id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 17 september 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.174.519 Rolnummer: A. 183032/IX-5640 Zaak: Arrest 174519 - Varia (justitie) - 17/09/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-10-05 Raadplegingen: 61 - laatst gezien 2026-06-30 01:04 Fiche Arrest nr 174.519 van 17 september 2007 Justitie - Varia (justitie) Beslissing : Verwerping Inwilliging tussenkomst Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 174.519 van 17 september 2007 in de zaak A. 183.032/IX-
- In zake : Jozef VERHULST, die woonplaats kiest bij advocaat P. DEVERS, kantoor houdende te GENT, Kouter 71-72 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Justitie, die woonplaats kiest bij advocaten P. PEETERS en A. VANDAELE, kantoor houdende te BRUSSEL, Terhulpsesteenweg 177/
- tussenkomende partij : Guido MEYSMAN, die woonplaats kiest bij advocaat D. LINDEMANS, kantoor houdende te BRUSSEL, Keizerslaan
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE VOORZITTER VAN DE IXe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Jozef VERHULST op 4 mei 2007 heeft ingediend om de schorsing te vorderen van de tenuitvoerlegging van de tenuitvoerlegging van het koninklijk besluit van 16 november 2006 waarbij Guido MEYSMAN wordt aangewezen tot voorzitter van de arbeidsrechtbank te Dender- monde; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd W. VAN NOTEN; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; IX-5640-1/10 Gelet op de beschikking van 19 juni 2007 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 3 september 2007; Gehoord het verslag van kamervoorzitter P. LEMMENS; Gehoord de opmerkingen van advocaat P. DEVERS die verschijnt voor de verzoeker, van advocaat P. PEETERS die verschijnt voor de verwerende partij, en van advocaat D. LINDEMANS die verschijnt voor de tussenkomende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelings- hoofd W. VAN NOTEN; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; OVERWEEGT WAT VOLGT :
- Met een verzoekschrift van 24 mei 2007 vraagt Guido MEYSMAN om in het administratief kort geding te mogen tussenkomen. Er is grond om het verzoek in te willigen.
- In het Belgisch Staatsblad van 18 april 2006 werd de vacante betrekking van voorzitter van de Arbeidsrechtbank te Dendermonde bekendgemaakt. De verzoeker en de tussenkomende partij dienden een kandidatuur in. De verzoeker was op dat ogenblik voorzitter van de genoemde rechtbank, in die functie benoemd bij koninklijk besluit van 13 januari
- De tussenkomende partij was op dat ogenblik ondervoorzitter in die rechtbank, in die functie benoemd bij koninklijk besluit van 31 augustus
- Over de kandidaten werden adviezen gegeven door de rechter van de Arbeidsrechtbank te Dendermonde met de hoogste dienstanciënniteit (“zeer goed” voor beide kandidaten), door de Eerste Voorzitter van het Arbeidshof te Gent (“gunstig” voor beide kandidaten), en door de stafhouder van de Orde van advocaten te Dendermonde (“gunstig” voor de verzoeker, “zeer gunstig” voor de tussenkomende partij). IX-5640-2/10 Nadat de Nederlandstalige benoemings- en aanwijzingscommissie van de Hoge Raad voor de Justitie de twee kandidaten gehoord had, besliste zij op 9 september 2006 de tussenkomende partij voor de benoeming voor te dragen. Bij koninklijk besluit van 16 november 2006 wordt de tussenkomende partij aangewezen tot het mandaat van voorzitter van de Arbeidsrechtbank te Dendermonde, voor een termijn van zeven jaar, ingaande op de datum van eedaflegging, welke niet vóór 1 april 2007 mag plaatsvinden. In de motieven van dit besluit wordt met instemming verwezen naar de motivering van de voordracht door de Nederlandstalige benoemings- en aanwijzingscommissie van de Hoge Raad voor de Justitie, welke letterlijk wordt aangehaald. Bij aangetekend schrijven van 21 november 2006 wordt de verzoeker in kennis gesteld van die benoeming, en wordt hem medegedeeld dat het genoemde besluit in het Belgisch Staatsblad van 5 maart 2007 zal worden bekendgemaakt. Dat koninklijk besluit vormt het voorwerp van de voorliggende vordering tot schorsing.
