← België

Arrest 174000 - Penitentiair recht - 17/08/2007

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 17 augustus 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.174.000 Rolnummer: A. 182414/IX-5624 Zaak: Arrest 174000 - Penitentiair recht - 17/08/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-08-30 Raadplegingen: 53 - laatst gezien 2026-06-29 23:54 Fiche Arrest nr 174.000 van 17 augustus 2007 Justitie - Penitentiair recht Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 174.000 van 17 augustus 2007 in de zaak A. 182.414/IX-

  1. In zake : Robert VANHAEVERBEKE, die woonplaats kiest bij advocaat V. VEREECKE, kantoor houdende te BRUGGE-ASSEBROEK, Baron Ruzettelaan 178 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Justitie, die woonplaats kiest bij advocaat B. DERVEAUX, kantoor houdende te KORTENBERG, Veldstraat
  2. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE VOORZITTER VAN DE IXe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Robert VANHAEVERBEKE op 12 april 2007 heeft ingediend om de schorsing te vorderen van de tenuitvoerlegging van de beslissing van 1 april 2007 van de directeur van het Penitentiair Complex te Brugge tot het opleggen van een tuchtsanctie aan verzoeker; Gezien het gelijktijdig ingediende verzoekschrift, waarbij dezelfde verzoekende partij de vernietiging vordert van dezelfde beslissing; Gelet op de beschikking van 19 april 2007 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd W. VAN NOTEN; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; IX-5624-1/7 Gelet op de beschikking van 4 juni 2007 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 25 juni 2007; Gehoord het verslag van kamervoorzitter P. LEMMENS; Gehoord de opmerkingen van advocaat I. OGER die, loco advocaat V. VEREECKE verschijnt voor de verzoeker, en van advocaat B. DERVEAUX die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelings- hoofd W. VAN NOTEN; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, OVERWEEGT WAT VOLGT :
  3. De verzoeker verblijft in de gevangenis te Brugge. Op 29 maart 2007 te 9.45 uur zijn bij een celcontrole een spuit en twee injectienaalden gevonden. Daarover werd onmiddellijk een rapport aan de directeur opgesteld. Bij beslissing van dezelfde dag legde de directeur een voorlopige maatregel op, bestaande in een plaatsing op veiligheidscel. Deze maatregel ging in te 10.15 uur. Op 30 maart 2007 werd aan de verzoeker meegedeeld dat tegen hem een tuchtprocedure werd opgestart. De verzoeker en zijn raadsman werden opgeroepen voor een tuchtzitting op 31 maart 2007, te 10.15 uur. Vóór de zitting had de verzoeker een kort gesprek met zijn raadsman. Die raadsman was overigens ook opgeroepen voor een andere tuchtzit- ting, welke zou beginnen te 10 uur, maar die in feite pas te 10.15 uur begonnen is. De zitting in de zaak van de verzoeker heeft daardoor pas te 10.40 uur een aanvang genomen. Ter zitting is door de verzoeker opgemerkt dat de tuchtzitting meer dan 48 uren na de plaatsing op strafcel van start is gegaan, in strijd met de ministeriële omzendbrief nr. 1777 van 2 mei 2005 betreffende de tuchtprocedure tegen een gedetineerde. IX-5624-2/7 Op 1 april 2007 neemt de directeur van de gevangenis de bestreden beslissing. In verband met de regelmatigheid van de procedure overweegt de directeur het volgende : “De advocaat stelt dat het horen van de gedetineerde buiten de gestelde termijn van 48 u na het nemen van een voorlopige maatregel valt. Het is duidelijk dat de omzendbrief met het stellen van de 48 u wil dat de hoorzitting binnen een redelijke termijn zou gebeuren na het nemen van een voorlopige maatregel. De directie heeft zeker de intentie gehad om die 48 u te respecteren aangezien die dag twee zaken voor dezelfde advocaat hier inzake waren opgeroepen, met name om 10 u een zaak en om 10.15 u de zaak van betrokke- ne. De advocaat heeft de gelegenheid gehad om zich vooraf te onderhouden met elk van zijn cliënten, wat ook tijd in beslag nam. Dat de hoorzitting aldus 25 minuten later dan de gestelde 48 u begon, is aldus niet enkel te wijten aan het uitlopen van de behandeling van de eerste zaak. Daarenboven staat in de omzendbrief nergens vermeld dat het overschrijden van de 48 uur -en hier slechts een kwestie van minuten wegens omstandigheden- de nietigheid van de procedure met zich meebrengt. Daarom menen wij dat het opleggen van een tuchtstraf hier primeert, en zeker bij het vinden van een spuit, voorzien van een naald, die binnen de gevangenis beschouwd wordt als een wapen, en dientengevolge een gepaste straf dient opgelegd te worden.” Aan de verzoeker wordt de volgende tuchtsanctie opgelegd : - 3 dagen strafcel, van 29 maart 2007, 10.15 uur, tot 1 april 2007, 10.15 uur; - 1 maand strikt individueel regime, van 1 april 2007 tot 30 april 2007, met glasbezoek en behoud van het recht op telefoon naar advocaat en federale ombudsman; - overplaatsing naar een gesloten sectie voor de duur van 2 maanden, van 1 april 2007 tot 31 mei
