← België

Arrest 174070 - Overheidsopdrachten - 22/08/2007

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 22 augustus 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.174.070 Rolnummer: A. 184748/XII-5159 Zaak: Arrest 174070 - Overheidsopdrachten - 22/08/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-08-22 Raadplegingen: 54 - laatst gezien 2026-06-29 23:57 Fiche Arrest nr 174.070 van 22 augustus 2007 Overheidsopdrachten en openbare werken - Overheidsopdrachten Beslissing : Bevolen Inwilliging tussenkomst Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 174.070 van 22 augustus 2007 in de zaak A. 184.748/XII-5159. In zake : de NV VERHEYEN GRAPHICS, die woonplaats kiest bij advocaat I. Cooreman, kantoor houdende te 1070 Brussel, Ninoofsesteenweg 643 tegen : de STAD ANTWERPEN, die woonplaats kiest bij advocaat Chr. Coen, kantoor houdende te Antwerpen, Mechelsesteenweg 210A tussenkomende partij : de NV VLAAMSE UITGEVERSMAATSCHAPPIJ (NV V.U.M.), die woonplaats kiest bij advocaat C. De Wolf, kantoor houdende te Maarkedal, Etikhovestraat 6. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIIe VAKANTIEKAMER, Gezien het verzoekschrift dat de NV Verheyen Graphics op 10 augustus 2007 heeft ingediend om bij uiterst dringende noodzakelijkheid de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van 1/ de beslissing van 3 augustus 2007 van het college van burgemeester en schepenen van de stad Antwerpen om de opdracht voor het drukken van de stedelijke informatiekrant “De(

  1. n)Antwerpenaar” voor de periode van 1 september 2007 tot en met 31 december 2008 aan de NV V.U.M.-Corelio Printing te gunnen, 2/ van de “impliciete beslissing om de opdracht niet te gunnen aan de NV Verheyen Graphics”, en 3/ van de beslissing van 25 mei 2007 van het college van burgemeester en schepenen van de stad Antwerpen waarbij het betreffende bestek 2007/714 wordt goedgekeurd en een onderhandelingsprocedure met Europese bekendmaking wordt uitgeschreven; XII-5159-1/13 Gezien de nota van de verwerende partij; Gelet op de beschikking van 13 augustus 2007 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 20 augustus 2007, om 11.00 uur; Gezien het op 16 augustus 2007 ingediende verzoekschrift waarbij de NV Vlaamse Uitgeversmaatschappij vraagt in het administratief kort geding te mogen tussenkomen; Gehoord het verslag van staatsraad J. Lust; Gehoord de opmerkingen van advocaat I. Cooreman, die verschijnt voor de verzoekster, van advocaat Chr. Coen, die verschijnt voor de verwerende partij, en van advocaat C. De Wolf, die verschijnt voor de tussenkomende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur L. Vermeire; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, WIJST NA BERAAD HET VOLGENDE ARREST : De relevante feiten 1. Op 25 mei 2007 keurt het college van burgemeester en schepenen van de stad Antwerpen het bestek 2007/714 voor het drukken van “De(
  2. n)Antwerpenaar” voor de periode van 1 september 2007 tot en met 31 december 2008 goed, en beslist het dat de betrokken opdracht van diensten met toepassing van artikel 17, § 3, 4/, van de wet van 24 december 1993 betreffende de overheidsopdrachten en sommige opdrachten voor aannemingen van werken, leveringen en diensten (hierna: de wet van 24 december 1993) “gegund [zal] worden volgens de onderhandelingsprocedure met naleving van de bekendmakingsregels, omdat de aard van de dienst zodanig is dat de specificaties van de opdracht niet met voldoende nauwkeurigheid kunnen bepaald worden om de toewijzing toe te laten volgens de procedure van aanbesteding of offerteaanvraag”. XII-5159-2/13 Aangaande de feitelijke grond en context van de beslissing wordt uiteengezet wat volgt: “Door een vernieuwing van haar drukpersen zou Aurex nv vanaf januari ‘07 de stadskrant in principe niet langer op het oorspronkelijk opgegeven formaat (260 x 365
