← België

Arrest 174844 - Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen - 25/09/2007

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 25 september 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.174.844 Rolnummer: A. 181536/XIV-28976 Zaak: Arrest 174844 - Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen - 25/09/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-10-03 Raadplegingen: 59 - laatst gezien 2026-06-30 01:42 Fiche Arrest nr 174.844 van 25 september 2007 Vreemdelingen - Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 174.844 van 25 september 2007 in de zaak A. 181.536/XIV-28.

  1. In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat Ph. JANSSENS, kantoor houdende te 2060 ANTWERPEN, Duboisstraat 43 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Binnenlandse Zaken. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Kameroense nationaliteit, op 6 maart 2007 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van 29 januari 2007 van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen, Eerste Nederlandse Kamer, waarbij wordt geweigerd haar als vluchteling te erkennen en waarbij haar geen subsidiaire beschermingsstatus wordt toegekend; Gelet op de beschikking nr. 418 van 12 april 2007 waarbij het cassatieberoep toelaatbaar wordt verklaard; Gelet op artikel 19 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State; Gezien het verslag opgemaakt door Auditeur M. VAN LIMBERGEN, op grond van artikel 19 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dat verslag aan de partijen; Gelet op de beschikking van 2 juli 2007 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 12 september 2007; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter A. BEIRLAEN; XIV-28.976-1/5 Gehoord de opmerkingen van Advocaat B. CLOOSEN die, loco Advocaat Ph. JANSSENS verschijnt voor de verzoekende partij en van Advocaat E. MATTERNE die, loco Advocaat C. DECORDIER verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd R. VANDER ELSTRAETEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  2. Over de gegrondheid van het beroep. 1.1.
  3. Overwegende dat verzoekster als eerste middel aanvoert: “
  4. Schending van de motiveringsplicht uit art. 57/22 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen en uit art. 149 van de Grondwet Dat artikel 57/22 van de Vreemdelingenwet van 15 december 1980 voorziet dat de beslissingen van de Vaste Beroepscommissie voor de vluchtelingen met redenen omkleed dienen te worden met vermelding van de omstandigheden van de zaak. Dat daarenboven de bestreden beslissing van de Vaste Beroepscommissie voor Vluchtelingen een jurisdictionele beslissing van een administratief rechtscollege uitmaakt. Dat bijgevolg de Vaste Beroepscommissie voor de Vluchtelingen haar beslissingen op gemotiveerde wijze dient te nemen en dat zulks niet geschied is; Dat dit niet geschied is, minstens op een zeer gebrekkige wijze, moge o.m. blijken uit de hierna opgesomde vergissingen en fouten in de bestreden beslissing van de Vaste Beroepscommissie voor de Vluchtelingen; Dat het Hof van Cassatie geoordeeld heeft n.a.v. schending van het grondwettelijk principe inzake de motivering van rechterlijke beslissingen dat de motivering een wezenlijke waarborg tegen willekeur is en geldt als bewijs dat de voorgelegde middelen zorgvuldig onderzocht werden en de uitspraak beredeneerd werd; ( Cass. 12 mei 1932, Pas. 1932, I, 166); Dat dit principe werd opgenomen in de Grondwet m.n. onder art. 149 van de Grondwet; Dat kan besloten worden dat indien een jurisdictionele beslissing van een administratief rechtscollege niet degelijk gemotiveerd werd, zulks leidt tot het gemis van een wezenlijke waarborg tegen willekeur en zulks geldt als een bewijs dat de Vaste Beroepscommissie voor de Vluchtelingen de voorgelegde middelen niet zorgvuldig onderzocht heeft en haar uitspraak niet beredeneerd heeft; Dat er in casu sprake is van een onjuiste, en anderzijds manifest gebrek aan motivering in de beslissing, wat ertoe leidt te besluiten dat de aan de Vaste Beroepscommissie voor de Vluchtelingen voorgelegde middelen niet zorgvuldig onderzocht werden;
