id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 09 augustus 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.173.937 Rolnummer: A. 181943/X-13224 Zaak: Arrest 173937 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 09/08/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-08-22 Raadplegingen: 54 - laatst gezien 2026-06-29 23:42 Fiche Arrest nr 173.937 van 9 augustus 2007 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Inwilliging tussenkomst Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 173.937 van 9 augustus 2007 in de zaak A. 181.943/X-13.
- In zake : de b.v.b.a. UNIC WAASLAND, die woonplaats kiest bij advocaat G. JACOBS, kantoor houdende te 1050 BRUSSEL, de Henninstraat 67-69 tegen :
- de gemeente SINT-GILLIS-WAAS, die woonplaats kiest bij advocaat W. DE CUYPER, kantoor houdende te 9100 SINT-NIKLAAS, Vijfstraten 57
- de deputatie van de provincieraad van OOST-VLAANDEREN. tussenkomende partij : de n.v. ONVECO, die woonplaats kiest bij advocaat Y. LOIX, kantoor houdende te 2018 ANTWERPEN, Mechelsesteenweg
- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE Xe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat de b.v.b.a. UNIC WAASLAND op 23 maart 2007 heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van het besluit van 12 oktober 2006 van de gemeenteraad van Sint-Gillis- Waas, houdende de definitieve vaststelling van een gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan “Blokstraat-Zwanenhoek”, en van een besluit van 14 december 2006 van de deputatie van de provincie Oost-Vlaanderen, houdende goedkeuring van dit plan; Gezien de nota’s van de verwerende partijen; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur T. DE WAELE; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; X-13.224-1/12 Gelet op de beschikking van 12 juni 2007 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 29 juni 2007; Gehoord het verslag van staatsraad J. BOVIN; Gehoord de opmerkingen van advocaat M. HERTEGONNE, die loco advocaat G. JACOBS verschijnt voor de verzoekende partij, van advocaat E. RENTMEESTERS, die loco advocaat W. DE CUYPER verschijnt voor de eerste verwerende partij, en van bestuurssecretaris A. CARETTE, die verschijnt voor de tweede verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur T. DE WAELE; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat de n.v. ONVECO met een verzoekschrift van 19 juni 2007 heeft gevraagd om in het administratief kort geding te mogen tussenkomen; dat er grond is om het verzoek in te willigen;
- De feiten Overwegende dat de feiten, die van belang zijn voor de zaak, kunnen worden samengevat als volgt: 1.
- De verzoekende partij verklaart in de Kronenhoekstraat te Sint- Gillis-Waas een “GB-Partner”-supermarkt uit te baten. Deze straat mondt 100 m in noordelijke richting uit op een kruispunt met de Blokstraat, de Herenstraat en de Zwanenhoekstraat. 1.
- De gemeente Sint-Gillis-Waas beschikt over een gemeentelijk ruimtelijk structuurplan, goedgekeurd door de deputatie van de provincie Oost- Vlaanderen bij besluit van 12 januari
- In de richtinggevende bepalingen van dit structuurplan wordt vooropgesteld dat een op het gewestplan Sint-Niklaas-Lokeren voorzien woon- uitbreidingsgebied ten noorden van de reeds genoemde Blokstraat, deels kan X-13.224-2/12 aangesneden worden voor sociale woningbouw, gemeenschapsvoorzieningen, en “eventueel een supermarkt”, en het overige deel is in te kleuren als open ruimte “aangezien het een vochtig gebied betreft”. 1.
- In zitting van 1 juni 2006 stelt de gemeenteraad van Sint-Gillis- Waas een ontwerp van gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan “Blokstraat- Zwanenhoek” voorlopig vast. Op het ontwerpplan is achter de woningen en tuinen in de Herenstraat een zone voor gemeenschapsvoorzieningen en woningbouw voorzien, met een bijhorend speelbos. Van in de Blokstraat wordt recht tegenover de Vendelierstraat een nieuwe insteek-weg gepland naar een zone voor winkel- activiteiten, die grenst aan zones voor agrarische activiteiten, en daarvan gescheiden wordt door een groenbuffer. 1.