  3. mm)kunnen blijven drukken. Daarop besloot het college op 25 augustus ‘06 (jaarnummer 10286) om een nieuwe offerte voor de druk van De Antwerpenaar uit te schrijven. Daarbij verkoos het om vast te houden aan het bestaande formaat. Op die offerte ontving het stadsbestuur geen regelmatige inschrijving. Om de continuïteit van de stadskrant te verzekeren werd de Persgroep alsnog bereid gevonden om de stadskrant zes maanden langer op het huidige formaat te blijven drukken. Dit gebeurde via de in het bestek voorziene herhaling van gunning (jaarnummer 14829). Dat contract eindigt eind juni ‘07 zodat een nieuwe procedure dient opgestart te worden. In het bestuursakkoord 2007-2012 vermeldt het stadsbestuur dat ze de stadskrant wervender en laagdrempeliger wil maken. In afwachting van dat vernieuwd concept vraagt het bedrijf marketing & communicatie om een nieuwe procedure uit te schrijven voor het drukken van de tweewekelijkse informatiekrant De(
  4. n)Antwerpenaar. Op die manier blijft de continuïteit verzekerd. Het contract met de Post voor de bedeling van de stadskrant eindigt op 31 december 2008 (jaarnummer 9381). Dat bestek stipuleert dat de krant maximaal 260 x 365 mm mag bedragen. Op basis van een marktverkenning garandeert het expertisecentrum overheidsopdrachten dat er voldoende geïnteresseerde inschrijvers zijn om het huidige formaat 260 x 365 mm te drukken. Daarnaast adviseert zij om de duurtijd van het nieuwe drukcontract te laten samenvallen met het lopende contract van de bedeling. Bijgevolg loopt de nieuwe procedure voor de druk van de stadskrant van 1 september 2007 tot en met 31 december 2008. Hiervoor zal een onderhandelingsprocedure met Europese bekendmaking worden uitgeschreven.” De aankondiging van de opdracht wordt bekendgemaakt in het Bulletin der Aanbestedingen van 24 mei 2007 en in het Europees Publicatieblad van 23 mei 2007. Op 13 juni 2007 heeft een informatievergadering plaats voor de kandidaat-inschrijvers die het bestek hebben opgevraagd. Zeven kandidaten dienen hun kandidatuur met offerte in, onder wie verzoekster en de NV V.U.M.-Corelio Printing. Zij doorstaan allen de fase van de selectie. In de tweede fase worden, blijkens het gunningsverslag, op grond van een eerste beoordeling van de twee gunningscriteria -kwaliteit en prijs- twee offertes van verzoekster op de eerste plaats gerangschikt. Nadat de inschrijvers de mogelijkheid hebben gekregen hun offerte te verbeteren, gaan globaal de meeste punten uiteindelijk naar de offerte 2A van Corelio Printing (94,33). Verzoeksters XII-5159-3/13 best geklasseerde offerte 3B krijgt 85,57 punten en komt daarmee uit op de vijfde plaats. Met een verwijzing naar het bijgevoegd gunningsverslag besluit het college van burgemeester en schepenen van de stad Antwerpen op 3 augustus 2007 de opdracht aan Corelio Printing te gunnen. De tussenkomst 2. De NV V.U.M. vraagt in de debatten te mogen tussenkomen. Er is reden om op het verzoek in te gaan. Zij is immers de begunstigde van de eerste bestreden beslissing. De ontvankelijkheid 3. Volgens verwerende partij ontbeert verzoekster belang bij haar vordering. Zij betoogt daartoe in de eerste plaats dat het belang dat verzoekster doet gelden erin bestaat de opdracht zelf toegewezen te krijgen en dat de kans om de opdracht alsnog te kunnen uitvoeren quasi onbestaande is indien zou worden geoordeeld dat verwerende partij geen beroep had mogen doen op een onderhandelingsprocedure, in welk geval “de volledige doorlopen procedure komt te vervallen” en een nieuwe gunningsprocedure zou moeten worden gevoerd. In de tweede plaats argumenteert verwerende partij dat verzoekster “alleszins” geen enkele kans maakte om de opdracht toegewezen te krijgen: het formaat dat zij in haar offertes aanbood gaat de door het bestek voorgeschreven maximum-afmetingen te buiten; zelfs haar goedkoopste inschrijving oversteeg het beschikbare budget; haar meest gunstige inschrijving behaalde slechts de vijfde plaats, ná de twee inschrijvingen van Corelio en de inschrijvingen van Eco Print Center en de Persgroep. 