id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 21 augustus 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.174.025 Rolnummer: Zaak: Arrest 174025 - Federale reglementen (fiscaliteit) - 21/08/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-08-31 Raadplegingen: 56 - laatst gezien 2026-06-29 23:55 Fiche Arrest nr 174.025 van 21 augustus 2007 Fiscaliteit - Federale reglementen (fiscaliteit) Beslissing : Bevolen Samenvoeging Inwilliging tussenkomst bekendmaking Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 174.025 van 21 augustus 2007 in de zaken A. 181.990/IX-5613 A. 181.991/IX-
- In zake : Peter DEFREYNE, die woonplaats kiest op zijn kantoor te IZEGEM, Papestraat 9 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Middenstand en Landbouw, die woonplaats kiest bij advocaat J.-F. DE BOCK, kantoor houdende te BRUSSEL, Tasson-Snelstraat
- tussenkomende partij (in de zaak A. 181.991/IX-5614): Arn CALEWAERT, die woonplaats kiest bij advocaat A. COOLSAET, kantoor houdende te ANTWERPEN, Arthur Goemaerelei
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE VOORZITTER VAN DE IXe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Peter DEFREYNE op 26 maart 2007 heeft ingediend om de schorsing te vorderen van de tenuitvoerlegging van : “
- Het Ministerieel Besluit van 05.03.2007 van de Minister van Middenstand en Landbouw, tot benoeming van een rechtskundig assessor bij de Nederlandstalige uitvoerende Kamer van het Beroepsinstituut van erkende boekhouders en fiscalisten (Belgisch Staatsblad van 09.03.2007),
- De niet-benoeming van dezelfde datum door de Minister van Middenstand en Landbouw, van (...) verzoeker tot rechtskundig assessor bij de Nederlandstalige uitvoerende Kamer van het Beroepsinstituut van erkende boekhouders en fiscalisten” (zaak A. 181.991/IX-5614)”; Gezien het verzoekschrift dat Peter DEFREYNE op 26 maart 2007 heeft ingediend om de schorsing te vorderen van de tenuitvoerlegging van “(het) Ministerieel Besluit van 05.03.2007 van de Minister van Middenstand en IX-5613-5614-1/25 Landbouw, tot benoeming van een plaatsvervangend rechtskundig assessor bij de Nederlandstalige uitvoerende Kamer van het Beroepsinstituut van erkende boekhouders en fiscalisten (Belgisch Staatsblad van 16.03.2007)” (zaak A. 181.990/IX-5613); Gezien de gelijktijdig ingediende verzoekschriften, waarbij dezelfde verzoekende partij de vernietiging vordert van dezelfde beslissingen; Gezien de nota’s van de verwerende partij in de twee zaken; Gezien de verslagen opgemaakt door eerste auditeur- afdelingshoofd W. VAN NOTEN; Gelet op de kennisgeving van de verslagen aan partijen; Gelet op de beschikkingen van 8 juni 2007 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 28 juni 2007; Gehoord het verslag van kamervoorzitter P. LEMMENS; Gehoord de opmerkingen van advocaat S. RONSE, die verschijnt voor de verzoeker, van advocaat J.-F. DE BOCK, die verschijnt voor de verwerende partij, en van advocaat A. COOLSAET, die verschijnt voor de tussenkomende partij in de zaak A. 181.991/IX-5614; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur- afdelingshoofd W. VAN NOTEN; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, IX-5613-5614-2/25 OVERWEEGT WAT VOLGT : Rechtspleging
- De vorderingen in de zaken A. 181.990/IX-5613 en A. 181.991/IX-5614 zijn gericht tegen besluiten van dezelfde dag waarbij respectievelijk een effectief en een plaatsvervangend rechtskundig assessor bij eenzelfde instantie worden benoemd; die twee besluiten zijn genomen na afloop van een procedure die voor de twee benoemingen gemeenschappelijk was; de motieven van de twee bestreden besluiten zijn in grote mate gelijk; ook de door de verzoeker in de twee zaken ingeroepen middelen zijn in essentie gelijk. Er kan dan ook aangenomen worden dat de twee vorderingen samenhangend zijn. Bijgevolg worden de zaken in het belang van een goede rechtsbedeling samengevoegd.
- Met een verzoekschrift van 7 mei 2007 vraagt Arn CALEWAERT om in het administratief kort geding in de zaak A. 181.991/IX-5614 te mogen tussenkomen. Er is grond om dat verzoek in te willigen. Feiten 3.
- Bij de wet van 22 april 1999 betreffende de boekhoudkundige en fiscale beroepen wordt het Beroepsinstituut voor erkende boekhouders en fiscalisten (hierna “Beroepsinstituut”) opgericht. Het Beroepsinstituut heeft als opdracht toe te zien op de opleiding en de permanente organisatie van een korps van specialisten te verzekeren, die bekwaam zijn de in artikel 49 van de wet bepaalde beroepswerkzaamheden van boekhouder uit te voeren met alle vereiste waarborgen inzake bekwaamheid, onafhankelijkheid en professionele rechtschapenheid. Het Beroepsinstituut ziet er tevens op toe dat de aan zijn leden toevertrouwde opdrachten behoorlijk worden uitgevoerd (artikel 44). Artikel 45, eerste lid, van de wet van 22 april 1999 bepaalt dat de organisatie en de werking van het Beroepsinstituut worden geregeld door de artikelen 6, §§ 2 tot 4, 7, 8, 9 en 14 van de kaderwet van 1 maart 1976 tot IX-5613-5614-3/25 reglementering van de bescherming van de beroepstitel en van de uitoefening van de dienstverlenende intellectuele beroepen en door de bepalingen van het koninklijk besluit van 27 november 1985 tot bepaling van de regels inzake de organisatie en de werking van de beroepsinstituten die voor de dienstverlenende intellectuele beroepen zijn opgericht. 3.
- Luidens artikel 6, § 3, eerste lid, van de kaderwet van 1 maart 1976 tot reglementering van de bescherming van de beroepstitel en van de uitoefening van de dienstverlenende intellectuele beroepen omvat het Beroepsinstituut een Nationale Raad, samengesteld uit een gelijk aantal Nederlandstalige en Franstalige leden, alsook twee uitvoerende kamers en twee kamers van beroep, die respectievelijk het Frans en het Nederlands als voertaal hebben. Artikel 8, § 1, van de kaderwet van 1 maart 1976 omschrijft de taak van de Kamers als volgt : “1° het tableau van de beoefenaars, de lijst van de stagiairs en het tableau van de personen die de titel van het beroep eershalve mogen voeren, op te maken en bij te houden; 2° de occasionele uitoefening van het beroep door in het buitenland gevestigde personen toe te laten overeenkomstig de bepalingen van het Verdrag van Rome en van de ter uitvoering van dit verdrag genomen verordeningen of op grond van een wederkerigheidsverdrag en zulks voor zover de betrokkene voldoet aan de voorwaarden tot uitoefening van het beroep die van kracht is in het land waar hij zijn hoofdverblijf heeft; zij die de toelating hebben bekomen moeten zich schikken naar de deontologische regels vermeld in artikel 7, § 1; 3° te waken over de toepassing van het stagereglement en de voorschriften van de plichtenleer en uitspraak in tuchtzaken te doen ten opzichte van de beoefenaars, de stagiairs en de personen die gemachtigd zijn het beroep occasioneel uit te oefenen; 4° op gezamenlijk verzoek van de betrokkenen, in laatste aanleg arbitraal uitspraak te doen omtrent betwistingen inzake honoraria die door een beoefenaar van een dienstverlenend beroep aan zijn cliënt worden gevraagd, en op verzoek van de hoven en rechtbanken of in geval van geschil tussen op het tableau of op de lijst van de stagiairs ingeschreven personen, advies uit te brengen over de berekening van de honoraria”. Artikel 8, § 4, van de kaderwet van 1 maart 1976 bepaalt dat de uitvoerende kamers worden bijgestaan door een rechtskundig assessor of een plaatsvervangend rechtskundig assessor, die door de minister van Middenstand voor zes jaar worden benoemd onder de advocaten die zijn ingeschreven op een tableau van de Orde. IX-5613-5614-4/25 3.
