← België

Arrest 174521 - Federaal openbaar ambt (behalve bijzondere statuten) - Reglementen - 17/09/2007

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 17 september 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.174.521 Rolnummer: A. 73246/IX-109 Zaak: Arrest 174521 - Federaal openbaar ambt (behalve bijzondere statuten) - Reglementen - 17/09/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-10-05 Raadplegingen: 60 - laatst gezien 2026-06-30 01:05 Fiche Arrest nr 174.521 van 17 september 2007 Openbaar ambt - Federaal openbaar ambt (behalve bijzondere statuten) - Reglementen Beslissing : Vernietiging Verwerping overige Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 174.521 van 17 september 2007 in de zaak A. 73.246/IX-

  1. In zake : Amandina HEIJLEN, wonende te OPGLABBEEK, Rijtstraat 1, bus 2 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Financiën. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Amandina HEIJLEN op 13 februari 1997 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van de beslissing van de Gewestelijke Directeur Invordering te Leuven van 17 december 1996 waarbij haar verzoek tot kwijtschelding van interesten en kosten in verband met aanslagen in de personenbelasting voor de aanslagjaren 1988, 1989, 1990 en 1991 wordt afgewezen; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd P. DE WOLF; Gelet op de beschikking van 20 mei 1999 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; Gelet op de beschikking van 11 juli 2007 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 10 september 2007; Gehoord het verslag van kamervoorzitter P. LEMMENS; IX-109-1/11 Gehoord de opmerkingen van de verzoekster, en van inspecteur J. DE VLEESCHOUWER, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van adjunct auditeur-generaal P. DE WOLF; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Gegevens van de zaak
  2. De verzoekster is sedert 1 augustus 1989 feitelijk gescheiden en sedert 28 oktober 1993 uit de echt gescheiden. Op verzoek van de Ontvanger der Directe Belastingen te Genk wordt op 19 december 1995 aan de verzoekster en haar ex-echtgenoot een dwangbevel betekend ter betaling van de niet betaalde personenbelasting voor de aanslagjaren 1988, 1990 en 1991, vermeerderd met de nalatigheidsinteresten en de kosten. Op 22 december 1995 dient de verzoekster bij de Ontvanger te Genk een bezwaarschrift in tegen de aanslagen voor de aanslagjaren 1988, 1989, 1990 en
  3. Dit bezwaarschrift, waarover de Raad van State geen verdere gegevens bekend zijn, kan verder buiten beschouwing blijven. Op 27 december 1995 dient de verzoekster een verzoek in bij de Gewestelijke Directeur Invordering te Leuven, strekkende tot de kwijtschelding van de nalatigheidsintresten en de kosten in verband met de aanslagen voor de aanslagjaren 1988 (kohierartikel 9721014), 1989 (kohierartikel 0703936), 1990 (kohierartikel 1701382) en 1991 (kohierartikel 2706860 inzake de verzoekster, en kohierartikel 2705358 inzake haar ex-echtgenoot). Zij stelt dat zij voor het aanslagjaar 1988 nooit een aanslagbiljet heeft ontvangen, dat zij voor het aanslagjaar 1989 evenmin een aanslagbiljet heeft ontvangen, maar wel belastingen betaald heeft, zelfs meer dan verschuldigd, dat zij voor het aanslagjaar 1990 evenmin een aanslagbiljet heeft ontvangen, maar wel meer dan de helft van de verschuldigde belastingen heeft betaald, en dat zij voor het aanslagjaar 1991 een aanslagbiljet op haar naam heeft ontvangen, waarbij voorzien werd in een teruggave van belastingen, IX-109-2/11 en tevens een verzoek om belastingen in hoofde van haar ex-echtgenoot te betalen. Zij is van oordeel dat zij geen nalatigheidsintresten of kosten verschuldigd is voor de aanslagjaren 1988, 1989 en 1990, omdat alle door haar verschuldigde belastingen betaald zijn, en evenmin voor het aanslagjaar 1991, omdat zij niet gehouden is tot betaling van de belastingschulden van haar ex-echtgenoot. Bij schrijven van 29 december 1995 deelt de namens de Ontvanger te Genk optredende gerechtsdeurwaarder mee dat zijn cliënt erin toestemt dat afbetaald wordt met afkortingen van 10.000 frank per maand. In een ongedateerde nota ten behoeve van de Gewestelijke Directeur Invordering te Leuven, ontvangen op 12 november 1996, stelt de Ontvanger te Genk voor om, “rekening houdende met de aangehaalde grieven en het feit dat alle aanslagen alleen door (de verzoekster) werden vereffend”, voor het aanslagjaar 1988 vanaf 1 april 1996 vrijstelling van nalatigheidsinteresten toe te staan, voor de aanslagjaren 1989 en 1991, na gedeeltelijke ontlasting, een teveel aan betaalde intresten terug te betalen, en niets te wijzigen voor het aanslagjaar