4.1. Verzoekster betwist in een eerste middel dat voor de gunning van de opdracht gebruik is gemaakt van de onderhandelingsprocedure. Indien dat terecht mocht zijn en indien de verwerende partij, na een gebeurlijke schorsing en vernietiging, verplicht zou zijn om met het oog op het gunnen van de opdracht van XII-5159-4/13 voor af aan een andere, nieuwe procedure te voeren, dan lijkt het er inderdaad op dat, zoals de verwerende partij stelt, de opdracht “voor een hele periode buiten het bereik van verzoekster [komt]”. Dit impliceert evenwel niet, en het wordt zelfs niet beweerd, dat het daardoor voor haar onmogelijk zou worden de opdracht nog uit te voeren, tenminste gedeeltelijk. Het gaat per slot van rekening om een opdracht tot 31 december 2008. Zonder de gevraagde schorsing, daarentegen, mag verwerende partij de toewijzingsbeslissing van 3 augustus 2007 aan de tussenkomende partij betekenen, komt tussen hen de overeenkomst tot stand, en verliest verzoekster feitelijk zo goed als zeker élk perspectief om de opdracht, weze het slechts voor de nog resterende periode tot eind 2008, toegewezen te krijgen. Verzoekster heeft er dus wel degelijk een voordeel bij de gevraagde schorsing te horen uitspreken. 4.2. Te dezen is een onderhandelingsprocedure gevolgd. Wat de uitkomst zou zijn geweest indien niet die procedure maar de procedure van de aanbesteding of de offerteaanvraag was gevoerd, is dus onzeker. Even hypothetisch is de uitkomst van de procedure waartoe de verwerende partij zal overgaan ingeval de gevraagde schorsing wordt ingewilligd op basis van het eerste middel. Van de Raad van State mag niet worden verwacht, en des te minder in het kader van een procedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid, dat hij zich in de plaats van het bestuur stelt door zich aan speculaties te wagen over diens eventuele inzichten en oordeel met betrekking tot (nog) niet gevoerde procedures en door dan op grond van die precaire prognoses aan verzoekster het vereiste belang bij de onderhavige vordering te ontzeggen. 4.3. De exceptie is ongegrond. 5. Tevens werpt verwerende partij op dat de beslissing van 25 mei 2007, de derde bestreden beslissing, “thans alleszins definitief geworden is en niet meer voor vernietiging of schorsing in aanmerking komt”. 6.1. Ten onrechte lijkt verzoekster in het verzoekschrift te menen dat, wanneer een zogenaamde voorbeslissing wordt aangevochten tezamen met de eindbeslissing van de complexe administratieve verrichting waartoe die voorbeslissing behoort, het beroep tegen de voorbeslissing vanuit het oogpunt van XII-5159-5/13 de tijdigheid dan altijd ontvankelijk is. In principe moet immers elk beroep binnen de zestigdagentermijn worden ingesteld om tijdig te zijn. Dat geldt ook voor de voorbeslissing. Wel is het zo dat de onwettigheid van de voorbeslissing steeds ontvankelijk tegen de eindbeslissing kan worden aangevoerd, ongeacht het feit dat tegen de voorbeslissing een beroep openstond en dat de termijn waarin dat beroep kon worden ingediend intussen al verstreken is. Ter terechtzitting uitdrukkelijk om een reactie op de exceptie gevraagd, heeft verzoekster zich ertoe beperkt te antwoorden dat zij niet kan aantonen dat zij de onderhavige vordering tegen de beslissing van 25 mei 2007 heeft ingesteld binnen de zestigdagentermijn, dat zij in elk geval de onwettigheid van de beslissing als middel mag aanvoeren tegen het gunningsbesluit van 3 augustus 2007, en dat het overigens commercieel moeilijk lag om tijdens de onderhandelingsprocedure tegen de verwerende partij in rechte op te treden. Waar verzoekster bovendien niet beweert, laat staan nog aannemelijk maakt, dat de beslissing van 25 mei 2007 haar moest worden betekend, komt de exceptie in de huidige stand van de procedure gegrond voor. 6.2. De vordering is laattijdig in de mate waarin zij de beslissing van 25 mei 2007 viseert. 