id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 10 september 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.174.320 Rolnummer: A. 115097/IX-3171 Zaak: Arrest 174320 - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan - 10/09/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-09-20 Raadplegingen: 54 - laatst gezien 2026-06-30 00:41 Fiche Arrest nr 174.320 van 10 september 2007 Openbaar ambt - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan Beslissing : heropening debatten Aanvullend verslag Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 174.320 van 10 september 2007 in de zaak A. 115.097/IX-
- In zake : XXXX, tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Financiën. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat XXXX op 13 januari 2002 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van (...) 2001 van de directeur-generaal van de invordering waarbij YYYY, eerstaanwezend inspecteur, wordt “gemuteerd en benoemd tot eerstaanwezend inspecteur (...)-diensthoofd (met) standplaats A.”, met ingang van 1 augustus 1997, en waarbij hij tevens vordert om een dwangsom op te leggen wegens de impliciete weigering om deze betrekking aan hem toe te wijzen; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur M. LEFEVER; Gelet op de beschikking van 7 juni 2004 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memorie van de verwerende partij; Gelet op de beschikking van 5 april 2007 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 21 mei 2007; Gehoord het verslag van kamervoorzitter L. HELLIN; IX-3171-1/13 Gehoord de opmerkingen van inspecteur J. DE VLEESCHOUWER, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het advies van eerste auditeur-afdelingshoofd M. LEFEVER; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- De gegevens van de zaak
- Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
- Bij dienstorder nr. (...) van 24 december 1996 wordt, onder meer, een betrekking van comptabiliteitsinspecteur te A. vacant verklaard. Die betrekking kan worden begeven bij wege van bevordering of bij wege van mutatie. Verzoeker, die eerstaanwezend inspecteur-diensthoofd (weddeschaal 10S3) is op de comptabiliteitsinspectie te W., kandideert voor die betrekking bij wege van mutatie. YYYY, die de graad van eerstaanwezend inspecteur (weddeschaal 10S2) heeft, is kandidaat bij wege van bevordering. Bij ko- ninklijk besluit van 8 augustus 1997 wordt YYYY bevorderd tot compta- biliteitsinspecteur met standplaats te A., met ingang van 1 april
- Dit besluit wordt door de Raad van State vernietigd bij arrest nr. (...), op grond dat ten onrechte rekening is gehouden met een aan verzoeker toegekende maar nog niet definitieve beoordeling “goed”. Ondertussen is op 12 december 1997 aan verzoeker de beoordeling “zeer goed” toegekend. 1.
- Op 26 januari 1999 stelt het College van dienstchefs van de Administratie van de directe belastingen vast dat aangezien de Raad van State heeft geoordeeld dat de benoemende overheid een procedurefout heeft gemaakt door het niet in beraad houden van het benoemingsvoorstel, het benoemingsdossier heropend moet worden vanaf het stadium waarin de procedurefout werd gemaakt. Het College stelt verder dat dit impliceert dat er voor de nieuwe toewijzing teruggegaan wordt IX-3171-2/13 naar het ogenblik van de ingediende kandidaturen en dat er bijgevolg geen aanleiding bestaat om de bedoelde betrekking opnieuw in competitie te stellen. Vervolgens worden de kandidaten op grond van anciënniteit en beoordeling gerangschikt. Verzoeker wordt aldus vóór YYYY gerangschikt. Het College stelt evenwel vast dat tegen verzoeker een tuchtprocedure loopt. Om die reden beslist het de mutatie van verzoeker voorlopig in beraad te houden, in afwachting van de definitieve afhandeling van de lopende tuchtprocedure. In het kader van die tuchtprocedure zal het College van dienstchefs op 13 april 1999 de terugzetting in graad tot eerstaanwezend inspecteur in de weddeschaal 10S2 voorstellen; tegen dat voorstel dient verzoeker beroep in bij de Interdepartementale Raad van Beroep. 1.