- Tijdens het openbaar onderzoek dat over het ontwerpplan wordt gehouden, worden zes bezwaarschriften ingediend. De verzoekende partij heeft geen bezwaarschrift ingediend. 1.
- De GECORO van de gemeente Sint-Gillis-Waas bespreekt het dossier in vergadering van 21 augustus 2006, en verstrekt een unaniem gunstig advies over het ontwerp, mits een aantal voorwaarden. De ingediende bezwaarschriften worden grotendeels ongegrond bevonden, met uitzondering voor een aantal technische detailkwesties (aanpassing zoneringsgrenzen aan actuele kadasterplannen, verkeersveiliger maken van het kruispunt bij de geplande busoverstapplaats, afstemming van de stedenbouwkundige voorschriften van de zone voor winkelactiviteiten op het inrichtingsplan in de toelichtingsnota). 1.
- Bij het eerste bestreden besluit van 12 oktober 2006 van de gemeenteraad van Sint-Gillis-Waas wordt het gemeentelijk ruimtelijk uitvoerings- plan “Blokstraat-Zwanenhoek” definitief vastgesteld. X-13.224-3/12 1.
- Bij het tweede bestreden besluit van 14 december 2006 van de deputatie van de provincie Oost-Vlaanderen wordt dit gemeentelijk RUP goedgekeurd. Het wordt bij uittreksel bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 23 januari 2007;
- Ten gronde 2.
- Overwegende dat krachtens artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging kan worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten beslissing kunnen verantwoor- den en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; 2.2.
- Overwegende dat de verzoekende partij in een enig middel de schending aanvoert van de artikelen 4 en 5 van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening (hierna: “DRO”), van de materiële motiveringsplicht, van het gelijkheidsbeginsel, het zorgvuldigheids- beginsel, het redelijkheidsbeginsel evenals de overschrijding van de bevoegdheid dan wel machtsafwending, “Doordat, eerste onderdeel de bestreden beslissingen het ruimtelijk uitvoeringsplan vaststellen dan wel goedkeuren waarin het voormalig woon- uitbreidingsgebied herbestemd wordt tot een zone voor winkelactiviteiten en waarbij expliciet wordt gesteld dat deze zone bestemd is voor het oprichten van een Colruyt-filiaal; dat het ruimtelijke uitvoeringsplan op deze wijze klaar- blijkelijk voorrang geeft aan het individueel belang van Colruyt ten nadele van het algemeen belang evenals ten nadele van de doelstellingen waarop de ruimtelijke ordening dient gericht te zijn Doordat, tweede onderdeel, in het ruimtelijk uitvoeringsplan, als motivering wordt opgegeven met betrekking tot de zone voor winkelactiviteiten, dat de inplanting van een supermarkt mogelijk wordt gemaakt met deze uitdrukkelijke verduidelijking dat in eerste instantie Colruyt een winkelruimte zal oprichten met een bruto-oppervlakte van 1.600 m² waarvan 990 m² als verkoopsruimte wordt ingericht Doordat, derde onderdeel, de bestreden beslissing goedkeuring verleent aan een ruimtelijk uitvoeringsplan dat kennelijk op maat werd geschreven van het individuele belang van Colruyt en dat klaarblijkelijk tot stand werd gebracht in overleg en op aanvraag van Colruyt waardoor deze laatste een voorkeurs- behandeling blijkt te krijgen Terwijl, eerste onderdeel, krachtens de artikelen 4 en 5 van het DRO ruimtelijke uitvoeringsplannen gericht dient te zijn op een duurzame ruimtelijke ontwikkeling waarbij het algemeen belang centraal dient gesteld te worden En terwijl, tweede onderdeel, een beslissing tot vaststelling