7. Niet alleen vraagt verzoekster de schorsing van de beslissing om de opdracht aan Corelio te gunnen, maar ook van het uit die beslissing blijkende besluit om de opdracht niet aan haarzelf te gunnen. Aangezien reeds de schorsing van de eerste beslissing volstaat om het door verzoekster aangevoerde moeilijk te herstellen ernstig nadeel tegen te gaan, is niet duidelijk welk belang verzoekster erbij heeft om ook de schorsing van de tweede beslissing te verkrijgen. Dat belang is des te minder in te zien wanneer die schorsing zou worden uitgesproken op grond van het eerste middel waarin wordt aangevoerd dat de verkeerde gunningsprocedure is toegepast, hetgeen in voorkomend geval niet alleen prohibitief lijkt voor een gunning op basis van de gevoerde procedure aan de tussenkomende partij, maar tevens aan verzoekster. De vordering is ook wat het tweede voorwerp betreft onontvankelijk. Hierna komt dan ook nog alleen het eerste voorwerp aan bod, de beslissing tot gunning aan de tussenkomende partij. XII-5159-6/13 De grondvoorwaarden voor de schorsing 8. Krachtens artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid worden besloten onder de drievoudige voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de nietigverklaring van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden, dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen, en dat een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is. De voorwaarde van de ernstige middelen 9. Verzoekster voert in een eerste middel aan: “Schending van de artikelen 1 en 17 § 3, 2/ en 4/ van de Wet van 24 december 1993 betreffende de overheidsopdrachten en sommige opdrachten voor aanneming van werken, leveringen en diensten, schending van de artikelen 2 en 3 van de Wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen, van het beginsel van gelijkheid der inschrijvers, de beginselen van behoorlijk bestuur, waaronder in het bijzonder het zorgvuldigheidsbeginsel en het redelijkheidsbeginsel”. Onder meer wordt toegelicht: “Artikel 17 § 3, 4/ van de Wet van 24 december 1993 bepaalt dat er slechts beroep kan gedaan worden op een onderhandelingsprocedure met bekendmaking in het geval van een overheidsopdracht voor aanneming van diensten wanneer de aard van de dienst zodanig is dat de specificaties van de opdracht niet kunnen bepaald worden met voldoende nauwkeurigheid om de toewijzing toe te laten volgens de procedure van aanbesteding of offerte- aanvraag. In de bestreden beslissing wordt noch aangetoond noch gemotiveerd waarom de specificaties van de opdracht niet met voldoende nauwkeurigheid kunnen bepaald worden. In het verslag van de informatievergadering dd. 13.06.2007 heeft men wel op verzoek van de inschrijvers een zekere oriëntatie kunnen opleggen met name: - Papiersoort : verbeterd dagblad - Grammage : minimum 55 gram per m² - Papiertint : minimale witheid ISO-waarde 72 - Opdikkend Indien dit mogelijk is na de informatievergadering, waarom had het bestuur dit dan niet in het bestek kunnen doen? Het is perfect mogelijk om in het bestek de specificaties van de opdracht vast te leggen met name: - de periode voor het drukken, - het aantal pagina’s met de voorziening van prijzen voor extra pagina’s, - het formaat van de informatiekrant, XII-5159-7/13 - de vereiste grammage voor het papier, - de vereiste ISO waarde voor het papier (= papiertint), - welk soort