id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 14 augustus 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.173.990 Rolnummer: Zaak: Arrest 173990 - Monumenten en Landschappen - 14/08/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-09-18 Raadplegingen: 53 - laatst gezien 2026-06-29 23:52 Fiche Arrest nr 173.990 van 14 augustus 2007 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Monumenten en Landschappen Beslissing : Verwerping Samenvoeging Opheffing Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 173.990 van 14 augustus 2007 in de zaken A. 68.274/X-7982 (I) A. 74.021/X-7983 (II) A. 76.453/X-7879 (III) In zake : I, II en III
- Thierry BECKERS,
- Martine RUPPOL, die woonplaats kiezen bij advocaat P. DE ROOVER, kantoor houdende te 8000 BRUGGE, Leopold I-laan 16 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat B. STAELENS, kantoor houdende te 8000 BRUGGE, Bevrijdingslaan 4 bus 1, Canadesen Hof. D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Thierry BECKERS en Martine RUPPOL op 28 maart 1996 hebben ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 15 mei 1995 van de Vlaamse minister van Verkeer, Buitenlandse Handel en Staatshervorming houdende vaststelling van een ontwerp van lijst van voor bescherming vatbare monumenten, stads- en dorpsgezichten “betrekking hebbende op het onroerend goed, dat is gelegen te 3800 Sint-Truiden, Hamelstraat 21” (zaak A. 68.274/X-7982); Gezien het verzoekschrift dat Thierry BECKERS en Martine RUPPOL op 16 april 1997 hebben ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 30 januari 1997 van de Vlaamse minister van Cultuur, Gezin en Welzijn houdende termijnverlenging van de geldigheidsduur van ontwerpen van lijst van voor bescherming vatbare monumenten, stads- en dorpsgezichten “onder andere betrekking hebbende op het onroerend goed, dat is gelegen te 3800 Sint-Truiden, Hamelstraat 21” (zaak A. 74.021/X-7983); X-7982-1/23 Gezien het verzoekschrift dat Thierry BECKERS en Martine RUPPOL op 15 november 1997 hebben ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 10 juli 1997 van de Vlaamse minister van Cultuur, Gezin en Welzijn houdende bescherming van een bebouwd onroerend goed met tuin als monument, gelegen te Sint-Truiden, Hamelstraat 21, op een perceel kadastraal bekend Sectie H, nr. 236/f (zaak A. 76.453/X-7879); Gelet op het arrest nr. 77.983 van 6 januari 1999 waarbij de debatten worden heropend en het door de auditeur-generaal aangewezen lid van het auditoraat wordt gelast met het aanvullend onderzoek (zaak A. 68.274/X-7982); Gelet op het arrest nr. 83.606 van 24 november 1999 waarbij de debatten worden heropend en het door de auditeur-generaal aangewezen lid van het auditoraat wordt gelast met het aanvullend onderzoek (zaak A. 68.274/X-7982); Gelet op het arrest nr. 120.451 van 12 juni 2003 waarbij de debatten worden heropend en het door de auditeur-generaal aangewezen lid van het auditoraat wordt gelast met het aanvullend onderzoek (zaak A. 68.274/X-7982); Gelet op het arrest nr. 77.985 van 6 januari 1999 waarbij de debatten worden heropend en het door de auditeur-generaal aangewezen lid van het auditoraat wordt gelast met het aanvullend onderzoek (zaak A. 74.021/X-7983); Gelet op het arrest nr. 83.607 van 24 november 1999 waarbij de debatten worden heropend en het door de auditeur-generaal aangewezen lid van het auditoraat wordt gelast met het aanvullend onderzoek (zaak A. 74.021/X-7983); Gelet op het arrest nr. 120.453 van 12 juni 2003 waarbij de debatten worden heropend en het door de auditeur-generaal aangewezen lid van het auditoraat wordt gelast met het aanvullend onderzoek (zaak A. 74.021/X-7983); Gelet op het arrest nr. 74.710 van 29 juni 1998 waarbij de schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing wordt bevolen (zaak A. 76.453/X-7879); Gelet op het arrest nr. 77.984 van 6 januari 1999 waarbij de debatten worden heropend en het door de auditeur-generaal aangewezen lid van het auditoraat wordt belast met het aanvullend onderzoek (zaak A. 76.453/X-7879); X-7982-2/23 Gelet op het arrest nr. 83.608 van 24 november 1999 waarbij de vordering tot intrekking van het arrest nr. 74.710 wordt verworpen (zaak A. 76.453/X-7879); Gelet op het arrest nr. 83.609 van 24 november 1999 waarbij de debatten worden heropend en het door de auditeur-generaal aangewezen lid van het auditoraat wordt gelast met het aanvullend onderzoek; Gelet op het arrest nr. 120.452 van 12 juni 2003 waarbij de debatten worden heropend en het door de auditeur-generaal aangewezen lid van het auditoraat wordt gelast met het aanvullend onderzoek (zaak A. 76.453/X-7879); Gezien het aanvullend verslag opgemaakt door auditeur P. BARRA in de drie zaken; Gelet op de beschikkingen van 28 juli 2005 die de neerlegging ter griffie van het aanvullend verslag en van de dossiers gelast in de drie zaken; Gelet op de kennisgeving van het aanvullend verslag aan partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memories in de drie zaken; Gelet op de beschikkingen van 24 oktober 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 8 december 2006; Gehoord het verslag van staatsraad J. BOVIN in de drie zaken; Gehoord de opmerkingen van advocaat P. DE ROOVER, die verschijnt voor de verzoekers, en van advocaat N. DECLERCQ, die loco advocaat B. STAELENS verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur P. BARRA in de drie zaken; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Procedurale voorgaanden X-7982-3/23 Bij arrest nr. 74.710 van 29 juni 1998 beval de Raad van State in zaak A. 76.453 de schorsing van de tenuitvoerlegging van het besluit van 10 juli 1997 op grond van het ernstig bevonden middel waarin werd aangevoerd dat de verwerende partij niet aantoont dat het aangetekend schrijven met het ministerieel besluit van 15 mei 1995 houdende vaststelling van een ontwerp van lijst van voor bescherming vatbare monumenten, stads- en dorpsgezichten, verzonden op 2 februari 1996, door de tweede verzoekende partij werd ontvangen. Bij arrest nr. 77.983 van 6 januari 1999 oordeelde de Raad van State in zaak A. 68.274 dat het in voormeld arrest ernstig bevonden middel niet gegrond is op grond van de overweging dat de niet betekening van het besluit niet de wettigheid aantast doch enkel de tegenstelbaarheid, en dat dienvolgens de debatten dienden te worden heropend. Bij