en tot goedkeuring van een ruimtelijk uitvoeringsplan slechts kan genomen worden wanneer de overheid zich baseert op gegevens die op hun juiste waarde werden X-13.224-4/12 geschat en die dergelijke bestemmingswijzigingen kunnen rechtvaardigen; dat dit bovendien dient te blijken uit de motieven die in het ruimtelijk uitvoeringsplan worden aangehaald, en terwijl deze motieven niet intern tegenstrijdig mogen zijn, minstens dat het tegendeel niet mag blijken uit de aangehaalde motieven En terwijl, derde onderdeel, het verordenend karakter van een ruimtelijk uitvoeringsplan niet toelaat dat een bepaald gebied zou voorbestemd worden voor een bepaald nieuw bedrijf; dat een bestemmingswijziging niet tot gevolg kan hebben dat daarmee de gelijkheid tussen rechtssubjecten wordt aangetast; dat de bestemmingswijziging evenmin tot doel het nastreven van een ongeoor- loofd want kennelijk louter individueel belang kan hebben Zodat, de bestreden beslissing door over te gaan tot de vaststelling en het verlenen van goedkeuring aan een ruimtelijk uitvoeringsplan dat op maat blijkt geschreven te zijn van Colruyt en door dit uitdrukkelijk te bevestigen middels de aangehaalde motieven op het eerste gezicht getuigt van het nastreven van een puur individueel belang en dus van het afwenden van de haar toegekende bevoegdheden, minstens van de overschrijding van de bevoegdheid waarover de goedkeurende overheid beschikt. - Toelichting 1 . Eerste onderdeel De bevoegdheden die aan de administratieve overheden worden toegekend in het kader van het vaststellen van het gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan dienen te worden afgebakend in functie van hetgeen gesteld in de artikelen 4 en 5 DRO. Op basis van deze bepalingen dient elk uitvoeringsplan rekening te houden met het algemeen belang en te getuigen van een bekommernis om de goede ruimtelijke ordening. Artikel 4 van het DRO verduidelijkt de doelstellingen van het ruimtelijk beleid als volgt: ‘De ruimtelijke ordening is gericht op een duurzame ruimtelijke ontwikkeling waarbij de ruimte beheerd wordt ten behoeve van de huidige generatie, zonder dat de behoeften van de toekomstige generaties in het gedrang gebracht worden. Daarbij worden de ruimtelijke behoeften van de verschillende maatschappelijke activiteiten gelijktijdig tegen elkaar afgewogen. Er wordt rekening gehouden met de ruimtelijke draagkracht, de gevolgen voor het leefmilieu en de culturele, economische, esthetische en sociale gevolgen. Op deze manier wordt gestreefd naar ruimtelijke kwaliteit.’ Artikel 5 van het decreet ruimtelijke ordening laat evenmin weinig ruimte voor interpretatie : ‘Het grondbeleid omvat instrumenten ter verwezenlijking van artikel 4 van dit decreet en van de ruimtelijke uitvoeringsplannen.’ Aangezien de voorschriften opgenomen in de ruimtelijke uitvoeringsplannen aan de hierboven opgesomde doeleinden moeten beantwoorden, kunnen alleen de door de goede ruimtelijke ordening gemotiveerde voorschriften verordenende kracht hebben. Andere zijn gewoon onwettig of irrelevant (...). De plannen bevatten algemeen geldende regels en regelen het gebruik van de gronden en constructies onafhankelijk van de identiteit van de eigenaar of gebruiker (...). Het gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan dat werd vastgesteld en goedgekeurd door de bestreden beslissingen herbestemt het actuele woon- uitbreidingsgebied in een zone voor winkelactiviteiten waarbij in punt 7.
