← België

Arrest 174523 - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan - 17/09/2007

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 17 september 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.174.523 Rolnummer: A. 61691/IX-91 Zaak: Arrest 174523 - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan - 17/09/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-10-09 Raadplegingen: 61 - laatst gezien 2026-06-30 01:06 Fiche Arrest nr 174.523 van 17 september 2007 Openbaar ambt - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 174.523 van 17 september 2007 in de zaak A. 61.691/IX-

  1. In zake : André VAN AELST, die woonplaats kiest bij V.S.O.A. - Groep Post, gevestigd te BRUSSEL, Centrumgalerij, blok 2, nr. 244 tegen : de POST. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat André VAN AELST op 4 januari 1995 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van de beslissing “waarbij hem het statutair voorziene recht wordt ontzegd om bij het beëindigen van de proefperiode van 6 maanden naar zijn oorspronkelijke standplaats terug te keren”; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur M. LEFEVER; Gelet op de beschikking van 30 september 1997 die de neerleg- ging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memories; Gelet op de beschikking van 11 juli 2007 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 10 september 2007; Gehoord het verslag van kamervoorzitter P. LEMMENS; IX-91-1/5 Gehoord de opmerkingen van juriste L. VAN HOOREN, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelings- hoofd M. LEFEVER; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, OVERWEEGT WAT VOLGT : Over de gegevens van de zaak 1.
  2. De verzoeker, die tewerkgesteld was bij de Algemene Directie 3 (Personeel) van de verwerende partij, vroeg eind 1993 een mutatie naar de gewestelijke directie Leuven. Zijn verzoek werd ingewilligd en met toepassing van de geldende reglementering verkreeg hij vanaf 1 februari 1994 een voorlopige benuttiging van zes maanden op een vacante betrekking van opsteller bij die gewestelijke directie. 1.
  3. Toen hij na die zes maanden definitief kon worden gemuteerd naar de gewestelijke directie Leuven, tekende hij eerst de nota tot titularisering, maar kwam hij daar later op terug. In een brief van 22 juli 1994 aan de gewestelijke directeur vroeg hij een einde te willen stellen aan zijn voorlopige benuttiging te Leuven en hem vanaf 1 augustus 1994 te laten terugkeren naar zijn vroegere dienst, namelijk de Algemene Directie 3, en dit “om persoonlijke en familiale redenen”. 1.
  4. Volgens de verzoeker werd hem eerst meegedeeld dat hij op 1 augustus 1994 zou kunnen terugkeren naar de Algemene Directie 3, maar werd die mededeling nadien herroepen. Volgens de verwerende partij zou de gewestelijke directeur op 26 juli 1994 geopteerd hebben voor het behoud van de verzoeker te Leuven en zou de inspecteur-generaal in die zin beslist hebben op 28 juli
  5. De verzoeker zou op 1 augustus 1994 van deze beslissing op de hoogte zijn gebracht. 1.
  6. De verzoeker werd op 9 september 1994 op zijn verzoek gehoord door een inspecteur-generaal. Toen hij eind oktober nog geen verder nieuws had gekregen, vroeg hij met een schrijven van 24 oktober 1994 aan de beheerder- IX-91-2/5 directeur bevoegd voor het personeel of hem een beslissing over zijn aanvraag tot mutatie kon worden meegedeeld. 1.
  7. Met een brief van 9 november 1994 wordt hem dan meegedeeld dat de bestuurder-directeur blijft bij de eerder genomen beslissing, die “momenteel” een terugkeer uitsluit. Er wordt wel aangestipt dat het evident is dat de verzoeker zijn kandidatuur kan indienen indien de Algemene Directie 3 ambtenaren van niveau 2 wenst te verkrijgen. Over de ontvankelijkheid van het beroep
  8. In antwoord op een vraag van het auditoraat naar de op dat ogenblik bestaande administratieve toestand van de verzoeker liet de verwerende partij op 1 juli 1997 weten dat de verzoeker met ingang van 1 november 1995, naar aanleiding van een vrijwillige mutatie, opnieuw een betrekking heeft verkregen bij de Algemene Directie
  9. Dientengevolge heeft het Auditoraat aan de verzoeker gevraagd of hij nog belang meende te hebben bij de door hem gevorderde vernietiging. Met een brief van 11 juli 1997 antwoordt de verzoeker dat hij inderdaad sinds 1 november 1995 een mutatie heeft verkregen naar de Algemene Directie
  10. Hij stelt verder dat aangezien het verlies van direct belang niet aan hemzelf is toe te schrijven en het beroep ook niet kennelijk onontvankelijk of ongegrond is, het hem billijk lijkt om de kosten te laste van de verwerende partij te leggen. Uit het schrijven van de verzoeker blijkt duidelijk dat deze van mening is geen verder belang meer te hebben bij zijn beroep. De verzoeker betwist dit ook niet in zijn laatste memorie, na het auditoraatsverslag waarin de auditeur tot deze conclusie komt. Over de kosten
  11. In zijn brief van 11 juli 1997 vraagt de verzoeker dat de kosten ten laste zouden worden gelegd van de verwerende partij. In zijn laatste memorie voert hij hieromtrent nog aan dat hij zich weliswaar kandidaat gesteld heeft voor een mutatie, maar dat dit gebeurd is omdat hij anders de mutatie van een collega had moeten aanvechten. De verzoeker betoogt voorts dat, indien hij zijn kandidatuur IX-91-3/5 voor een mutatie niet had gesteld, hem ongetwijfeld zou zijn aangewreven dat hij ingevolge een gebrek aan belangstelling zijn belang verloren had. Hij stelt ten slotte dat juist het feit dat de verwerende partij geenszins heeft toegegeven dat haar oorspronkelijke houding onregelmatig was, de grondslag vormt voor zijn verzoek om de kosten te haren laste te leggen, om zo toch een morele genoegdoening te verkrijgen. Het feit dat de verzoeker geen belang meer heeft bij zijn beroep is het gevolg van een door hem in het kader van een nieuwe mutatieprocedure ingediende aanvraag. Het betreft aldus geen feit dat aan de verwerende partij kan worden toegerekend. De verwerende partij is geenszins van mening veranderd met betrekking tot de bestreden weigering en heeft niet toegegeven dat haar oorspron- kelijke houding onregelmatig was. Derhalve is er geen reden om de verwerende partij te verwijzen in de kosten. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
  12. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  13. De kosten van het beroep, bepaald op 99,16 euro, komen ten laste van de verzoeker. IX-91-4/5 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op 17 september 2007, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. P. LEMMENS, kamervoorzitter, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, D. MOONS, staatsraad, Mevr. V. WAUTERS, griffier. De griffier, De voorzitter, V. WAUTERS. P. LEMMENS. IX-91-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.174.523 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.