- Inmiddels had de verzoeker bij brief van 27 september 2006 aan advocaat S., uittredend stafhouder, bezwaar gemaakt tegen het feit dat in diens advies over de verzoeker vermeld werd dat de verzoeker door de stafhouder was gehoord. Volgens de verzoeker strookte die vermelding niet met de werkelijkheid. Dit bezwaar werd herhaald in een brief van 4 oktober 2006 aan de minister van Justitie. Beide brieven bleven onbeantwoord. Op 25 oktober 2006 legde de verzoeker in handen van de onderzoeksrechter in de Rechtbank van eerste aanleg te Dendermonde klacht neer, met burgerlijke partijstelling, tegen advocaat S., op grond van valsheid in geschriften en gebruik van valse stukken. Gelet op de hoedanigheid van plaatsvervangend rechter in hoofde van advocaat S., is in die zaak een raadsheer in het Hof van Beroep te Gent aangesteld als onderzoeksrechter. Zoals uit de debatten ter terechtzitting van de Raad van State is gebleken, is het onderzoek nog niet beëindigd. 4.
- Door de verwerende partij wordt een exceptie van onontvankelijkheid van de vordering opgeworpen, afgeleid uit de schending van artikel 4 van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de IX-5640-3/10 rechtspleging voor de afdeling administratie (thans de afdeling bestuursrechtspraak) van de Raad van State. Volgens de verwerende partij is de vordering tot schorsing, ingesteld bij een op 4 mei 2007 ter post aangetekend verzoekschrift, ingediend meer dan 60 dagen na de kennisgeving van het bestreden besluit. 4.
- Te dezen is aan de verzoeker inderdaad bij een aangetekend schrijven van 21 november 2006 kennis gegeven van het bestreden besluit. Voor het onderzoek van de exceptie kan uitgegaan worden van het standpunt van de verwerende partij dat de bedoelde kennisgeving ten aanzien van de verzoeker de termijn voor het instellen van een beroep tot nietigverklaring en van een vordering tot schorsing in beginsel doet lopen. Overeenkomstig artikel 19, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, in de versie zoals die bepaling van toepassing was op het ogenblik van de kennisgeving, nemen de verjaringstermijnen voor de beroepen bedoeld bij artikel 14, § 1, “alleen een aanvang op voorwaarde dat de betekening door de administratieve overheid van de akte of van de beslissing met individuele strekking het bestaan van die beroepen alsmede de in acht te nemen vormvoorschriften en termijnen vermeldt”. Te dezen bevat het schrijven van 21 november 2006 geen dergelijke vermeldingen. Die brief lijkt de verjaringstermijn dan ook niet te hebben kunnen doen ingaan. In de huidige stand van de rechtspleging kan de exceptie niet worden aangenomen.
- Overeenkomstig artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan slechts tot de schorsing van de tenuitvoerlegging worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen. 6.
- De verzoeker roept een enig middel in, afgeleid uit de schending van de artikelen 259ter en 259quater van het Gerechtelijk Wetboek, op zichzelf gezien en gelezen in samenhang met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, met name het gelijkheidsbeginsel (artikelen 10 en 11 van de Grondwet), het zorgvuldigheidsbeginsel en de formele dan wel de materiële motiveringsplicht. IX-5640-4/10 In een eerste onderdeel voert de verzoeker aan dat het advies van de stafhouder “zoniet door valsheid ..., dan toch minstens door onzorgvuldigheid, door de schending van het gelijkheidsbeginsel en door schending van de gewekte verwachtingen, met name op het vlak van de hoorplicht, is aangetast”. De verzoeker voert in dit verband in zijn verzoekschrift drie grieven aan: - het zorgvuldigheidsbeginsel is geschonden doordat het advies van de stafhouder tot stand gekomen is op basis van een voorontwerp dat de verzoeker, op vraag van de stafhouder, zelf heeft opgesteld, en dat klakkeloos is overgenomen; als dit systeem ook is toegepast bij de andere kandidaat, haalt de minst bescheiden kandidaat noodzakelijk de beste score; - het advies is tot stand gekomen zonder dat de verzoeker gehoord werd, terwijl uitdrukkelijk in het vooruitzicht gesteld was dat de verzoeker gehoord zou worden, en terwijl in het advies uitdrukkelijk wordt gesteld dat de zelfopgelegde hoorplicht vervuld is, hetgeen -althans wat de verzoeker betreft- niet het geval is; - de twee adviezen van de stafhouder zijn, in strijd met het gelijkheidsbeginsel, op een verschillende wijze tot stand gekomen: terwijl de tussenkomende partij gehoord werd, is de verzoeker niet gehoord. Doordat de benoemings- en aanwijzingscommissie van de Hoge Raad voor de Justitie uitdrukkelijk rekening gehouden heeft met de adviezen van de stafhouder om de kandidaten van elkaar te kunnen onderscheiden, is haar voordracht door dezelfde onregelmatigheid aangetast als de voornoemde adviezen. Die onregelmatigheid werkt voorts door in het bestreden benoemingsbesluit. In een tweede onderdeel voert de verzoeker aan dat, als abstractie gemaakt wordt van de verwijzing naar de adviezen van de stafhouder, uit de voordracht van de benoemings- en adviescommissie niet kan worden afgeleid waarom de ene kandidaat boven de andere kandidaat werd verkozen, op het punt van de bekwaamheid en de geschiktheid, gemeten aan het standaardprofiel. Volgens de verzoeker wordt de vergelijking van de titels en verdiensten van de kandidaten met één nietszeggende zin afgedaan, te weten: “De commissie is van oordeel dat uit de objectieve elementen en adviezen in het dossier blijkt dat deze kwaliteiten in grotere mate aanwezig zijn bij Ludo Meysman, en dat deze kandidaat dient te worden verkozen boven Jozef Verhulst.” 6.
