id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 04 september 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.174.244 Rolnummer: A. 184962/XIV-29676 Zaak: Arrest 174244 - Uitleveringen - 04/09/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-09-07 Raadplegingen: 53 - laatst gezien 2026-06-30 00:15 Fiche Arrest nr 174.244 van 4 september 2007 Vreemdelingen - Uitleveringen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 174.244 van 4 september 2007 in de zaak A. 184.962/XIV-29.
- In zake : Allan William GOLDER, die woonplaats kiest bij: Advocaat J. DEREYMAEKER, 2018 ANTWERPEN, Broederminstraat 32 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Justitie. DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Allan William GOLDER, geboren op 9 augustus 1955 te New York en van Amerikaanse nationaliteit, op 29 augustus 2007 heeft ingediend om bij uiterst dringende noodzakelijkheid de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van het besluit van 22 augustus 2007 inzake de uitlevering van de verzoeker aan de Verenigde Staten van Amerika aan verzoeker ter kennis gebracht op 27 augustus 2007; Gezien de beschikking van 29 augustus 2007 waarbij het voordeel van de kosteloze rechtspleging aan de verzoekende partij wordt toegekend; Gezien de nota van de verwerende partij; Gelet op de beschikking van 29 augustus 2007 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op vrijdag 31 augustus 2007 om 11.00 uur; Gehoord het verslag van Staatsraad D. MOONS; Gehoord de opmerkingen van advocaat J. DEREYMAEKER, die verschijnt voor de verzoeker, en advocaat B.DERVEAUX, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het andersluidend advies van Auditeur M. STERCK; XIV-29.676-1/8 Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Overwegende dat krachtens artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing van de tenuitvoer- legging bij uiterst dringende noodzakelijkheid kan worden besloten onder de drievoudige voorwaarde dat uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is, dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen, en dat een ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de aangevochten beslissing kan verantwoorden;
- Overwegende dat het bestreden uitleveringsbesluit genomen door de verwerende partij op 22 augustus 2007 als volgt luidt : “(...) Gezien brief dd. 19.04.2007 van de Federale overheidsdienst Buitenlandse Zaken alsmede 1/ verbale nota nr. 13 dd. 23.03.2007 en 2/ verbale nota nr. 15 dd. 18.04.2007 van de Amerikaanse Ambassade te Brussel waarbij om de uitlevering, respectievelijk aanvullend om de uitlevering wordt verzocht van de Amerikaanse onderdaan GOLDER Allan William (009.08.1959, VSA) alias MULLER Robert (/09.08.1955). Gezien de daarbij overgelegde stukken, meerbepaald: 1/ het aanhoudingsbevel dd. 09.02.1998 van de Hogere Rechtbank (Superior Court) van Stamford, Connecticut State wegens roof (burglary) in de tweede graad (15 feiten), poging daartoe (7 feiten), diefstal (larceny) in de eerste graad (13 feiten), in de tweede graad (2 feiten), in de vijfde graad (1 feit), ontvoering (kidnapping) in de eerste graad (1 feit) en roof (robbery) in de eerste graad (1 feit). Deze feiten werden gepleegd tussen 21.09.1996 en 29.10.1997 in Greenwich, Connecticut. 2/ het onherroepelijke vonnis dd. 05.02.1981 van de arrondissementsrechtbank (District Court) van Nassau County, New York State enerzijds en het aanhoudingsbevel in het kader van de voorwaardelijke invrijheidstelling (parole warrant) dd. 19.12.1997 van de Dienst voorwaardelijke invrijheidstelling van de Staat New York (New York State Division of Parole) anderzijds. Het vonnis dd. 05.02.1981 veroordeelde de opgeëiste persoon tot een gevangenisstraf van 15 jaar tot levenslang wegens moord (murder) in de tweede graad, roof (robbery) in de eerste graad en inbraak (burglary) in de eerste graad, feiten gepleegd op 