  4. Met een nota van 17 december 1996 deelt de Gewestelijke Directeur Invordering te Leuven aan de Ontvanger te Genk mee dat hij diens voorstel niet volgt. Aan de ontvanger wordt aanbevolen om “dringend de ter zake geldende richtlijnen (...) te raadplegen ten einde in de toekomst dergelijk denkpatroon te vermijden”. In een brief van dezelfde dag schrijft de Gewestelijke Directeur Invordering te Leuven aan de verzoekster wat volgt : “Met uw brief van 27.12.1995 verzoekt u ondermeer om kwijtschelding van de interesten en kosten in verband met onderstaande aanslagen : Gemeente Aard Aanslagjaar Kohierartikel Ingekohierd bedrag Genk PB 1988 9721014 53.791 F Genk PB 1989 0703936 22.272 F Genk PB 1990 1701382 19.757 F Genk PB 1991 2705358 15.259 F Uw grieven betreffende de vestiging van de belasting zullen behandeld worden door de gewestelijk Directeur Taxatie te Hasselt onder het nummer
  5. Wat betreft de invorderingskwestie moet ik u vooreerst mededelen dat, aangezien u gehuwd was zonder huwelijkscontract, u onder het wettelijk stelsel valt zodat voormelde aanslagen, alsook de toebehoren waaronder de kosten en de nalatigheidsinteresten, een gemeenschappelijke schuld uitmaken, die zowel IX-109-3/11 bij toepassing van artikel 1414 en 1440 van het Burgerlijk Wetboek als krachtens de bepalingen van artikel 394 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 (WIB *92) lastens uw persoon kan worden ingevorderd. Dit heeft o.a. ook tot gevolg dat de toezending van het eerste aanslagbiljet (aan u en/of uw ex-echtgenoot) determinerend is voor de vertrekdatum van de nalatigheidsinteresten. Uw grief i.v.m. het ogenblik waarop u kennis kreeg van de aanslagen is bijgevolg ongegrond. Verwijzend naar de bewering van uw raadsman betreffende artikel 2705358, inkomsten 1990 (punt 4 van uw brief), moet ik er uw aandacht op vestigen dat de feitelijke scheiding sedert 1.08.1989 enkel een wijziging inhoudt inzake de familiale toestand van de echtgenoten en geen impact heeft op de rechten van de schuldeisers in verband met de schulden van de periode tijdens het huwelijk. Het huwelijk is ten aanzien van derden, waaronder de ontvanger van belastingen, pas ontbonden vanaf de dag van de overschrijving van het vonnis van echtscheiding in de registers van de burgerlijke stand (nl. 28.10.93). De ontvanger te Genk kon dan ook rechtsgeldig deze belastingen in uwen hoofde invorderen. Wat uw verzoek om kwijtschelding van de interesten betreft, blijkt uit het ingestelde onderzoek : - dat de aanslag, artikel 0703936 reeds volledig aangezuiverd was op het ogenblik van uw aanvraag; - dat de aanslagen, artikels 1701382 en 2705358 ondertussen eveneens volledig vereffend zijn en dat er slechts een relatief beperkt bedrag aan interesten (resp. 1.352 F en 1.200 F) terecht werd aangerekend op grond van de vigerende beschikkingen (art. 414 WIB *92 en art. 143, § 2, van het koninklijk besluit tot uitvoering van het WIB *92); - dat de gevraagde kwijtschelding niet noodzakelijk is om uw belastingschuld aan te zuiveren; - dat het toegestane afbetalingsplan reeds als voldoende tegemoetkoming moet worden beschouwd. Gelet op wat voorafgaat moet ik op grond van artikel 417 WIB *92 een afwijzende beslissing treffen. Uw aandacht wordt er overigens nog op gevestigd dat de aanrekening van nalatigheidsinteresten geenszins een bestraffing is, doch enkel een burgerlijke schadeloosstelling voor het wederrechtelijk in zijn bezit houden door de belastingschuldige van gelden die toekomen aan de Staat. Ter voldoening van het art. 2 van de wet van 11/04/1994 (B.S. van 30/06/1994) betreffende de openbaarheid van bestuur, vindt u in bijlage de nodige informatie i.v.m. de verdere beroepsmogelijkheden tegen mijn beslissing. Wat de vervolgingskosten betreft kan er aan uw verzoekschrift evenmin een gunstig gevolg worden voorbehouden. De vervolgingen werden door de betrokken ontvanger terecht ingesteld in het kader van de toepasselijke inningsprocedure en dit wegens wanbetaling op de wettige vervaldag.” Dit is de door verzoekster bestreden beslissing. Bevoegdheid van de Raad van State 2.