- Bij dienstorder nr. (...) van 27 mei 1999 wordt, onder meer, de betrekking van eerstaanwezend inspecteur-dienstchef te A. opnieuw in competitie gesteld, met het oog op een mutatie of een bevordering. Verzoeker en YYYY dienen opnieuw hun kandidatuur in. De kandidatuur van verzoeker wordt gunstig geadviseerd door zijn directeur, gelet op zijn evaluatie en op het feit dat hij beschikt over de nodige technische kennis om zijn taken naar behoren uit te voeren. De gewestelijk directeur vestigt de aandacht op het feit dat verzoeker weliswaar gunstig werd geëvalueerd, maar dat er sinds de toekenning van die evaluatie een tuchtprocedure tegen hem is opgestart die nog niet is afgelopen. Ook YYYY verkrijgt een gunstig advies, zowel van zijn directeur als van de gewestelijk directeur. Deze laatste merkt onder meer op dat de kandidaat de functie van comptabiliteitsinspecteur te A. heeft uitgeoefend sinds 1 april 1997, eerst als interimair, later op grond van de door de Raad van State vernietigde benoeming, en nadien opnieuw als interimair, steeds tot algemene voldoening van zijn chefs. IX-3171-3/13 Op 14 september 1999 onderzoekt het College van dienstchefs de ingediende kandidaturen, en met name die van verzoeker : “De Hr. XXXX, e.a. inspecteur (10S3) te W., is op grond van anciënniteit en evaluatie de eerst gerangschikte kandidaat voor de betrekking te A. Aan de Hr. XXXX werd als voorlopig strafvoorstel een terugzetting in graad betekend naar aanleiding van een tuchtdossier waarin hem de volgende feiten ten laste worden gelegd: / drankmisbruik; / niet naleven van de variabele arbeidstijd; / niet controleren van de prikkaarten van zijn ondergeschikten en zelfs aanzetten tot misbruik van het systeem van de variabele arbeidstijd; / ongewenst seksueel gedrag; / aanzetten tot het afleggen van valse verklaringen; / intimidatiepoging. De Hr. XXXX heeft tegen voormeld strafvoorstel beroep aangetekend. Hierbij dient nog opgemerkt dat reeds voorheen tegen de Hr. XXXX een tuchtdossier werd geopend wegens ongewenst seksueel gedrag. De Raad van Beroep heeft toen evenwel geoordeeld dat de ten laste gelegde feiten geen aanleiding gaven tot een tuchtstraf, advies dat door de Heer Minister onderschreven werd. Het gedrag van de toezicht houdend en leidinggevend ambtenaar, die de Hr. XXXX toch is, zou een voorbeeld moeten zijn voor zijn ondergeschikten en voor andere ambtenaren. De onbesproken houding van een dienstchef is trouwens één van de meest fundamentele vereisten voor de goede werking van de dienst. Het gedrag van betrokkene laat vermoeden dat de goede werksfeer wordt verstoord en dat zijn geschiktheid als dienstchef in vraag kan worden gesteld. De handelwijze van de Hr. XXXX is duidelijk in strijd met de artikels 10 en 11 van het Statuut van het Rijkspersoneel. Gelet op wat voorafgaat oordeelt voornoemd College met eenparigheid van stemmen dat de Hr. XXXX niet in voldoende mate over de nodige geschiktheid en verdiensten beschikt om een mutatie naar de inspectie A. te rechtvaardigen (toepassing art. 14 Organiek Reglement - D.I. 220.11) en stelt (het) voor om de eerstvolgende kandidaat, i.c. de hr. YYYY, D.I.B., te benoemen in de betrekking te A.” Verzoeker tekent tegen dit voorstel bezwaar aan. Hij voert aan dat zowel YYYY als hijzelf de evaluatie “zeer goed” hebben, maar dat hijzelf daarenboven volgens de graadanciënniteit beter gerangschikt is. Hij is ook van oordeel dat vacante betrekkingen bij voorrang bij mutatie toegekend worden. Na verzoeker te hebben gehoord geeft het College van dienstchefs op 9 november 1999 het volgend advies : “In tegenstelling met wat de Hr. XXXX in zijn bezwaarschrift beweert, wordt er bij de toekenning van de betrekkingen van eerstaanwezend inspecteur- diensthoofd, geen enkele voorrang verleend aan de kandidaten voor mutatie. Desondanks is reclamant op grond van graadanciënniteit en evaluatie de eerst gerangschikte kandidaat voor de betrekking te A. wat trouwens zijn enige voorkeur is. Aan betrokkene werd als voorlopig strafvoorstel een terugzetting in graad IX-3171-4/13 betekend naar aanleiding van een tuchtdossier (ten laste gelegde feiten : drankmisbruik, niet naleven van de variabele arbeidstijd, niet controleren van de prikkaarten van zijn ondergeschikten en zelfs aanzetten tot misbruik van het systeem van de variabele arbeidstijd, ongewenst seksueel gedrag, aanzetten tot het afleggen van valse verklaringen, intimidatiepoging). De Hr. XXXX heeft tegen voormeld strafvoorstel beroep aangetekend. Tegen betrokkene werd voorheen reeds een tuchtdossier geopend wegens ongewenst seksueel gedrag. De Raad van Beroep heeft toen evenwel geoordeeld dat de ten laste gelegde feiten geen aanleiding gaven tot een tuchtstraf, advies dat door de Heer Minister onderschreven werd. Het gedrag van de toezicht houdend en leidinggevend ambtenaar, die de Hr. XXXX toch is, zou een voorbeeld moeten zijn voor zijn ondergeschikten en voor andere ambtenaren. De onbesproken houding van een dienstchef is één van de meest fundamentele vereisten voor de goede werking van de dienst. Het gedrag van betrokkene laat vermoeden dat de goede werksfeer wordt verstoord en dat zijn geschiktheid als dienstchef in vraag kan worden gesteld. De handelwijze van de Hr. XXXX is duidelijk in strijd met de artikelen 10 en 11 van het Statuut van het rijkspersoneel. Bijgevolg oordeelt het College, met 6 stemmen tegen 5, dat betrokkene niet in voldoende mate over de nodige geschiktheid en verdiensten beschikt om een mutatie naar de inspectie A. te rechtvaardigen (toepassing art. 14 Organiek Reglement - D.I. 220.11) en wordt zijn bezwaarschrift als ongegrond afgewezen omdat het geen elementen bevat die van aard zijn om de uitgebrachte voorstellen te wijzigen.” 1.
- Door verzoeker was ondertussen, zoals gezegd, beroep ingesteld tegen het hiervóór genoemde definitief voorstel van tuchtstraf, door het College van dienstchefs op 13 april 1999 gedaan. Op 5 juni 2000 verklaart de Interdepartementale Raad van Beroep het beroep gegrond. Hij is van oordeel dat de feiten bewezen zijn, maar dat de voorgestelde straf van terugzetting in de graad van eerstaanwezend inspecteur in de weddeschaal 10S2 te zwaar is. Hij stelt een tuchtschorsing voor. Op 28 september 2000 doet de Vaste Commissie voor Taaltoezicht uitspraak over een klacht die verzoeker heeft ingediend tegen het definitief voorstel van het College van dienstchefs van 13 april
- De Commissie is van oordeel “dat de betwiste tuchtprocedure gevoerd werd met miskenning van de artikelen 39, § 1, en 17, § 1, van de bij (koninklijk besluit) van 18 juli 1966 gecoördineerde wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken en derhalve nietig is krachtens artikel 58, eerste lid, van diezelfde wetten”. Ten gevolge van dit advies zal de Minister van Financiën op 19 april 2002 beslissen aan verzoeker geen tuchtstraf op te leggen. IX-3171-5/13 1.
- Bij koninklijk besluit van 17 november 2000 is YYYY ondertussen bevorderd, met ingang van 2 juli 1997, tot de weddeschaal 10S
- 1.
- Op 12 juni 2001 komt het College van dienstchefs terug op de kwestie van de ranginneming van YYYY. Terwijl het College op 14 september 1999 had voorgesteld om de genoemde kandidaat te benoemen op 1 december 1999, zonder enige vorm van terugwerkende kracht, stelt hij thans voor om de ranginneming van YYYY als eerstaanwezend inspecteur-diensthoofd te doen ingaan op 1 augustus
- Bij besluit van 12 oktober 2001 van de directeur-generaal van de invordering wordt YYYY met ingang van 1 december 1999 gemuteerd naar het ambt van eerstaanwezend inspecteur-diensthoofd in de standplaats A., met inneming van rang op 1 augustus
- Dit is de bestreden beslissing.
- De gegrondheid van de vordering 2.
- Overwegende dat verzoeker in een eerste middel aanvoert dat de bestreden beslissing is genomen met schending van de voorrangsregeling vervat in artikel 12, § 3, van het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 houdende het statuut van het rijkspersoneel; dat hij uiteenzet dat aan hem de voorkeur gegeven moest worden, aangezien hijzelf en YYYY de vermelding “zeer goed” hadden verkregen, en hij een grotere anciënniteit had dan YYYY; dat hij, met verwijzing naar *s Raads arrest nr. 85.427 van 21 februari 2000, aanvoert dat hij recht had op de mutatie; 2.