- van de toelichtingsnota van het uitvoeringsplan het volgende wordt uiteengezet: ‘Binnen de zone voor winkelactiviteiten wordt de inplanting van een supermarkt mogelijk gemaakt. Er zijn concrete plannen van Colruyt om hier een filiaal op te richten. Onderstaande schets verduidelijkt deze plannen. X-13.224-5/12 In eerste instantie zal Colruyt een winkelruimte oprichten met een bruto- oppervlakte van 1.600 m² waarvan 990 m² als verkoopsruimte wordt opgericht. (...) Achter het gebouw wordt ruimte gelaten voor een eventuele uitbreiding van de supermarkt. Een uitbreiding zal enkel plaatsvinden als die economisch rendabel blijkt (...)’ Verder in de toelichtingsnota duiken de concrete plannen van Colruyt om binnen het kader van het ruimtelijk uitvoeringsplan een winkel op te richten meermaals op. Zo staat te lezen onder punt 7.
- van de toelichtingsnota: ‘Door de vestiging van een Colruyt-winkel (die start met 990 m² nettoverkoopsoppervlakte) zal Sint-Gillis-Waas nog maar juist aan het provinciaal gemiddelde komen. (...) In de omgevende Colruytvestigingen te Sint-Niklaas, Beveren en Temse is 41% van de inwoners van Sint-Gillis-Waas bekend als klant Het voorzien van een vestiging te Sint-Gillis-Waas zal een gunstig effect hebben op het aantal verkeersbewegingen.’ Het staat dus blijkbaar vast, en er werd klaarblijkelijk reeds beslist, dat op deze plaats een nieuwe Colruyt vestiging zal komen. Dat een ruimtelijk uitvoeringsplan kan voorzien in het herbestemmen van een woonuitbreidingsgebeid naar een zone voor winkelactiviteiten en dat dergelijke zone gereserveerd kan worden voor het oprichten van een groot- warenhuis, zou op zichzelf waarschijnlijk wel kunnen verantwoord worden op basis van objectieve gegevens en motieven die blijk geven van het nastreven van het algemeen belang, daarin begrepen het voorzien in een duurzame ruimtelijke ontwikkeling. Problematisch wordt het als men enkele stappen verder gaat, en een bepaalde zone gaat bestemmen voor een specifiek nieuw bedrijf, dat vooraf in de gemeente nog geen vestiging had. Gelet op de motieven die worden aangehaald ter verantwoording van het reserveren van de bewuste zone voor winkelactiviteiten (zie toelichting tweede onderdeel) kan men niet anders dan besluiten dat voorafgaandelijk overleg heeft plaats gevonden tussen enerzijds Colruyt en anderzijds de gemeente teneinde het uitvoeringsplan op maat te schrijven van de noden van Colruyt en deze laatste toe te laten een nieuwe handelsvestiging in te planten in een gebied waar dergelijke inplanting voorheen niet mogelijk was. Anders zou het zijn mocht het gaan om een bestaand bedrijf dat reeds op het grondgebeid van de gemeente was ingeplant doch dat om redenen van goede ruimtelijke ordening zou gedelokaliseerd moeten worden. In dat laatste geval zou men nog kunnen overwegen om voor een individueel stedenbouwkundig probleem oplossingen aan te bieden door middel van een ruimtelijk uitvoeringsplan. In huidig geval daarentegen is er geen sprake van enige bestaande problematiek inzake gemeentelijke ruimtelijke ordening waarmee een bedrijf (in dit geval Colruyt) wordt geconfronteerd. Het gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan biedt dus geen oplossing voor een bestaande gemeentelijke stedenbouwkundige problematiek, doch creëert stedenbouwkundige mogelijkheden die klaar- blijkelijk tegemoet komen aan de verzuchtingen van een nieuw bedrijf dat zich in de gemeente wenst te komen vestigen. Het gemeentelijk ruimtelijke uitvoeringsplan geeft op deze wijze klaarblijkelijk voorrang aan de individuele commerciële belangen van Colruyt met het oog op het oprichten van een nieuw filiaal. Op deze wijze gaat de administratieve overheid niet alleen voorbij aan haar verplichting om het uitvoeringsplan uit te werken met het oog op het algemeen belang in de vorm van een goede ruimtelijke ordening, maar regelt zij de markt en organiseert zij concurrentievervalsing. X-13.224-6/12 De bestreden beslissingen gaan bijgevolg in tegen de doelstellingen en principes uiteengezet in artikel 4 en artikel 5 van het DRO.
