id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 20 september 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.174.744 Rolnummer: A. 185121/XII-5198 Zaak: Arrest 174744 - Diploma's - 20/09/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-09-25 Raadplegingen: 58 - laatst gezien 2026-06-30 01:35 Fiche Arrest nr 174.744 van 20 september 2007 Onderwijs en cultuur - Diploma's Beslissing : Bevolen Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 174.744 van 20 september 2007 in de zaak A. 185.121/XII-
- In zake : Laurence DEMESMAEKER, die woonplaats kiest bij advocaat M. Stommels, kantoor houdende te Antwerpen, Amerikalei 220, bus 14 tegen : de VZW ONDERWIJSINRICHTINGEN ZUSTERS DER CHRISTELIJKE SCHOLEN ZUID-ANTWERPEN, --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Laurence Demesmaeker, minderjarige leerling vertegenwoordigd door haar ouders Koen Demesmaeker en Viviane Alaerts, op 13 september 2007 heeft ingediend waarin bij uiterst dringende noodzakelijkheid de schorsing wordt gevorderd van de tenuitvoerlegging van de beslissing van 31 augustus 2007 waarbij de over haar delibererende klassenraad van het Regina Pacisinstituut te Hove aan haar een B-attest toekent; Gezien de nota van de verwerende partij; Gelet op de beschikking van 14 september 2007 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 18 september 2007, om 10.00 uur; Gehoord het verslag van staatsraad G. van Haegendoren; Gehoord de opmerkingen van advocaat M. Stommels, die verschijnt voor verzoekster en van advocaat Ch. Vangeel, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur D. Mareen; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, XII-5198-1\6 OVERWEEGT WAT VOLGT : De voornaamste gegevens van de zaak
- Verzoekster volgt tijdens het schooljaar 2006-2007 de lessen van het tweede jaar van de eerste graad Moderne Wetenschappen aan het Regina Pacisinstituut te Hove. Aan het einde van het schooljaar ontvangt zij een oriënteringsattest B, waartegen zij de in het secundair onderwijs voorgeschreven bezwaarprocedure instelt. Verzoekster verneemt dat het schoolbestuur heeft beslist om, op advies van de beroepscommissie, de delibererende klassenraad samen te roepen om de eerder genomen beslissing opnieuw te overwegen. Verzoekster verklaart, zonder hierin te worden tegengesproken, geen afschrift te hebben ontvangen van het advies van de beroepscommissie noch van de beslissing om de klassenraad weer samen te roepen. Op 6 september vindt verzoekster in de brievenbus, zonder begeleidend schrijven en zonder vermelding van de beroepsmogelijkheden, een zending die de thans bestreden beslissing bevat. Het document vermeldt, eensdeels, dat de leerling een B-attest krijgt -zij “heeft het tweede jaar van de eerste graad met vrucht beëindigd en mag overgaan naar het volgend leerjaar, behalve naar het eerste jaar van de tweede graad ASO” en, anderdeels, het advies om een studierichting te kiezen uit het TSO-pakket of uit het KSO-pakket. De schorsingsvoorwaarden
- Luidens artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid worden besloten onder de drievoudige voorwaarde dat een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is, dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen. XII-5198-2\6 Beoordeling van de schorsingsvoorwaarden
- Verwerende partij betwist terecht niet dat het door verzoekster aangevoerde risico dat zij een schooljaar dreigt te verliezen, hetzij dat haar voortgang in het ASO onmogelijk wordt gemaakt, een moeilijk te herstellen ernstig nadeel vormt waaraan zij met een bij uiterst dringende noodzakelijkheid ingediende vordering het hoofd mag bieden. De eerste en de derde schorsingsvoorwaarde zijn vervuld.
- In het tweede middel voert verzoekster de schending aan van de regel patere legem quam ipse fecisti. Bij wijze van toelichting citeert verzoekster uit de algemene pedagogische reglementering van het Vlaams Verbond van het Katholiek Secundair Onderwijs en refereert zij aan “het schoolreglement” van het Regina Pacisinstituut dat als bijlage bij het verzoekschrift wordt gevoegd. Hoe de geciteerde pedagogische reglementering en het schoolreglement geschonden zijn door de bestreden bepaling wordt evenwel op het eerste gezicht nergens toegelicht. Dat zelf te achterhalen is niet de taak van de Raad van State. Het middel is niet ernstig.