- Overwegende dat de verwerende partij antwoordt dat artikel 14 van het koninklijk besluit van 29 oktober 1971 houdende het organiek reglement van het ministerie van Financiën en van de bijzondere bepalingen die er voorzien in de uitvoering van het Statuut van het rijkspersoneel, een bijzondere bepaling bevat die afwijkt van de algemene voorrangsregels, en dat krachtens die bepaling het College van dienstchefs de keuze had tussen de kandidaten; IX-3171-6/13 2.
- Overwegende dat verzoeker hierop in zijn memorie van wederantwoord repliceert dat het voornoemde artikel 14 inderdaad een afwijkende bepaling bevat, maar dat deze bepaling buiten toepassing moet worden gelaten op grond van artikel 159 van de Grondwet; dat hij in de eerste plaats uiteenzet dat artikel 14 is vervangen bij het koninklijk besluit van 6 juli 1997 en is gewijzigd bij het koninklijk besluit van 5 juli 1999; dat die koninklijke besluiten van 6 juli 1997 en 5 juli 1999 niet voor advies zijn voorgelegd aan de afdeling wetgeving van de Raad van State en dat de motivering die voor de hoogdringendheid is gegeven niet afdoende is; dat de hoogdringendheid immers telkens wordt verantwoord door de overweging dat de regeling in werking moet treden op 1 juli 1997, maar dat er geen enkele concrete aanwijzing wordt gegeven over de noodzakelijke inwerkingtreding op die datum, zodat niet eens vaststaat of deze bewering overeenstemt met de werkelijkheid; dat het ook niet aannemelijk is dat een bijkomend uitstel van drie dagen voor een spoedadvies niet mogelijk was; dat artikel 14 van het koninklijk besluit van 29 oktober 1971, in de versie volgens de voornoemde besluiten van 6 juli 1997 en 5 juli 1999, bijgevolg niet kan worden toegepast; dat verzoeker voorts aanvoert dat uit de onwettigheid van de genoemde wijzigingen van artikel 14 van het koninklijk besluit van 29 oktober 1971 weliswaar volgt dat in beginsel artikel 14 van het koninklijk besluit van 29 oktober 1971 in zijn oorspronkelijke versie toegepast zou moeten worden, maar dat ook het koninklijk besluit van 29 oktober 1971 in zijn oorspronkelijke versie onwettig is; dat dit besluit immers tot stand gekomen is in strijd met de artikelen 6 en 116 van het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 houdende het statuut van het rijkspersoneel; dat artikel 6, § 2, van het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 voorziet in de mogelijkheid om per ministerie bij koninklijk besluit in afwijkende bepalingen te voorzien, maar dat die besluiten onderworpen zijn aan de formaliteiten voorgeschreven bij artikel 116 van het voornoemde koninklijk besluit van 2 oktober 1937; dat het genoemde artikel 116 voorziet in een overleg in de Ministerraad; dat het koninklijk besluit van 29 oktober 1971 niet het voorwerp heeft uitgemaakt van een zodanig overleg, en dat het om die reden buiten toepassing gelaten moet worden; dat artikel 12, § 3, van het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 bijgevolg van toepassing is; 2.
- Overwegende dat de verwerende partij in haar laatste memorie verwijst naar artikel 79quater van het koninklijk besluit van 7 augustus 1939 betreffende de evaluatie en de loopbaan van het Rijkspersoneel, vervangen bij artikel 2 van het koninklijk besluit van 4 juli 1979 en terminologisch aangepast bij artikel 35 van de wet van 22 juli 1993; dat die bepaling toeliet om vroegere afwijkende bepalingen binnen een departement te handhaven, opnieuw in werking te laten IX-3171-7/13 treden en te wijzigen volgens een specifieke procedure die afweek van die welke was bepaald bij artikel 6 van het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 houdende het statuut van het Rijkspersoneel; dat artikel 79quater alleen vereiste dat de regelen met het akkoord van de minister van Ambtenarenzaken bij koninklijk besluit werden vastgesteld, en dat een overleg in Ministerraad niet was vereist; dat door het koninklijk besluit van 6 juli 1997 de betrekking van “eerstaanwezend dienstchef” is ingeschreven in artikel 14 van het koninklijk besluit van 29 oktober 1971, ter vervanging van de vroegere graad van inspecteur “rang 12”, en dat een benoeming in die graad voordien ook aan het College van dienstchefs diende te worden voorgelegd; dat, aangezien de vormvereisten van het toen vigerende artikel 79quater van het koninklijk besluit van 7 augustus 1939 werden nageleefd, artikel 14 van het koninklijk besluit van 29 oktober 1971 dient te worden toegepast; 2.