arrest nr. 77.984 van 6 januari 1999 oordeelde de Raad van State in zaak A. 76.453 dat gelet op de arresten nrs. 77.983 en 77.985 de zaak niet in staat van wijzen is en de debatten dienen te worden heropend. Bij arrest nr. 77.985 van 6 januari 1999 oordeelde de Raad van State in zaak A. 74.021 dat gelet op arrest nr. 77.983 de zaak niet in staat van wijzen is en de debatten dienen heropend te worden. Bij arrest nr. 83.606 van 24 november 1999 oordeelde de Raad van State in zaak A. 68.274 dat de afbraak van het gebouw niet toelaat tot een gebrek aan belang van de verzoekende partijen te concluderen en dat de debatten dienen te worden heropend. Bij arrest nr. 83.607 van 24 november 1999 oordeelde de Raad van State in de zaak A. 74.021 dat de afbraak van het gebouw niet toelaat tot een gebrek aan belang van de verzoekende partijen te besluiten en dat de debatten dienen heropend te worden. Bij arrest nr. 83.608 van 24 november 1999 besluit de Raad van State in de zaak A. 76.453 tot de verwerping van het verzoek van het Vlaams Gewest tot intrekking van het schorsingsarrest nr. 74.710 omdat de arresten nr. 74.710 en nr. 77.983 elk een ander besluit tot voorwerp hebben. X-7982-4/23 Bij arrest nr. 83.609 van 24 november 1999 oordeelde de Raad van State in de zaak A. 76.453 dat de afbraak van het gebouw niet toelaat tot een gebrek aan belang van de verzoekende partijen te concluderen en dat de debatten dienen heropend te worden. Bij arrest nr. 120.451 van 12 juni 2003oordeelde de Raad van State in de zaak A. 68.274 dat het door het Auditoraat ambtshalve aangevoerde middel inzake de onbevoegdheid van de steller van de bestreden beslissing dient te worden verworpen en dat de debatten dienen te worden heropend. Bij arrest nr. 120.452 van 12 juni 2003oordeelde de Raad van State in de zaak A. 76.453 dat het door het Auditoraat ambtshalve aangevoerde middel inzake bevoegdheid van de steller van de bestreden beslissing dient te worden verworpen en dat de debatten dienen te worden heropend. Bij arrest nr. 120.453 oordeelde de Raad van State in de zaak A. 74.021 dat het door het Auditoraat ambtshalve aangevoerde middel inzake bevoegdheid van de steller van de bestreden beslissing dient te worden verworpen en dat de debatten dienen te worden heropend. Volledigheidshalve kan nog worden vermeld dat de Raad van State bij het arrest nr. 87.884 van 7 juni 2000 de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging heeft verworpen van het besluit van 15 oktober 1999 van de Vlaamse Minister van Economie, Ruimtelijke Ordening en Media waarbij eensdeels het beroep van de gemachtigde ambtenaar tegen de beslissing van 4 februari 1999 van de bestendige deputatie van de provincieraad van Limburg wordt ingewilligd en deze beslissing wordt vernietigd en anderdeels de beslissing van 9 oktober 1998 van het college van burgemeester en schepen van de stad Sint-Truiden zonder voorwerp wordt verklaard en beslist wordt dat het besluit van 2 oktober 1998 van de gemachtigde ambtenaar, waarbij aan de tweede verzoekster de vergunning wordt geweigerd tot het slopen van een bestaande hoofdbouw, het terug opbouwen van een bestaande voorgevel, het bouwen van een woning met apotheekruimte en het renoveren van bestaande achterbouw op een perceel gelegen aan de Hamelstraat 21 te Sint-Truiden, kadastraal bekend Sectie H, nr. 326f, haar rechtskracht behoudt. Bij arrest nr. 96.430 van 13 juni 2001 wordt het beroep tot nietigverklaring van hetzelfde besluit verworpen wegens gebrek aan voortzetting na verwerping van de vordering tot schorsing. X-7982-5/23 Het besluit van 10 juli 1997 van de Vlaamse minister van Cultuur, Gezin en Welzijn houdende de definitieve rangschikking als monument in zijn tenuitvoerlegging is derhalve thans nog steeds geschorst is door het arrest nr. 74.710 van 29 juni
- Samenvoeging Gelet op de verknochtheid van de drie beroepen worden in het belang van een goede rechtsbedeling de drie zaken samengevoegd en wordt er in één arrest uitspraak over gedaan.
- Wat betreft het beroep tot nietigverklaring van het besluit van 15 mei 1995 van de Vlaamse minister van Verkeer, Buitenlandse Handel en Staatshervorming (zaak A. 68.274/X-7982) 3.
- Exceptie van niet-ontvankelijkheid van de memorie van antwoord. 3.1.
- Overwegende dat de verzoekende partijen in hun memorie van wederantwoord opwerpen dat de memorie van antwoord onontvankelijk is omdat de verwerende partij vertegenwoordigd wordt door de Vlaamse minister van Cultuur, Gezin en Welzijn terwijl het bestreden besluit is genomen door de Vlaamse minister van Verkeer, Buitenlandse Handel en Staatshervorming; 3.1.
- Overwegende dat het Vlaamse gewest de verwerende partij is; dat artikel 82 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instelling bepaalt wat volgt: “Art.
- Onverminderd artikel 48bis vertegenwoordigt de Regering de Gemeenschap of het Gewest in en buiten rechte. Zij wordt gedagvaard aan het kabinet van de voorzitter van de Regering. De in dit artikel bedoelde rechtsgedingen van de Gemeenschap of het Gewest, als eiser of als verweerder, worden gevoerd namens de Regering, ten verzoeke van het door deze aangewezen lid”; Overwegende dat luidens artikel 1 van het besluit van de Vlaamse regering van 11 december 1985 tot aanwijzing van de leden van de Vlaamse regering ten verzoeke waarvan de rechtsgedingen van de Vlaamse Gemeenschap of het Vlaamse Gewest worden gevoerd -op 1 maart 2004 vervangen door het besluit van de Vlaamse regering van 5 december 2003 tot regeling van het voeren van de X-7982-6/23 rechtsgedingen van de Vlaamse Gemeenschap en het Vlaamse Gewest- de rechtsgedingen waarin het gewest als verweerder optreedt m.b.t. aangelegenheden die tot de uitsluitende bevoegdheid behoren van een lid van de regering, worden gevoerd ten verzoeke van dat lid van de regering; dat krachtens het besluit van de Vlaamse Regering van 20 oktober 1992 tot bepaling van de bevoegdheden van de leden van de Vlaamse regering, op het ogenblik van het bestreden besluit de bevoegde minister voor rangschikkingen de Vlaamse minister van Verkeer, Buitenlandse Handel en Staatshervorming was; dat luidens artikel 10 van het besluit van de Vlaamse regering van 20 juni 1995, de Vlaamse minister van Cultuur, Gezin en Welzijn voor deze materie bevoegd werd; dat de exceptie niet gegrond is; 3.
- Wat de grond van de zaak betreft. 3.2.1.