  6. De verwerende partij werpt een exceptie van onbevoegdheid op, geredigeerd als volgt: IX-109-4/11 “
  7. De Raad van State is niet bevoegd om te oordelen over het verzoekschrift, in zoverre het gericht is tegen de afwijzing van het verzoek tot kwijtschelding van de vervolgingskosten. Het verzoek om kwijtschelding van de vervolgingskosten valt immers buiten het toepassingsgebied van artikel 417 WIB ’92, daar dit artikel aan de gewestelijke directeur enkel de bevoegdheid geeft om in bijzondere gevallen vrijstelling van nalatigheidsintresten te verlenen. De vervolgingskosten vloeien voort uit de vervolgingen ingesteld door de ontvanger in het kader van de toepasselijke gemeenrechtelijke innings- procedure. Verzoekster kan het verschuldigd zijn van de kosten die verbonden zijn aan de gedwongen tenuitvoerlegging enkel betwisten voor (de) burgerlijke rechter (art. 1395 Ger.W.).
  8. Voor zover verzoekster zich verzet tegen het feit dat de belastingschuld tegen haar werd ingevorderd, is de Raad van State niet bevoegd aangezien ook dit geschil behoort tot de bevoegdheid van de rechterlijke macht (art. 1395 Ger.W.).
  9. Voor zover verzoekster betwist dat de belasting voor het aanslagjaar 1991 (artikel 2705358) in hoofde van verzoekster en haar ex-echtgenoot werd gevestigd en zij terugbetaling vraagt van de door haar betaalde belastingen, is de Raad van State niet bevoegd: inzake inkomstenbelastingen moet daartoe de in het WIB ’92 vastgelegde procedure (bezwaar bij de gewestelijk directeur, eventueel gevolgd door een voorziening bij het hof van beroep en een voorziening in cassatie) gevolgd worden. Verzoekster heeft trouwens een bezwaarschrift ingediend tegen de ingekohierde belastingen.
  10. Voor zover in het verzoekschrift de terugbetaling wordt gevorderd van door verzoekster betaalde nalatigheidsinteresten aangaande de aanslagen, artikel 9721014, artikel 0703936, artikel 1701382 en 2705358 met betrekking tot respectievelijk de aanslagjaren 1988, 1989, 1990 en 1991 is de Raad van State niet bevoegd.” 2.
  11. In haar memorie van wederantwoord preciseert de verzoekster dat uit haar verzoekschrift duidelijk blijkt dat haar beroep is gericht tegen “de afwijzende beslissing van de Gewestelijke Directeur Invordering te Leuven voor wat betreft de vrijstelling van de nalatigheidsintresten”. In het dispositief van die memorie vraagt zij de nietigverklaring van de bedoelde beslissing “voor wat betreft de afwijzing van de kwijtschelding van de nalatigheidsintresten op de aanslagen artikel 0703936, artikel 1701382 en 2705358”. 2.
  12. Blijkens de memorie van wederantwoord beperkt de verzoekster haar beroep uitdrukkelijk tot de nietigverklaring van de beslissing van de geweste- lijke directeur in zoverre deze het verzoek tot kwijtschelding van nalatigheidsinteresten verwerpt. Rekening houdend met die beperking, is de exceptie van onbevoegdheid in haar geheel zonder voorwerp. IX-109-5/11 Ontvankelijkheid van het beroep 3.
