← België

Arrest 174127 - Tucht (openbaar ambt) - 27/08/2007

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 27 augustus 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.174.127 Rolnummer: A. 184753/IX-5704 Zaak: Arrest 174127 - Tucht (openbaar ambt) - 27/08/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-08-31 Raadplegingen: 57 - laatst gezien 2026-06-30 00:10 Fiche Arrest nr 174.127 van 27 augustus 2007 Openbaar ambt - Tucht (openbaar ambt) Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 174.127 van 27 augustus 2007 in de zaak A. 184.753/IX-

  1. In zake : Freddy MANNAERT, die woonplaats kiest bij advocaat E. DE LANGE, kantoor houdende te BRUSSEL, Tedescolaan 7 tegen : het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, vertegenwoordigd door de Brusselse Hoofdstedelijke regering, dat woonplaats kiest bij advocaten G. VAN THUYNE en B. DALLE, kantoor houdende te BRUSSEL, Tervurenlaan 268A. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE VOORZITTER VAN DE XIIe VAKANTIEKAMER, Gezien het verzoekschrift dat Freddy MANNAERT op 10 augustus 2007 heeft ingediend om bij uiterst dringende noodzakelijkheid de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van : “het ministerieel besluit dd. 27 juli 2007 dat het besluit tot afzetting van 17 april 2007 bevestigt; En, voor zover als nodig, de schorsing van de tenuitvoerlegging van : het ministerieel besluit dd. 17 april 2007 dat de straf van afzetting uitspreekt ten aanzien van de heer Freddy MANNAERTS waardoor deze uit zijn functies van beambte ontheven wordt; beslissing aan hem betekend op 17 april 2007”; Gezien de nota van de verwerende partij; Gelet op de beschikking van 13 augustus 2007 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 23 augustus 2007, om 10.00 uur; Gehoord het verslag van kamervoorzitter R. STEVENS; Gehoord de opmerkingen van advocaat E. DE LANGE, die verschijnt voor de verzoekende partij, en van advocaat B. DALLE, die verschijnt voor de verwerende partij; IX-5704-1/8 Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur B. THYS; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, OVERWEEGT WAT VOLGT :
  2. Over de gegevens van de zaak 1.
  3. Het betreft de feitelijke gegevens, zoals ze zich in de huidige stand van het geding aandienen. 1.
  4. De verzoeker is bij besluit van 17 juni 1982 van de federale Minister van Openbare Werken en met toepassing van het koninklijk besluit van 11 augustus 1972 ter bevordering van de tewerkstelling van mindervaliden in de rijksbesturen, tot rijksambtenaar benoemd. 1.
  5. Sedert 1 januari 1990 is hij overgedragen aan het Ministerie van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. Hij is thans verbonden aan het Brussels Instituut voor Milieube- heer en heeft de graad van beambte. Hij behoort tot het Nederlandse taalkader. 1.
  6. Op 25 augustus 2005, 22 december 2005, 23 mei 2006 en 26 oktober 2006 beslist de adjunct-directeur-generaal van het Brussels Instituut voor Milieubeheer telkens aan de verzoeker een tuchtmaatregel op te leggen, inzonder- heid omwille van het repetitief niet volgen van administratieve procedures in geval van afwezigheid en het niet respecteren van de werktijden. De opgelegde tuchtmaatregelen betreffen respectievelijk een inhouding van 20% van de wedde gedurende drie maanden, een inhouding van 10% van de wedde gedurende drie maanden en, tot twee keer toe, een lagere inschaling (van E103 naar E102 en van E102 naar E101). 1.
  7. Met een aangetekende brief van 7 februari 2007 wordt de verzoeker door het Brussels Instituut voor Milieubeheer ervan in kennis gesteld dat het de intentie heeft een nieuwe tuchtprocedure tegen hem in te leiden omwille van IX-5704-2/8 “het repetitief niet volgen van administratieve procedures in geval van afwezigheid met onwettigde afwezigheid tot gevolg”. Concreet wordt aan de verzoeker ten laste gelegd: “• Niet aanvatten van de werktaak zonder geldige reden In de periode tussen 19/09/2006 en 31/01/2007 was de heer MANNAERT Freddy meermaals (15 keer) afwezig op zijn werkplaats en dit zonder voorafgaande verwittiging en zonder schriftelijke rechtvaardiging achteraf. • Niet respecteren van de verlofprocedure De heer MANNAERT Freddy nam in de periode tussen 19/09/2006 en 31/01/2007 meermaals (9 keer) verlof op het laatste ogenblik en dit zonder toelating van zijn hiërarchische overste en zonder schriftelijke rechtvaardigingen achteraf die het dringend karakter van deze verloven rechtvaardigden. • Niet respecteren van de werktijden De heer MANNAERT Freddy vatte in de periode tussen 19/09/2006 en 31/01/2007 zijn werktaak éénmaal te laat aan en dit zonder schriftelijk bewijs dat deze vertraging rechtvaardigde (...)”. 1.
