. Op 11/1/2006 werd de zending aan het loket van het postkantoor Puurs 1 afgehaald. Als bijlage vindt u een kopie van dit afleveringsdocument. Het identiteitskaartnummer 590-0520126-38 van de ontvanger van deze zending staat daarop vermeld. Wij hopen u met deze informatie van dienst geweest te zijn en bij deze sluiten wij uw dossier af. Aarzel niet om ons te contacteren, mocht u nog vragen of opmerkingen hebben”; dat de raadsman van de verzoekers daarop in een brief van 8 september 2006 aan de deputatie meldt wat volgt: “(...) De Ombudsdienst bij De Post stelt dat de aangetekende zending op 10 januari ‘06 werd aangeboden bij mijn cliënten maar dat de bestemmelingen afwezig waren. Op 11 januari ‘06 zouden deze zendingen evenwel zijn afgehaald door de heer De Clerck. Dit betekent dat de thesis van de Provinciaal Stedenbouwkundig Ambtenaar correct is, als zijnde dat het beroep door mijn cliënten ingediend, laattijdig zou zijn. Evenwel dient te worden opgemerkt dat zowel de beslissing van de gemeente Puurs, als de betekening van deze beslissing, gebeurde uitsluitend op naam van de heer Alfons De Clerck, daar waar de eigenlijke aanvraag gebeurde in naam van de heer en mevrouw De Clerck - Mertens. Derhalve diende de gemeente Puurs niet alleen haar beslissing te nemen t.a.v. beide cliënten maar bovendien de beslissing te betekenen t.a.v. beide X-13.118-6/9 cliënten. Nu dit niet is gebeurd, spreken we hier van een onrechtmatige betekening. Deze onrechtmatige betekening houdt in principe niet in dat de regelmatig- heid van de akte op zich wordt in vraag gesteld, maar gezien er geen geldige betekening werd gedaan, is het duidelijk dat de beroepstermijn om bij de Bestendige Deputatie in beroep te gaan nog niet liep en mijn cliënten dus op 16 juni jl nog rechtsgeldig in beroep konden gaan. Bovendien kan men zich ernstig vragen stellen waarom de bestreden beslissing op zich eigenlijk enkel in naam van de heer De Clerck is genomen, terwijl de aanvraag duidelijk in naam van beide cliënten is ingediend. Gezien de vaststelling van de onrechtmatigheid van de betekening, en eigenlijk ook onrechtmatigheid van de beslissing, verzoek ik u het onderhavige dossier verder te behandelen en derhalve niet de onontvankelijkheid hiervan uit te spreken.”; dat de bestreden beslissing van de deputatie van de provincie Antwerpen met betrekking tot de laattijdigheid van het beroep is gemotiveerd als volgt: “Het gemeentelijk administratief dossier van de aanvraag én het standpunt van de gemeente over het beroep, wijzen uit dat het bestreden besluit op 9 januari 2006 opnieuw per aangetekend schrijven is verzonden, deze keer op het adres 2870 Puurs, Dendermondsesteenweg 137, waar de aanvragers sedert 1 maart 2005 ingeschreven zijn. Een aangetekende zending wordt binnen de vierentwintig uur op het adres van de bestemmeling aangeboden (R.v.St., Beaupain, nr. 66.743, 11 juni 1997). Op 14 september 2006 is een aanvullend schrijven van de advocaat op het bestuur ingekomen met als bijlage een schrijven van 10 augustus 2006 vanwege het college van Ombudsmannen bij de Post. Dát schrijven wijst op een grondig onderzoek van de zaak met het volgend resultaat: ‘Mevrouw Annemie Puttemens, de postmeesteres van Puurs-Mail, heeft op ons verzoek de uitreiking van de aangetekende zending nagegaan. Daaruit blijkt dat de postman deze aangetekende zending op 10/1/2006 heeft aangeboden, maar de bestemmeling was afwezig. Op 11/1/2006 werd de zending aan het loket van het postkantoor Puurs 1 afgehaald. Als bijlage vindt u een kopie van dit afleveringsdocument ( ... ) met identiteitskaartnummer ( ... ) van de ontvanger van deze zending’. Bijgevolg zijn meer dan vijf maanden verstreken tussen de betekening op het juiste adres en het aantekenen van het beroep. Het beroep is dus niet binnen de wettelijk voorziene termijn van dertig dagen ingediend en bijgevolg laattijdig. Meester Koen de Puydt geeft dit toe. Hij tracht nog wel voor recht te horen spreken dat het om een ‘onrechtmatige betekening’ gaat, omdat zowel de beslissing van de gemeente Puurs, als de betekening van deze beslissing uitsluitend op naam van de heer Alfons De Clerck gebeurde, terwijl de aanvraag nochtans gebeurde in naam van de heer en mevrouw De Clerck-Mertens. Hiertegenover staat echter dat, behoudens de architect, slechts één van beide steevast de door de reglementering voorziene documenten (statistisch formulier, aanvraagformulier én de plannen) in het aanvraagdossier heeft ondertekend als aanvrager van de bouwvergunning. Slechts op één document komen twee handtekeningen voor als aanvragers, met name op een brief, ingekomen op het gemeentebestuur op 18 maart 2005, met bijkomende gegevens en verduidelijkingen. Het ontvangstbewijs van de aanvraag en bijgevolg alle verdere administratieve stukken zijn dan ook terecht op naam gezet van wie in de hoedanigheid van aanvrager van bij het begin zijn handtekening zette op de X-13.118-7/9 reglementair voorgeschreven stukken. Bijgevolg is er geen sprake van een ‘onrechtmatige betekening’ door louter op naam van de heer Alfons De Clerck te betekenen.”; Overwegende dat de verzoekers op geen enkel ogenblik in de loop van de administratieve procedure hebben opgeworpen dat voormeld op 9 januari 2006 ter post aangetekend schrijven, waarvan in de loop van de procedure is komen vast te staan dat het ondanks aanvankelijke ontkenning wel degelijk door de eerste verzoeker werd ontvangen, géén afschrift van de weigeringsbeslissing van het college van burgemeester en schepenen bevatte; dat de verzoekers ook geen enkele duidelijkheid verschaffen over het ogenblik en de wijze waarop zij dan wel een afschrift van deze beslissing zouden hebben verkregen; dat hun bewering dat “getwijfeld kan worden of de bewuste beslissing gevoegd was” in het licht van het vorenstaande helemaal niet geloofwaardig is; dat uit het vorenstaande eveneens blijkt dat er bij de verzoekers in de loop van de administratieve procedure nooit enige verwarring is geweest omtrent de draagwijdte van de beslissing van het college van burgemeester en schepenen; dat het eerste onderdeel van het middel niet ernstig is; Overwegende, wat het tweede onderdeel van het middel betreft, dat de overweging in de bestreden beslissing dat, behoudens de architect, slechts één van de beide verzoekers het statistisch formulier, het aanvraagformulier en de plannen heeft ondertekend als aanvrager van de stedenbouwkundige vergunning, in het dossier steun vindt; dat in de gegeven omstandigheden de eerste verwerende partij op grond van het besluit van de Vlaamse regering van 28 mei 2004 betreffende de dossiersamenstelling van de aanvraag voor een stedenbouwkundige vergunning dat de ondertekenaar van de stukken aanziet als de aanvrager, op goede gronden heeft kunnen aannemen dat slechts één der echtgenoten namens beide echtelieden als aanvrager heeft gehandeld; dat de betekening derhalve niet onrechtmatig lijkt te zijn gebeurd; dat om deze redenen de bestreden beslissing wettig steun lijkt te vinden in de erin vervatte motieven; dat een schending van de motiverings-verplichting, noch van het redelijkheidsbeginsel voorhanden lijkt; dat het middel in zijn geheel genomen, niet ernstig is; Overwegende dat niet is voldaan aan de eerste door artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State opgelegde voorwaarde om de schorsing van de tenuitvoerlegging te kunnen bevelen; dat die vaststelling volstaat om de vordering af te wijzen, X-13.118-8/9 BESLUIT: Artikel
- De vordering tot schorsing wordt verworpen. Artikel
- De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zes augustus 2007, door : de H. J. BOVIN, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. E. IMPENS, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, E. IMPENS. J. BOVIN. X-13.118-9/9 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.173.889 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.205.918 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div