- De artikelen 49 en 50 van het koninklijk besluit van 27 november 1985 tot bepaling van de regels inzake de organisatie en de werking van de beroepsinstituten die voor de dienstverlenende intellectuele beroepen zijn opgericht, vervangen bij koninklijk besluit van 19 november 2004, omschrijven de opdracht van de rechtskundig assessor in verband met de tuchtprocedure en de procedure inzake erelonen. Die bepalingen luiden als volgt: “Art.
- De rechtskundige assessor, ingelicht over een tekortkoming of bij wie een tuchtklacht aanhangig is gemaakt betreffende een persoon ingeschreven op het tableau of op de lijst van stagiairs of betreffende diegene die toestemming heeft gekregen om het beroep occasioneel uit te oefenen, of aan wie een geschil inzake erelonen wordt voorgelegd, schrijft de zaak in onder een volgnummer in een daartoe aangelegd register. Hij kan een werkend of plaatsvervangend lid van de Uitvoerende Kamer aanwijzen om de zaak te onderzoeken en hem dienaangaande verslag uit te brengen. Het staat hem vrij een termijn vast te stellen binnen dewelke dit verslag moet worden voorgelegd. Nadat de rechtskundige assessor de informatie die hij noodzakelijk acht heeft ontvangen of zich heeft laten bezorgen, oordeelt hij, over de opportuniteit van de tuchtrechtelijke vervolging. Hij kan de zaak verwijzen naar de Uitvoerende Kamer indien hij van oordeel is dat de feiten een deontologische inbreuk inhouden en zwaarwichtig genoeg zijn. In het tegengestelde geval klasseert hij het dossier zonder gevolg. Art.
- §
- De rechtskundige assessor belast onder zijn controle de secretaris om de belanghebbende persoon op te roepen. §
- De oproeping tot verschijning omvat de uiteenzetting van de ten laste gelegde feiten en de plaats, dag en uur van de zitting. De oproeping tot verschijning wordt gericht aan de betrokken persoon, bij ter post aangetekende brief verstuurd, ten minste dertig dagen vóór de datum van de vergadering. Tijdens die termijn moet het tuchtdossier ter beschikking van de betrokkene worden gelaten, op de openingsdagen en -uren van het secretariaat van de Uitvoerende Kamer. De klagende partijen worden ingelicht over de zittingsdatum. §
- De opgeroepen personen kunnen zich laten vertegenwoor-digen of bijstaan door een advocaat of door één of meer leden van het Instituut die voldoen aan de voorwaarden om voor de Kamers te worden verkozen; wanneer zij niet vertegenwoordigd worden door een advocaat, dient het mandaat schriftelijk te zijn. De Kamer kan de persoonlijke verschijning bevelen. §
- De zittingen van de Kamer zijn openbaar, behoudens in de gevallen zoals voorzien door artikel 148 van de Grondwet en artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, of wanneer de opgeroepen persoon, geheel vrijwillig en ondubbelzinnig, afstand doet van de openbaarheid van de debatten. §
- De rechtskundige assessor wordt gehoord; de Kamer kan eveneens de verslaggever, getuigen en de klagende partijen horen. De rechtskundige assessor en de verslaggever kunnen niet deelnemen aan de beraadslagingen.” IX-5613-5614-5/25
- De verzoeker is sinds 1991 ingeschreven op het tableau van de Orde van advocaten bij de balie te Kortrijk. Bij ministerieel besluit van 13 april 1994 werd hij met ingang van 1 april 1994 voor een periode van zes jaar benoemd tot plaatsvervangend rechtskundig assessor bij de Nederlandstalige Uitvoerende Kamer. Bij ministerieel besluit van 24 maart 2000 werd hij met ingang van 1 april 2000 voor een periode van zes jaar benoemd tot effectief rechtskundig assessor bij de Nederlandstalige Uitvoerende Kamer. 5.
- Bij brief van 10 februari 2006 dient de verzoeker bij het Beroepsinstituut zijn kandidatuur in voor een verlenging van zijn mandaat. Ook Arn CALEWAERT en P.S. dienen op die manier hun kandidatuur in. Op 15 februari 2006 richt het Beroepsinstituut een schrijven naar de Minister van Middenstand en Landbouw waarbij wordt gevraagd te voorzien in de benoeming van een effectief en een plaatsvervangend rechtskundig assessor bij de Nederlandstalige Uitvoerende Kamer. Er wordt gewezen op het feit dat het mandaat van de uittredende assessor verstrijkt op 31 maart 2006, zodat een spoedige benoeming van een effectief en een plaatsvervangend assessor absoluut onontbeerlijk is voor de goede werking van de Kamer. Bij het bedoelde schrijven zijn de drie kandidaturen gevoegd. 5.
- In een brief van 3 maart 2006 schrijft de Voorzitter van de Nederlandstalige Uitvoerende Kamer aan de Minister van Middenstand en Landbouw het volgende : “U zult binnenkort overgaan tot de benoeming van een rechtskundig assessor bij de Nederlandstalige Uitvoerende Kamer van het Beroepsinstituut van erkende Boekhouders en Fiscalisten (Legrandlaan Brussel). Als voorzitter van deze Kamer durf ik mij tot uw ambt richten om u te verzoeken dat u voor de goede werking en de continuïteit van de Kamer de kandidatuur van de zittende assessor Mr. Peter Defreyne uit Izegem zou willen weerhouden. Mr. Defreyne oefent het ambt uit sinds hij daartoe werd benoemd bij M.B. van 24 maart
- Hij heeft dus zes jaar ervaring. Bovendien was hij voordien plaatsvervangend assessor en nam hij in die hoedanigheid reeds zeer geregeld de functie waar. Hij heeft een belangrijke ervaring. Mr. Defreyne heeft de laatste zes jaar het ambt van assessor bij de Kamer met energie, nauwgezetheid en rechtschapenheid waargenomen en wordt daarvoor door alle leden van de Kamer bijzonder geapprecieerd. IX-5613-5614-6/25 Hij is intussen ook volledig ingewerkt in de delicate taak die krachtens het K.B. van 19 november 2004 o.m. in tuchtzaken aan de assessor is toevertrouwd. De Kamer wordt thans geconfronteerd met een groot aantal aanvragen tot erkenning van boekhoudvennootschappen ingevolge het K.B. van 15 februari
- De verwachtingen zijn dat er vóór eind september van dit jaar nog een paar duizend aanvragen moeten worden behandeld. Ook hier is de kennis en de ervaring van Mr. Defreyne zeer belangrijk. Op langere termijn lijkt mij de ervaring van de huidige assessor onontbeerlijk in het kader van de geplande fusie tussen ons Instituut en dit van de accountants (IAB), zoals onlangs door u werd aangekondigd”. 5.