  5. De onjuiste, gebrekkige of ontbrekende motivering van de bestreden beslissing van het de Vaste Beroepscommissie Dat verzoekster niet akkoord kan gaan met de motivering zoals gegeven in de beslissing van 19 oktober 2006 van de Vaste Beroepscommissie voor de Vluchtelingen. Dat de Commissaris-generaal erkende dat het relaas van verzoekster waarachtig is, doch enkel stelde dat haar vrees voor vervolging niet terecht zou zijn. XIV-28.976-2/5 Dat dit dan ook inhield dat het asielrelaas van verzoekster, inclusief de afpersing vanwege de Kameroense politie, te Douala, door de Commissaris-generaal als waarachtig werd gekwalificeerd. Dat zonder enige werkelijke motivering de Vaste Beroepscommissie, thans in de bestreden beslissing stelt dat verzoekster niet het minste bewijs voorbrengt, doch dat de Vaste Beroepscommissie niet op grond daarvan beslist tot de ongegrondheid van het beroep. Dat de Vaste Beroepscommissie immers verdergaat en stelt dat het door verzoekster voorgelegde probleem zich situeert in de lokale stamtraditie en dat de heer Ferdinand Sapngu, burgemeester van Kumba in Kameroen in een uiteenzetting gehouden op de zetel van de Commissie op 24 augustus 2006, ..., stelt dat de problematiek van de gedwongen huwelijken zich vooral voordoet in dorpen. De Commissie oordeelde derhalve dat er in hoofde van verzoekster een binnenlands vestigingsalternatief mogelijk is. De commissie stelt letterlijk: “... dat de advocaat van appellante ter zitting stelt deze situatie voor de grootsteden te willen aanvaarden doch repliceert dat de onmogelijkheid van zijn cliënte om naar haar geboortegrond, haar eigen dorp, te kunnen terugkeren volstaat om haar status van vluchteling te erkennen; dat deze bewering geen weerlegging inhoudt van het gestelde vestigingsalternatief;” Dat echter reeds in het Verzoekschrift voor de Vaste Beroepscommissie, door verzoekster werd geargumenteerd: "De gemachtigde van de Commissaris-generaal erkent dat het verhaal van verzoekster waarachtig is, doch enkel haar vrees voor vervolging zou niet terecht zijn. Als de gemachtigde van de Commissaris-generaal haar relaas gelooft, en hiervoor is geen twijfel, de beide interviews laten nauwelijks discrepanties zien, dan dient hij ook te erkennen dat verzoekster in Douala werd gezocht door de politie. Alleszins diende de zus van verzoekster een som te betalen om ervoor te zorgen dat zij uit de klauwen van de politie zou blijven. De gemachtigde van de Commissaris-generaal kan dus niet tegelijkertijd volhouden dan hij de waarachtigheid van verzoekster niet betwist, doch wel dat zij niet in heel Kameroen voor vervolging dient te vrezen. Douala, de stad waar de zus van verzoekster verblijft, is immers ettelijke honderden kilometer verwijderd van haar woonplaats Ngem. Als de gemachtigde van de Commissaris-generaal dan ook (terecht) gelooft dat verzoekster werd lastig gevallen door de politie in Douala, dan dient hij te erkennen dat zij niet enkel in haar woonplaats geen bescherming dient te krijgen. Het is bovendien een misvatting te stellen dat omdat verzoekster enkele maanden kan onderduiken bij familie, tegelijkertijd eraan vast te houden dat zij niet dient te vrezen voor vervolging. Daarenboven werd haar positie onhoudbaar, daar zij (en haar zus) zich chanteerbaar waren door de politie en deze ten allen tijde kon terugkeren om haar lastig te vallen of te arresteren." Dat hierop niet werd geantwoord door de Vaste Beroepscommissie. Dat de bestreden beslissing dan ook is aangetast door een manifest gebrek aan motivering. Dat deze beslissing dan ook geen waarborg biedt tegen willekeur. Dat uiteraard de belangen van verzoekster zijn geschonden, wegens het gebrek van enige motivering op de door haar uiteen gezette middelen in haar verzoekschrift.”; 1.1.
  6. Overwegende dat verzoekster eraan voorbijgaat dat, wat het door de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen voorgestelde binnenlands vestigingsalternatief betreft, haar advocaat ter zitting stelde “deze situatie voor wat betreft de grootsteden te willen aanvaarden”; dat zijn argument “dat de onmogelijkheid van zijn cliënte om naar haar geboortegrond, haar eigen dorp, te kunnen terugkeren volstaat om haar (de) status van XIV-28.976-3/5 vluchteling toe te kennen”, door de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen genoegzaam wordt verworpen waar zij erop wijst “dat deze bewering geen weerlegging inhoud(t) van het gestelde vestigingsalternatief”; dat het eerste middel niet gegrond is; 1.2.