- Overwegende dat artikel 12, § 3, van het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 houdende het statuut van het Rijkspersoneel, zoals het gold ten tijde van de bestreden beslissing, bepaalt dat voor een overplaatsing de kandidaat die de vermelding “zeer goed” heeft verkregen, als eerste wordt gerangschikt, en dat, als verscheidene kandidaten die vermelding hebben gekregen, ze gerangschikt worden in volgorde van de graadanciënniteit, bij gelijke graadanciënniteit in volgorde van de dienstanciënniteit, en bij gelijke dienstanciënniteit in volgorde van de leeftijd; dat die bepaling aldus een recht van voorrang in het leven roept; Overwegende dat artikel 14 van het koninklijk besluit van 29 oktober 1971 tot vaststelling van het organiek reglement van het ministerie van Financiën en van de bijzondere bepalingen die er voorzien in de uitvoering van het statuut van het Rijkspersoneel, afwijkt van de voorrangsregeling vervat in het genoemde artikel 12, § 3, van het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 houdende het statuut van het Rijkspersoneel; dat artikel 14 van het koninklijk besluit van 29 oktober 1971, vervangen bij het koninklijk besluit van 6 juli 1997 en gewijzigd bij het koninklijk besluit van 5 juli 1999, luidt als volgt : “Voor de benoemingen in de betrekkingen van de rangen 13, 15 en 16, van eerste attaché van financiën en van eerstaanwezend adjunct-adviseur, de mutatie of de bevordering door verhoging in weddeschaal in een betrekking van eerstaanwezend inspecteur bij een fiscaal bestuur, waaraan de functie van dienstchef verbonden is en voor de bevordering door verhoging in weddeschaal in rang 13, doet de toepassing van de artikelen 11 en 13 geen afbreuk aan de bepalingen van de artikelen 22, 23, 26, 27bis en 67, eerste lid, van het koninklijk besluit van 7 augustus 1939, die betrekking hebben op het gemotiveerd advies van de directieraad en op de beslissing van de overheid die benoemt”; IX-3171-8/13 dat dit betekent dat voor een mutatie naar een betrekking van eerstaanwezend inspecteur bij een fiscaal bestuur-dienstchef er geen voorrangsrecht bestaat, maar dat de beslissing behoort tot de discretionaire bevoegdheid van de benoemende overheid, op advies van de directieraad; 2.
- Overwegende dat luidens artikel 3, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State de ministers “buiten het met bijzondere redenen omklede geval van hoogdringendheid” de ontwerpen van reglementaire besluiten aan het met redenen omkleed advies van de afdeling wetgeving van de Raad van State onderwerpen; dat het juist is dat de koninklijke besluiten van 6 juli 1997 en 5 juli 1999, waarbij artikel 14 van het koninklijk besluit van 29 oktober 1971 respectievelijk is vervangen en gewijzigd, niet voor advies aan de afdeling wetgeving van de Raad van State zijn voorgelegd; dat daarvoor telkens een beroep is gedaan op de dringende noodzakelijkheid; dat het te dezen volstaat om na te gaan of het koninklijk besluit van 6 juli 1997 regelmatig tot stand gekomen is, nu de wijziging bij het koninklijk besluit van 5 juli 1999 (toevoeging van een regeling voor eerstaanwezend adjunct-adviseurs) voor de voorliggende zaak zonder belang is; dat de dringende noodzakelijkheid in de aanhef van het koninklijk besluit van 6 juli 1997 is verantwoord als volgt: “Overwegende dat dit besluit in werking moet treden op 1 juli 