- Bij ministerieel besluit van 30 maart 2006 wordt Arn CALEWAERT met ingang van 1 april 2006 voor een periode van zes jaar benoemd tot rechtskundig assessor bij de Nederlandstalige Uitvoerende Kamer van het Beroepsinstituut en wordt Peter VERSTRAETEN voor dezelfde periode benoemd tot plaatsvervangend rechtskundig assessor. Dit besluit is gemotiveerd als volgt: “Overwegende dat de heer Arn CALEWAERT voldoet aan alle wettelijke voorwaarden voor de benoeming tot rechtskundig assessor bij de Nederlandstalige uitvoerende Kamer van het Beroepsinstituut van erkende boekhouders en fiscalisten; (Gelet op) zijn bijkomende vorming in fiscaliteit, alsook zijn beroepservaring in economische materies; Overwegende dat de heer Peter VERSTRAETEN voldoet aan alle wettelijke voorwaarden voor de benoeming tot plaatsvervangend rechtskundig assessor bij de Nederlandstalige uitvoerende Kamer van het Beroepsinstituut van erkende boekhouders en fiscalisten; Overwegende dat hij een bijkomende vorming in economisch recht gevolgd heeft en hij beroepservaring heeft in deze materie.” Op een verzoek van de verzoeker om een afschrift te krijgen van alle relevante bestuursdocumenten, gaat de minister in met een schrijven van 20 april
- Uit de medegedeelde documenten blijkt dat naast de verzoeker, Arn CALEWAERT en P.S., ook Peter VERSTRAETEN een kandidatuur heeft ingediend. 5.
- Bij verzoekschriften van 2 juni 2006 vordert de verzoeker de schorsing en de vernietiging van het genoemde ministerieel besluit van 30 maart
- In een enig middel voert hij de schending aan van de materiële en de formele motiveringsplicht, zoals voorgeschreven door de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen. IX-5613-5614-7/25 Bij arrest nr. 164.237 van 30 oktober 2006 oordeelt de Raad van State dat het beroep kennelijk gegrond is. Het bestreden besluit wordt dan ook vernietigd.
- Op verzoek van de minister bezorgt de Directeur-generaal van de Algemene Directie KMO-beleid haar met een nota van 29 januari 2007 twee gemotiveerde ontwerpen van ministerieel besluit, waarbij Arn CALEWAERT en Peter VERSTRAETEN respectievelijk tot effectief rechtskundig assessor en tot plaatsvervangend rechtskundig assessor worden benoemd. Uit de motieven blijkt dat kandidaturen zijn ingediend door vijf personen: de vier hiervóór reeds genoemde kandidaten en ook K.G. Bij de nota en de ontwerpen van ministerieel besluit is een nota van de administratie van 23 januari 2007 gevoegd, met als opschrift: “Rechtskundig assessor en zijn plaatsvervanger bij een Uitvoerende Kamer BIBF. Takenpakket - benoemingscriteria en aandachtspunten met betrekking tot motivering van de benoeming”. Volgens de directeur-generaal zijn de twee ontwerpen van besluit opgesteld, “rekening houdende met (de bedoelde) aandachtspunten”. Bij ministeriële besluiten van 5 maart 2007 worden Arn CALEWAERT en Peter VERSTRAETEN voor een termijn van zes jaar benoemd respectievelijk tot effectief rechtskundig assessor en tot plaatsvervangend rechtskundig assessor. Deze besluiten vormen het voorwerp van de voorliggende vorderingen. De twee besluiten bevatten een motivering die deels gemeenschappelijk, deels specifiek is. Het deel dat in de twee besluiten voorkomt, luidt als volgt: “Gelet op de wet van 22 april 1999 betreffende de boekhoudkundige en fiscale beroepen, inzonderheid op artikel 43; Gelet op de kaderwet van 1 maart 1976 tot reglementering van de bescherming van de beroepstitel en van de uitoefening van de dienstverlenende intellectuele beroepen, inzonderheid op artikel 8, § 4, gewijzigd bij de wet van 15 juli 1985; Gelet op artikel 49 van het koninklijk besluit van 27 november 1985 tot bepaling van de regels inzake de organisatie en de werking van de beroepsinstituten die voor de dienstverlenende intellectuele beroepen zijn opgericht, zoals gewijzigd bij het koninklijk besluit van 19 november 2004 en waarbij aan de rechtskundig assessor een nieuwe rol werd toebedeeld, te weten de beoordeling van de gevolgen die aan een tuchtklacht moeten gegeven worden; IX-5613-5614-8/25 Gelet op het verstrijken van het mandaat van rechtskundig assessor bij de Nederlandstalige uitvoerende Kamer van het Beroepsinstituut van boekhouders en fiscalisten; Gelet op het arrest nr. 164.237 van de Raad van State d.d. 30 oktober 2006; Gelet op de kandidaturen ingediend door de heren Arn Calewaert, Peter Defreyne, K.G., P.S. en Peter Verstraeten; Gelet op de door de kandidaten aan de minister overgemaakte curriculum vitae (sic); Gelet op de nota van de administratie d.d. 23 januari 2007 met betrekking tot de benoeming van een rechtskundig assessor; Overwegende dat de bevoegdheden van de rechtskundig assessor betrekking hebben op bijstand van de uitvoerende Kamers van het Beroepsinstituut bij administratieve en niet-administratieve taken, alsook inzake tucht; Overwegende dat een specifieke aandacht dient te worden verleend aan de bevoegdheid inzake tucht die bij koninklijk besluit van 19 november 2004 aan de rechtskundig assessor werd toevertrouwd; dat deze bevoegdheid belangrijk is nu de rechtskundig assessor voortaan op autonome wijze moet beslissen of de neergelegde klachten al dan niet moeten verzonden worden naar de uitvoerende Kamers van het Beroepsinstituut voor vervolging; Overwegende dat het tuchtrechterlijk toezicht enerzijds betrekking heeft op de verhouding tussen het beroepsinstituut en haar leden en anderzijds op de relaties tussen de leden beroepsbeoefenaars en hun cliënten, confraters, administraties en overheidsdiensten; Overwegende dat de kandidaten als advocaten vertrouwd moeten zijn met algemene beginselen van de deontologie en zich in principe relatief snel de procedures, geviseerd in artikel 49 van het koninklijk besluit van 27 november 1985 kunnen eigen maken; dat daarentegen de vraag of de leden van het beroepsinstituut zich op een oordeelkundige wijze van hun opdracht hebben gekweten, een specifieke ervaring en kennis vergt; dat deze kwestie het overgrote deel van de tuchtklachten betreft; Overwegende dat boekhouders en boekhouders-fiscalisten diensten aan hun cliënteel leveren die een toepassing zijn van het vigerende handelsrecht, economisch recht, ondernemingsrecht en in het bijzonder vennootschaps-, boekhoudrecht en fiscaal recht; Overwegende dat een specifieke kennis en ervaring in deze materies duidelijk een voordeel uitmaken voor de te begeven functie; Overwegende dat deze kennis en ervaring onontbeerlijk zijn om aan de werking van het beroepsinstituut deel te nemen en om de uitvoerende Kamers optimaal te kunnen bijstaan; dat deze kennis en ervaring ook noodzakelijk zijn nu de bevoegdheid inzake tucht het toezicht inhoudt op de bekwaamheid, de onafhankelijkheid en de professionele rechtschapenheid van de leden, alsmede op de behoorlijke uitvoering van de aan hen toevertrouwde taken; Overwegende dat alle kandidaten ingeschreven zijn op het tableau van de advocaten en dus voldoen aan de wettelijke benoemingsvoorwaarde; Gelet op de rangschikking van de kandidaten in functie van de geschiktheid voor het te begeven mandaat op basis van een vergelijking van de in hun curriculum vitae vermelde titels en verdiensten”. In het besluit waarbij Arn CALEWAERT tot effectief assessor wordt benoemd, volgt daarop de volgende specifieke motivering: “Overwegende dat de heer Arn Calewaert, advocaat aan de balie van Antwerpen, als eerste werd gerangschikt; IX-5613-5614-9/25 Overwegende dat uit zijn curriculum vitae zijn ruime praktijkervaring o.a. als curator, vereffenaar aangesteld door de Rechtbank van Koophandel, docent vennootschapsbelasting; alsook zijn beroepservaring in ondernemingsrecht in de ruimste zin van het woord onbetwistbaar tot uiting kwam, hetgeen juist van doorslaggevend belang is voor de nieuwe taakvervulling van de rechtskundig assessor; Overwegende dat hij daarenboven een bijkomende en grondige vorming en diploma's heeft in fiscaliteit; dat hij bovendien meerdere artikels met betrekking tot deze materies heeft gepubliceerd in gezaghebbende tijdschriften en handboeken; Overwegende dat deze kwalificaties juist van doorslaggevend belang zijn voor de nieuwe taakvervulling van de rechtskundig assessor.” Het besluit waarbij Peter VERSTRAETEN tot plaatsvervangend assessor wordt benoemd, bevat de volgende specifieke motivering: “Overwegende dat de heer Peter Verstraeten, advocaat aan de balie van Antwerpen, als tweede werd gerangschikt; Overwegende dat uit zijn curriculum vitae zijn specifieke voorkeur voor handelsrecht, ondernemingen in moeilijkheden, faillissementsrecht en het recht betreffende het gerechtelijk akkoord en gerechtelijk recht duidelijk naar voren kwam en hij beroepservaring heeft in deze materies o.a. als curator en als arbiter bij de Arbitragekamer, dat hij bovendien een bijkomende vorming gevolgd heeft in het economisch recht en dat hij reeds studiedagen en seminaries heeft geanimeerd betreffende deze materies; Overwegende dat deze kwalificaties juist van doorslaggevend belang zijn voor de nieuwe taakvervulling van de rechtskundig assessor.” Het eerste besluit wordt bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 9 maart 2007, het tweede in dat van 16 maart
- Ontvankelijkheid van de vorderingen 7.