- Tweede onderdeel Dat een ruimtelijk uitvoeringsplan, gezien haar verordenend karakter, niet valt onder het toepassingsgebied ratione materiae van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen werd voordien verschillende malen door de rechtspraak van de Raad van State bevestigd. Anderzijds dient elke overheidsbeslissing - en dus ook een beslissing tot vaststelling van een gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan- intern gesteund te zijn op in rechte en in feite aanvaardbare motieven die moeten blijken, zoniet uit de beslissing zelf dan toch uit het administratief dossier (...). In de toelichtingsnota van het gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan wordt in het kader van de motivering van de herbestemming van het woon- uitbreidingsgebied naar een zone bestemd voor handelsactiviteit - zoals hierboven reeds geciteerd - uitdrukkelijk verwezen naar het project om een nieuwe Colruytvestiging in te planten. Hieruit kan niet anders worden geconcludeerd dan dat het ruimtelijk uitvoeringsplan op maat werd geschreven van het individueel en economisch belang van Colruyt en dat dit vooraf- gaandelijk besproken werd met Colruyt. Het is duidelijk dat de zone voor winkelruimte reeds gereserveerd werd voor een nieuwe vestiging van Colruyt zonder dat aan andere warenhuizen enige kans lijkt te worden geboden om in hetzelfde gebied een grootwarenhuis te bouwen. Wanneer verschillende intern tegenstrijdige motieven, zoals uit het administratief dossier blijkt, aan de basis liggen van een administratieve beslissing is er geen sprake van een deugdelijke motivering wat de onwettigheid van het betrokken besluit tot gevolg heeft. Wanneer bovendien een aantal motieven de beslissing dragen zonder dat kan worden uitgemaakt welk ervan determinerend is, leidt de onwettigheid van één ervan toch tot de vernietiging . De motieven met verwijzing naar de individuele situatie van Colruyt (en die uitinggeven van de primauteit van individuele commerciële belangen boven het algemeen belang) zijn geen aanvullende maar op zichzelf staande motieven, wat met zich meebrengt dat de onwettigheid die aan deze motieven kleven de vernietiging met zich mee kunnen brengen. Men kan, indien vaststaat dat bepaalde motieven wettig en andere onwettig zijn, het oordeel van het bestuur niet overdoen door te overwegen dat ondanks de onwettige motieven de beslissing tot rechtsgeldig is (...).
- Derde onderdeel De bevoegdheid van de administratieve overheden bij het vaststellen en goedkeuren van een ruimtelijk uitvoeringsplan wordt afgelijnd binnen hetgeen bepaald is in de artikelen 4 en 5 DRO, waarin wordt uitgegaan van de zorg om in eerste instantie te waken over de goede ruimtelijke ordening. De bevoegdheid van de administratieve overheid is bijgevolg beperkt tot hetgeen verantwoord kan worden binnen de decretaal vastgestelde doelstellingen. De overheid kan geen andere doelstellingen nastreven dan diegene beschreven in het decreet, zeker niet als die doelstellingen blijk geven van het behartigen van een louter individueel belang en op maat geschreven worden en gereserveerd worden voor het verwezenlijken van een individueel commercieel belang, met uitsluiting van eventuele gelijklopende belangen van andere rechtssubjecten. Uit de motieven zoals hierboven geciteerd kan moeilijk ontkend worden dat het gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan op maat werd geschreven voor de inplanting van een Colruyt en dat bijgevolg het individueel belang tot oprichting van een nieuw filiaal centraal stond bij de vaststelling van