← België

Arrest 174743 - Diploma’s - 20/09/2007

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 20 september 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.174.743 Rolnummer: A. 185125/XII-5199 Zaak: Arrest 174743 - Diploma's - 20/09/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-09-25 Raadplegingen: 59 - laatst gezien 2026-06-30 01:35 Fiche Arrest nr 174.743 van 20 september 2007 Onderwijs en cultuur - Diploma's Beslissing : Bevolen Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 174.743 van 20 september 2007 in de zaak A.185.125/XII-

  1. In zake : Katrin EYCKMANS, die woonplaats kiest bij advocaat Ph. Declercq, kantoor houdende te Leuven, Tiensesteenweg 271 tegen : de VZW COMITE VOOR ONDERWIJS, die woonplaats kiest bij advocaat J. Bergé, kantoor houdende te Leuven, Naamsestraat
  2. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat de minderjarige Katrin Eykmans, vertegenwoordigd door haar ouders Marc Eyckmans en Anne Renmans, op 13 september 2007 heeft ingediend om bij uiterst dringende noodzakelijkheid de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van de beslissing van 3 september 2007 van de klassenraad van het tweede leerjaar van de tweede graad, Sport ASO, van het Heilig-Hartinstituut te Heverlee om haar een oriënteringsattest-B te verlenen “dat toegang geeft tot het volgend leerjaar behalve in economie-wiskunde ASO, Grieks-Latijn ASO, Grieks-wetenschappen ASO, Grieks-wiskunde ASO, Latijn- moderne talen ASO, Latijn-wetenschappen ASO, Latijn-wiskunde ASO, moderne talen-wiskunde ASO, wetenschappen-wiskunde ASO”; Gezien de nota van de verwerende partij; Gelet op de beschikking van 17 september 2007 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 18 september 2007, om 15.30 uur; Gehoord het verslag van staatsraad J. Lust; XII-5199-1/8 Gehoord de opmerkingen van advocaat G. Havet, die loco advocaat Ph. Declercq verschijnt voor verzoekster, en van advocaat J. Bergé, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur D. Mareen; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, OVERWEEGT WAT VOLGT : De feiten
  3. Verzoekster is tijdens het schooljaar 2006-2007 leerlinge in het tweede leerjaar van de tweede graad Sport ASO, in het Heilig-Hartinstituut te Heverlee. De delibererende klassenraad beslist op 25 juni 2007 haar een oriënteringsattest-B te verlenen. Als reden wordt meegedeeld : “Katrin, jij hebt gemiddeld een onvoldoende voor het vak Wiskunde

(47)en daarom heeft de klassenraad besloten jou een B-attest te geven. Dit betekent dat je geslaagd bent, maar niet voor de studierichtingen opgesomd in de clausulering (studierichtingen met 6u Wiskunde)”. Aangezien het overleg met de directie vruchteloos blijft, tekent verzoekster met een brief van 4 juli 2007 beroep aan bij de interne beroepscommissie. In de brief wordt onder meer aangevoerd dat verzoekster in de drie vorige jaren goede resultaten heeft behaald, ook voor wiskunde, dat zij tevens in het schooljaar 2006- 2007 goede resultaten heeft gehaald, behalve voor wiskunde in het begin van het jaar, dat niettemin het resultaat voor wiskunde “in stijgende lijn [is] gegaan en wel op spectaculaire wijze nu zij eerst 32%, daarna 44% en uiteindelijk 68% heeft behaald op dit vak”, dat zij met de laatste score het derde beste resultaat van de klas had, dat het tekort, op jaarbasis, slechts miniem is, dat haar punten voor wiskunde dicht bij de mediaan liggen en dat slechts enkele leerlingen meer dan 50 % halen, dat het gelet op de concrete omstandigheden niet te verstaan is waarom een B-attest werd gegeven. In haar advies van 5 juli 2007 wijst de interne beroepscommissie erop dat er voor een tekort van wiskunde 5 uur in het vierde jaar ASO richtnormen zijn opgesteld, dat er in een afwijkingsmogelijkheid wordt voorzien op basis van de deelresultaten voor leerweg 4 en leerweg 5, dat verzoekster op jaarbasis 54,5 % haalt XII-5199-2/8 voor de vragen van leerweg 4 en 26,5 % voor de vragen van leerweg 5, en dat de beslissing van de klassenraad volledig conform is met deze richtlijnen en dus zeker niet onredelijk. Wel wordt eveneens verwezen naar de mogelijkheid om de extreme positieve evolutie voor de punten van wiskunde als een objectief verzachtende omstandigheid in de zin van punt 8.1 van de