  13. De verwerende partij werpt ook een exceptie van onontvankelijkheid van het beroep op, afgeleid uit de schending van artikel 2, § 1, 2/, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling administratie (thans de afdeling bestuursrechtspraak) van de Raad van State. Volgens de verwerende partij wordt in het verzoekschrift geen enkele omschrijving gegeven van de overtreden rechtsregel en van de wijze waarop die regel door de bestreden rechtshandeling wordt geschonden, en wordt dus geen enkel rechtsmiddel aangevoerd. 3.
  14. In haar memorie van wederantwoord repliceert de verzoekster dat uit het verzoekschrift duidelijk blijkt dat haar beroep gericht is tegen de afwijzende beslissing van de Gewestelijke Directeur Invordering te Leuven voor wat betreft de vrijstelling van nalatigheidsintresten, en dat het aangevoerde rechtsmiddel derhalve een schending van artikel 417 WIB ’92 inhoudt. Blijkens de memorie van antwoord heeft de verwerende partij het middel trouwens ook in die zin begrepen, nu haar verweer uitsluitend bestaat in de stelling dat artikel 417 WIB ’92 niet is geschonden. 3.
  15. In haar verzoekschrift voor de Raad van State voert de verzoekster onder meer het volgende aan: “Ik vind dat men met hun antwoord (lees: met het schrijven van de Gewestelijke Directie Invorderingen te Leuven van 17 december 1996) ten onrechte een afwijzende beslissing treft. Ik heb altijd duidelijk laten blijken dat ik echt wel van goede wil ben door zelfs steeds naar de belastingen toe te stappen en te vragen welk mijn deel van de te betalen belastingen was, daar ik zelf nooit op de hoogte werd gebracht door hen. Ik vind het trouwens wel vreemd dat de deurwaarders mijn adres steeds kennen, maar de belastingen blijkbaar niet. Nooit heeft men mij laten weten dat mijn ex-man zijn belastingen niet betaalde en toch zou ik moeten opdraaien voor de intresten, dat kan toch niet. Als ik het antwoord van de Directie van Leuven lees, in hoeverre je als gewone burger die taal kunt begrijpen, heb ik echt de indruk dat wanbetalers in bescherming worden genomen en worden beveiligd. Men voelt zich blijkbaar sterk als men weet dat men toch beslag kan leggen op loon of goederen van mensen die een officieel loon ontvangen waar hard voor wordt gewerkt. Maar bij mensen die gaan stempelen en elke dag in *t zwart gaan werken kan men geen beslag op loon leggen en (weet men) goed dat deze mensen elke maand meer kunnen overhouden dan anderen. En dit is wel duidelijk bij mij het geval en dat vind ik echt wraakroepend. Ik moet echt besluiten dat ik van onze Belgische wetten niets begrijp.” IX-109-6/11 De Raad van State begrijpt deze uiteenzetting zo dat de verzoekster aanvoert dat de wet en het redelijkheidsbeginsel zijn geschonden doordat haar geen kwijtschelding van nalatigheidsinteresten is verleend, terwijl zij steeds van goede wil was en zij er niet van verwittigd werd dat haar ex- echtgenoot zijn deel van de belastingen niet betaalde. Weliswaar voert de verzoekster pas in haar memorie van wederantwoord uitdrukkelijk de schending aan van artikel 417 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 (WIB ’92), op grond dat de door de gewestelijke directeur aangehaalde motieven wettelijk niet toelaten te beslissen tot afwijzing van het verzoek tot kwijtschelding. Het is evenwel niet vereist dat de schending van een welbepaalde wetsbepaling of een welbepaald rechtsbeginsel uitdrukkelijk wordt aangevoerd. Het volstaat integendeel dat in het verzoekschrift een voldoende duidelijke omschrijving wordt gegeven van de rechtsregel die de verzoekende partij geschonden acht, alsook van de wijze waarop die regel geschonden zou zijn. De verwerende partij heeft de uiteenzetting in het verzoekschrift overigens ook begrepen in de zin als hiervóór beschreven, aangezien zij zelf op artikel 417 WIB ’92 steunt om de stelling ten gronde van de verzoekster tegen te spreken. De exceptie kan bijgevolg niet aangenomen worden. Gegrondheid van het beroep 4.