het RUP. Er valt niet in te zien welk gemeentelijk, dan wel hoger belang kan gediend worden door een gebied te reserveren en te bestemmen in functie van het oprichten van een nieuwe Colruytvestiging. X-13.224-7/12 Aangezien het niet toekomt aan de administratieve overheid om binnen haar beperkte bevoegdheid een bestemmingswijziging door te voeren waarbij een ongeoorloofd want kennelijk louter individueel belang voorop staat, is er sprake van machtsafwending. De bevoegdheden waarover de overheden beschikken om ruimtelijke uitvoeringsplannen vast te stellen en goed te keuren gericht op een duurzame ruimtelijke ontwikkeling worden in dit geval immers klaarblijkelijk afgewend om een ander, ongeoorloofd doel na te streven. Bij het vaststellen van een ruimtelijk uitvoeringsplan moet het gelijkheids- beginsel daarenboven eveneens zorgvuldig in acht worden genomen. Een perceel mag alleen op basis van objectieve planologische gegevens en op basis van de goede ruimtelijke ordening in een bepaalde zone worden opgenomen (...) Uit de bepalingen van het ruimtelijk uitvoeringsplan blijkt evenwel dat Colruyt wordt behandeld dan andere, in dezelfde of soortgelijke omstandigheden verkerende personen en dat er geen redelijk verband van evenredigheid bestaat tussen de aangewende middelen en het beoogde doel (...) Verzoekende partij, als filiaalhouder van een GB-Partner enerzijds, en Colruyt anderzijds hebben dezelfde economische activiteiten en verkeren bijgevolg in gelijkaardige omstandigheden. Daar het gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan op maat wordt geschreven van Colruyt is er duidelijk een onderscheid in behandeling van de mogelijke kandidaten die hun handels- activiteiten in de nieuw bestemde zone zouden kunnen uitoefenen, zonder dat hiervoor enig valabel argument wordt naar voor gebracht. Het uitvoeringsplan voorziet in een perfect op maat geschreven bestemmingsplan, waarbij aan Colruyt - bij uitsluiting van haar concurrenten - de mogelijkheid wordt gegeven op een zeer goede locatie een grootwarenhuis op te richten, en waarbij voorzien wordt in een zeer goede bereikbaarheid en ontsluiting onder meer door in het uitvoeringsplan eveneens te voorzien in een nieuwe overstapplaats voor bussen onmiddellijk naast de geplande Colruytvestiging. Zo verklaart de schepen van ruimtelijke ordening in een recent kranten- artikel: ‘De eerste realisaties is nu de bouw van een busstation en een supermarkt. De gemeente zal binnenkort een overleg organiseren tussen De Lijn, de ontwerper en Colruyt". Daarbij stelt diezelfde schepen dat de gemeente de wegenis zelf zal aanleggen en dat er een nieuwe weg zal worden aangelegd met langs beide kanten twee busperrons van elk 45 meter lang. (...) De gemeente lijkt dus kost noch moeite te sparen om voor Colruyt de perfecte omstandigheden te creëren om haar nieuwe exploitatie te kunnen voeren. Op deze wijze lijken de bevoegde overheden op een kennelijk onredelijke en niet te verantwoorden wijze mee te werken aan het scheef trekken van de mededingingsvoorwaarden binnen de sector, en wordt er een voor Colruyt zeer gunstig klimaat gecreëerd die haar een zeer sterke concurrentiepositie zal verschaffen ten aanzien van bestaande handel en dienstverlening. De uitvoering van het gemeentelijk uitvoeringsplan zal dan ook leiden tot het creëren van een ongelijkheid, en dus tot een miskenning van het gelijkheids- beginsel en van het zorgvuldigheidsbeginsel. Bovendien geeft de bevoegde overheid blijk van een machtsoverschrijding die de wettigheid van de bestreden beslissingen aantast”; 2.2.