deliberatierichtlijnen te beschouwen. De inrichtende macht beslist op 13 juli 2007 dat de klassenraad opnieuw dient samen te komen. Finaal besluit de klassenraad op 3 september 2007 weer tot de afgifte van een oriënteringsattest-B. De motivering luidt : “Katrin, Je hebt een gemiddeld jaartekort voor het vak wiskunde van 47%. Op basis daarvan heeft de klassenraad unaniem beslist jou het bovenvermeld B-attest te geven. Dat houdt in dat de klassenraad oordeelt dat je voor het vak wiskunde voldoende basiskennis en basisvaardigheden hebt verworven om studierichtingen met 4 uur wiskunde aan te kunnen. Je hebt daarentegen onvoldoende basiskennis en basisvaardigheden verworven om te kunnen slagen in studierichtingen met 6 uur wiskunde. De sterke evolutie in punten voor het vak wiskunde over de drie trimesters heen vormt hierbij geen verzachtende omstandigheid. De klassenraad heeft zich immers naast de ruwe punten ook laten leiden door de analyse van jouw resultaten voor wiskunde en heeft daarom geoordeeld de vastgelegde deliberatiecriteria strikt op te volgen”. De schorsingsvoorwaarden
  1. Krachtens artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid worden besloten onder de drievoudige voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de nietigverklaring van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden, dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen, en dat een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is. De voorwaarde van de ernstige middelen
  2. Verzoekster voert in een tweede middel de schending aan van de motiveringsplicht, onder meer doordat de bestreden beslissing niet uitlegt wat wordt bedoeld met onvoldoende basiskennis en basisvaardigheden om te kunnen slagen in studierichtingen met zes uur wiskunde, doordat evenmin wordt verantwoord waarom de evolutie van de punten geen verzachtende omstandigheid is, doordat de bestreden XII-5199-3/8 beslissing geen antwoord geeft op de precieze vragen in het beroepschrift, en doordat zij er het raden naar heeft “waarom een analyse nodig is, niet van de ruwe punten, maar naast de ruwe punten, [en] waarom in dat geval vastgelegde deliberatiecriteria, waarvan de vastlegging ongekend is en waar die criteria eveneens ongekend zijn, strikt dien[en] opgevolgd te worden”.
  3. Verwerende partij antwoordt in de eerste plaats dat de bestreden beslissing wel degelijk op juiste en draagkrachtige motieven berust. Met een verwijzing naar “de analyse van de slechte resultaten voor leerweg 5 (stuk 7)”, betoogt zij dat “het eindresultaat van 47% een zeer gedifferentieerde werkelijkheid verbergt, en niet gewoon een als een zeer beperkt omschreven tekort van 3% is”. Namelijk zouden “de vragen van de summatieve toetsen met Kerstmis en Pasen en in juni zijn opgedeeld volgens de leerdoelen voor de zogenaamde leerweg 4, d.i. te verwerven kennis voor de studierichting 4 uur wiskunde, respectievelijk voor leerweg 5, d.i. de studierichting met vijf uur wiskunde, die de verzoekende partij volgde” en zou uit de cijfers blijken “dat de resultaten voor leerweg 5 over het hele jaar beduidend lager liggen dan de resultaten voor leerweg 4 (resp. 54,4% en 26,5%) en dat de resultaten voor leerweg 5 op elke summatieve toets bijzonder laag waren (resp. 13%, 23% en 40%)”. Het resultaat van de summatieve toets van juni 2007 moet volgens verwerende partij dan ook gerelativeerd worden en geeft geen indicatie omtrent de werkelijk verworven kennis en vaardigheden om een studierichting met zes uur wiskunde te volgen. Voorts wordt opgemerkt dat het niet nodig is dat de beslissing een omstandige toelichting bevat met betrekking tot de betekenis van de punten, rapporten en eindbeslissingen omdat verzoekster “niet geacht [moet] worden om de toegelichte leerdoelen, de betekenis van de leerwegen en de gedifferentieerde vraagstelling van de summatieve toetsen van een belangrijk vak als wiskunde niet te kennen”. Naar de mening van verwerende partij is de draagwijdte van het motief “kenbaar”, stellen de gebruikelijke momenten van communicatie en overleg in staat het motief te begrijpen en is het “niet nodig dat de beslissing op intern beroep antwoordt op alle grieven of middelen, maar wel dat de motieven die in de beslissing worden opgenomen deze ook kunnen dragen”.