- Overwegende dat de verzoekende partijen in een eerste middel de schending aanvoeren van het decreet van 3 maart 1976 tot bescherming van monumenten en stads- en dorpsgezichten - toepasselijke wetgeving - basis - werking in de tijd; Overwegende dat de verzoekende partijen uiteenzetten dat het bestreden besluit zich uitdrukkelijk baseert op het decreet van 3 maart 1976 tot bescherming van monumenten en stads- en dorpsgezichten, gewijzigd bij het decreet van 22 februari 1995, dat het decreet van 22 februari 1995 in casu evenwel niet van toepassing is, dat de procedure in casu volledig diende te verlopen zoals bepaald in het decreet van 3 maart 1976 tot bescherming van monumenten en stads- en dorpsgezichten, dat artikel 11 van het decreet van 22 februari 1995 immers voorziet dat het niet van toepassing is op de onder het stelsel van het decreet van 3 maart 1976 tot bescherming van monumenten en stads- en dorpsgezichten begonnen procedures, dat het aanleggen van de zogenaamde ontwerpen van lijsten behoort tot de procedure, dat er een voorontwerp van lijst werd opgesteld dat ten onrechte niet in aanmerking werd genomen bij het verdere verloop van de procedure; dat het bestreden besluit een ontwerp van lijst vastlegt in plaats van een voorontwerp van lijst, dat er een voorontwerp had dienen opgesteld te worden dat had dienen te worden geadviseerd en bekendgemaakt, dat de onderzoeksfase in casu teruggaat tot jaren geleden, namelijk de maanden augustus-september 1977 toen de foto’s en teksten al werden opgesteld, dat het vooronderzoek dus dagtekent van minstens 19 jaar terug, dat het decreet van 22 februari 1995 van kracht werd op 5 april 1995 terwijl het bestreden besluit dagtekent van 15 mei 1999; X-7982-7/23 3.2.1.
- Overwegende dat het decreet van 22 februari 1995 tot wijziging van het decreet van 3 maart 1976 tot bescherming van monumenten en stads- en dorpsgezichten, is bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 5 april 1995 en op dezelfde dag in werking is getreden; dat dit decreet de procedure tot rangschikking vervat in het decreet van 3 maart 1976 tot bescherming van monumenten en stads- en dorpsgezichten, wijzigt; dat artikel 5 van het decreet van 3 maart 1976 tot bescherming van monumenten en stads- en dorpsgezichten wordt vervangen en daarbij onder andere de opmaak van een voorontwerp van lijst wordt afgeschaft; dat artikel 11 van het decreet van 22 februari 1995 bepaalt dat de procedures gestart onder het stelsel van het decreet van 3 maart 1976 tot bescherming van monumenten en stads- en dorpsgezichten worden verdergezet overeenkomstig laatstgenoemd decreet; dat artikel 5, § 1, van het decreet van 3 maart 1976 tot bescherming van monumenten en stads- en dorpsgezichten, vóór het gewijzigd werd door het decreet van 22 februari 1995, de procedure tot rangschikking aanvat met het opstellen van een voorontwerp van lijst; dat in casu evenwel het bestreden besluit is aangevat met het ontwerp van lijst zoals bedoeld in artikel 5, § 1, van het decreet van 3 maart 1976 tot bescherming van monumenten en stads- en dorpsgezichten, zoals gewijzigd door het decreet van 22 februari 1995; dat het decreet van 3 maart 1976 tot bescherming van monumenten en stads- en dorpsgezichten, zoals gewijzigd door het decreet van 22 februari 1995, geen andere wijze van aanvang van de procedure voorziet dan het ontwerp van lijst; dat het middel niet gegrond is; 3.2.2.
- Overwegende dat de verzoekende partijen in een tweede middel de niet-naleving aanvoeren van essentiële vormvereisten - procedure; Overwegende dat zij in een eerste onderdeel van het middel betogen dat artikel 5, § 2, van het decreet van 3 maart 1976 tot bescherming van monumenten en stads- en dorpsgezichten voorziet dat het voorontwerp van lijst door bepaalde instanties dient geadviseerd te worden, en op een bepaalde wijze bekendgemaakt en betekend dient te worden, maar dat dit niet is geschied; Overwegende dat zij in een tweede onderdeel van het middel de schending aanvoeren van het algemeen beginsel dat de verplichting oplegt dat een administratieve beslissing dient betekend te worden aan de individueel betrokken particulier, en dit zowel in geval het decreet van 3 maart 1976 tot bescherming van monumenten en stads- en dorpsgezichten toegepast mocht zijn dan wel, ondergeschikt, het decreet van 3 maart 1976 tot bescherming van monumenten en X-7982-8/23 stads- en dorpsgezichten, zoals gewijzigd door het decreet van 22 februari 1995, en dat de Raad van State dit in zijn arrest nr. 42.636 van 22 april 1993 heeft weer- houden; 3.2.2.
- Overwegende dat, zoals blijkt uit het onderzoek van het eerste middel, er geen voorontwerp van lijst diende te worden opgesteld; dat het middel voorts enkel de tegenstelbaarheid van het bestreden besluit betreft en niet de rechtmatigheid ervan, en derhalve niet tot de vernietiging kan leiden; dat het niet kan worden aangenomen; 3.2.3.
- Overwegende dat de verzoekende partijen in een derde middel de schending aanvoeren van het algemeen rechtsbeginsel dat iedere beslissing in concreto dient gemotiveerd te zijn, en dat is geconcretiseerd in de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen; Overwegende dat zij in een eerste onderdeel van het middel aanvoeren dat in het overwegend gedeelte niet wordt verwezen naar enig dossier of advies, dat hoogstens onder randnummer 23 een overweging over het pand wordt gegeven, maar dat deze overweging niet controleerbaar is naar inhoud, auteur of datering; Overwegende dat zij in een tweede onderdeel van het middel aanvoeren dat zelfs mocht er een formele motivering zijn, dat deze dan nog inhoudelijk gebrekkig en dubbelzinnig is, dat de tekst van het bestreden besluit, onder randnummer 23, verschilt van de tekst in het inzagedossier, terwijl geen van beide met de werkelijkheid overeenstemmen, dat er in het dossier geen sprake is van een tuin, terwijl in het bestreden besluit wel, dat het besluit melding maakt van een combinatie van een breedhuis uit de 18e eeuw en een 16e eeuws diephuis, terwijl het dossier het heeft over een 18e eeuws gebouw als scherm voor een ouder huis gedeeltelijk versteend bij latere verbouwingen; Overwegende dat zij in een derde onderdeel van het middel de schending van het gelijkheidsbeginsel aanvoeren doordat er in het bestreden besluit geen rekening wordt gehouden met de actuele staat van het pand dat volledig is vervallen, daar waar de andere door het bestreden besluit voorlopig gerangschikte panden alle in goede staat zijn; X-7982-9/23 Overwegende dat zij in een vierde onderdeel van het middel aanvoeren dat het algemeen belang niet is aangetoond, dat artikel 2 van het decreet van 3 maart 1976 tot bescherming van monumenten en stads- en dorpsgezichten een algemeen belang vereist, dat het onder het randnummer 23 gestelde louter beschrijvend is en dat overigens uit het bezwaar van verzoekende partij blijkt dat de waarde van het pand onbestaande is. Overwegende dat zij in een vijfde onderdeel van het middel aanvoeren dat het bestreden besluit is gesteund op gegevens die niet actueel zijn, aangezien deze teruggaan tot 1977; 3.2.3.