  8. Op 26 februari 2007 wordt de verzoeker over deze feiten gehoord. 1.
  9. Met een aangetekende brief van 16 maart 2007 wordt een voorstel tot afzetting van de verzoeker bij tuchtmaatregel, aan betrokkene betekend. 1.
  10. Op 17 april 2007 beslist de Minister van Leefmilieu, Energie en Waterbeleid van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering om ten laste van de verzoeker de tuchtstraf van de afzetting uit te spreken. De verzoeker maakt deze beslissing “voor zover als nodig” mede tot voorwerp van de voorliggende vordering tot schorsing. 1.
  11. Op 4 mei 2007 dient de verzoeker tegen deze beslissing beroep in bij de Gemeenschappelijke Raad van Beroep voor de Instellingen van Openbaar Nut van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. IX-5704-3/8 1.
  12. Na de verzoeker en een vertegenwoordigster van het Brussels Instituut voor Milieubeheer te hebben gehoord, beslist de voornoemde raad van beroep op 5 juni 2007 dat het beroep van de verzoeker ontvankelijk, maar niet gegrond is. Hij adviseert de afzetting van de verzoeker bij tuchtmaatregel. 1.
  13. Op 27 juli 2007 neemt de Minister van Leefmilieu, Energie en Waterbeleid van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering de thans bestreden beslissing om de afzetting van de verzoeker bij tuchtmaatregel, opgelegd bij ministerieel besluit van 17 april 2007, definitief te bevestigen. 1.
  14. De voornoemde minister betekent deze beslissing met een aangetekende brief van 30 juli 2007 aan de verzoeker.
  15. Over de uiterst dringende noodzakelijkheid 2.
  16. Krachtens artikel 17, § 1 en § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan de voorliggende vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid slechts worden ingewilligd wanneer drie cumulatieve voorwaarden vervuld zijn. Eén van die voorwaarden is dat de verzoeker de uiterst dringende noodzakelijkheid van zijn vordering aantoont. 2.
  17. Wat deze voorwaarde betreft, dient erop gewezen te worden dat de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid een uitzonderingsprocedure is, die het verloop van de rechtspleging voor de Raad van State ernstig verstoort en de rechten van de verdediging aanzienlijk beperkt. Van die procedure kan daarom slechts gebruik worden gemaakt in de enkele gevallen dat het spoedeisende karakter van de zaak hetzij voor elkeen duidelijk is, hetzij door de verzoekende partij duidelijk wordt gemaakt doordat zij met precieze, pertinente en concrete gegevens aantoont dat een schorsing, afgehandeld volgens de gewone procedure van het koninklijk besluit van 5 december 1991 tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State, onmiskenbaar te laat zou komen omdat het gevreesde ernstig nadeel zich op dat ogenblik zal hebben gerealiseerd en niet of nog slechts zeer moeilijk zal kunnen worden hersteld. IX-5704-4/8 2.
  18. In de onderhavige zaak voert verzoeker ter verantwoording van de uiterst dringende noodzakelijkheid van zijn vordering aan dat een gewone schorsingsprocedure hem niet toelaat een arrest te bekomen vooraleer het bestreden tuchtbesluit uitwerking heeft gehad, aangezien de hem opgelegde tuchtmaatregel van de afzetting op 31 juli 2007, de dag na de betekening van het tuchtbesluit, uitvoerbaar is geworden. Voorts laat hij gelden dat het bestreden tuchtbesluit hem een evident moeilijk te herstellen ernstig nadeel berokkent op moreel en materieel vlak en dat hij op financieel vlak, ingevolge de opgelegde tuchtmaatregel, zijn inkomen volledig verliest en bovendien in het kader van de sociale zekerheid geen enkel voordeel geniet. Hij acht het verlies van zijn inkomen zo prangend, dat hij vreest dat zijn fysieke gezondheid eronder zal lijden. De verzoeker beklemtoont tevens “de zware morele impact” van de opgelegde tuchtmaatregel. Hij stelt dat indien de gewone schorsingsprocedure zou worden gevolgd, de “publieke oneer en schaamte” die de sanctie in tussentijd zou meebrengen, bijzonder zwaar om dragen zou zijn. Omdat volgens hem het feit van de afzetting, meer ruchtbaarheid krijgt dan de schorsing ervan, meent verzoeker er belang bij te hebben dat het tijdsverloop tussen beide zo kort mogelijk wordt gehouden. Er dient ook rekening gehouden, aldus verzoeker, met de concrete situatie dat hij “omwille van zijn mentale handicap zeer slecht ‘gewapend’ is om deze extra stress en nadelen op te vangen”. 2.4.