04.12.1978, te Old Brookville, County of Nassau, Staat New York. Deze titels werd uitgevaardigd wegens feiten die naar Belgisch recht omschreven zijn als 1/ gekwalificeerde diefstal, poging daartoe en onrechtmatige vrijheidsbeneming en 2/ roofmoord. Gezien het proces-verbaal dd. 14.06.2007 en het proces-verbaal dd. 12.07.2007 waarbij de opgeëiste persoon aangeeft niet af te zien van de voorwaarde en de waarborgen van de uitlevering. Gezien het 1/ advies dd. 10.07.2007 en 2/ het advies dd. 31.07.2007, beide uitgebracht door de Kamer van Inbeschuldigingstelling te Antwerpen; Gelet op de Overeenkomst inzake uitlevering tussen het Koninkrijk België en de Verenigde Staten van Amerika van 27 april 1987; Gelet op de uitleveringswetten van 1 oktober 1833 en 15 maart 1874; Overwegende dat de feiten zowel naar Belgisch als naar Amerikaans recht strafbaar zijn gesteld en dat voldaan is aan de voorwaarden gesteld in artikel 2.1, respectievelijk artikel 2.2 van voornoemde Uitleveringsovereenkomst; XIV-29.676-2/8 Overwegende dat de verjaring van de strafvordering, respectievelijk de verjaring van de straf noch naar Belgisch, noch naar Amerikaans recht is bereikt; Overwegende dat de feiten geen politiek misdrijf of een daarmee samenhangend misdrijf uitmaken; Overwegende dat uit de beschikbare informatie geen concrete elementen naar voren komen die er op wijzen dat beide verzoeken tot uitlevering die op misdrijven van gemeen recht berusten, zijn ingegeven om de opgeëiste persoon wegens zijn ras, zijn godsdienst, zijn nationaliteit of zijn politieke gezindheid te vervolgen of te straffen, noch dat zijn positie om een van deze redenen ongunstig dreigt te worden beïnvloed; Overwegende dat evenmin is gebleken dat er concrete en ernstige risico's bestaan dat de persoon, indien hij wordt uitgeleverd, in de verzoekende Staat wordt onderworpen aan een flagrante rechtsweigering of aan foltering of onmenselijke en onterende behandeling; Overwegende bijgevolg dat aan de voorwaarden en de formaliteiten inzake de uitlevering is voldaan, Besluit Artikel 1 De uitlevering van GOLDER Allan William (/09.08.1959, VSA) alias MULLER Robert (/09.08.1955). wordt aan de regering van de Verenigde Staten van Amerika toegestaan wegens de feiten op grond waarvan de uitlevering wordt gevraagd. (...).”; 3.1 Overwegende, wat de eerste voorwaarde betreft, dat uit het admi- nistratief dossier blijkt dat het bestreden besluit dateert van 22 augustus 2007, dat de verzoeker op 29 augustus 2007 een verzoekschrift bij uiterst dringende noodzakelijkheid heeft ingediend en dat uit de debatten is gebleken dat de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit imminent is, zodat is voldaan aan de eerste cumulatieve voorwaarde van voornoemd artikel 17, §§ 1 en 2; 3.2.
- Overwegende, wat de tweede voorwaarde betreft, dat de verzoe- ker in essentie aanvoert dat hij “vreest een mensonterende behandeling te zullen moeten ondergaan, gezien hij geen enkele garantie heeft opnieuw te kunnen genieten van het Witness Security Program”; dat hij deel uitmaakte van dit programma tot in mei 1995 en in speciale cellen verbleef die volledig afgezonderd waren van de buitenwereld; dat verzoeker van dit speciaal regime genoot in de Verenigde Staten van Amerika, omdat hij door zijn verklaringen als kroongetuige in een strafzaak blijkbaar aan de basis lag van een onderzoek van de FBI tegen kopstukken van een bepaalde tak van de maffia, die zou zijn opgetreden als een criminele organisatie in New York; dat de verzoeker daaraan toevoegt dat in oktober 1990 zijn verhaal werd onthuld in een “zeer populair Amerikaans tv-programma (America’s Most Wanted)”; dat, aldus verzoeker, vanaf dat ogenblik zijn positie nog benarder werd; Overwegende dat, samengevat, de verzoeker beweert dat hij nog steeds gezocht wordt door de “Genovese maffia” in de V.S voor het verklikken van kopstukken van deze organisatie; XIV-29.676-3/8 3.2.