- In het eerste middel wordt de schending aangevoerd van de formele motiveringsplicht, zoals die is opgelegd bij de wet van 29 juli 1991 betreffende de formele motivering van de bestuurshandelingen en bij artikel 5, § 8, van het zogenaamde organisatiebesluit van de Vlaamse regering van 19 juli 2002, omdat de beslissing van de delibererende klassenraad “geen woord motivering bevat”. In het derde middel heten dan weer de algemene beginselen van behoorlijk bestuur geschonden, maar in wezen valt het middel samen met het eerste middel, want als toelichting betoogt verzoekster louter dat voor de bestreden beslissing geen motivering wordt gegeven. De verwerende partij antwoordt dat de directie na een gesprek met de ouders van verzoekster op 31 augustus 2007 in de veronderstelling verkeerde dat de ouders zich konden vinden in de genomen beslissing en dat er geen haast was bij het bezorgen van het attest en de motivering, dat het attest eerst bij verzoekster thuis wordt bezorgd en dat “de gehele motivering op het individueel syntheseblad (stuk 2) [...] pas in het weekend van 14 september 2007 [wordt] binnengestoken”. Zij was “in de hoogste mate verwonderd door het verzoekschrift strekkende tot schorsing XII-5198-3\6 van de genomen beslissing en heeft onmiddellijk de reeds lang bestaande motivering overgemaakt”. Een afschrift van het individueel syntheseblad wordt ter terechtzitting aan de Raad overgelegd. Alle middelen geformuleerd door verzoekster “vloeien voort uit het laattijdig bezorgen van het individueel syntheseblad”, zo erkent verwerende partij nog in haar nota.
- De door de aangevoerde regelgeving opgelegde motiveringsverplichting strekt ertoe de betrokkene in kennis te stellen van de redenen waarom een voor haar ongunstige beslissing is genomen derwijze dat zij, vooreerst, in staat gesteld wordt terdege te oordelen of het zin heeft zich in rechte tegen de beslissing te verweren en zij zich vervolgens effectief, met de ter beschikking staande rechtsmiddelen, tegen dat besluit kan verweren door aan te tonen dat de tot uiting gebrachte motieven niet gegrond zijn.
- Verwerende partij betwist niet dat het oriënteringsattest aan verzoekster ter kennis werd gebracht zonder enig uitgeschreven motief en zonder een begeleidende brief die ten minste op het bestaan van die motieven en de beschikbaarheid ervan had kunnen alluderen. De directie heeft op 31 augustus 2007 weliswaar mondelinge toelichting gegeven bij de beslissing, aan de ouders van verzoekster. Verwerende partij beweert echter niet, en toont alleszins niet aan, dat verzoekster op basis van dit gesprek geacht moet worden afdoende kennis te hebben gekregen van de motieven -alle motieven- van de bestreden beslissing. In die omstandigheden kan in hoofde van verzoekster niet worden aangenomen dat met dit mondelinge gesprek het doel van de formele motiveringsplicht is bereikt. Verzoekster kan dan ook niet worden verweten er van uit te zijn gegaan dat het aan haar bezorgde attest het enige voorhanden zijnde stuk was en dat zij zich te gedragen had naar de rechtspraak van de Raad van State om in examenbetwistingen met gepaste voortvarendheid, dat wil zeggen zonder dralen bij uiterst dringende noodzakelijkheid de schorsing van de tenuitvoerlegging ervan te vorderen. De beweerde kennisgeving van het individueel syntheseblad aan verzoekster op 14 september 2007 en de neerlegging ervan ter terechtzitting op 18 september 2007 kan de miskenning van de wet van 29 juli 1991 en het XII-5198-4\6 organisatiebesluit niet goed maken. Het hiervoor beschreven doel van de formele motiveringsplicht sluit immers in principe uit dat verzoekster vrede zou moeten nemen met een mededeling van de motieven nádat zij haar vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid bij de Raad van State heeft aangewend en met de mogelijkheid die zich dan aandient om een nieuw verzoekschrift op te stellen. Het eerste middel is ernstig.
- Overwegende dat voldaan is aan de voorwaarden gesteld in artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State die vervuld moeten zijn wil een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid worden toegewezen. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
- Bevolen wordt de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van de beslissing van 31 augustus 2007 waarbij de over Laurence Demesmaeker delibererende klassenraad van het Regina Pacisinstituut te Hove haar een oriënteringsattest B toekent. Artikel
- De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. XII-5198-5\6 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op twintig september 2007, door : de HH. G. VAN HAEGENDOREN, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, F. BONTINCK, griffier. De griffier, De voorzitter, F. BONTINCK. G. VAN HAEGENDOREN. XII-5198-6\6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.174.744 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.181.828 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.