- De tussenkomende partij in de zaak A. 181.991/IX-5614 werpt een exceptie van onontvankelijkheid van de vordering op, in zoverre deze gericht is tegen de niet-benoeming van de verzoeker. Volgens de tussenkomende partij toont de verzoeker niet aan dat de minister te dezen een gebonden bevoegdheid uitoefende, noch dat er een rechtsplicht zou bestaan in hoofde van de verwerende partij om de verzoeker te benoemen in de plaats van één van de andere kandidaten. De niet-benoeming is dan ook niet voor schorsing vatbaar. 7.2.
- De weigering om de verzoeker tot rechtskundig assessor te benoemen blijkt uit de benoeming van Arn CALEWAERT tot effectief rechtskundig assessor en van Peter VERSTRAETEN tot plaatsvervangend rechtskundig assessor, IX-5613-5614-10/25 maar valt er niet mee samen. Het gaat om verschillende beslissingen, de eerstgenoemde impliciet, de laatstgenoemde expliciet. Ook impliciete beslissingen zijn voor nietigverklaring vatbaar, en kunnen dus ook geschorst worden. Het kan voorts voor een verzoekende partij nut hebben om, met de vernietiging van een benoeming, tevens de nietigverklaring te vragen van de weigering haar te benoemen. Ter uitvoering van de beslissing tot inwilliging van zulke bijkomende vordering zullen immers maatregelen van rechtsherstel vereist zijn die specifiek op de rechtssituatie van de verzoekende partij betrekking hebben, hetgeen niet noodzakelijk het geval zou zijn indien alleen de nietigverklaring van de benoeming werd gevraagd en uitgesproken. Een verzoekende partij kan aldus belang hebben bij de vernietiging van een impliciete weigering om haar te benoemen wanneer zij kan aantonen dat het bestuur verplicht is om haar te benoemen. Anders dan de tussenkomende partij in de zaak A. 181.991/IX-5614 lijkt aan te nemen, is dit echter niet het enige geval waarin het bestaan van een dergelijk belang kan worden aangenomen. Zoals de Raad van State heeft uiteengezet in zijn arrest nr. 154.151, Haenen, van 26 januari 2006, kan een verzoekende partij ook belang hebben bij een vernietiging van de impliciete weigering om haar te benoemen wanneer het beroep steunt op middelen waarin de schending wordt aangevoerd van een andere verplichting die de benoemende overheid speciaal tegenover haar heeft. Dit is bijvoorbeeld het geval wanneer het beroep steunt op een dwaling in de motieven betreffende de verdiensten van -bepaaldelijk- de voorbijgegane verzoekende partij. Als de impliciete weigering op die grond vernietigd wordt, heeft de verzoekende partij immers de waarborg dat de waardering van haar verdiensten geen tweede maal foutief zal gebeuren. Om de hiervóór gegeven redenen kan een verzoekende partij ook belang hebben bij een vordering tot schorsing van een impliciete weigering om haar te benoemen, als zij kan aannemelijk kan maken dat de benoemende overheid een of andere verplichting heeft miskend die zij speciaal tegenover de verzoekende partij heeft. 7.2.
- Het voorgaande leidt tot de vaststelling dat de vraag of de exceptie gegrond is, getoetst moet worden aan de aard van elk van de aangevoerde gronden IX-5613-5614-11/25 tot schorsing van de bestreden beslissing. De beoordeling van de exceptie is met andere woorden verbonden met de beoordeling van de ernst van de middelen. Gegrondheid van de vorderingen
- Overeenkomstig artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan tot de schorsing van de tenuitvoerlegging worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen. 9.
- De verzoeker voert in elk van de zaken een tweede middel aan, afgeleid uit de schending van de materiële en de formele motiveringsverplichting. 9.1.
- Inleidend betoogt de verzoeker dat de motiveringsplicht te dezen streng beoordeeld dient te worden. Hij voert daarvoor, samengevat, de volgende argumenten aan: - De bestreden besluiten wijken af van het gemotiveerd advies van de Voorzitter van de Nederlandstalige Uitvoerende Kamer. Er ligt geen enkel advies voor om de verzoeker niet te herbenoemen of een ander advocaat te benoemen tot rechtskundig assessor. In casu blijkt niet waarom de benoemende overheid is afgeweken van het uitdrukkelijk, zij het niet-bindend, advies van de Voorzitter van de Nederlandstalige Uitvoerende Kamer. - Aangezien de vacature voor de functie van rechtskundig assessor bij de uitvoerende kamer niet officieel wordt bekendgemaakt en de minister over een bijzonder ruime discretionaire bevoegdheid beschikt, moet de motiveringsplicht zeer streng worden opgevat. - De kandidatuur van de verzoeker werd uitdrukkelijk gesteund door het Beroepsinstituut, dat in de voorbije twaalf jaar heeft kunnen vaststellen hoe de verzoeker effectief gefunctioneerd heeft. - Door de verzoeker niet te benoemen wijkt de benoemende overheid af van een sinds 1994 gevolgde beleidslijn. De verzoeker is immers, ongeacht de politieke IX-5613-5614-12/25 samenstelling van de opeenvolgende regeringen, eerst voor een periode van zes jaar tot plaatsvervangend rechtskundig assessor en daarna, opnieuw voor een periode van zes jaar, tot effectief rechtskundig assessor benoemd. In die omstandigheden had de benoemende overheid specifiek moeten motiveren waarom zij de kandidatuur van de verzoeker niet in aanmerking heeft genomen, in tegenstelling tot haar eerdere beslissingen in 1994 en
- - De keuze van een rechtskundig adviseur is geen zogenaamde “politieke benoeming”, waaromtrent de benoemende overheid de vrijheid zou hebben ze om (partij-)politieke motieven in te vullen. De verzoeker merkt in dit verband op dat bij de bestreden besluiten kandidaten zijn benoemd die in hun curriculum vitae uitdrukkelijk vermeld hebben lid te zijn van een bepaalde politieke partij respectievelijk een schepenambt voor die partij te hebben uitgeoefend. 9.1.