- Overwegende, wat het eerste onderdeel van het middel betreft, dat in de overweging vervat in het randnummer 23 wordt gesteld wat volgt: “
- Pand gelegen Hamelstraat 21 ; bekend ten kadaster : Sint-Truiden, 1ste afd., Sie H, perceelnr. 326F ; dient beschermd als monument omwille van het algemeen belang gevormd door de historische, in casu architectuurhistorische waarde als 16de eeuws diephuis in stijl- en regelwerk gecombineerd met een classicistisch breedhuis uit de tweede helft van de 18de eeuw. De tuin dient beschermd als monument omwille van het algemeen belang gevormd door de historische waarde als integrerend bestanddeel van de woning”; dat deze motivering specifiek op het pand, gelegen Hamelstraat 21, is betrokken; dat ze is gebaseerd op het verslag na plaatsbezoek van de dienst Monumenten & Landschappen; dat de omvang en draagkracht van de motivering moet worden bekeken vanuit het tijdstip van de procedure; dat het de aanzet is voor het openbaar onderzoek en het inwinnen van de vereiste adviezen; dat de verzoekende partijen niet aantonen dat deze motivering niet afdoende zou zijn; Overwegende, wat het tweede onderdeel van het middel betreft, dat er geen tegenspraak is tussen het verslag van de dienst Monumenten & Landschappen enerzijds, en de motivering vermeld onder het randnummer 23, anderzijds; dat het in beide gevallen gaat over een 18e eeuws huis langs de straat dat een ouder huis maskeert; dat de tuin in het verslag wordt behandeld als een element dat met het gebouw één geheel uitmaakt; dat een aarzeling in het verslag omtrent de ouderdom van het diephuis niet in tegenspraak is met het in de motivering onder het randnummer 23 gestelde, daar waar het diephuis in de loop der eeuwen gedeeltelijk versteend werd, hetgeen overigens blijkt uit de desbetreffende foto’s; X-7982-10/23 Overwegende, wat het derde en het vijfde onderdeel van het middel betreft, dat uit de stukken van het administratief dossier -inzonderheid stuk 1- blijkt dat de verwerende partij wel degelijk op de hoogte was van de staat van het pand; dat de verzoekende partijen geen concrete argumenten bijbrengen waaruit zou kunnen blijken dat het gelijkheidsbeginsel hier zou zijn geschonden; dat overigens de bouwfysische staat van een pand geen criterium is voor de opname in een zelfde besluit; dat het feit dat het verslag niet zou opgenomen zijn in het dossier tijdens het openbaar onderzoek, de wettigheid van het bestreden besluit niet aantast; Overwegende, wat het vierde onderdeel van het middel betreft, dat het door verzoekende partijen bijgebrachte, doch na het bestreden besluit opgestelde verslag de wettigheid van het bestreden besluit niet vermag aan te tasten; dat zodanig verslag wel dienstig kan worden aangevoerd tijdens het openbaar onderzoek, dat nadien op grond van het bestreden besluit wordt gehouden; dat in de motivering vermeld onder het randnummer 23 het algemeen belang uitdrukkelijk wordt aangeduid met name de historische waarde omwille van “de architectuurhistorische waarde als 16de eeuws diephuis in stijl- en regelwerk gecombineerd met een classicistisch breedhuis uit de tweede helft van de 18de eeuw”; dat dit is een voldoende omschrijving is om de rangschikkingsprocedure aan te vatten; Overwegende dat het derde middel niet gegrond is; 3.2.4.
- Overwegende dat de verzoekende partijen in een vierde middel de schending aanvoeren van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, met name het beginsel van het tijdig handelen en beslissen; dat zij uiteenzetten dat de minister twintig jaar heeft laten voorbijgaan vooraleer tot rangschikking over te gaan niettegenstaande het zou gaan om het algemeen belang; dat intussen de vorige eigenaars het betrokken pand hebben laten verloederen, feit waaraan de verzoekende partijen volkomen vreemd zijn; 3.2.4.
- Overwegende dat het in goede staat zijn van een pand geen voorwaarde is om tot een rangschikking te kunnen overgaan zoals bedoeld in het decreet van 3 maart 1976 tot bescherming van monumenten en stads- en dorpsgezichten; dat bij gebreke aan enige bepaling daaromtrent, de omstandigheid dat een procedure tot bescherming een lange tijd in beslag neemt niet tot de X-7982-11/23 onwettigheid van die procedure leidt; dat uit de gegevens van de zaak overigens ook blijkt dat de verloedering van het betrokken pand niet uitsluitend aan een gebrek aan onderhoud door de rechtsvoorgangers van de verzoekende partijen kan worden toegeschreven; dat het middel niet gegrond is; 3.2.5.
- Overwegende dat de verzoekende partijen in een vijfde middel de schending aanvoeren van het evenredigheidsbeginsel; dat zij uiteenzetten dat de beslissing evenredig moet zijn tot het voorwerp, met name het onroerend goed, en het doel van de beslissing, met name de bescherming, dat, zoals zij in hun bezwaar hebben gesteld, de aftakeling onomkeerbaar is en een restauratie in de zin van de wet niet volstaat, dat het bestreden besluit geen rekening houdt met de onevenredig hoge kosten voor de heropbouw en restauratie, en dat het dus niet in evenredigheid is met het beoogde doel; 3.2.5.
- Overwegende dat de verzoekende partijen niet aantonen dat de opportuniteit van de rangschikking kennelijk onredelijk is; dat, zoals uit de bespreking van het derde middel blijkt, de motieven van de rangschikking in het kader van een voorlopige rangschikking aanvaardbaar zijn; dat het middel niet gegrond is; 3.
- Overwegende dat het beroep tegen het besluit van 15 mei 1995 van de Vlaamse minister van Verkeer, Buitenlandse Handel en Staatshervorming houdende vaststelling van een ontwerp van lijst van voor bescherming vatbare monumenten, stads- en dorpsgezichten “betrekking hebbende op het onroerend goed, dat is gelegen te 3800 Sint-Truiden, Hamelstraat 21”, wordt verworpen;
- Wat betreft het beroep tot nietigverklaring van het besluit van 30 januari 1997 van de Vlaamse minister van Cultuur, Gezin en Welzijn (zaak A. 74.021/X-7983) 4.
