← België

Arrest 174604 - Overheidsopdrachten - 18/09/2007

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 18 september 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.174.604 Rolnummer: A. 184987/XII-5168 Zaak: Arrest 174604 - Overheidsopdrachten - 18/09/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-09-21 Raadplegingen: 63 - laatst gezien 2026-06-30 01:14 Fiche Arrest nr 174.604 van 18 september 2007 Overheidsopdrachten en openbare werken - Overheidsopdrachten Beslissing : Verwerping Inwilliging tussenkomst Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 174.604 van 18 september 2007 in de zaak A. 184.987/XII-

  1. In zake : de NV INTERNATIONAL BUILDING ORGANISATION, (IBO), die woonplaats kiest bij advocaat R. Heijse, kantoor houdende te Gent, Zandvoordestraat 141 tegen : de REGIE DER GEBOUWEN, die woonplaats kiest bij advocaat L. Wynant, kantoor houdende te 1050 Brussel, Louizalaan
  2. tussenkomende partij : de NV HOUBEN, die woonplaats kiest bij advocaat J. Stijns, kantoor houdende te Leuven, Ubicenter, Philipssite
  3. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE VOORZITTER VAN DE XIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat de NV International Building Organisation (IBO) op 30 augustus 2007 heeft ingediend om bij uiterst dringende noodzakelijkheid de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van “- de beslissing van 18 juli 2007 van de Regie der Gebouwen, ondertekend door de heer Reynders, Minister van Financiën, waarbij de opdracht voor aanneming van werken van de Regie der Gebouwen ‘Asse-Huisvesting van de Federale Politie, nieuwbouw perceel 1 ruwbouw’ (openbare aanbesteding, gekend onder het bestek nr 06/21.0584/073A)’ aan de onderneming N.V. Houben wordt gegund en de offerte van N.V. IBO wordt geweerd op grond van een absolute nietigheid ten gevolge van een voorbehoud, - de impliciete beslissing van de Regie der Gebouwen om de voormelde opdracht niet aan de NV IBO te gunnen”; XII-5168-1/5 Gezien de nota van de verwerende partij; Gelet op de beschikking van 31 augustus 2007 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 13 september 2007, om 9.30 uur; Gezien het op 7 september 2007 ingediende verzoekschrift waarbij de NV Houben vraagt in het administratief kort geding te mogen tussenkomen; dat zij voordeel blijkt te halen uit de bestreden beslissing en erbij belang heeft dat de vordering wordt afgewezen; dat haar verzoek dienvolgens moet worden ingewilligd; Gehoord het verslag van kamervoorzitter D. Verbiest; Gehoord de opmerkingen van advocaat R. Heijse, die verschijnt voor de verzoekende partij, van advocaat A. De Becker, die verschijnt voor de verwerende partij, en van advocaat R. Verlinden, die verschijnt voor de tussenkomende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur P. Barra; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, OVERWEEGT WAT VOLGT : Krachtens artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid worden besloten onder de drievoudige voorwaarde dat uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is, dat ernstige middelen worden aangevoerd die de nietigverklaring van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen. Wat de eerste en de derde in het voornoemde artikel 17 vermelde voorwaarden betreft, beroept de verzoekende partij zich inzake het nadeel in wezen op de mogelijkheid om zelf de in het geding zijnde opdracht te kunnen uitvoeren, die zij door de gevraagde schorsing wil vrijwaren. In haar betoog betreffende de XII-5168-2/5 uiterst dringende noodzakelijkheid wijst zij erop dat de procedure tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid gerechtvaardigd is om te voorkomen dat door een betekening van de toewijzingsbeslissing een contract tussen het bestuur en de tussenkomende partij tot stand komt. De verzoekende partij verwijst eveneens naar briefwisseling van de verwerende partij uitgaand op 14 en 23 augustus 2007 waarin laatstgenoemde telkens aankondigt dat zij de opdracht zal betekenen, indien ze ten laatste de tiende kalenderdag volgend op die kennisgeving van verzoekende partij geen bewijs heeft ontvangen dat deze daadwerkelijk voor de Raad van State een procedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid heeft ingeleid. Overwegende dat de verwerende partij in haar nota geen beschouwingen wijdt aan de genoemde schorsingsvoorwaarden. De schorsingsprocedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid is, zoals de Raad van State reeds herhaaldelijk heeft vastgesteld, en zulks uitvoerig onder meer in zijn arrest NV Laboratoria Van Vooren, nr. 127.069 van 13 januari 2004, niet geschikt om de gewone procedure te zijn die de beoogde rechtsbescherming kan bieden in het domein van de overheidsopdrachten. Die procedure dient uitzonderlijk te blijven teneinde niet in te gaan tegen de economie van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, waarin tussen de gewone schorsingsprocedure en de procedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid duidelijk onderscheid wordt gemaakt. Overigens zijn die twee procedures volgens die wetten geen procedures ten gronde maar procedures die enkel in voorlopige uitspraken kunnen resulteren. Indien de Raad van State moet beslissen of hij dergelijke rechtspleging -overigens uiterst summier geregeld- in het domein van de overheidsopdrachten dient toe te passen, hij versus de wetgever zou handelen indien hij de toegang tot die procedure zodanig zou vergemakkelijken dat ze als de gewone schorsingsprocedure in dat domein zou gaan gelden. De schorsingsprocedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid mag aldus slechts worden aangewend in de gevallen waarin de wet deze uitdrukkelijk voorschrijft zoals in het -te dezen niet toepasselijke- artikel 21 bis van de wet van 24 december 1993 betreffende de overheidsopdrachten en sommige opdrachten voor aanneming van werken, leveringen en diensten, en daarnaast in de enkele gevallen dat een gewone vordering tot schorsing te laat zou komen om het nadeel te weren. Aldus mag ook niet worden aanvaard dat voor de Raad van State de partijen zelf, -omzeggens bij overeenkomst-, XII-5168-3/5 de betrokken spoedprocedure als de te volgen procedure kiezen. Die procedure wordt daarentegen dwingend door de betrokken regelgeving bepaald. Te dezen geeft de verwerende partij geen dwingende noodzaak op om eerstdaags de beslissing tot toewijzing van de opdracht te moeten betekenen. In dat verband moet worden opgemerkt dat de offertes reeds werden geopend op 14 december 2006 en pas op 18 juli 2007 de bestreden toewijzingsbeslissing werd genomen. Overigens mag worden verwacht dat een gewone schorsingsprocedure bij de Raad van State door de verzoekende partij, op wie in de context van de voorliggende betwisting eveneens een plicht tot diligent handelen rust, zeer snel kan en zal worden ingesteld indien zij daartoe nog zou beslissen. De termijn daartoe is overigens al deels verstreken. Ingeval de verwerende partij de toewijzingsbeslissing toch zou betekenen na de huidige uitspraak van de Raad van State, vooraleer de termijn om een gewone schorsing in te dienen is verlopen of vooraleer op de gewone schorsingsvordering uitspraak is gedaan, zou een dergelijke betekening strijdig lijken met wat van een consistent en zorgvuldig handelend bestuur mag worden verwacht. Uit hetgeen voorafgaat volgt dat te dezen niet blijkt dat de gewone schorsingsprocedure onherroepelijk te laat zou komen om het aangevoerde nadeel te weren; dat aldus niet is voldaan aan de eerste van de door artikel 17 gestelde voorwaarden, die vervuld moeten zijn om de schorsing toe te wijzen; Er mag worden aangenomen dat de keuze voor de toepassing van de schorsingsprocedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid het initiatief van de verwerende partij was. Dienvolgens is het passend de kosten lastens die partij te leggen, OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
  4. Het verzoek tot tussenkomst van de NV Houben in het administratief kort geding bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt ingewilligd. XII-5168-4/5 Artikel
  5. De vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt verworpen. Artikel
  6. De kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verwerende partij. De kosten van de tussenkomst in de schorsingsprocedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid, bepaald op 125 euro, komen ten laste van de tussenkomende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op achttien september 2007, door : de H. D. VERBIEST, kamervoorzitter, Mevr. S. DOMS, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DOMS. D. VERBIEST. XII-5168-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.174.604 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.