  4. Op het eerste gezicht komt de formele motivering van de bestreden beslissing hierop neer dat verzoekster voor het vak wiskunde slechts een jaargemid- delde van 47 % behaalt en dat er, gelet op “de analyse van [haar] resultaten voor wiskunde”, geen reden is om van “de vastgelegde deliberatiecriteria” af te wijken. XII-5199-4/8
  5. De verwijzing naar de niet nader toegelichte “analyse” van de resultaten voor wiskunde is, als zodanig, cryptisch en mysterieus. Dat doet evident bezwaren rijzen vanuit het oogpunt van de formele-motiveringsplicht. Dit is des te meer het geval omdat de klassenraad de bestreden beslissing genomen heeft in het kader van een beroepsprocedure met betrekking tot een eerder besluit waartegen verzoekster als fundamentele klacht had ingebracht dat het niet te verstaan is waarom in de concrete omstandigheden van de zaak -waaronder “punten voor wiskunde in de stijgende lijn en in het 3de trimester zeer goed”- een B-attest wordt gegeven, én omdat de klacht dan toch in zoverre weerklank had gevonden bij de interne beroepscommissie dat deze het schoolbestuur geadviseerd had de klassenraad opnieuw samen te roepen, na er uitdrukkelijk op gewezen te hebben dat de extreme evolutie voor de punten van wiskunde als een objectief verzachtende omstandigheid kan worden beschouwd. In een dergelijk geval was het bijzonderlijk zaak voor de klassenraad om, ingeval zij van mening bleef een B-attest te moeten uitreiken, in de nieuwe beslissing zelf met een minimum aan precisie de gegevens te vermelden waaruit kan blijken dat zij pas tot haar besluit is gekomen na het argument van de positieve evolutie in de punten wiskunde met gepaste ernst te hebben onderzocht en afgewogen. De formele motivering van de bestreden beslissing lijkt daar echter hoegenaamd niet aan te beantwoorden.
  6. Dat verzoekster de bedoelde analyse en namelijk, zoals verwerende partij ze in haar nota omschrijft, “de analyse van de slechte resultaten voor leerweg 5” kende of minstens behoorde te kennen, wordt alvast in de huidige stand van de procedure niet aangenomen. Mogelijk zou daar anders over geoordeeld moeten worden indien verzoekster kennis had van de deliberatiecriteria. Volgens die richtlijnen geldt immers bij een tekort voor wiskunde de 5 uur in het 4 jaar ASO als richtnorm onder andere: “Vanaf 49 %: B-attest voor studierichtingen met 6u wiskunde (ASO)”, met dien verstande dat daarvan kan worden afgeweken “op basis van de deelresultaten van leerweg 4 en leerweg 5”. Dit wetende, in voorkomend geval, kon verzoekster misschien begrepen hebben dat met de meer vermelde “analyse” op de studie van die deelresultaten, en dan allicht de slechte resultaten voor leerweg 5, werd gealludeerd. XII-5199-5/8 Evenwel blijkt uit niets dat verzoekster de deliberatierichtlijnen kende, dan wel kon of moest kennen.
  7. Ten slotte is de formele motivering problematisch, zélfs in de veronderstelling dat verzoekster aan de inhoudsloze verwijzing naar de “analyse” van haar resultaten genoeg had om te begrijpen dat de sterke evolutie van haar punten voor wiskunde terzijde werd geschoven op grond van de uitsplitsing van haar punten volgens vragen van leerweg 4 en leerweg 5, en de vaststelling dat zij voor de vragen van leerweg 5 slechts 27 % op jaarbasis behaalde. Het advies van de interne beroepscommissie doet er immers op niet mis te verstane wijze van blijken dat voor het afwijken van de hiervoor vermelde richtnorm in de deliberatierichtlijnen, niet alleen de deelresultaten van leerweg 4 en leerweg 5 in aanmerking genomen kunnen worden, maar ook “‘objectieve’ verzach- tende omstandigheden in de evolutie”, zoals de “extreme positieve evolutie voor de punten van wiskunde”. Niettegenstaande het dus blijkbaar om twee verschillende en van mekaar te onderscheiden mogelijkheden tot afwijking van de deliberatie- richtnorm gaat, motiveert verwerende partij de verwerping van de ene afwijkingsmo- gelijkheid in essentie hierdoor dat niet aan de voorwaarden voor de toepassing van de andere voldaan is. Een dergelijke motivering lijkt naast de kwestie en niet afdoende.