- Vervolgens zet de verzoeker uiteen dat, rekening houdend met het voorgaande, de motivering van de bestreden besluiten niet afdoende is, en dat het integendeel enkel om stijlformules gaat. Samengevat voert hij in dit verband het volgende aan: - In het besluit waarbij Arn CALEWAERT wordt benoemd tot effectief rechtskundig assessor wordt gewezen op de specifieke beroepservaring van de betrokkene in het ondernemingsrecht in de ruimste zin en op zijn bijkomende vorming in de fiscaliteit, terwijl in het besluit waarbij Peter VERSTRAETEN wordt benoemd tot plaatsvervangend rechtskundig assessor wordt gewezen op de specifieke beroepservaring van de betrokkene in het handelsrecht en op zijn bijkomende vorming in het economisch recht. De vorming en ervaring in het handels- en ondernemingsrecht zijn evenwel niet relevant voor de functie. De rechtskundig assessor bij een uitvoerende kamer heeft voornamelijk een dubbele opdracht: een adviesfunctie inzake de inschrijving van natuurlijke personen en rechtspersonen op het tableau van het Beroepsinstituut en inzake ereloondossiers, en een vervolgingsfunctie inzake tuchtdossiers. Deze opdrachten hebben in se weinig vandoen met handels- en ondernemingsrecht. De taak van een rechtskundig assessor is immers anders dan die van een boekhouder of boekhouder-fiscalist. Weliswaar stellen de bestreden besluiten dat de bedoelde kwalificaties onontbeerlijk zijn in het kader van de nieuwe taakvervulling van de rechtskundig assessor, waarbij met name wordt opgemerkt dat de vraag of de leden van het Beroepsinstituut zich op een IX-5613-5614-13/25 oordeelkundige wijze van hun opdracht hebben gekweten het overgrote deel van de tuchtklachten betreft. Hierbij wordt echter in de eerste plaats voorbijgegaan aan het feit dat de uitvoerende kamer verscheidene taken heeft, zodat de taak van de rechtskundig assessor ten onrechte wordt verengd tot één bepaald aspect van zijn opdracht en functieomschrijving. Zo is bij de vraag of een natuurlijke persoon of een rechtspersoon kan worden ingeschreven op het tableau, de kennis van het handels- en ondernemingsrecht niet van wezenlijk belang, om niet te zeggen irrelevant. Dit is thans des te meer zo, daar het koninklijk besluit van 20 januari 2003 het programma, de voorwaarden en de samenstelling van het praktisch bekwaamheidsexamen heeft vastgelegd en dit besluit bepaalt dat wie in dit praktisch bekwaamheidsexamen slaagt, ingeschreven wordt op het tableau van de erkende boekhouders of boekhouders-fiscalisten. De beoordelingsbevoegdheid van de Nederlandstalige Uitvoerende Kamer bij de behandeling van verzoeken tot inschrijving op het tableau is hierdoor kleiner geworden dan voorheen, in 2000 en 1994, zodat ook de noodzaak van een specifieke kennis van het handels- en ondernemingsrecht kleiner is geworden. De benoemingen van de verzoeker tot plaatsvervangend rechtskundig assessor in 1994 en tot effectief rechtskundig assessor in 2000, samen met het vaststaand gegeven dat omtrent zijn functioneren als rechtskundig assessor en zijn kennis van de materie geen opmerkingen werden gemaakt, onderstrepen dat hij over een voldoende kennis van het handels- en ondernemingsrecht beschikt om de functie van rechtskundig assessor uit te oefenen. Ook de beoordeling van de vraag of een ereloon billijk en terecht is, is een feitenkwestie waar kennis van het handels- en ondernemingsrecht niet van wezenlijk belang, om niet te zeggen eerder irrelevant is. Wat voorts de tuchtbevoegdheid zelf betreft, is het juist dat zich een vernieuwing heeft voorgedaan in de taakomschrijving van de rechtskundig assessor, in die zin dat deze de autonome bevoegdheid inzake tuchtvervolging en -onderzoek heeft verkregen. Dit neemt echter niet weg dat ook voor deze taak niet in de eerste plaats een grondige kennis van het handels- en ondernemingsrecht vereist is, en dat integendeel een kennis en ervaring in het tuchtrecht (formeel en materieel) vereist zijn. In verband met de ervaring met het tuchtrecht stelt de motivering van de bestreden besluiten specifiek, enerzijds, dat alle kandidaten als advocaat voldoende vertrouwd moeten zijn met algemene beginselen van de deontologie en dat zij zich in principe snel de procedures, bedoeld in artikel 49 van het koninklijk besluit van 27 november 1985, eigen kunnen maken, en anderzijds, dat het overgrote deel van de tuchtklachten betrekking heeft op het op onoordeelkundige wijze uitoefenen door boekhouders IX-5613-5614-14/25 van hun opdracht, en dat bij de beoordeling daarvan een kennis van het ondernemingsrecht in de ruime zin onontbeerlijk is. De vaststelling dat elke advocaat vertrouwd moet zijn met de algemene beginselen van deontologie en zich snel in de materie kan inwerken, is een loutere stijlformule, die enkel tot doel heeft de manifest grotere ervaring van de verzoeker op het vlak van het tuchtrecht verregaand te minimaliseren. De overweging dat het overgrote deel van de tuchtklachten betrekking heeft op de kwaliteit van de beroepsuitoefening van de boekhouders en de boekhouders-fiscalisten wordt door geen enkel gegeven gestaafd, en komt ook niet overeen met de ervaring die de verzoeker in twaalf jaar heeft opgedaan. In elk geval moet opgemerkt worden dat artikel 49 van het koninklijk besluit van 27 november 1985 bepaalt dat de rechtskundig assessor een lid van de kamer, dus een boekhouder of een boekhouder-fiscalist, als verslaggever kan aanstellen om de zaak te onderzoeken en hem verslag uit te brengen. Hieruit blijkt dat van de assessor niet dezelfde kennis van de boekhoudkundige prestaties of van het boekhouden verlangd wordt als van de boekhouders zelf. De kennis van het handels- en ondernemingsrecht is derhalve niet bepalend voor de benoeming tot rechtskundig assessor. De kennis die van de assessor verlangd wordt is daarentegen, blijkens de benoembaarheidsvereisten en zijn specifieke opdracht, vooral een kennis van het administratief recht en het tuchtrecht. De verzoeker heeft die kennis, gelet op zijn twaalfjarige ervaring als rechtskundig assessor en ook gelet op zijn voorkeurmateries in zijn praktijk als advocaat. Voor de benoemde effectieve rechtskundig assessor zijn de voorkeurmateries vennootschapsrecht, ondernemingen in moeilijkheden, directe belastingen en indirecte belastingen, en voor de benoemde plaatsvervangende rechtskundig assessor zijn dat aannemingsrecht, handelsrecht, vennootschapsrecht en ondernemingen in moeilijkheden. Die voorkeurmateries zijn voor de functie van rechtskundig assessor minder relevant dan tuchtrecht en administratief recht. De motivering om het tegendeel voor te houden is niet afdoende. De verzoeker kan zich dan ook niet van de indruk ontdoen dat de benoemende overheid eerst de kandidaten heeft gekozen en daarna de motieven heeft opgegeven in functie van de verkozen kandidaten. In die zin wijst de motivering op een loutere stijlformule, weliswaar aangepast naar de benoemde kandidaten. - Ten overvloede wijst de verzoeker erop dat het handels- en ondernemingsrecht slechts in beperkte mate een rol speelt bij de boekhoudkundige prestaties bedoeld in artikel 49 van de wet van 22 april
- Voorts merkt hij op dat hij IX-5613-5614-15/25 als licentiaat in de rechten beschikt over een diploma op grond waarvan hij, krachtens artikel 50, §§ 2, a, en 3, a, van die wet, zelf erkend zou kunnen worden als boekhouder of zelfs als boekhouder-fiscalist. De verzoeker heeft dan ook een voldoende kennis om de kwaliteit van de uitoefening van het beroep te controleren, zeker nu hij bovendien over een specifieke ervaring terzake van twaalf jaar beschikt. De bewering dat de kennis van het handels- en ondernemingsrecht in die mate onontbeerlijk zou zijn dat de verzoeker een onvoldoende bekwaamheid zou hebben voor het uitoefenen van een functie die een dergelijke controle inhoudt, is dan ook absoluut niet aannemelijk. - Het vernietigingsarrest van 30 oktober 2006, nr. 164.237, is gesteund op de vaststelling dat de benoemende overheid zonder nader onderzoek voorbijgegaan is aan de aanspraken van de verzoeker, die de uittredende assessor was en die zijn functie tot algemene tevredenheid had uitgeoefend, en dat de concrete beroepservaring van de verzoeker niet is getoetst aan de specialiteiten van de benoemde kandidaten. Ook uit de motivering van de thans bestreden besluiten blijkt niet dat enig onderzoek is gebeurd naar de aanspraken van de verzoeker, noch dat die aanspraken zijn vergeleken met die van de benoemde kandidaten. 9.1.