inkt, - papiersoort. [...] Gezien het beroep op een onderhandelingsprocedure met bekendmaking slechts kan in de uitzonderlijke gevallen door de wet bepaald en gezien in casu niet is aangetoond dat deze procedure voldoet aan de wettelijke toepassings- voorwaarden, werd er ten onrechte beroep gedaan op een onderhandelings- procedure met bekendmaking, waarbij de aanbestedende overheid over een veel ruimere discretionaire bevoegdheid beschikt, gelet op het feit dat zij kan onderhandelen met de inschrijvers en na een eerste evaluatieronde van offertes besprekingen kan voeren en nieuwe offertes en voorstellen kan laten indienen.” 10. Verwerende en tussenkomende partij zijn van mening dat het middel niet-ontvankelijk is. Volgens de verwerende partij vermeldt verzoekster nergens tegen welke beslissing het middel gericht is en maakt die onduidelijkheid het middel onontvankelijk. De tussenkomende partij werpt tegen dat het middel “zich niet laat verzoenen met de finaliteit van een schorsingsprocedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid”, aangezien het ernstig bevinden van het middel ertoe leidt dat het beoogde voordeel om de betrokken opdracht zelf toegewezen te krijgen “allicht voor een hele periode buiten het bereik van de Verzoekende Partij wordt gesteld”. 11.1. Anders dan de verwerende partij beweert, doet verzoekster voldoende duidelijk kennen, in fine van de toelichting bij het middel, dat het middel onder meer de beslissing tot gunning aan de tussenkomende partij beoogt, “dewelke haar grond en bestaansreden vindt in de eerder genomen beslissing tot keuze voor de onderhandelingsprocedure” en die bijgevolg voor onwettig moeten worden gehouden “bij gebrek aan wettige rechtsgrond”. 11.2. De tegenwerping van de tussenkomende partij valt in essentie samen met deze van verwerende partij die sub 4.1. is besproken en verworpen. Het middel kan ertoe bijdragen dat de beslissing tot gunning aan de tussenkomende partij wordt geschorst en dat alzo verzoekster ervoor wordt behoed dat verwerende partij de beslissing aan de tussenkomende partij betekent en verzoekster de facto geen enkele kans meer heeft om de opdracht -al is het maar voor de resterende periode tot 31 december 2008- nog te verkrijgen. XII-5159-8/13 11.3. Het middel is ontvankelijk. 12. Ten gronde doet de verwerende partij gelden dat “wel degelijk” en “ontegensprekelijk” is voldaan aan de voorwaarden van artikel 17, § 3, 4/, van de wet van 24 december 1993, dat in de markt van het rotatiedrukwerk elke drukkerij klaarblijkelijk over andere persen beschikt, met hieraan gekoppeld een eigen drukformaat, dat de aard van de markt bijgevolg dusdanig is dat de keuze voor een welbepaald formaat de concurrentie zeer ernstig inperkt of zelfs uitsluit, dat het formaat van de krant een invloed heeft op een aantal technische aspecten, dat in een bestek niet voor alle mogelijke formaten de technische aspecten kunnen worden gespecificeerd waarop het formaat een invloed heeft, toch niet zonder dat de offertes onvergelijkbaar worden, dat uit de voorgaande offertevraag en de gevoerde marktverkenning is gebleken dat het oorspronkelijk formaat nog maar door één drukkerij kon worden geleverd, dat de oriëntatie die op de informatievergadering is gegeven met betrekking de papiersoort, het grammage, de papiertint, minimumwaarden betreffen en geen technisch voorschrift, en dat heel wat andere elementen niet in het bestek gespecificeerd konden worden. De tussenkomende partij wijst erop dat in de collegebeslissing van 25 mei 2007 “onder de titel ‘Juridische grond’ uitdrukkelijk naar de bewoordingen van artikel 17, § 3, 4/, van de Wet van 24 december 1993 [wordt] verwezen”. 