- Overwegende dat de eerste verwerende partij in haar nota met opmerkingen ondermeer antwoordt dat de opmaak van het gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan (hierna: GRUP) niet los kan gezien worden van het voorafgaand gemeentelijk structuurplanningsproces waarin reeds sprake was van een supermarkt X-13.224-8/12 op die locatie, dat het GRUP de tenuitvoerlegging vormt van de in dit structuurplan vastgelegde opties, dat de vraag welke supermarktketen zich uiteindelijk ter plaatse zal komen vestigen geen zaak is van de gemeente, doch afhangt van het eigendoms- en gebruiksrecht op de terreinen, dat de stedenbouwkundige voorschriften de komst van eender welke supermarkt mogelijk maken, dat het de verzoekende partij vrijstond of vrijstaat om zelf een akkoord te maken met de eigenaars van de betrokken gronden, en dat de in het GRUP vastgelegde planning duidelijk het gevolg is van een afweging van de goede ruimtelijke ordening van het gebied; 2.2.
- Overwegende dat de tweede verwerende partij in haar nota met opmerkingen een gelijkaardig verweer voert, en daaraan nog toevoegt dat de vastgelegde stedenbouwkundige voorschriften wel degelijk een algemeen en geen geïndividualiseerd karakter hebben, dat een aanvraag van een andere keten dan Colruyt “niet wettig geweigerd (zou) kunnen worden op grond van het feit dat het niet om een Colruyt-filiaal zou gaan” en “in voorkomend geval ingewilligd (zal) kunnen worden zonder dat een herziening van het RUP noodzakelijk is”; 2.2.
- Overwegende dat luidens artikel 4 DRO de ruimtelijke ordening gericht moet zijn op een duurzame ruimtelijke ontwikkeling, waarbij de ruimtelijke behoeften van de verschillende maatschappelijke activiteiten gelijktijdig ten opzichte van elkaar worden afgewogen, rekening houdend met de ruimtelijke draagkracht, de gevolgen voor het leefmilieu en de culturele, economische, esthetische en sociale gevolgen, wijze waarop wordt gestreefd naar ruimtelijke kwaliteit; Overwegende dat de verzoekende partij in het middel aanvoert dat het bestreden gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan aan deze kwaliteitsvereisten niet voldoet, dat de motieven die ten grondslag liggen aan het GRUP niet adequaat zijn, en dat het plan is opgemaakt in het enkele voordeel en “op maat van” firma Colruyt; Overwegende dat de verwerende partijen op het eerste gezicht kunnen worden bijgetreden waar zij opmerken dat de stedenbouwkundige voorschriften van het GRUP in het algemeen, en deze voor de zone 2 voor winkel- activiteiten in het bijzonder, een algemeen-verordenend karakter hebben, en in genendele “op maat” van de komst van een Colruyt-vestiging blijken te zijn opgesteld; dat deze zone immers is bestemd voor winkelactiviteiten zonder meer, X-13.224-9/12 met één vrijstaand gebouw in functie van lokale handelsactiviteiten met bijhorende parkeervoorzieningen en groenaanleg, en voor het overige een aantal bouwvoorschriften worden vastgesteld die de initiatiefnemer dermate veel ruimte en vrijheid laten dat inderdaad eender welke winkelketen zich volgens deze voorschriften ter plaatse zou kunnen komen vestigen (bv. zijn de dakvorm en de kleuren- en materiaalkeuze vrij); dat de betreffende voorschriften op het eerste gezicht niet “actorgebonden” zijn, en derhalve wettig in een ruimtelijk uitvoerings- plan opgenomen kunnen worden; Overwegende dat het feit dat in de toelichtende nota bij het GRUP op een aantal plaatsen sprake is van een Colruyt-vestiging, volgens de verwerende partijen hierdoor wordt verklaard dat naar aanleiding van het vastleggen in het gemeentelijk ruimtelijk structuurplan van de beleidsvisie inzake de ontwikkeling van het gebied, deze firma interesse heeft getoond, en de oefening heeft gemaakt om reeds schetsmatig een mogelijk project voor te stellen; dat dit evenwel niet wegneemt dat ook een ander project binnen het in het GRUP afgebakende gebied voor winkelactiviteiten kan worden vergund; dat het immers enkel de stedenbouw- kundige voorschriften zijn die een bindende en verordenende waarde