  16. De verzoekster roept een enig middel in, dat hiervóór reeds is geciteerd. De verzoekster voert in essentie aan dat zij gehouden wordt tot het betalen van nalatigheidsintresten op de door haar ex-echtgenoot verschuldigde en door hem niet betaalde belastingen, terwijl zij altijd van goede wil is geweest en men haar nooit heeft laten weten dat haar ex-echtgenoot zijn belastingen niet betaalde. In de memorie van wederantwoord preciseert de verzoekster dat haar grief erop neerkomt dat de gewestelijke directeur een toepassing maakt van artikel 417 WIB ’92 die steunt op wettelijk niet aanvaardbare motieven. 4.
  17. De verwerende partij antwoordt dat de directeur der belastingen op grond van artikel 417 WIB ’92 beschikt over een ruim appreciatierecht. Hij moet uitmaken of de belastingplichtige zich op grond van de aangevoerde redenen al dan niet in een bijzonder geval bevindt dat de vrijstelling van nalatigheidsintresten verantwoordt. Te dezen heeft de gewestelijke directeur de door de verzoekster in haar bezwaarschrift van 27 december 1995 aangevoerde feitelijke elementen IX-109-7/11 beoordeeld, en is hij tot het besluit gekomen dat die elementen niet kunnen worden gekwalificeerd als een bijzonder geval dat aanleiding geeft tot gehele of gedeeltelijke vrijstelling van nalatigheidsintresten en dat het aan de verzoekster toegestane afbetalingsplan als een voldoende tegemoetkoming moet worden beschouwd. 4.3.
  18. Luidens artikel 417 WIB ’92 mag de directeur der belastingen “in bijzondere gevallen”, onder door hem bepaalde voorwaarden, vrijstelling verlenen voor al de nalatigheidsinteresten of voor een deel ervan. Deze bepaling, voorheen vervat in artikel 307 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen, vindt haar oorsprong in artikel 28, § 1, van de wet van 20 augustus 1947 waarbij een wijziging is aangebracht in de vroegere gecoördineerde wetten van 12 september 1936 betreffende de belastingen op de inkomsten. In de memorie van toelichting bij het ontwerp dat geleid heeft tot de voormelde wet van 20 augustus 1947 wordt in verband met artikel 27 (dat nadien artikel 28 is geworden) onder meer het volgende gesteld: “Artikel 27 strekt ertoe de administratie toe te laten in bijzondere gevallen vrijdom of vermindering van de nalatigheidsinteresten te verlenen. Het sluit in zich dat het feit gemak te verkrijgen voor de betaling van belastingen die gunst niet van ambtswege medebrengt. Van nalatigheidsinteresten zal slechts worden afgezien in geval de moeilijke financiële toestand van de belastingplichtige aan een oorzaak buiten zijn wil te wijten is of wanneer zijn financiële toestand zo is dat hij, vóór afzienbare tijd, niet in staat zal zijn afbetalingen te storten die nauwelijks toereikend zijn om de nalatigheidsinteresten te betalen, indien deze mochten blijven lopen. Daarentegen mag mildering van de nalatigheidsinteresten niet verleend worden aan belastingplichtigen die gemak verkrijgen voor de aanzuivering van hun belastingschuld, met het doel, bij voorbeeld, hun een gedwongen, ongepaste of nadelige te gelde making van hun goederen te besparen. Mildering van de nalatigheidsinteresten wordt zonder verplichting verleend : de administratie kan ze afhankelijk stellen van zulke beperkingen als zij raadzaam oordeelt en de maatregel kan tegen de administratie niet aangevoerd worden wanneer zij, ten einde haar in gevaar gebrachte rechten te vrijwaren, oordeelt onmiddellijk te moeten optreden” (Parl. St., Kamer, 1946- 47, nr. 59, pp. 23-24). Onder meer in zijn arresten nrs. 25.408 van 29 mei 1985, 32.784 van 23 juni 1989 en 35.726 van 24 oktober 1990 heeft de Raad van State gesteld dat de gewestelijke directeur met betrekking tot de “bijzondere gevallen” bedoeld in artikel 417 WIB ’92 over een zeer ruime beoordelingsbevoegdheid beschikt en dat zijn bevoegdheid terzake niet begrensd wordt door de beperkende uitleg vervat in de memorie van toelichting bij de wet van 20 augustus 1947, noch dat hij zich dient te voegen naar ministeriële toelichtingen of circulaires, welke slechts als IX-109-8/11 aanbeveling gelden. Ook in de voorliggende zaak huldigt de Raad van State deze opvatting. Zoals elke administratieve beslissing, moeten de beslissingen van de gewestelijke directeurs echter op rechtens aanvaardbare motieven berusten, die steun vinden in werkelijk bestaande feiten. Dit houdt ook in dat de gewestelijke directeur moet aangeven waarom hij de door de partijen aangebrachte argumenten niet heeft aanvaard. 4.3.