1997; dat het bovendien een noodzakelijke voorwaarde is voor de uitvoering van de besluiten betreffende de herstructurering van de fiscale sector van het Ministerie van Financiën, die in werking moet treden op 2 juli 1997; dat een doeltreffend en optimaal beheer van de menselijke middelen daarenboven veronderstelt dat er kan overgegaan worden tot de onmiddellijke toepassing van de maatregelen vervat in bedoelde besluiten; dat deze toepassing het bestaan van dit besluit vereist en dat het derhalve zonder verwijl moet genomen worden”; Overwegende dat het de Raad van State niet toekomt om in de plaats van de bevoegde minister te oordelen of een reglementair besluit bij hoogdringendheid moest worden genomen en aldus niet aan het advies van de afdeling wetgeving moest worden onderworpen; dat de Raad van State wel kan onderzoeken of de bevoegde minister, precies op grond van de bijzondere redenen die in de aanhef van het reglementair besluit worden ingeroepen, terecht kon oordelen dat het ontwerp wegens hoogdringendheid niet voor advies aan de afdeling wetgeving moest worden voorgelegd, en bijgevolg of hij binnen de grenzen van zijn appreciatiebevoegdheid gebleven is, zoals deze hem door artikel 3, § 1, van de voormelde gecoördineerde wetten toegekend is; IX-3171-9/13 Overwegende dat uit de stukken van het dossier blijkt dat het koninklijk besluit van 6 juli 1997 een onderdeel was van een reorganisatieoperatie binnen het ministerie van Financiën die bestond uit, enerzijds, de reorganisatie van de fiscale besturen, operatie die reeds een aantal jaren aansleepte en die nodig was voor een betere bestrijding van de fiscale fraude, en anderzijds, de algemene herzie- ning van de loopbanen van de niveaus 1 en 2+ die in het federaal openbaar ambt werd doorgevoerd en die ook in het ministerie van Financiën moest worden vertaald naar de verschillende specifieke graden toe; dat teneinde de achterstand in de hervorming van de fiscale besturen niet nog meer te doen toenemen er beslist is de tweede herstructureringsfase af te ronden tegen 1 juli 1997; dat die keuze van de regering om de herstructurering tegen die datum af te ronden een opportuniteitskeuze is die als dusdanig door de Raad van State niet kan worden bekritiseerd; dat het redelijk is dat de herstructurering van de fiscale administratie niet kan worden losgemaakt van de nieuwe barema*s en van de nieuwe gradenstructuur van de ambtenaren van het ministerie van Financiën; dat de ingeroepen motieven bijgevolg juist en pertinent zijn; dat uit de stukken van het dossier bovendien blijkt dat er gepoogd is om de procedure van administratieve en budgettaire controle en de syndicale onderhandeling zo veel als mogelijk te bespoedigen; dat voorts tussen de ondertekening van het koninklijk besluit van 6 juli 1997 en de bekendmaking ervan in het Belgisch Staatsblad van 31 juli 1997 slechts 25 dagen zijn verlopen; dat ten slotte de datum van inwerkingtreding van het bedoelde besluit, namelijk 1 juli 1997, overeenstemt met de gegeven verantwoor- ding; dat uit het voorgaande volgt dat niet aannemelijk wordt gemaakt dat de dringende noodzakelijkheid op een onverantwoorde wijze is ingeroepen; dat er vanuit dit oogpunt dan ook geen reden is om artikel 14 van het koninklijk besluit van 29 oktober 1971, zoals vervangen bij het koninklijk besluit van 6 juli 1997, buiten toepassing te laten; 2.