13. Bij de procedure van gunning via onderhandelingen is de vrijheid van de overheid groter dan bij aanbesteding of offerteaanvraag. Bovendien kan het voeren van de onderhandelingen na het indienen van de offertes ertoe leiden dat de offertes niet langer vergelijkbaar zijn. Vandaar dat de procedure van gunning via onderhandelingen het karakter van een uitzondering heeft en te dezen slechts in limitatief opgesomde en strikt op te vatten gevallen mag worden toegepast. Het beroep op de onderhandelingsprocedure dient formeel gemotiveerd te worden en het is aan degene die de uitzonderlijke omstandigheden ter rechtvaardiging van de procedure inroept, om het daadwerkelijke bestaan ervan te bewijzen. 14. In de collegebeslissing van 25 mei 2007, evenals overigens in die van 3 augustus 2007, heeft de verwerende partij zich, voor de verantwoording van XII-5159-9/13 de toepassing van de onderhandelingsprocedure, op artikel 17, § 3, 4/, van de wet van 24 december 1993 gesteund. Krachtens genoemd voorschrift mag de overheidsopdracht gegund worden volgens de onderhandelingsprocedure met naleving van de bekendmakingsregels bepaald door de Koning wanneer, in het geval van een overheidsoverdracht voor aanneming van diensten: “de aard van de dienst zodanig is dat de specificaties van de opdracht niet kunnen bepaald worden met voldoende nauwkeurigheid om de toewijzing toe te laten volgens de procedure van aanbesteding of offerteaanvraag”. De concrete feiten en context, die verwerende partij in de beslissing van 25 mei 2007 inroept, zijn hiervoor sub 1 aangehaald. 15. Op het eerste gezicht bevat de beslissing van 25 mei 2007 van het college van burgemeester en schepenen van Antwerpen geen gegevens die vermogen aan te tonen dat de aard van de dienst zodanig is dat de specificaties van de opdracht niet met een voldoende nauwkeurigheid bepaald kunnen worden om de toewijzing toe te laten volgens de procedure van aanbesteding of offerteaanvraag. Verre van in de collegebeslissing het beroep op het meergenoemde artikel 17, § 3, 4/, te motiveren -zoals in de nota van verwerende partij gebeurt- door het feit dat de keuze voor één formaat de concurrentie zeer ernstig zou inperken of zelfs onmogelijk maken, wordt in de beslissing juist gesteld dat uit een marktverkenning blijkt “dat er voldoende geïnteresseerde inschrijvers zijn om het huidige formaat 260 x 365 mm te drukken”. In de beslissing wordt er evenmin van gewaagd -zoals de nota wel doet- dat het formaat van een krant van invloed is op andere technische aspecten en dat het onmogelijk is, wil men de offertes onderling vergelijkbaar houden, om voor elk formaat deze technische aspecten in het bestek te specificeren. 16. Daarbij kan nog worden vastgesteld dat het op 25 mei 2007 goedgekeurde bestek de gunningscriteria bepaalt, met hun weging, het drukwerk omschrijft, de oplage vermeldt, het aantal versies en de opmaak, de huidige eigenschappen van “De(
  5. n)Antwerpenaar”, met opgave van de omvang, grammage papier, druk en afwerking, en aangeeft dat de stad zich wil houden aan de bestaande vormgeving en dat het huidige formaat het maximum uitmaakt gelet op “het huidig XII-5159-10/13 contract met de Post die deze limiet uitdrukkelijk oplegt”. Voorts is vast te stellen, in het verslag van de informatievergadering van 13 juni 2007, dat tijdens die vergadering verduidelijkt kon worden dat de voorstellen van de inschrijvers “de beste mix prijs-kwaliteit” moesten inhouden rekening houdend met de volgende “oriëntatie”: papiersoort, verbeterd dagblad; grammage, minimum 55 gram per m²; papiertint, minimale witheid ISO-waarde 72; opdikkend. Waarom die “oriëntatie”, tezamen met het vereiste om de bestaande vormgeving van “De(