- Het middel, in het bijzonder het eerste onderdeel ervan, doet een valsheidsincident rijzen. De verzoeker beticht het over hem door de stafhouder gegeven advies immers van valsheid, in zoverre in het advies gesteld wordt dat hij door de stafhouder gehoord is. De verzoeker heeft in dit verband trouwens een IX-5640-5/10 klacht met burgerlijke partijstelling ingediend tegen de auteur van het genoemde stuk. Met toepassing van artikel 43 van het koninklijk besluit van 5 december 1991 tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State, gelezen in samenhang met artikel 51, eerste lid, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, heeft de Raad van State de partijen ter terechtzitting gevraagd of zij gebruik wensen te maken van het van valsheid betichte stuk. De verwerende partij en de tussenkomende partij hebben daarop bevestigend geantwoord. In kort geding is de bepaling van het vijfde lid van artikel 51 van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 niet van toepassing gemaakt. Volgens dat lid wordt het geding geschorst totdat de bevoegde rechter over de valsheid uitspraak zal hebben gedaan. Nu het kort geding niet geschorst wordt, dient de Raad van State te oordelen of er prima facie redenen zijn om het van valsheid betichte stuk buiten beschouwing te laten. Te dezen blijkt uit het advies van de stafhouder over de verzoeker dat “ja” geantwoord is op de standaardvraag of “de kandidaat gehoord (werd) ter gelegenheid van zijn kandidatuur”. Die vermelding zou zo begrepen kunnen worden dat de kandidaat de gelegenheid heeft gehad om zijn zienswijze naar voor te brengen, eventueel op een louter schriftelijke wijze. Indien die interpretatie aangenomen wordt, zou er geen sprake zijn van valsheid in geschriften. Het staat aan de strafgerechten om zich hierover uit te spreken. Voorshands ziet de Raad van State echter geen reden om het advies van de stafhouder niet in aanmerking te nemen. 6.
- In verband met het eerste onderdeel van het middel, eerste grief, blijkt uit het dossier dat de stafhouder aan de verzoeker én aan de tussenkomende partij gevraagd heeft om het respectieve formulier waarmee de stafhouder zijn advies moest geven, vooraf in te vullen en aan de stafhouder terug te bezorgen. Op basis van die zelfevaluatie heeft de stafhouder dan zijn advies gegeven. Wat betreft het advies van de verzoeker, leidde die werkwijze ertoe dat de bewoordingen van de verzoeker zonder meer werden overgenomen, met dien verstande dat de stafhouder aan het advies één lovende zin zou hebben toegevoegd (“De balie waardeert de correctheid waarmee de zittingen worden geleid”). IX-5640-6/10 Die werkwijze is weliswaar vatbaar voor kritiek. De vraag rijst immers of de stafhouder zich op die manier wel naar behoren gekweten heeft van zijn wettelijke opdracht. Naar buiten uit gaat het echter om een regelmatig advies, dat ten volle aan de stafhouder moet worden toegeschreven en waarvoor deze ook verantwoordelijk is. Het feit dat de verzoeker het advies van de stafhouder heeft moeten voorschrijven, lijkt voorts geen afbreuk te doen aan het zorgvuldigheidsbeginsel. Vanuit het oogpunt van de kandidaten kan het opstellen van een ontwerp van advies zelfs beschouwd worden als een mogelijkheid om zich te laten horen bij de adviesverlenende instantie. De grief lijkt dan ook niet aangenomen te kunnen worden. 6.