  19. De verwerende partij betwist de hoogdringendheid op goede gronden. De verantwoording door de verzoeker van de uiterst dringende noodzakelijkheid van zijn vordering kan er inderdaad niet van overtuigen dat een vordering tot schorsing die zou worden afgehandeld volgens de gewone procedure van het koninklijk besluit van 5 december 1991, te laat zou komen om het aangevoerde nadeel af te wenden. 2.4.
  20. Vooreerst toont het loutere feit dat de bestreden tuchtmaatregel van de afzetting reeds sedert 31 juli 2007 uitwerking heeft, op zich niet aan dat de vordering hoogdringend is en dat een gewone vordering tot schorsing de verzoeker niet kan behoeden voor het aangevoerde moeilijk te herstellen ernstig nadeel. IX-5704-5/8 De bestreden besluiten zijn niet tijdelijk van aard en de uitvoering ervan kan ook door een schorsing na een gewone schorsingsprocedure een halt worden toegeroepen. Voor de beoordeling van de hoogdringendheid van de vordering rijst niet de vraag of de verzoeker door het bestreden tuchtbesluit zwaar wordt getroffen, maar wel, zoals hierboven reeds gesteld, of een schorsing volgens de gewone procedure te laat zou komen om voor dat getroffen zijn soelaas te bieden. 2.4.
  21. De verzoeker verwijst naar een zwaar moreel nadeel, maar vermeldt in zijn verzoekschrift geen enkel bijzonder gegeven dat verantwoordt waarom dat moreel nadeel de dringende behandeling van zijn vordering zou vergen. Vanzelfsprekend heeft de verzoeker er, zoals alle verzoekers, belang bij dat het tijdsverloop tussen de inwerkingtreding van de opgelegde tuchtmaatregel en de eventuele schorsing ervan zo kort mogelijk is, maar dat belang impliceert niet dat meteen is aangetoond dat het geleden morele nadeel zich zodanig voordoet dat alleen een schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid eraan kan verhelpen en dat, indien de schorsing volgens de gewone procedure wordt bevolen, het reeds onherstelbare sporen zal hebben nagelaten. Het valt niet in te zien dat het morele nadeel dat zou voortvloeien uit de ruchtbaarheid die thans aan verzoekers afzetting wordt gegeven, niet zou kunnen worden ongedaan gemaakt door een gewone schorsing die alleszins binnen een afzienbare termijn zou kunnen worden bevolen, dit wil zeggen op een ogenblik dat de aandacht van het publiek en van de omgeving van verzoeker nog alert en fris genoeg is om de zaak in haar geheel te overzien en de tuchtstraf van verzoeker in de nieuwe context te benaderen. 2.4.
  22. Op het materiële vlak verwijst de verzoeker enkel naar het verlies van zijn beroepsinkomen en naar het feit dat hij in het kader van de sociale zekerheid geen enkel voordeel zou genieten. Vooreerst valt niet in te zien dat de verzoeker tijdens de periode waarin zijn sociale zekerheidssituatie ten gevolge van zijn afzetting nog niet is geregeld, hij niet van de sociale bijstandsregelen zou kunnen genieten. IX-5704-6/8 Waar het mogelijk is dat het wegvallen van zijn beroepsinkomen en het beweerde gemis van een vervangingsinkomen aan verzoeker wel financiële problemen dreigen te berokkenen, impliceert dit nog niet dat is aangetoond dat die problemen reeds tijdens de korte periode die een uitspraak over een gewone vordering tot schorsing zou voorafgaan, ernstige en onherstelbare gevolgen zouden hebben. 2.4.
  23. De vrees van de verzoeker dat zijn fysieke gezondheid door de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissingen tijdens de voormelde korte periode in het gedrang zou komen, is niet concreet gestaafd. Diens bewering dat hij omwille van een mentale handicap zeer slecht gewapend is om extra stress en nadelen op te vangen, is evenmin gestaafd en is dermate vaag en algemeen, en dit geldt ook voor de inhoud van het ingeroepen doktersattest, dat ze bezwaarlijk de uiterst dringende noodzakelijkheid van de vordering kan verantwoorden. 2.4.
  24. De verzoeker slaagt er dus niet in de uiterst dringende noodzakelijkheid van zijn vordering aan te tonen. 2.
  25. Uit het voorgaande dient te worden besloten dat aan de desbetreffende constitutieve schorsingsvoorwaarde niet is voldaan. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
  26. De vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt verworpen. Artikel
  27. De kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoeker. IX-5704-7/8 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op 27 augustus 2007, door : de HH. R. STEVENS, kamervoorzitter, W. GEURTS, griffier. De griffier, De voorzitter, W. GEURTS. R. STEVENS. IX-5704-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.174.127 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.178.742 ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.182.985 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.