- Algemeen. Overwegende dat de verzoekende partijen in het verzoekschrift tot nietigverklaring van het besluit van 30 januari 1997 van de Vlaamse minister van Cultuur, Gezin en Welzijn houdende termijnverlenging van de geldigheidsduur van ontwerpen van lijst van voor bescherming vatbare monumenten, stads- en dorpsgezichten “onder andere betrekking hebbende op het onroerend goed, dat is X-7982-12/23 gelegen te 3800 Sint-Truiden, Hamelstraat 21”, eveneens de onwettigheid aanvoeren van het besluit van 15 mei 1995 waarvan het de geldigheidsduur verlengt, en dit op grond van dezelfde middelen als deze welke zij hebben aangevoerd in het beroep tot nietigverklaring van laatstgenoemd besluit, en welke hiervoor alle ongegrond werden bevonden; Overwegende voorts dat, in zoverre in het tweede middel tegen het besluit van 15 mei 1995 een ongeldige betekening wordt aangevoerd die de wettigheid van de navolgende akten aantast, kan worden verwezen naar het onderzoek hierna van het beroep tot nietigverklaring van het besluit van 10 juli 1997 van de Vlaamse minister van Cultuur, Gezin en Welzijn (zaak A. 76.453/X-7879); 4.
- Middelen eigen aan het bestreden besluit. Overwegende dat de verzoekende partijen tegen het bestreden besluit van 30 juli 1997 drie aan het besluit eigen middelen aanvoeren; 4.2.1.
- Overwegende dat de verzoekende partijen in een eerste middel de laattijdigheid aanvoeren van het verlengingsbesluit en machtsoverschrijding; Overwegende dat zij uiteenzetten dat de termijn van voorlopige bescherming één jaar bedraagt, dat bij het verstrijken van die termijn de inschrijving van rechtswege vervalt, dat deze termijn slechts bij een gemotiveerd besluit ten aanzien van de betrokkenen kan worden verlengd met maximaal zes maanden; dat een verlenging slechts mogelijk is wanneer de oorspronkelijk termijn niet is verstreken, dat de termijn van voorlopige bescherming één jaar bedraagt, dat bij het verstrijken van die termijn de inschrijving van rechtswege vervalt, dat het besluit houdende de voorlopige bescherming slechts werking heeft vanaf de betekening aan de eigenaars of uiterlijk de dag van de bekendmaking in het Staatsblad, dat het verlengingsbesluit ten vroegste op 8 maart 1997 werd betekend aan de verzoekende partijen, dat alsdan de termijn van één jaar reeds verstreken was, dat het verlengings-besluit derhalve laattijdig is. Overwegende dat zij voorts stellen dat, zo de voorlopige bescherming betekend zou zijn geweest aan de verzoekende partijen -quod non- en indien dit te situeren is op 2 februari 1996, dat de einddatum dan 2 februari 1997 is, dat er evenwel geen betekening is gebeurd, zodat moet teruggegrepen worden naar X-7982-13/23 de termijn zoals die voor derden geldt, namelijk de bekendmaking in het Staatsblad, dit is 29 augustus 1995, wat betekent dat 1 jaar plus 10 dagen later, met name 9 september 1996 de einddatum is voor verzoekende partijen om de betekening van de verlenging te krijgen, dat evenwel, zoals reeds gesteld, de betekening van de verlenging aan de verzoekende partijen ten vroegste op 8 maart 1997 is geschied; 4.2.1.
- Overwegende dat, zoals hiervoor reeds gesteld, het decreet van 3 maart 1976 tot bescherming van monumenten en stads- en dorpsgezichten, zoals gewijzigd door het decreet van 22 februari 1995, van toepassing is op onderhavige zaak; dat artikel 5, § 7, van dit decreet, zoals van toepassing op het ogenblik van het bestreden besluit, luidt als volgt: “§
- Vanaf de betekening van het ontwerp van lijst zijn op de in het besluit vermelde onroerende goederen gedurende een termijn van maximaal twaalf maanden al de uitwerkselen van de bescherming voorlopig van toepassing. De termijn gaat in te rekenen vanaf de datum van de afgifte ter post van de in § 2, 1/, vermelde voorlegging. Voor de personen bedoeld in § 2, 3/, zijn al de uitwerkselen van de bescherming voorlopig van toepassing vanaf hun betekening tot de datum waarop de eerder vermelde termijn afloopt. De rechtsgevolgen gelden voor elke andere natuurlijke of rechtspersoon vanaf de publicatie in het Belgisch Staatsblad tot de datum waarop de eerder vermelde termijn afloopt. Die termijn kan, bij gemotiveerde beslissing van de regering, eenmaal met ten hoogste zes maanden worden verlengd”; dat artikel 7, laatste zin, van hetzelfde decreet, zoals van toepassing op het ogenblik van het bestreden besluit, luidt als volgt: “De inschrijving op de ontwerpen van lijst vervalt van rechtswege indien de besluiten niet zijn genomen binnen de in artikel 5, § 7, bepaalde termijn”; Overwegende dat uit voormelde bepalingen volgt dat de termijn voor diegene die eigenaar is en aan wie de voorlopige bescherming diende betekend te worden, aanvangt vanaf het ogenblik dat de betekening aan hem wordt gedaan; dat evenwel ten aanzien van iedereen, ook ten aanzien van de verzoekende partijen, de termijn aanvangt vanaf de datum van afgifte aan de post van de brief houdende de voorlopige rangschikking gericht aan stedenbouw en de gemeente; dat te dezen de termijn van 12 maanden dus aanvangt op 2 februari 1996 en verstrijkt op 1februari 1997; dat laatstgenoemde datum vaststaand is, ook ten aanzien van de verzoekende partijen; dat derhalve noch de dag waarop zij van de voorlopige rangschikking in kennis zouden zijn gesteld, noch de dag waarop deze zou bekendgemaakt zijn in het Belgisch Staatsblad, ter zake relevant zijn; dat de bedoelde termijn voor iedereen op dezelfde dag afloopt; X-7982-14/23 Overwegende dat deze termijn kan worden verlengd met zes maand; dat deze beslissing dient getroffen te worden binnen de initiële termijn, dat anders het ontwerp immers reeds vervallen is; dat dit in casu ook zo geschiedt daar het verlengingsbesluit dagtekent van 30 januari 1997; Overwegende dat, waar de verzoekende partijen stellen dat ze geen betekening van het verlengingsbesluit hebben ontvangen binnen de oorspronkelijke termijn en dat dienvolgens de verlenging onwettig is, dient te worden vastgesteld dat het verlengingsbesluit wel degelijk werd getroffen binnen de initiële termijn van één jaar, zodat een eventuele na die termijn geschiedde betekening ervan aan de verzoekende partijen, de wettigheid van deze beslissing niet aantast; dat de verzoekende partijen ten onrechte in voormelde bepalingen lezen dat de betekening dient te geschieden binnen de geldigheidsduur van twaalf maanden van het voorlopig beschermingsbesluit; dat, ten overvloede, kan worden vastgesteld dat de betekening van het verlengingsbesluit aan de verzoekende partijen de nieuwe termijn van zes maand niet doet ingaan; dat deze termijn immers aanvangt met het verstrijken van de oorspronkelijke termijn van 12 maand, die een aanvang nam met de betekening; dat het middel niet gegrond is; 4.2.2.
- Overwegende dat de verzoekende partijen in een tweede middel aanvoeren dat de verlengingsbeslissing nietig is daar ze als rechtsgrond vermeldt het decreet van 3 maart 1976 tot bescherming van monumenten en stads- en dorps- gezichten, zoals gewijzigd bij decreet van 22 februari 1995, terwijl het decreet van 22 februari 1995 in casu niet van toepassing is. 4.2.2.