- In verband met het eerste onderdeel van het middel, tweede grief, beroept de verzoeker zich op een e-mailbericht van het secretariaat van de stafhouder, verzonden op 6 juni 2006, waarin uitdrukkelijk zou zijn aangekondigd dat de verzoeker nog zou worden gehoord. In dat mailbericht wordt onder meer het volgende gesteld: “De Stafhouder zal, na de adviescommissie te hebben gehoord, het advies opmaken en indien nodig eerst nog een onderhoud beleggen met u.” Anders dan de verzoeker beweert, houdt dit bericht geen onvoorwaardelijke aankondiging van een onderhoud in. Integendeel, er wordt uitdrukkelijk gesteld dat een onderhoud zal plaatsvinden “indien nodig”, dit wil zeggen indien de stafhouder een onderhoud voor het geven van zijn advies nog nodig zal vinden. De grief, die lijkt uit te gaan van een verkeerde lezing van het mailbericht, lijkt dan ook feitelijke grondslag te missen. 6.
- Ter zitting heeft de verzoeker verklaard afstand te doen van de derde grief van het eerste onderdeel, gelet op het feit dat de twee kandidaten blijkbaar op dezelfde wijze door de stafhouder zijn behandeld. 6.
- In verband met het tweede onderdeel van het middel stelt de Raad van State vast dat de benoemings- en aanwijzingscommissie in haar proces-verbaal van de voordracht eerst de titels en de verdiensten van de tussenkomende partij beschrijft, op basis van diens beleidsplan en de over haar uitgebrachte adviezen (die één na één worden samengevat). Die beschrijving wordt afgesloten met de volgende beoordeling: “De door Guido Meysman ontwikkelde persoonlijke visie over hoe hij zichzelf ziet functioneren als voorzitter van de arbeidsrechtbank te Dendermonde, en de wijze waarop hij deze rechtbank op een moderne en IX-5640-7/10 efficiënte wijze wenst te runnen, alsook de in zijn hoofde aanwezige competenties sluiten naadloos aan bij de eisen die in het standaardprofiel voor het functioneren (aan) een dergelijke korpschef worden gesteld. De beschikbare gegevens laten de commissie toe te besluiten dat Guido Meysman ongetwijfeld in staat moet worden geacht om met visie de groepsgerichte leiding van de rechtbank van eerste aanleg (lees: de arbeidsrechtbank) te Dendermonde op zich te nemen. Het dossier, de persoonlijkheid en de aanwezige competenties laten ook toe vast te stellen dat hij in grotere mate dan de andere kandidaat de nodige competenties bezit die volgens het standaardprofiel vereist zijn om de opdracht van voorzitter van deze rechtbank te vervullen, en bieden de nodige garantie dat deze kandidaat de vereiste bekwaamheid en geschiktheid heeft om deze functie met succes uit te oefenen.” Vervolgens worden de titels en de verdiensten van de verzoeker beschreven, eveneens op basis van diens beleidsplan en de over hem uitgebrachte adviezen (die één na één worden samengevat). Voor deze kandidaat wordt wel geen samenvattende beoordeling gegeven. Ten slotte worden de kandidaten uitdrukkelijk met elkaar vergeleken. De commissie overweegt in dit verband wat volgt: “Wanneer men de kandidaturen van Jozef Verhulst en Ludo Meysman naast elkaar legt, kan men enkel vaststellen dat beide kandidaten voldoen aan de vereisten gesteld in het standaardprofiel en dat zij beiden een degelijk beleidsplan voorleggen waarin zij een gedegen visie ontwikkelen. De commissie hecht veel belang aan overleg en goede samenwerking met alle actoren van justitie, alsook aan het feit dat een korpschef de nodige soepelheid aan de dag legt bij het nemen van zijn beslissingen en dat hij problemen met de nodige zin voor openbare dienstverlening oplossingsgericht en via positieve dialoog benadert. Daarenboven is het de taak van de korpschef de werking van de rechtbank op een dermate wijze te plannen en (te) organiseren dat de openbare dienstverlening en de geleverde kwaliteit van de vonnissen optimaal is. De commissie is van oordeel dat uit de objectieve elementen en adviezen in het dossier blijkt dat deze kwaliteiten in grotere mate aanwezig zijn bij Ludo Meysman, en dat deze kandidaat dient te worden verkozen boven Jozef Verhulst. Bovendien kan Ludo Meysman bogen (op) een gunstiger advies van de vertegenwoordiger van de balie.” Uit de laatst aangehaalde overwegingen blijkt dat de tussenkomende partij is verkozen boven de verzoeker, hoofdzakelijk omdat de tussenkomende partij beter scoort