  4. Nog voordat de voorliggende vordering bij de Raad van State was ingesteld, heeft de verzoeker een vordering in kort geding ingesteld bij de Voorzitter van de Rechtbank van eerste aanleg te Brugge, strekkende tot het verkrijgen van een bevel om hem terug te plaatsen in het open regime, met alle daaraan verbonden gunsten, zoals dit bestond vóór het opleggen van de voorlopige maatregel van 29 maart
  5. Die vordering was gesteund op dezelfde grieven als die welke thans voor de Raad van State worden aangevoerd. Bij beschikking van 2 mei 2007 heeft de voorzitter de vordering ongegrond verklaard. IX-5624-3/7
  6. Overeenkomstig artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan slechts tot de schorsing van de tenuitvoerlegging worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen. 4.
  7. De verzoeker roept een enig middel in, afgeleid uit de schending van artikel 6 van het Europees Verdrag over de rechten van de mens, de rechten van verdediging in administratieve tuchtzaken, de ministeriële omzendbrief nr. 1777 van 2 mei 2005 betreffende de tuchtprocedure tegen een gedetineerde, de materiële motiveringsplicht als algemeen rechtsbeginsel, en het algemeen beginsel van machtsoverschrijding. In essentie voert de verzoeker aan dat, nadat bij hem een spuit en injectienaalden werden aangetroffen, hem een voorlopige maaregel is opgelegd, waarvan de uitvoering een aanvang nam op 29 maart 2007 te 10.15 uur. Volgens de genoemde omzendbrief nr. 1777 van 2 mei 2005 vergt het uitzonderlijk karakter van een voorlopige maatregel dat de van toepassing zijnde termijnen worden ingekort, zodat de gedetineerde onder meer gehoord dient te worden “binnen 48 uur volgend op het nemen van de voorlopige maatregel”. In het geval van de verzoeker is beslist om hem pas te horen op 1 april 2007 (lees : 31 maart 2007) te 10.15 uur, dit is meer dan 48 uur nadat de voorlopige maatregel is genomen, gelet op het feit dat de beslissing tot plaatsing per definitie is genomen vóór de aanvang van de uitvoering ervan. Bovendien heeft de hoorzitting in werkelijkheid slechts een aanvang genomen te 10.40 uur. Dat de zitting later begonnen is, kan niet aan de verzoeker verweten worden. Zijn raadsman was reeds te 9.40 uur in de gevangenis, maar heeft moeten wachten op een eerste gedetineerde en op het begin van de tuchtzitting met die gedetineerde. Na afloop van die eerste tuchtzitting diende de raadsman van de verzoeker nog vijf minuten met de verzoeker te wachten, tot beiden te 10.40 uur werden binnengeleid in het tuchtlokaal. De vertraging is niet te wijten aan het overleg tussen de raadsman van de verzoeker en zijn eerste cliënt, noch aan het overleg tussen die raadsman en de verzoeker, aangezien het overleg met beide gedetineerden reeds voordien had plaatsgevonden en geen nieuw overleg meer gevraagd was. De vertraging is enkel te wijten aan de slordigheid en de gebrekkige organisatie van de penitentiaire overheid. Een gedetineerde die het voorwerp is van een tuchtprocedure geniet op grond van artikel 6 van het Europees Verdrag over de rechten van de mens en het algemeen beginsel inzake het recht van verdediging een aantal procedurele waarborgen. Die waar-borgen worden uitgewerkt in de IX-5624-4/7 ministeriële omzendbrief nr. 1777 van 2 mei 2005, waarvan de regels bindend zijn voor de gevangenisdirecteurs. Punt B, 5, van die omzendbrief bepaalt dat de hoorzitting moet plaatsvinden binnen 48 uren volgend op het nemen van een voorlopige maatregel. De ratio legis van die bepaling is dat de hoorzitting zo vlug mogelijk plaatsvindt, om de voorlopige maatregel zo kort mogelijk te houden, aangezien de gedetineerde op dat ogenblik misschien ten onrechte in de veiligheids- cel verblijft. Door te aanvaarden dat een beperkte overschrijding van de termijn van 48 uur niet gesanctioneerd wordt, zou de bedoelde procedurele waarborg volledig uitgehold worden. Door de termijn uit te drukken in uren in plaats van in dagen, benadrukt de omzendbrief juist de strikte toepassing ervan. De conclusie is dan ook “dat een gedetineerde na opleggen van een voorlopige maatregel zo spoedig mogelijk dient gehoord te worden, uiterlijk binnen de

(48)uur na beslissing tot voorlopige maatregel, en dat bij miskenning van deze procedurele regel niet langer wettig een tuchtsanctie kan worden opgelegd”. 4.