- Overwegende dat uit het onderzoek van het eerste middel in de zaak A. 68.274 (zie hiervoor onder nr. 3.2.1.2.) blijkt dat het middel niet gegrond is; 4.2.3.
- Overwegende dat de verzoekende partijen in een derde middel aanvoeren dat het verlengingsbesluit niet gemotiveerd is; dat zij uiteenzetten dat het bestreden besluit als zgn. motivering aangeeft: “Teneinde het onderzoek van de bezwaarschriften te kunnen vervolledigen en afsluiten.”, dat deze motivering pro forma en nietszeggend is, zekerlijk t.a.v. verzoekende partijen, dat het geen specifieke, concrete of individuele motivering is voor de verlenging, dat er maar vijf bezwaren waren voor al de goederen vervat in het voorlopig beschermingsbesluit, dat niet kan worden aangenomen dat deze vijf bezwaren in gans die periode nog niet X-7982-15/23 werden onderzocht, dat ook ten aanzien van verzoekende partijen specifiek dient te worden opgemerkt dat hun bezwaar in de memorie van antwoord in de zaak A. 68.274 reeds beantwoord werd, en dat het bezwaar overigens niet onderzocht diende te worden nu verzoekende partijen het eerste besluit houdende de voorlopige rangschikking met een annulatieverzoek hadden bestreden, en dat er bovendien niet werd gemotiveerd waarom de verlenging zes maanden is, daar waar het decreet een mogelijkheid tot maximaal zes maand voorziet; 4.2.3.
- Overwegende dat artikel 5, § 7, in fine, van het decreet van 3 maart 1976 tot bescherming van monumenten en stads- en dorpsgezichten, zoals gewijzigd bij decreet van 22 februari 1995, een gemotiveerde beslissing tot verlenging van de termijn vereist; dat te dezen het bestreden besluit de termijn met zes maanden verlengt voor de panden van de voorlopige rangschikking, ‘teneinde het onderzoek van de bezwaarschriften te kunnen vervolledigen en afsluiten’; dat het besluit van 15 mei 1995 houdende de voorlopige rangschikking tientallen panden omvat; dat het decreet van 3 maart 1976 tot bescherming van monumenten en stads- en dorpsgezichten, voor al die panden een openbaar onderzoek en adviesvragen voorschrijft; dat al de ingediende bezwaren en adviezen dienen te worden onderzocht, beoordeeld en beantwoord; dat de opgegeven motivering niet alleen het onderzoek en het beantwoorden van de bezwaren betreft, maar ook het voorleggen voor advies aan de Koninklijke Commissie; dat de omstandigheid dat het onderzoek nopens de toestand van het pand van verzoekende partijen reeds vroeger zou zijn afgesloten, slechts betrekking heeft op een onderdeel van het voorlopig beschermingsbesluit en derhalve op zich de motivering niet ondraagkrachtig maakt; dat, gelet op de concrete omstandigheden van de zaak, een verlenging van de termijn met zes maanden op grond van de vermelde motivering als afdoende en pertinent kan worden beschouwd; dat het middel niet gegrond is;
- Wat betreft het beroep tot nietigverklaring van het besluit van 10 juli 1997 van de Vlaamse minister van Cultuur, Gezin en Welzijn (zaak A. 76.453/X-7879) 5.
- Algemeen Overwegende dat de verzoekende partijen in het verzoekschrift tot nietigverklaring van het besluit van 10 juli 1997 van de Vlaamse minister van Cultuur, Gezin en Welzijn houdende bescherming als monument van een bebouwd X-7982-16/23 onroerend goed met tuin, gelegen te Sint-Truiden, Hamelstraat 21, op een perceel, kadastraal bekend sectie H, nr. 236/f, eveneens de onwettigheid aanvoeren van het besluit van 15 mei 1995 van de Vlaamse minister van Verkeer, Buitenlandse Handel en Staatshervorming houdende vaststelling van een ontwerp van lijst van voor bescherming vatbare monumenten, stads- en dorpsgezichten “betrekking hebbende op het onroerend goed, dat is gelegen te 3800 Sint-Truiden, Hamelstraat 21”, en van het besluit van 30 januari 1997 van de Vlaamse minister van Cultuur, Gezin en Welzijn, houdende termijnverlenging van de geldigheidsduur van voormeld besluit van 15 mei 1995, en dit op grond van dezelfde middelen als deze welke zij hebben aangevoerd in het beroep tot nietigverklaring van bedoelde besluiten, en welke hiervoor alle ongegrond werden bevonden; 5.
- Middelen eigen aan het bestreden besluit. Overwegende dat de verzoekende partijen vier middelen aanvoeren, eigen aan het bestreden besluit; 5.2.1.
- Overwegende dat de verzoekende partijen in een eerste middel de middelen hernemen gericht tegen het eerste en het tweede bestreden besluit; dat deze middelen hiervoor reeds zijn onderzocht en verworpen, met uitzondering van het tweede onderdeel van het tweede middel, aangevoerd in het beroep tegen het bestreden besluit van 15 mei 1995, in zoverre daarin wordt aangevoerd dat de niet betekening van het betrokken besluit van 15 mei 1995 houdende vaststelling van een ontwerp van lijst van voor bescherming vatbare monumenten, stads- en dorpsgezichten “betrekking hebbende op het onroerend goed, dat is gelegen te 3800 Sint-Truiden, Hamelstraat 21”, de onwettigheid van het in huidig beroep bestreden ministerieel besluit van 10 juli 1997 houdende bescherming als monument van hetzelfde onroerend goed tot gevolg heeft; 5.2.1.
- Overwegende dat artikel 5 van het decreet van 3 maart 1976 tot bescherming van monumenten en stads- en dorpsgezichten, zoals van toepassing op het ogenblik van het bestreden besluit, bepaalt wat volgt: “Art.