hebben, dit in tegenstelling tot de toelichting bij het plan; Overwegende voorts dat het, op zicht van de stukken van het dossier, inderdaad zo lijkt te zijn dat het vastleggen van een zone voor winkel- activiteiten op de betreffende locatie de resultante is van een ruimtelijke afweging, die in de eerste plaats is gebeurd naar aanleiding van de opmaak van het gemeentelijk ruimtelijk structuurplan; dat in de richtinggevende bepalingen van dit structuurplan wordt vooropgesteld dat het op het gewestplan Sint-Niklaas-Lokeren voorziene woonuitbreidingsgebied ten noorden van de Blokstraat, deels kan worden aangesneden voor sociale woningbouw, gemeenschapsvoorzieningen, en “eventueel een supermarkt”, en dat het overige deel is in te kleuren als open ruimte “aangezien het een vochtig gebied betreft”; dat deze beleidsoptie in het gemeentelijk structuurplan ook wordt uitgelegd en onderbouwd, en in het aangevochten gemeen- telijk ruimtelijk uitvoeringsplan wordt geconcretiseerd door het gebied te herbe- stemmen, en binnen de nieuwe bestemmingen ruimte te voorzien voor een zone voor winkelactiviteiten, die van in de Blokstraat zou bereikbaar worden door een nieuwe insteekweg; dat ook naar aanleiding van de opmaak van dit gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan de gemeente een afweging blijkt te hebben gemaakt van deze beleidskeuze vanuit meerdere invalshoeken, waarbij ook het ruimtelijk structuurplan X-13.224-10/12 Vlaanderen en het provinciaal ruimtelijk structuurplan werden betrokken; dat m.a.w. op het eerste gezicht niet blijkt dat de interesse die de firma Colruyt zou hebben voor het invullen van de betreffende zone voor winkelactiviteiten, op enig ogenblik een bepalende rol zou hebben gespeeld in het planologische beslissingsproces; dat de verzoekende partij de wettigheid van de richtinggevende bepalingen van het gemeentelijk ruimtelijk structuurplan, waaronder het voorzien van ruimte voor een supermarkt, trouwens niet betwist; Overwegende voorts dat de omstandigheid dat een planologisch initiatief mogelijks de belangen van één welbepaald bedrijf zou ten goede komen, daarom nog niet ipso facto impliceert dat een dergelijk plan onwettig zou zijn, of door machtsafwending zou zijn aangetast; dat immers de bestemming die in een ruimtelijk uitvoeringsplan aan een gebied wordt gegeven onvermijdelijk voordelen, respectievelijk nadelen met zich kan brengen; dat het uitgangspunt moet zijn dat de plannende overheid steeds een afweging maakt van alle relevante aspecten van het plandossier, daarbij oog heeft voor alle in het geding zijnde belangen, en middels het plan een duurzame ruimtelijke ontwikkeling en een goede ruimtelijke ordening nastreeft; dat in casu niet blijkt dat het betrokken gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan werd vastgesteld met het uitsluitende oogmerk aan de firma Colruyt een vestigingsplaats voor een nieuwe winkel te bieden; Overwegende dat het middel in zijn geheel genomen niet ernstig is; Overwegende dat niet is voldaan aan één van de door artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State opgelegde voorwaarden om de schorsing van de tenuitvoerlegging te kunnen bevelen; dat die vaststelling volstaat om de vordering af te wijzen, BESLUIT: Artikel
- Het verzoek tot tussenkomst van de n.v. ONVECO in het administratief kort geding wordt ingewilligd. X-13.224-11/12 Artikel
- De vordering tot schorsing wordt verworpen. Artikel
- De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. De kosten van de tussenkomst in de schorsingsprocedure, bepaald op 125 euro, komen ten laste van de tussenkomende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op negen augustus 2007, door : de H. J. BOVIN, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. A. TRUYENS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. TRUYENS. J. BOVIN. X-13.224-12/12 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.173.937 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.180.092 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div