  1. De verwerende partij antwoordt hierop onder meer dat de termijn van 48 uur, bedoeld in de ministeriële omzendbrief nr. 1777, een loutere termijn van orde is, zodat de overschrijding ervan geen enkele invloed heeft op de regelmatig- heid van de tuchtprocedure. Voorts is de bestreden beslissing genomen binnen een redelijke termijn, in de zin van artikel 6 van het Europees Verdrag over de rechten van de mens, en zijn de rechten van de verdediging niet met de voeten getreden. Indien aangenomen zou worden dat de termijn van 48 uur een imperatieve termijn is, moet in elk geval vastgesteld worden dat die termijn slechts betrekking heeft op de voorlopige maatregel, niet op de ontvankelijkheid van de erop volgende tuchtvordering. 4.
  2. Het is juist dat punt B, 5, van de ministeriële omzendbrief nr. 1777 van 2 mei 2005 betreffende de tuchtprocedure tegen een gedetineerde bepaalt dat het uitzonderlijk karakter van een voorlopige maatregel een verkorting van de van toepassing zijnde termijnen verantwoordt, waardoor de gedetineerde met name “gehoord (dient) te worden binnen 48 uur volgend op het nemen van de voorlopige maatregel”. Die termijn is korter dan de gewone termijn van zeven dagen na ontvangst van het rapport aan de directeur, bepaald in punt A, 3, van de omzend- brief. Aldus wordt de directie van de gevangenis ertoe aangezet om, in het geval dat een voorlopige maatregel is opgelegd, spoed te zetten achter de tuchtprocedure. IX-5624-5/7 Daargelaten de vraag in hoeverre een gedetineerde zich op een schending van de bepalingen van de omzendbrief kan beroepen tot staving van een beroep tot vernietiging of een vordering tot schorsing, dient vastgesteld te worden dat noch de omzendbrief, noch enige andere tekst met een verordenend karakter voorziet in een sanctie op de overschrijding van de in punt B, 5, bedoelde termijn. Het overschrijden van de termijn van 48 uur met 25 minuten tast dan ook op zichzelf de regelmatigheid van de tuchtprocedure niet aan. De verzoeker voert voorts niet aan, en de Raad van State ziet ook niet in, dat het overschrijden van de termijn te dezen het gevolg zou zijn van willekeur vanwege de penitentiaire overheid bij de uitoefening van haar tuchtrechtelijke bevoegdheid. Het blijkt integendeel de bedoeling geweest te zijn om de tuchtzitting binnen 48 uur na het ingaan van de voorlopige maatregel te laten aanvangen, en de vertraging blijkt enkel het gevolg te zijn geweest van organisatorische moeilijkheden. In zoverre de verzoeker ten slotte de schending inroept van artikel 6 van het Europees Verdrag over de rechten van de mens en van het algemeen beginsel betreffende het recht van verdediging in tuchtzaken, voert hij geen afzonderlijke grieven aan. Met de Voorzitter van de Rechtbank van eerste aanleg te Brugge moet dan ook besloten worden dat niet aannemelijk gemaakt wordt dat de bestreden beslissing onwettig is. Het middel is niet ernstig.
  3. Er is bijgevolg niet voldaan aan één van de bij artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State opgelegde voorwaarden om de schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing bij uiterst dringende noodzakelijkheid te kunnen bevelen. Die vaststelling volstaat om de vordering af te wijzen. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
  4. De vordering tot schorsing wordt verworpen. IX-5624-6/7 Artikel
  5. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten wordt uitgesteld. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op 17 augustus 2007, door : de H. P. LEMMENS, kamervoorzitter, Mevr. V. WAUTERS, griffier. De griffier, De voorzitter, V. WAUTERS. P. LEMMENS. IX-5624-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.174.000 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.181.145 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.