- §
- De regering stelt de ontwerpen van lijst van voor bescherming vatbare monumenten en stads- en dorsgezichten vast. Deze ontwerpen van lijst vermelden de erfdienstbaarheden die met het oog op de bescherming worden opgelegd. §
- De ontwerpen van lijst worden: 1/ bij ter post aangetekende brief ter advies voorgelegd aan de bestuurlijke entiteit bevoegd voor ruimtelijke ordening en stedenbouw en aan de betrokken X-7982-17/23 gemeente(n) en provincie(s). Deze adviezen worden binnen zestig dagen te rekenen vanaf de datum van de afgifte ter post uitgebracht, zoniet worden ze geacht gunstig te zijn; 2/ bij de betrokken gemeentebesturen neergelegd voor het openen van een openbaar onderzoek en het opstellen van een proces-verbaal waarin de opmerkingen en bezwaren worden opgenomen. Bij voor bescherming vatbare stads- of dorpsgezichten wordt een bericht omtrent het openbaar onderzoek aangeplakt zoals aangeduid op het plan bij het ontwerp van lijst. Het openbaar onderzoek gaat in uiterlijk veertien dagen te rekenen vanaf de datum van de afgifte ter post van de betekening en duurt dertig dagen. Tijdens het openbaar onderzoek ligt het ontwerp van lijst en het dossier dat een inhoudelijke beschrijving en evaluatie bevat, ter inzage bij de betrokken gemeente(n). Bij het verstrijken van de termijn wordt het openbaar onderzoek door de gemeente(n) afgesloten. Binnen vijftien dagen na het afsluiten zenden zij hun proces-verbaal over aan de betrokken buitendienst van de administratie. Bij ontstentenis van een binnen de voorgeschreven termijn geopend openbaar onderzoek kan de gouverneur van de betrokken provincie dit onderzoek organiseren. In dit geval gaat de termijn van het openbaar onderzoek in uiterlijk vijftien dagen te rekenen vanaf de datum van afgifte ter post van het bericht dienaangaande vanwege de administratie en duurt dertig dagen; 3/ bij ter post aangetekende brief betekend aan de eigenaars, erfpachthouders, opstalhouders en vruchtgebruikers zoals bekend bij de Administratie van de BTW, Registratie en Domeinen op de datum van het ontwerp van lijst. Zij kunnen hun opmerkingen en bezwaren indienen bij de respectieve buiten-diensten van het Bestuur Monumenten en Landschappen binnen een termijn van dertig dagen te rekenen vanaf de datum van de afgifte ter post van de betekening. Gedurende deze termijn ligt het dossier ter inzage op de betrokken buitendienst van het Bestuur Monumenten en Landschappen; 4/ bij uittreksel gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad. §
- De personen die overeenkomstig § 2, 3/, in kennis werden gesteld van het ontwerp van lijst, geven bij ter post aangetekende brief kennis aan de huurders of de bewoners van het ontwerp van lijst dat hun betekend werd, binnen tien dagen te rekenen vanaf de datum van de afgifte ter post van de betekening op straffe van hoofdelijke aansprakelijkheid voor het herstel en de schadeloosstelling zoals bepaald in artikel 15 van dit decreet. In de betekening aan de in § 2, 3/, bedoelde personen wordt deze verplichting vermeld. §
- De personen die overeenkomstig § 2, 3/, in kennis werden gesteld van het ontwerp van lijst, geven bij ter post aangetekende brief kennis van de eventuele gewijzigde eigendomstoestand aan de bevoegde buitendienst van het Bestuur Monumenten en Landschappen, binnen tien dagen te rekenen vanaf de datum van de afgifte ter post van de betekening, op straffe van hoofdelijke aansprakelijkheid voor het herstel en de schadeloosstelling zoals bepaald in artikel 15 van dit decreet. In de betekening aan de in § 2, 3/, bedoelde personen wordt deze verplichting vermeld. De nieuwe eigenaars, erfpachthouders, opstalhouders en vruchtgebruikers worden op hun beurt betekend overeen- komstig §
- (...) §
- Vanaf de betekening van het ontwerp van lijst zijn op de in het besluit vermelde onroerende goederen gedurende een termijn van maximaal twaalf maanden al de uitwerkselen van de bescherming voorlopig van toepassing. De termijn gaat in te rekenen vanaf de datum van de afgifte ter post van de in § 2, 1/, vermelde voorlegging. Voor de personen bedoeld in § 2, 3/, zijn al de uitwerkselen van toepassing vanaf hun betekening tot de datum waarop de eerder vermelde termijn afloopt. Deze rechtsgevolgen gelden voor elke andere natuurlijke of rechtspersoon vanaf de publicatie in het Belgisch Staatsblad tot de datum waarop de eerder vermelde termijn afloopt. Die termijn kan, bij X-7982-18/23 gemotiveerde beslissing van de regering, eenmaal met ten hoogste zes maanden worden verlengd. (...)”; Overwegende dat uit een op 8 mei 2002 gewezen en in kracht van gewijsde gegane vonnis van de Rechtbank van eerste aanleg te Hasselt, erga omnes blijkt dat de postbode zelf de ter post aangetekende brief waarbij het besluit van 15 mei 1995 houdende vaststelling van het ontwerp van lijst van voor bescherming vatbare monumenten, stads- en dorpsgezichten, in het register der aangetekende zendingen voor ontvangst heeft getekend, en heeft bekend de brief niet te hebben afgegeven aan een gekende op de woonplaats van de bestemmeling; dat de straf- rechter aanneemt dat niet bewezen is dat de brief in de brievenbus van de verzoekende partijen is gedeponeerd; dat derhalve niet is aangetoond dat de door voormeld artikel 5, § 2, 3/, vereiste betekening aan de verzoekende partijen is geschied; Overwegende evenwel dat, wanneer het niet naleven van voormeld vormvoorschrift het bereiken van het normdoel van het opgelegde voorschrift niet in de weg heeft gestaan, en derhalve de eigenaar van het op de lijst van voor bescherming vatbare monumenten opgenomen onroerend goed niet heeft geschaad, het niet voldoen aan dat vormvoorschrift niet tot de nietigheid van het besluit dat daarop is gesteund, kan leiden; Overwegende dat de verzoekende partijen zelf erkennen een kopie van het besluit van 15 mei 1995 houdende vaststelling van het ontwerp van lijst van voor bescherming vatbare monumenten, stads- en dorpsgezichten te hebben ontvangen van eigenaars van een ander monument dat op hetzelfde ontwerp van lijst werd opgenomen, en hiervan een afschrift in bijlage van hun verzoekschrift hebben gevoegd; dat zij aldus wisten dat hun onder nr. 23 vermelde pand, gelegen Hamelstraat 21 te Sint-Truiden, op een ontwerp van lijst van voor bescherming vatbare monumenten, stads- en dorpsgezichten was opgenomen, en dat met het oog op de bescherming de beschikkingen van het besluit van de Vlaamse regering van 17 november 1993 tot bepaling van de algemene voorschriften inzake instand- houding en onderhoud van de monumenten en de stads- en dorpsgezichten van toepassing waren; dat zij op 29 februari 1996, d.i. binnen de termijn van dertig dagen te rekenen vanaf de datum waarop de bevoegde overheid in de waan verkeerde dat het betrokken besluit geldig met een ter post aangetekende brief van 2 februari 1996 aan de verzoekende partijen was betekend, een omstandig X-7982-19/23 bezwaarschrift hebben ingediend; dat zij tevens tijdig een beroep tot nietigverklaring van voormeld besluit hebben ingesteld; dat niet blijkt, en overigens door de verzoekende partijen ook niet wordt beweerd, dat zij bij gebreke aan betekening de hun door voormelde §§ 3 en 4 opgelegde verplichtingen niet hebben kunnen nakomen; dat niet blijkt dat de niet naleving van voormeld vormvoorschrift aan de verzoekende partijen met betrekking tot het hun in eigendom toebehorende pand enig nadeel heeft toegebracht; dat de omstandigheid dat zij een klacht met burgerlijke partijstelling hebben ingediend, die niet nodig zou zijn geweest indien de betekening wel correct was geschied, aan voormelde vaststellingen geen afbreuk doet; dat zij geen belang hebben bij het middel; dat het niet ontvankelijk is; 5.2.2.