- Ten slotte gaat de verzoeker alinea per alinea in op de motieven van de bestreden besluiten, om telkens te concluderen dat die motieven foutief of niet relevant zijn. Zo wijst hij er onder meer op dat de administratie, die een nota heeft opgesteld waarop de minister steunt, in het geheel niet vertrouwd is met de werking van de Nederlandstalige Uitvoerende Kamer en met het functioneren van de rechtskundig assessor daarin. Hij wijst er ook op dat sprake is van een “rangschikking van de kandidaten”, op basis van de in hun curriculum vitae vermelde titels en verdiensten, maar dat hij geen kennis heeft van een dergelijke rangschikking. De verzoeker besluit dat de benoemende overheid op een breedsprakerige wijze, op basis van verkeerde uitgangspunten, met loutere stijlformules en zonder het onderzoek te doen waarvan sprake in het arrest van 30 oktober 2006, nr. 164.237, telkens een motivering heeft uitgewerkt “pour les besoins de la cause”, teneinde kandidaten te benoemen die geen grotere aanspraak kunnen laten gelden dan deze van de uittredende rechtskundig assessor, die op basis van zijn jarenlange ervaring geacht moet worden manifest hogere aanspraken te kunnen laten gelden. 9.
- De verwerende partij antwoordt in essentie als volgt: IX-5613-5614-16/25 - De formele motiveringsverplichting houdt slechts in dat uit de motivering moet blijken dat de vergelijking van de titels en verdiensten van de kandidaten daadwerkelijk is gebeurd, welke de objectieve, redelijke en pertinente criteria zijn die hierbij werden gehanteerd, en welke de concrete redenen zijn waarom aan de benoemde de voorkeur werd gegeven. De benoemende overheid mag afwijken van niet-bindende adviezen. - Te dezen wordt in de bestreden besluiten verwezen naar een rangschikking van de kandidaten, waaruit blijkt dat een vergelijking van de titels en verdiensten heeft plaatsgevonden. In een nota van de administratie worden de criteria beschreven op grond waarvan de verwerende partij haar keuze heeft gemaakt. In de twee bestreden besluiten zijn ten slotte de elementen terug te vinden waarom aan de benoemde personen de voorkeur werd gegeven. Aldus zijn de ingeroepen motieven wettig en afdoende. Zij geven ook aan waarom is afgeweken van het advies van de Voorzitter van de Nederlandstalige Uitvoerende Kamer, die overigens geen kennis had van de mogelijke verdiensten van de andere kandidaten dan de verzoeker. - De verwerende antwoordt vervolgens op een aantal concrete opmerkingen van de verzoeker. Anders dan de verzoeker aanvoert, is er te dezen geen verzwaarde motiveringsplicht wegens het bestaan van een beleidslijn waarvan afgeweken zou worden. De benoeming tot assessor geldt immers uitdrukkelijk slechts voor zes jaar. De nota van de administratie van 23 januari 2007 maakt duidelijk waarom bepaalde criteria als doorslaggevend worden beschouwd. Deze overwegingen zijn niet van enige redelijkheid ontbloot. Specifiek in verband met de benoeming van Arn CALEWAERT wordt opgemerkt dat, nu binnenkort een fusie tot stand komt met de accountants en de belastingconsulenten, een persoon die in het bijzonder op de hoogte is van het fiscaal recht een welkome aanwinst zal zijn. In tegenstelling tot wat de verzoeker lijkt te suggereren, is het onderzoek van tuchtzaken slechts één van de taken van de uitvoerende kamer. Ten onrechte beroept de verzoeker zich bijgevolg op zijn beweerde specialisatie inzake tuchtzaken om zich als de meest geschikte kandidaat te beschouwen. De uitoefening van de nieuwe taken op tuchtrechtelijk gebied is overigens pas aangevangen begin IX-5613-5614-17/25 2005, zodat de verzoeker met de nieuwe procedure een ervaring van hoogstens ongeveer één jaar had. De benoemende overheid heeft ten slotte niet de plicht om de redenen aan te halen waarom de niet-benoemde kandidaten niet zijn benoemd. Het volstaat dat de overheid vermeldt dat de titels en verdiensten van deze kandidaten zijn vergeleken met die van de benoemde kandidaat. Dergelijke vermeldingen zijn terug te vinden in de bestreden besluiten. 9.
- De tussenkomende partij in de zaak A. 181.991/IX-5614 betwist dat er te dezen een strengere motiveringsplicht zou bestaan: het “advies” van de Voorzitter van de Nederlandstalige Uitvoerende Kamer is niet meer dan een aanbevelingsbrief voor een goede collega waarvan hij niet graag afscheid zou willen nemen; het feit dat de vacature voor rechtskundig assessor niet bekendgemaakt is, brengt niet mee dat er een strengere motiveringsplicht is; van een beleidslijn is er geen sprake, nu een benoeming slechts geldt voor zes jaar en iedereen na afloop van die procedure kandidaat kan zijn; het loutere feit dat de twee benoemde kandidaten tot dezelfde politieke partij behoren, overigens een andere partij dan die waartoe de Minister van Middenstand en Landbouw behoort, maakt van de bestreden benoeming geen “politieke benoeming”. De tussenkomende partij herinnert er voorts aan dat in het besluit waarbij hij benoemd wordt, omstandig gemotiveerd wordt waarom veel belang gehecht wordt aan de kennis van en de ervaring in handelsrecht, economisch recht, ondernemingsrecht, vennootschapsrecht, boekhoudrecht en fiscaal recht, alsook waarom deze kennis en ervaring nuttiger zijn dan de kennis van de procedurele aspecten van de tuchtprocedure. Het gaat hier niet om stijlformules. De verzoeker toont niet aan dat het bestuur de grenzen van zijn discretionaire beoordelingsmarge te buiten gegaan zou zijn en dat zijn oordeel kennelijk onredelijk zou zijn. De verzoeker maakt evenmin aannemelijk dat de motivering is opgesteld louter in functie van de te benoemen kandidaat. Anders dan de verzoeker beweert, was hij niet de meest voor de hand liggende kandidaat om te worden benoemd. De verwerende partij kon, gebruik makend van haar discretionaire bevoegdheid, andere accenten leggen. Bovendien was zij niet verplicht om te motiveren waarom de verzoeker niet werd benoemd, en is het integendeel voldoende dat de titels en verdiensten van de kandidaten worden IX-5613-5614-18/25 vergeleken en dat wordt gemotiveerd waarom de benoemde kandidaat wordt benoemd. 9.4.