- Overwegende dat, met de verwerende partij wordt aangenomen dat de feiten die de verzoeker relateert, dateren van meer dan vijftien jaar geleden en dat uit geen enkel stuk van het dossier van de verzoeker blijkt dat de bedreiging waarvan de verzoeker het slachtoffer zou worden, na zijn uitlevering, zou voortduren, na meer dan vijftien jaar; dat, met de verwerende partij tevens wordt aangenomen dat de verzoeker niet uitlegt, “waarom zijn uitlevering aan de Verenigde Staten van Amerika en zijn detentie in een gevangenis, hem onvoldoende bescherming zouden bieden voor (tegen) een eventuele wraakneming van de maffia binnen de muren van de gevangenis.”; dat uit stuk nummer 9 van het administratief dossier van de verwerende partij blijkt dat de bevoegdheid om te beslissen over het gevangenisregime berust bij de “prosecutor” en bijgevolg niet tot de bevoegdheid behoort van het rechtscollege dat de wettigheid van het uitleveringsbesluit toetst; Overwegende dat uit het feitenrelaas van de verzoeker blijkt dat hij in de V.S. op 18 juni 1996 onder voorwaarden in vrijheid werd gesteld en dat hij pas op 27 november 1997, met een vals paspoort zijn land verliet; dat hij bijgevolg meer dan een jaar, blijkbaar geen problemen heeft gekend in zijn land van herkomst; dat bovendien de verzoeker vanaf voornoemde datum op Europees grondgebied ver- bleef zonder problemen, tot hij op 15 februari 2007 onder aanhoudingsmandaat werd geplaatst door een Antwerps onderzoeksrechter voor “vermeende betrokkenheid bij misdrijven op Belgische bodem.”; Overwegende dat uit wat voorafgaat volgt dat de verzoeker niet aantoont dat de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit hem een moeilijk te herstellen ernstig nadeel berokkent en dat bijgevolg niet is voldaan aan de tweede cumulatieve voorwaarde van voormeld artikel 17, §§ 1 en 2; 3.
- Overwegende, wat de derde voorwaarde betreft, dat de verzoeker in een enig middel de schending aanvoert van artikel 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen (eerste onder- deel) ; de schending van artikel 3 van het EVRM (tweede onderdeel) en de schending van de zorgvuldigheidsplicht (derde onderdeel); 3.3.1.
- Overwegende dat, wat het eerste onderdeel betreft, het bestreden besluit in de aanhef het voorwerp van de gevraagde uitlevering door de verzoekende staat nauwkeurig omschrijft, en het buitenlands aanhoudingsbevel en het definitieve vonnis weergeeft waarop de gevraagde uitlevering wordt gebaseerd; dat vervolgens XIV-29.676-4/8 de voorwaarde van de dubbele incriminatie wordt onderzocht en wordt verwezen naar de processen-verbaal, waarbij de verzoeker aangeeft dat hij niet afziet van “de voorwaarde en de waarborgen van de uitlevering”; dat tevens uitdrukkelijk wordt verwezen naar de twee adviezen, uitgebracht door de Kamer van Inbeschuldigingstelling te Antwerpen, respectievelijk op 10 juli en op 31 juli 2007; dat vervolgens de toepasselijke wetgeving in materiële zin wordt geciteerd en dat wordt vastgesteld dat de verjaring nog niet is bereikt; dat de laatste paragrafen van het bestreden besluit betrekking hebben op de aard van de misdrijven waarvoor om de uitlevering wordt verzocht, waarbij in de voorlaatste paragraaf aandacht wordt besteed aan de behandeling van de verzoeker in de staat die om de uitlevering verzoekt; Overwegende dat voornoemde gegevens hun grondslag vinden in voormelde adviezen van de Kamer van Inbeschuldigingstelling (K.I.); dat het bij- gevolg niet vereist is en zelfs in bepaalde gevallen niet wenselijk dat een uitleveringsbesluit de adviezen letterlijk zou weergeven, gelet ondermeer op artikel 4 en 6 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen; Overwegende dat geen enkele wettelijke bepaling in materiële zin de verwerende partij inzake uitleveringen verplicht om een brief