  8. Het middel is in de besproken mate ernstig. De voorwaarde van het moeilijk te herstellen ernstig nadeel en van de uiterst dringende noodzakelijkheid
  9. Verzoekster zet uiteen dat ze door de bestreden beslissing dreigt een schooljaar te verliezen aangezien zij zes uur wiskunde wil volgen met het oog op haar latere studiekeuze, “in het bijzonder om haar kansen maximaal te behouden voor de latere studies van bvb. geneeskunde”.
  10. Verwerende partij reageert in de eerste plaats dat het niet bewezen is dat verzoekster een schooljaar dreigt te verliezen, vermits zij zich als vrije leerling in een richting zes uur wiskunde gedurende het schooljaar 2007-2008 heeft ingeschreven én vermits zij zich ook heeft ingeschreven voor herkansing van het examen wiskunde bij de centrale examencommissie. In de tweede plaats merkt XII-5199-6/8 verwerende partij op dat als verzoekster dan toch een schooljaar verliest, dit uitsluitend het gevolg is van haar eigen beslissing : “de verzoekende partij [plaatst] zich door de inschrijving als vrije leerling in een geclausuleerde studierichting en tegelijk bij de Centrale Examencommis- sie in een positie die prim[a] facie meer risico’s inhoudt, dan wanneer zij zich als reguliere leerling had ingeschreven in een 5de jaar van een niet-geclausuleerde studierichting. Indien de verzoekende partij niet in haar gedurfd opzet slaagt, verliest zij met zekerheid een studiejaar, wat in principe niet het geval zal zijn indien zij een niet-geclausuleerde studierichting kiest, en deze opdracht vanaf 01 september gedurende het lopende schooljaar opneemt zoals het behoort”.
  11. Dat verzoekster geen schooljaar verliest indien zij een niet- geclausuleerde studierichting kiest, doet niet ter zake. Waar het haar, en bijgevolg hier, om gaat is dat “zij 6 uren wiskunde wil volgen[...] met het oog op haar latere studiekeuze, wat haar nu ontnomen wordt”. Indien zij haar jaar moet overdoen om de geambieerde richting te kunnen volgen, verliest zij wel degelijk een schooljaar. Het nadeel dat zij aldus door de aangevochten, omvangrijke clausulering riskeert, lijkt niet minder reëel om de enkele reden dat het eventueel -volgens de verwerende partij dan toch- “niet uitgesloten [is] dat [verzoekster] zich ook op een eigen specifieke wijze voorbereidt op bepaalde ingangsexamens of studierichtingen in het hoger onderwijs”. Het argument dat verzoekster -via haar inschrijving zowel als vrije leerling als voor een herkansing bij de centrale examencommissie- “de clausulering kan overwinnen”, is evenmin van aard aannemelijk te maken dat de bestreden beslissing haar geen moeilijk te herstellen ernstig nadeel “kan” berokkenen. Verwerende partij geeft zelf te kennen, en op goede grond, dat het succes van verzoeksters “uitzonderlijke” demarches geenszins zeker is, door het opzet van verzoekster “gedurfd” te noemen en niet zonder “risico’s”.
  12. Verwerende partij betwist ten onrechte dat het dreigend verlies van een schooljaar te dezen geen moeilijk te herstellen ernstig nadeel en a fortiori geen uiterst dringende noodzakelijkheid kan verantwoorden. Ook de tweede en de derde schorsingsvoorwaarde zijn vervuld. Krachtens artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid worden besloten onder de drievoudige voorwaarde dat uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is, dat ernstige middelen worden aangevoerd die de nietigverklaring van de aangevochten beslissing kunnen verant- XII-5199-7/8 woorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
  13. Bevolen wordt de schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de beslissing van 3 september 2007 van de klassenraad van het tweede leerjaar van de tweede graad, Sport ASO, van het H.-Hartinstituut te Heverlee om Katrin Eyckmans een oriënteringsattest-B te verlenen “dat toegang geeft tot het volgend leerjaar behalve in economie-wiskunde ASO, Grieks-Latijn ASO, Grieks-wetenschappen ASO, Grieks-wiskunde ASO, Latijn- moderne talen ASO, Latijn-wetenschappen ASO, Latijn-wiskunde ASO, moderne talen-wiskunde ASO, wetenschappen-wiskunde ASO”. Artikel
  14. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt uitgesteld. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op twintig september 2007, door : de HH. J. LUST, wnd. kamervoorzitter, staatsraad F. BONTINCK, griffier. De griffier, De voorzitter, F. BONTINCK. J. LUST. XII-5199-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.174.743 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.183.225 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.