op het vlak, enerzijds, van overleg, samenwerking, soepelheid, oplossingsgerichtheid en positieve dialoog, en anderzijds, van mogelijkheid tot optimalisering van de openbare dienstverlening en de kwaliteit van de vonnissen. Ten overvloede (“bovendien”) wordt ook gewezen op het feit dat de tussenkomende partij vanwege de stafhouder een gunstiger advies heeft gekregen dan de verzoeker. IX-5640-8/10 Voor de kwaliteiten die in het voordeel uitvallen van de tussenkomende partij en in het nadeel van de verzoeker, blijkt de benoemings- en aanwijzingscommissie te kunnen steunen op de in het proces-verbaal aangehaalde adviezen van met name de eerste voorzitter van het arbeidshof en de stafhouder. Zo kan in verband met het overleg, de samenwerking, de soepelheid, de oplossingsgerichtheid en de positieve dialoog gewezen worden op het advies van de stafhouder over de tussenkomende partij, waarin onder meer gesteld wordt dat deze ten aanzien van het arbeidsauditoraat zin voor overleg aan de dag legt en in het algemeen een oplossingsgerichte ingesteldheid heeft, terwijl de eerste voorzitter in zijn advies over de verzoeker wijst op wrijvingspunten tussen de verzoeker en de hoofdgriffier en het arbeidsauditoraat, die erop lijken te wijzen dat op relationeel vlak het aanpassingsvermogen van de verzoeker minder groot is. Wat betreft de openbare dienstverlening hecht de commissie blijkbaar veel belang aan het feit dat de eerste voorzitter in zijn advies over de tussenkomende partij “wijst ... op de aandacht voor een aanwezigheidspolitiek van de voorzitter, de intentie van de kandidaat om een eigen website van de arbeidsrechtbank uit te bouwen, en om een interne klachtenprocedure uit te bouwen en de figuur van de persrechter te reactiveren”, aangezien de commissie hieraan toevoegt dat deze beschrijving “duidt op de nodige zin voor openbare dienstverlening”. Ook de opmerking van de stafhouder, in zijn advies over de tussenkomende partij, dat de balie lovend is over het onthaal, de luisterbereidheid en de communicatie jegens de rechtzoekende, wordt door de commissie uitdrukkelijk in het teken van de “zin voor openbare dienstverlening” geplaatst. Daartegenover staat een opmerking in het advies van de eerste voorzitter over de verzoeker, volgens welke “door een betere werkverdeling de bereikbaarheid van de kandidaat voor collegae, medewerkers en burgers zou kunnen verhogen”. Ten slotte lijkt, wat betreft de kwaliteit van de vonnissen, de beoordeling van de commissie te steunen op het advies van de eerste voorzitter over de verzoeker, waarin de eerste voorzitter een opmerking maakt over de wijze waarop de verzoeker zijn vonnissen motiveert en waarin hij oppert dat het rechtsprekende werk van de verzoeker lijdt onder de ongelijke verdeling van de verschillende bevoegdheidsmateries tussen de magistraten van de arbeidsrechtbank. De vergelijkende conclusie, gelezen in het licht van de samenvattingen van de adviezen, lijkt aldus voldoende duidelijk te maken om welke redenen de commissie de voorkeur geeft aan de tussenkomende partij boven de verzoeker. Het tweede onderdeel lijkt dan ook feitelijke grondslag te missen. 6.
- Het middel is in geen van zijn onderdelen ernstig. IX-5640-9/10
- Uit het voorgaande volgt dat niet voldaan is aan een van de bij artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State opgelegde voorwaarden om de schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing te kunnen bevelen. Die vaststelling volstaat om de vordering af te wijzen. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
- Het verzoek tot tussenkomst van Guido MEYSMAN in het administratief kort geding wordt ingewilligd. Artikel
- De vordering tot schorsing wordt verworpen. Artikel
- De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten wordt uitgesteld. De kosten van de tussenkomst in de schorsingsprocedure, bepaald op 125 euro, komen ten laste van de tussenkomende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op 17 september 2007, door : de H. P. LEMMENS, kamervoorzitter, Mevr. V. WAUTERS, griffier. De griffier, De voorzitter, V. WAUTERS. P. LEMMENS. IX-5640-10/10 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.174.519 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.198.307 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.