  6. n)Antwerpenaar” te eerbiedigen en het bestaande formaat ervan niet te overschrijden, niet kunnen gelden als de voldoende nauwkeurige specificaties van de opdracht in de zin van voormeld artikel 17, § 3, 4/, is in de huidige stand van de procedure onduidelijk. Het argument in de nota dat de “oriëntatie” slechts minima betreft, lijkt een bepaling als specificatie van de opdracht niet in de weg te staan. En dat het indienen van offertes met verschillende formaten een beletsel zou zijn voor de vergelijkbaarheid van de offertes, wordt door het gunningsverslag tegengesproken. 17. In de huidige stand van zaken blijkt niet dat de keuze om de opdracht tot het drukken van “De(
  7. n)Antwerpenaar” voor de periode van 1 september 2007 tot 31 december 2008 via een onderhandelingsprocedure toe te wijzen, steunt op een motief dat afdoende is vanuit formeel en materieel oogpunt. Het middel is in die mate ernstig. De voorwaarden van het moeilijk te herstellen ernstig nadeel en van de uiterst dringende noodzakelijkheid 18. Verzoekster zet terzake uiteen, en licht toe, dat zij in de eerste plaats de opdracht zelf wil kunnen uitvoeren en een herstel in natura nastreeft, dat de opdracht een belangrijke publiciteits- en referentiewaarde bezit, zeker voor een drukkerij die zelf in Antwerpen is gevestigd, en dat door de betekening van de bestreden toewijzingsbeslissing een overeenkomst tot stand zal komen waardoor de mogelijkheid om de opdracht zelf te kunnen uitvoeren ten zeerste bemoeilijkt wordt, zo niet onmogelijk. XII-5159-11/13 19. Alleen de verwerende partij voert hiertegen een betwisting aan. Zij doet dat tevergeefs. Haar argumenten, waarmee zij ook verzoeksters belang bij de vordering betwist, zijn hiervoor reeds verworpen. Met verzoekster wordt aangenomen dat door de betekening van de collegebeslissing van 3 augustus 2007 een overeenkomst tussen de verwerende en de tussenkomende partij tot stand zou komen, die het voor haar bijzonder moeilijk zou maken om de opdracht zelf nog te kunnen uitvoeren. Mede gelet op het feit dat de opdracht, vanwege zijn waarde aanleiding moest geven en heeft gegeven tot een Europese bekendmaking, kan de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de collegebeslissing geacht worden verzoekster een moeilijk te herstellen ernstig nadeel te doen lijden. Waar bovendien uit de 2 augustus 2007 gedateerde brief waarmee verwerende partij onder verwijzing naar artikel 21bis van de wet van 24 december 1993 het gunningsbesluit aan verzoekster meedeelt, moet worden afgeleid dat een betekening aan de tussenkomende partij aanstaande is, wordt ook de voorwaarde van de dringende noodzakelijkheid als vervuld beschouwd. OM DIE REDENEN BESLUIT DE RAAD VAN STATE : Artikel 1. Het verzoek tot tussenkomst van de NV Vlaamse Uitgeversmaatschappij in het administratief kort geding bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt ingewilligd. Artikel 2. De beslissing van 3 augustus 2007 van het college van burgemeester en schepenen van de stad Antwerpen om de opdracht voor het drukken van de stedelijke informatiekrant “De(
  8. n)Antwerpenaar” voor de periode van 1 september 2007 tot en met 31 december 2008 aan de NV V.U.M.-Corelio Printing te gunnen, wordt geschorst. XII-5159-12/13 Artikel 3. De vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt voor het overige verworpen. Artikel 4. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt uitgesteld. De kosten van de tussenkomst in de schorsingsprocedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid, bepaald op 125 euro, komen ten laste van de tussenkomende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op 22 augustus 2007, door : de HH. J. LUST, staatsraad, wnd. kamervoorzitter, W. GEURTS, griffier. De griffier, De voorzitter, W. GEURTS. J. LUST. XII-5159-13/13 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.174.070 Gerelateerde publicatie(
  9. s)gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.177.773 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.