- Overeenkomstig artikel 2 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen moeten alle bestuurshandelingen met individuele strekking uitdrukkelijk gemotiveerd worden. Luidens artikel 3 van die wet moet de motivering in de akte de juridische en feitelijke overwegingen vermelden die aan de beslissing ten grondslag liggen, en moet ze afdoende zijn. Inzake benoemingen moet de beslissing weliswaar niet vermelden waarom een kandidaat niet wordt benoemd. Er moet echter wel blijken dat de vergelijking van titels en verdiensten daadwerkelijk is gebeurd en welke de objectieve, redelijke en pertinente criteria zijn die hierbij zijn gehanteerd. Te dezen blijkt uit de gegevens van het dossier dat Arn CALEWAERT in zijn curriculum vitae uitdrukkelijk melding gemaakt heeft van zijn lidmaatschap van een bepaalde politieke partij, en dat dit gegeven door het bestuur is omcirkeld als één van de relevante elementen. Ook op het schrijven van het Beroepsinstituut van 15 februari 2006, waarmee een aantal kandidaturen aan de minister zijn meegedeeld, is met de hand achter de naam van Arn CALEWAERT de naam van die partij bijgeschreven. Peter VERSTRAETEN van zijn kant heeft in zijn curriculum vitae melding gemaakt van zijn hoedanigheid van schepen, tot 31 december 2006, weliswaar zonder vermelding van een politieke partij waartoe hij behoort. Door de verwerende partij wordt niet betwist dat dit dezelfde partij is. In de huidige stand van het geding zijn er dan ook aanwijzingen dat partijpolitieke overwegingen een rol hebben gespeeld bij de benoeming van zowel de effectieve als de plaatsvervangende rechtskundig assessor. Door de verwerende partij wordt niet aangevoerd dat dit een voor die functies relevant gegeven zou zijn. Daartegenover staat de formele motivering zoals die in de bestreden besluiten tot uiting wordt gebracht. Die komt erop neer dat een belangrijk onderdeel van de opdracht van de rechtskundig assessor te maken heeft met de bevoegdheid van de uitvoerende kamer in tuchtzaken, dat advocaten uiteraard vertrouwd zijn met de algemene beginselen van de deontologie en dat zij zich de toepasselijke regels van de tuchtprocedure relatief snel eigen kunnen maken, dat voor de tuchtrechtelijke beoordeling van de vraag of de leden van het Beroepsinstituut zich op een oordeelkundige wijze van hun opdracht hebben gekweten, een specifieke kennis en ervaring onontbeerlijk is, met name een kennis IX-5613-5614-19/25 van en een ervaring in de materies die behoren tot het handels- en ondernemingsrecht, dat de titels en verdiensten van de kandidaten in het licht van dit vereiste zijn beoordeeld, en dat daaruit blijkt dat de twee benoemde kandidaten op dit punt over de nodige kwalificaties beschikken. Impliciet blijkt uit de motieven van de bestreden besluiten dat de verzoeker niet benoemd is omdat hij in verband met het handels- en ondernemingsrecht over minder kennis en ervaring beschikt dan de benoemde kandidaten. Het is allicht niet onredelijk om ervan uit te gaan, zoals in de bestreden besluiten uitdrukkelijk wordt overwogen, “dat een specifieke kennis en ervaring in (de materies behorend tot het handels- en ondernemingsrecht) een voordeel uitmaken voor de te begeven functie”. De verzoeker betwist trouwens niet de relevantie van een zodanige kennis en ervaring. Dit neemt echter niet weg dat de beoordeling en de vergelijking van de kandidaten moet gebeuren op grond van alle terzake relevante gegevens. Uit de motieven van de bestreden besluiten blijkt dat de verwerende partij de vertrouwdheid met het tuchtrecht en de tuchtprocedure eveneens als een relevante kwalificatie beschouwt, ook al gaat zij ervan uit dat advocaten uiteraard over die vertrouwdheid beschikken of die vertrouwdheid althans snel kunnen verwerven. Het is niet nodig om in het kader van de voorliggende betwisting te onderzoeken of er nog andere relevante kwalificaties zijn; hieruit mag overigens niet afgeleid worden dat die er niet zouden zijn. Wat opvalt bij de motivering van de bestreden besluiten, is dat zeer uitvoerig ingegaan wordt op het “onontbeerlijk” karakter van de kennis van en de ervaring in de materies behorend tot het handels- en ondernemingsrecht, terwijl het nut van een specifieke ervaring op tuchtrechtelijk gebied geminimaliseerd wordt. Voorts blijkt noch uit de motieven van de bestreden besluiten, noch uit de stukken van het dossier, in het bijzonder de nota van de administratie van 23 januari 2007, dat enige concrete aandacht is besteed aan het feit dat de verzoeker gedurende twaalf jaar de functie van assessor heeft uitgeoefend. Nochtans ligt het in de lijn van de verwachtingen dat de betrokkene door het uitoefenen van die functie een ervaring opbouwt, niet enkel in de toepassing van het tuchtrecht, maar ook in het beoordelen van de wijze waarop de leden van het Beroepsinstituut zich van hun taken kwijten. Het ontbreken van enige aandacht voor de door de verzoeker opgedane ervaring is te dezen des te opvallender, nu het dossier een schrijven bevat van de Voorzitter van de Nederlandstalige Uitvoerende Kamer van 3 maart 2006, waarin deze precies wijst op de “belangrijke ervaring” van de verzoeker, en op het feit dat de verzoeker IX-5613-5614-20/25 omwille van zijn “energie, nauwgezetheid en rechtschapenheid ... door alle leden van de Kamer bijzonder (wordt) geapprecieerd”. Het contrast tussen de aandacht voor de gegevens die in het voordeel spelen van de kandidaten die benoemd zijn, enerzijds, en het minimaliseren of zelfs negeren van de gegevens die in het voordeel van de verzoeker spelen, anderzijds, is te dezen zo groot dat voorshands moet worden aangenomen dat niet afdoende wordt gemotiveerd waarom de benoemde kandidaten geschikter voor de functie worden geacht dan de verzoeker. Meer nog, er zijn aanwijzingen dat aan de benoemde kandidaten de voorkeur is gegeven omwille van niet-relevante partijpolitieke overwegingen, en dat gezocht is naar hoogdravende formele motieven die de werkelijke motieven moeten verhullen. 9.4.
- Uit het voorgaande volgt dat de verzoeker aannemelijk maakt dat de verwerende partij bij de vergelijking van de kandidaturen zijn titels en verdiensten niet naar behoren in aanmerking heeft genomen, of althans de bestreden besluiten niet heeft gemotiveerd op een zodanige wijze dat daaruit blijkt dat dit wel gebeurd is. In zoverre de verzoeker de schorsing vraagt van de tenuitvoerlegging van de impliciete weigering om hem te benoemen tot effectief rechtskundig assessor, is de tegen die vordering gerichte exceptie van onontvankelijkheid dan ook ongegrond, om de redenen uiteengezet in overweging 7.2.
- Voorts volgt uit het voorgaande eveneens dat het tweede middel in de besproken mate ernstig is. 10.