van een advocaat op te nemen in het bestreden besluit; dat wat de verzoeker aanvoert in verband met de brief van zijn advocaat van 28 juni 2007 op eerste gezicht feitelijke grondslag mist, vermits de verwerende partij deze brief op 3 juli 2007 heeft beantwoord en eerstgenoemde brief heeft onderzocht, en naging voor zover dit mogelijk was, of het voormalig statuut van beschermde getuige, van verzoeker tot in 1995, een mogelijk gevaar zou uitmaken voor zijn leven bij de effectieve tenuitvoerlegging van het bestreden besluit; Overwegende dat de voorlaatste paragraaf van het bestreden besluit als volgt luidt: “Overwegende dat evenmin is gebleken dat er concrete en ernstige risico’s bestaan dat de persoon, indien hij wordt uitgeleverd, in de verzoekende Staat wordt onderworpen aan een flagrante rechtsweigering of aan foltering of onmenselijke en onterende behandeling;” XIV-29.676-5/8 Overwegende dat voornoemde passus van het bestreden besluit een expliciet antwoord inhoudt op de vrees voor repressailles die de verzoeker heeft aangevoerd voor de K.I. te Antwerpen bij zijn uitlevering naar de V.S.; Overwegende dat in de mate de verzoeker aanvoert dat het bestreden besluit verwijst naar voor hem onbekende adviezen, op het eerste gezicht wordt vastgesteld dat de adviezen, wat de essentie ervan betreft, weliswaar in beknopte, doch duidelijke vorm worden weergegeven in het bestreden besluit en dat de adviezen van de K.I. werden verleend, nadat desbetreffend een tegensprekelijk debat plaatsvond; dat bovendien de advocaat van de verzoeker het volledig administratief dossier, met inbegrip van voormelde adviezen kon inzien vóór de terechtzitting van de Raad van State; 3.3.1.
- Overwegende dat het eerste onderdeel van het enig middel niet ernstig is; 3.3.2.
- Overwegende dat, wat het tweede onderdeel betreft, uit het administratief dossier blijkt dat de verzoeker in de de V.S. één jaar in de gevangenis verbleef, zonder het statuut van beschermde getuige; dat de verzoeker niet bewijst waarom hij naar Europa is gevlucht en dat de poging die hij ondernam om een nieuwe identiteit te verkrijgen in zijn land van herkomst, vooraleer hij ‘uitweek’, naar Europa, haaks staat op het niet betwiste feit dat hij een contract afsloot met een filmmaatschappij om een film over zijn leven te maken; dat daaraan wordt toegevoegd dat hij ruim een jaar in zijn land verbleef, nadat hij was vrijgelaten onder voorwaarden en vooraleer hij onder een valse naam vluchtte naar Europa; dat, gelet op wat voorafgaat een schending van artikel 3 EVRM niet aannemelijk wordt gemaakt; 3.3.2.
- Overwegende dat het tweede onderdeel van het enig middel niet ernstig is; 3.3.
- Overwegende dat het derde onderdeel van het enig middel evenmin ernstig is, nu uit het administratief dossier blijkt dat het uitleveringsdossier zorgvuldig werd onderzocht en voorbereid; dat bijgevolg het enig middel in zijn geheel genomen niet ernstig is; XIV-29.676-6/8
- Overwegende dat niet is voldaan aan twee van de drie cumulatieve voorwaarden van voormeld artikel 17, §§ 1 en 2; dat deze vaststelling volstaat om de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid te verwerpen, BESLUIT: Artikel
- De vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt verworpen. Artikel
- De kosten van de vordering, bepaald op 175 euro; komen ten laste van de verzoekende partij. XIV-29.676-7/8 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op vier september tweeduizend en zeven, door : de HH.. D. MOONS, Wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Ch. VERHAERT, griffier. De griffier, De voorzitter, Ch. VERHAERT. D. MOONS. XIV-29.676-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.174.244 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.190.696 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.