  19. Te dezen was het verzoek van de verzoekster tot vrijstelling van de nalatigheidsinteresten gesteund, enerzijds, op de onmogelijkheid voor haar om de gevorderde belastingen en intresten in één keer te betalen, en anderzijds, op het feit dat zij van goede wil was, zij haar deel van de verschuldigde belasting steeds betaald had, en zij er niet van op de hoogte gebracht was dat er door het gezin of door haar ex-echtgenoot nog belastingen te betalen waren. In de brief van de gewestelijke directeur van 17 december 1996 worden aan de verzoekster, na een aantal beschouwingen in verband met de wettigheid van de invordering, de motieven opgegeven op grond waarvan de directeur het verzoek tot “kwijtschelding van de intresten” afwijst. De gewestelijke directeur overweegt met name dat de aanslagen voor de aanslagjaren 1989, 1990 en 1991 ondertussen volledig vereffend zijn, dat slechts een relatief beperkt bedrag aan intresten aangerekend wordt, dat de gevraagde kwijtschelding niet noodzakelijk is om de belastingschuld aan te zuiveren, en dat het toegestane afbetalingsplan als een voldoende tegemoetkoming moet worden beschouwd. Noch uit de motieven van de bestreden beslissing, noch zelfs uit het administratief dossier blijkt dat de gewestelijke directeur rekening gehouden heeft met wat in feite het hoofdargument van de verzoekster was, met name dat zij steeds van goede wil is geweest en dat zij er niet van op de hoogte werd gebracht dat haar echtgenoot, van wie zij feitelijk gescheiden was, zijn deel van de belastingen niet betaald had. Door geen standpunt in te nemen over die door de verzoekster ingeroepen omstandigheden, heeft de gewestelijke directeur nagelaten om de hem door de wet toegekende beoordelingsbevoegdheid concreet uit te oefenen. Bovendien geeft zijn beslissing blijk van een beperkende interpretatie van de mogelijkheid tot het verlenen van een vrijstelling. De gewestelijke directeur gaat immers enkel na of de financiële toestand van de belastingplichtige zodanig is dat deze vóór afzienbare tijd niet in staat zal zijn om de nalatigheidsinteresten te betalen, indien deze mochten blijven lopen. Hiermee beperkt de gewestelijke directeur het toepassingsgebied van artikel 417 WIB ’92 in feite tot één van de gevallen vermeld in de memorie van toelichting bij IX-109-9/11 het ontwerp dat geleid heeft tot de wet van 20 augustus 1947, terwijl geen rekening wordt gehouden met de mogelijkheid dat er nog andere “bijzondere gevallen” zijn. De conclusie is dan ook dat de motieven waarop de beslissing van de gewestelijke directeur blijkens zijn brief van 17 december 1996 steunt, niet wettelijk aanvaardbaar zijn. In zoverre schendt de bestreden beslissing artikel 417 WIB ’92, en is het middel gegrond. BESLUIT: Artikel
  20. Vernietigd wordt de beslissing van 17 december 1996 van de Gewestelijke Directeur Invordering te Leuven, in zoverre daarmee aan de verzoekster een vrijstelling voor de nalatigheidsinteresten inzake de personenbelasting voor de aanslagjaren 1988, 1989, 1990 en 1991 wordt geweigerd. Artikel
  21. Het beroep wordt voor het overige verworpen. Artikel
  22. De kosten van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 99,16 euro, komen ten laste van de Belgische Staat. IX-109-10/11 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op 17 september 2007, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. P. LEMMENS, kamervoorzitter, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, D. MOONS, staatsraad, Mevr. V. WAUTERS, griffier. De griffier, De voorzitter, V. WAUTERS. P. LEMMENS. IX-109-11/11 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.174.521 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.