- Wat betreft het moeilijk te herstellen ernstig nadeel, voert de verzoeker in de eerste plaats aan dat hij een morele schade lijdt door het feit dat hij niet herbenoemd is, op grond dat hij niet als eerste onder de kandidaten werd gerangschikt en hij schijnbaar niet over de onontbeerlijk geachte kwalificaties zou beschikken. Voor hem, die als advocaat het tuchtrecht als voorkeurmaterie heeft, is dit een ernstige reputatieschade. Deze morele schade wordt nog vergroot doordat de benoemende overheid voorbijgegaan is aan het arrest van de Raad van State van 30 oktober 2006 en met name aan de motivering hiervan, die duidelijk erkende dat een specifieke aandacht besteed diende te worden aan de aanspraken van de verzoeker. Door het niet-benoemen van de verzoeker, om de hiervóór vermelde redenen, wordt zijn moreel gezag ten aanzien van de boekhouders en de boekhouders-fiscalisten en ten aanzien van de leden van de Nederlandstalige Uitvoerende Kamer zwaar IX-5613-5614-21/25 aangetast. Een eventuele vernietiging van de bestreden besluiten zal die schade niet volledig en zelfs niet grotendeels wegnemen, nu een sfeer gecreëerd wordt waarbij men zich vragen gaat stellen rond het functioneren en de bekwaamheid van de verzoeker. Het morele nadeel kan te dezen als ernstig en moeilijk te herstellen beschouwd worden, nu het gaat om een tweede weigering om de verzoeker te benoemen, als effectief of als plaatsvervangend assessor, na een arrest van de Raad van State waarbij een eerste besluit, waarbij de verzoeker evenmin benoemd werd, vernietigd werd. De verzoeker voert voorts aan dat het Instituut van de Accountants en de Belastingconsulenten, het Beroepsinstituut van erkende boekhouders en fiscalisten en het Koninklijk Instituut der Bedrijfsrevisoren op 16 januari 2006 een intentieverklaring hebben ondertekend die zich moet concretiseren in een fusie van het Instituut en het Beroepsinstituut, overeenkomstig een wet waarvan een voorontwerp in omloop is. Er zal ook voorzien worden in de oprichting van een tuchtcommissie, bevoegd voor de accountants en de belastingconsulenten en voor de erkende boekhouders. Weliswaar is nog niet uitgemaakt aan welke instantie de vervolgingsbevoegdheid in tuchtzaken zou worden toegekend, maar het is logisch dat die bevoegdheid verder toevertrouwd zou worden, minstens met betrekking tot de erkende boekhouders, aan een rechtskundig assessor bij de nieuw op te richten tuchtcommissie. Voor de benoeming in die functie zal de zetelende rechtskundig assessor bij de uitvoerende kamer van het Beroepsinstituut in principe de meest aangewezen kandidaat zijn. Een eventuele latere vernietiging van de bestreden besluiten zal de voor de verzoeker negatieve gevolgen ten aanzien van de mogelijkheid tot benoeming in die nieuwe functie niet tenietdoen. 10.
- De verwerende partij en de tussenkomende partij in de zaak A. 181.991/IX-5614 antwoorden dat de verzoeker uitsluitend een moreel nadeel inroept. Een dergelijk nadeel is niet moeilijk te herstellen, onder voorbehoud van uitzonderlijke omstandigheden, die te dezen evenwel niet worden aangetoond. De verzoeker toont overigens ook niet aan in welke mate zijn niet-benoeming tot assessor zware gevolgen zou hebben, meer bepaald voor zijn activiteit als advocaat. IX-5613-5614-22/25 Voor het overige is het nadeel dat verband houdt met de toekomstige oprichting van een nieuwe tuchtcommissie een zuiver hypothetisch nadeel. De verzoeker gaat er overigens aan voorbij dat, ingeval van vernietiging van de bestreden besluiten, geen rekening gehouden zal mogen worden met de ervaring die de benoemde personen ondertussen opgedaan zullen hebben. 10.
- De bestreden beslissingen hebben tot gevolg dat de verzoeker de functie van rechtskundig assessor niet kan blijven uitoefenen. Uit de motieven van de bestreden besluiten, die in het Belgisch Staatsblad zijn bekendgemaakt, zou bovendien afgeleid kunnen worden dat de benoemende overheid van oordeel is dat de verzoeker in feite niet over de onontbeerlijk geachte kwalificaties voor die functie beschikt. Er kan aangenomen worden dat de verzoeker, die de functie twaalf jaar heeft uitgeoefend en die van het tuchtrecht een voorkeurmaterie voor zijn advocatenpraktijk gemaakt heeft, aldus een moreel nadeel lijdt, en dat dit nadeel in de gegeven omstandigheden bovendien ernstig is. Een dergelijk moreel nadeel wordt in beginsel volledig hersteld door de morele genoegdoening die een, overigens met terugwerkende kracht geldende, nietigverklaring van de bestreden benoemingen verleent. Het nadeel is in beginsel dan ook niet moeilijk te herstellen. Uitzonderlijk kan echter worden aangenomen dat het moreel nadeel enkel door een schorsing van de bestreden handeling kan worden weggenomen of vermeden, wanneer daarvoor specifieke redenen gelden. Te dezen ziet de verzoeker zich genoodzaakt om, na de vernietiging van de benoemingen waarvoor hij kandidaat was, een nieuw beroep tot vernietiging in te stellen om de correcte uitvoering te verkrijgen van wat reeds bij het eerste arrest is beslist. Zoals de Raad van State heeft aanvaard in zijn arrest nr. 85.746, Sterckx, van 1 maart 2000, kan het nadeel dat de bestreden beslissingen veroorzaken in die omstandigheden in redelijkheid beschouwd worden als een nadeel dat door een eventueel nieuw vernietigingsarrest niet helemaal hersteld kan worden. De verzoeker maakt derhalve aannemelijk dat hij door de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissingen een moeilijk te herstellen ernstig nadeel lijdt.
- Er is voldaan aan de bij artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State opgelegde voorwaarden om de schorsing van de tenuitvoerlegging te bevelen. IX-5613-5614-23/25 OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
- De zaken nrs. A. 181.990/IX-5613 en A. 181.991/IX-5614 worden samengevoegd. Artikel
- Het verzoek tot tussenkomst van Arn CALEWAERT in het administratief kort geding in de zaak A. 181.991/IX-5614 wordt ingewilligd. Artikel
- Bevolen wordt de schorsing van de tenuitvoerlegging van : - het ministerieel besluit van 5 maart 2007 tot benoeming van Arn CALEWAERT tot effectief rechtskundig assessor bij de Nederlandstalige Uitvoerende Kamer van het Beroepsinstituut van erkende boekhouders en fiscalisten, alsmede de impliciete weigering om de verzoeker in die functie te benoemen; - het ministerieel besluit van 5 maart 2007 tot benoeming van Peter VERSTRAETEN tot plaatsvervangend rechtskundig assessor bij de Nederlandstalige Uitvoerende Kamer van het Beroepsinstituut van erkende boekhouders en fiscalisten. Artikel
- Dit arrest zal in het Belgisch Staatsblad worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als de geschorste besluiten. Artikel
- De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten wordt uitgesteld. IX-5613-5614-24/25 De kosten van de tussenkomst in de schorsingsprocedure in de zaak A. 181.991/IX-5614, bepaald op 125 euro, komen ten laste van de tussenkomende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op 21 augustus 2007, door : de H. P. LEMMENS, kamervoorzitter, Mevr. V. WAUTERS, griffier. De griffier, De voorzitter, V. WAUTERS. P. LEMMENS. IX-5613-5614-25/25 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.174.025 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.