- Overwegende dat de verzoekende partijen in een tweede middel aanvoeren dat het bestreden besluit nietig is wegen niet-motivering, minstens wegens laattijdigheid; dat zij in een eerste onderdeel van het middel aanvoeren dat het bestreden besluit niet verwijst naar het verlengingsbesluit en er dus ook niet op is gesteund, zodat het manifest laattijdig is; dat zij in een tweede onderdeel laten gelden dat zelfs met verrekening van het verlengingsbesluit het bestreden besluit laattijdig is, aangezien de betekening ervan niet binnen de geldigheidsduur van het verlengingsbesluit is geschied; 5.2.2.
- Overwegende dat in de aanhef van het besluit houdende bescherming van o.m. verzoekers’ pand als monument wordt verwezen naar het ministerieel besluit van 15 mei 1995 houdende vaststelling van het ontwerp van lijst van voor bescherming vatbare monumenten, stads- en dorpsgezichten; dat het niet vermelden van het verlengingsbesluit, dat er een accessorium van vormt, de wettigheid van eerstgenoemd besluit niet aantast; dat uit de gegevens van de zaak overigens blijkt dat het verlengingsbesluit aan de verzoekende partijen werd betekend, hetgeen overigens door hen niet wordt betwist, zodat zij er afdoende van op de hoogte waren; Overwegende voorts dat de verwerende partij terecht erop wijst dat het besluit houdende bescherming van o.m. verzoekers’ pand is genomen tijdens de in artikel 5, § 7, van het decreet van 3 maart 1976 tot bescherming van monumenten en stads- en dorpsgezichten bepaalde termijn, zodat is voldaan aan het in artikel 7, laatste zin, van hetzelfde decreet bepaalde; dat geen bepaling vereist dat ook de betekening van dat besluit aan de betrokken eigenaars binnen die termijn geschiedt; dat de middel niet gegrond is; X-7982-20/23 5.2.3.
- Overwegende dat de verzoekende partijen in een derde middel aanvoeren dat het bestreden besluit niet gemotiveerd is, dat er in het besluit enkel wordt verwezen naar een advies van de Koninklijke Commissie van 6 maart 1997, dat dit advies evenwel niet wordt weergegeven in het bestreden besluit, en dat het evenmin aan hen werd mede betekend, zodat zij nooit in de mogelijkheid zijn geweest dit advies te kennen; 5.2.3.
- Overwegende dat het bestreden besluit met betrekking tot het pand, eigendom van de verzoekende partijen, o.m. stelt wat volgt: “Artikel
- Wordt beschermd, overeenkomstig de bepalingen van het decreet van 3 maart 1976, gewijzigd bij decreet van 22 februari 1995: Wegens zijn historische waarde: - als monument: Sint-Truiden, Hamelstraat 21; bekend ten kadaster: Sint-Truiden, 1e afdeling, sectie H, perceel nummer 326F; omwille van het algemeen belang gevormd door de historische, in casu architectuurhistorische waarde als 16de eeuws diephuis in stijl- en regelwerk gecombineerd met een classicistisch breedhuis uit de tweede helft van de 18e eeuw. De tuin dient beschermd als monument omwille van het algemeen belang gevormd door de historische waarde als integrerend bestanddeel van de woning”; Overwegende dat voormelde motivering op zich volstaat om te voldoen aan de opgelegde motiveringsverplichting zoals vereist door de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen; dat, hoewel in de aanhef van het bestreden besluit wordt verwezen naar het vereiste advies van de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen van 6 maart 1997, de inhoud van dit advies niet integraal dient te worden overgenomen in het besluit houdende bescherming als monument; dat het evenmin aan de eigenaars van het beschermde pand dient te worden betekend; dat het middel niet gegrond is; 5.2.4.
- Overwegende dat de verzoekende partijen in een vierde middel aanvoeren dat het bestreden besluit onduidelijk is, dat artikel 2 handelt over “mogelijk op te leggen erfdienstbaarheden”, met name deze vervat in het besluit van de Vlaamse regering van 17 november 1993 tot bepaling van de algemene voor- schriften inzake instandhouding en onderhoud van de monumenten en de stads- en dorpsgezichten, dat het onduidelijk is of de in dat besluit aangehaalde erfdienst- baarheden al dan niet van toepassing zijn; X-7982-21/23 5.2.4.
- Overwegende dat het besluit van de Vlaamse regering van 17 november 1993 tot bepaling van de algemene voorschriften inzake instand- houding en onderhoud van de monumenten en de stads- en dorpsgezichten geen erfdienstbaarheid bevatten maar een geheel van onderhouds- en instandhoudings- verplichtingen; dat artikel 1 van dit besluit, met als rechtsgrond artikel 5, § 5, en artikel 11, § 2, van het decreet van 3 maart 1976 tot bescherming van monumenten en stads- en dorpsgezichten, bepaalt dat dit besluit van toepassing is op o.m. de monumenten en de stads- en dorpsgezichten die met toepassing van het decreet van 3 maart 1976 tot bescherming van monumenten en stads- en dorpsgezichten definitief beschermd zijn, en dat de voorschriften van dit besluit slechts van toepassing zijn voor zover zij niet afwijken van de specifieke voorschriften bepaald in het definitieve beschermingsbesluit; dat dit besluit aldus verplichtingen oplegt die gelden voor alle beschermde monumenten, zelfs indien deze niet uitdrukkelijk in het beschermingsbesluit zelf zijn vermeld; dat de verzoekende partijen derhalve geen belang hebben bij het middel; dat het niet ontvankelijk is, BESLUIT: Artikel
- De zaken A. 68.274/X-7982, A. 74.021/X-7983 en A. 76.453/X-7879 worden gevoegd. Artikel
- De beroepen worden verworpen. Artikel
- De bij arrest nr. 74.710 bevolen schorsing van de tenuitvoer- legging van het besluit van 10 juli 1997 van de Vlaamse minister van Cultuur, Gezin en Welzijn, houdende bescherming van een bebouwd onroerend goed met tuin als monument aan de Hamelstraat 21 te Sint-Truiden, wordt opgeheven. X-7982-22/23 Artikel
- De kosten van de vordering tot schorsing in de zaak A. 76.453/X-7879, bepaald op 347,06 euro, komen ten laste van de verzoekende partijen, ieder voor de helft. De kosten van de beroepen, bepaald op 743,70 euro, komen ten laste van de verzoekende partijen, ieder voor de helft. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op veertien augustus 2007, door de Xe kamer, die was samengesteld uit : de HH. J. BOVIN, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, D. MOONS, staatsraad, C. ADAMS, staatsraad, Mevr. A. TRUYENS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. TRUYENS. J. BOVIN. X-7982-23/23 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.173.990 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div