- Overwegende voorts dat luidens artikel 6, § 2, van het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 houdende het statuut van het Rijkspersoneel de met dat besluit afwijkende bepalingen onderworpen zijn aan de formaliteiten van artikel 116 van hetzelfde koninklijk besluit, met name aan het voorafgaand overleg in de Ministerraad; dat artikel 14 van het koninklijk besluit van 29 oktober 1971 afwijkende bepalingen bevat; Overwegende dat de verwerende partij zich tot staving van de regelmatigheid van de laatstgenoemde bepaling beroept op artikel 79quater van het koninklijk besluit van 7 augustus 1939 betreffende de evaluatie en de loopbaan van IX-3171-10/13 het Rijkspersoneel; dat te dezen uitgegaan moet worden van die bepaling in de versie zoals ze bestond op het ogenblik dat het koninklijk besluit van 6 juli 1997 is genomen; dat artikel 79quater, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 17 september 1969, vervangen bij het koninklijk besluit van 4 juli 1979 en terminologisch aangepast bij de wet van 22 juli 1993, op dat ogenblik luidde als volgt: “In de rijksbesturen waar vóór 1 januari 1970 toepassing is gegeven aan artikel 13 van het koninklijk besluit van 2 augustus 1966 houdende tijdelijke bepalingen tot afwijking van de regelen betreffende de werving en de loopbaan van het Rijkspersoneel, kunnen de bepalingen betreffende de eisen inzake rang en anciënniteit die aldaar op 31 december 1969 waren gesteld voor benoeming door bevordering of door verandering van graad, of voor deelneming aan een bevorderingsexamen of een vergelijkend examen voor overgang naar het hogere niveau, alsook de bepalingen betreffende de rangschikking van de kandidaten voor bevordering, worden gehandhaafd of opnieuw in werking gesteld bij koninklijke besluiten, vastgesteld met het akkoord van de Minister tot wiens bevoegdheid de ambtenarenzaken behoren, onder voorbehoud van de wijzigingen erin aangebracht volgens dezelfde procedure”; Overwegende dat op grond van die bepaling regelingen konden worden aangenomen, afwijkend van die welke golden voor het geheel van het rijkspersoneel, voor zover dergelijke afwijkingen al bestonden vóór 1 januari 1970; dat voor zulke regelingen dan geen overleg in de Ministerraad, doch enkel het akkoord van de minister tot wiens bevoegdheid de ambtenarenzaken behoorden, vereist was; dat, wat betreft het ministerie van Financiën, afwijkende regelingen al bestonden vóór 1 januari 1970, met name de regelingen vervat in het koninklijk besluit van 9 augustus 1966 houdende vaststelling, wat het ministerie van Financiën betreft, van tijdelijke bepalingen, tot afwijking van de regelen betreffende de werving en de loopbaan van het rijkspersoneel, welk besluit genomen is met toepassing van het in artikel 79quater van het koninklijk besluit van 7 augustus 1939 genoemde artikel 13 van het koninklijk besluit van 2 augustus 1966; dat het genoemde koninklijk besluit van 9 augustus 1966 is opgeheven bij het koninklijk besluit van 29 oktober 1971; dat artikel 14 van dat laatste besluit nog steeds een afwijking bevat van de voor het rijkspersoneel geldende bepalingen betreffende de rangschikking van de kandidaten voor bevordering; dat dit artikel 14 vervangen is bij het koninklijk besluit van 6 juli 1997; dat, gelet op de samenhang tussen al de genoemde besluiten, de vervanging van artikel 14 bij het laatstgenoemde koninklijk besluit, dat in zijn aanhef overigens uitdrukkelijk verwijst naar het genoemde artikel 79quater van het koninklijk besluit van 7 augustus 1939, kon gebeuren zonder dat daarvoor een overleg in de Ministerraad vereist was; dat het akkoord van de Minister van Ambtenarenzaken, dat blijkens de aanhef van het koninklijk besluit van 6 juli 1997 is gegeven op 29 mei 1997, volstond; dat er bijgevolg ook vanuit dit oogpunt IX-3171-11/13 geen reden is om artikel 14 van het koninklijk besluit van 29 oktober 1971, zoals vervangen bij het koninklijk besluit van 6 juli 1997, buiten toepassing te laten; 2.
- Overwegende dat uit het voorgaande volgt dat de benoemende overheid te dezen wettig kon steunen op artikel 14 van het koninklijk besluit van 29 oktober 1971, in afwijking van de regeling vervat in artikel 12, § 3, van het koninklijk besluit van 2 oktober 1937; dat het middel niet gegrond is; 2.
- Overwegende dat het auditoraatsverslag, wat betreft het onderzoek van de middelen, beperkt is tot het onderzoek van het eerste middel; dat er grond is om een aanvullend onderzoek te bevelen, BESLUIT: Artikel
- De debatten worden heropend. Artikel
- Het door de auditeur-generaal aangewezen lid van het Auditoraat wordt belast met het aanvullend onderzoek van de zaak. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op 10 september 2007, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. P. LEMMENS, kamervoorzitter, L. HELLIN, kamervoorzitter, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, Mevr. V. WAUTERS, griffier. De griffier, De voorzitter, V. WAUTERS. P. LEMMENS. IX-3171-12/13 IX-3171-13/13 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.174.320 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.199.212 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.