  7. Overwegende dat verzoekster als tweede middel aanvoert: “
  8. De schending van de rechten van verdediging, het recht op een eerlijk proces en de wapengelijkheid van Procespartijen evenals art. 32 van de Grondwet Dat verzoekster ter voorbereiding van het dossier een kopij van het administratief dossier heeft besteld. Dat dit verzoek telefonisch werd geweigerd, met de mededeling dat enerzijds verzoekster op de griffie het dossier kon raadplegen en anderzijds dat de Vaste Beroepscommissie voor Vluchtelingen een rechtbank was en geen administratie. Het is dan ook duidelijk dat de rechten van verdediging van verzoekster door deze beslissing ernstig werden geschonden. Louter inzage krijgen in een dossier is immers onvoldoende om de zaak grondig te kunnen voorbereiden. Het dossier telt tientallen pagina's welke worden onderzocht op tegenstrijdigheden. Het is dan ook niet naar recht verantwoord aan verzoekster de mogelijkheid te ontzeggen dit dossier te kopiëren. Te meer daar zowel de Commissaris-generaal, als de Vaste Beroepscommissie beschikken over een kopij van het administratief dossier. De wapengelijkheid van de procespartijen is in deze dan ook manifest geschonden, reden waarom er dient te worden besloten dat er in casu geen sprake kan zijn van een eerlijk proces. Daarenboven dient vermeld dat het administratief dossier een bestuursdocument is. Dat overeenkomstig art. 32 van de Grondwet iedereen het recht heeft elk bestuursdocu- ment te raadplegen en er een afschrift van te krijgen, behoudens in de gevallen en onder de voorwaarden bepaald door de wet, het decreet of de regel bedoeld in artikel
  9. Dat de beslissing van de Vaste Beroepscommissie voor de Vluchtelingen dan ook strijdig is met art. 32 van de Grondwet. Het argument dat de Vaste Beroepscommissie een rechtbank is en geen administratie, houdt geen steek. Zolang het dossier zich bij de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en staatlozen bevindt kan men er wel een afschrift van bekomen. Van zodra er hoger beroep wordt aangetekend bij de Vaste Beroepscommissie, zou het administratief dossier dan van statuut veranderen en wordt het onmogelijk er nog een afschrift van te bekomen. Dat de beslissing van de Vaste Beroepscommissie. dan ook strijdig is met de eerder aangehaalde rechtsbeginselen en wettelijke bepalingen, waar deze stelt dat de Vaste Beroepscommissie niet bevoegd is fotokopieën van het administratief dossier af te leveren, vermits er nog geen besluit ter uitvoering van artikel 57/19, tweede lid, van de wet van 15 december 1980, is genomen.”; 1.2.
  10. Overwegende dat volgens artikel 32 van de Grondwet eenieder het recht heeft elk bestuursdocument te raadplegen en er een afschrift van te krijgen, behoudens in de gevallen en onder de voorwaarden bepaald door de wet, het decreet of de ordonnantie; dat op het federaal vlak de passieve openbaarheid geregeld is door de wet van 11 april 1994 betreffende de openbaarheid van bestuur; dat blijkens artikel 4 van voormelde wet van 11 april 1994 “het recht op het raadplegen van een bestuursdocument van een federale XIV-28.976-4/5 administratieve overheid en op het ontvangen van een afschrift van het document erin bestaat dat eenieder, volgens de voorwaarden bepaald in deze wet, elk bestuursdocument ter plaatse kan inzien, dienomtrent uitleg kan krijgen en mededeling in afschrift ervan kan ontvangen”; dat in voormelde wet van 11 april 1994 betreffende de openbaarheid van bestuur een administratieve overheid wordt gedefinieerd als “een administratieve overheid bedoeld als in artikel 14 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State”; dat het huidige beroep een beroep is tegen een beslissing van een administratief rechtscollege, met name de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen, niet van een administratieve overheid; dat moet worden geconcludeerd dat de bepalingen betreffende de openbaarheid van bestuur in casu niet van toepassing zijn; dat het tweede middel, indien het al ontvankelijk is, niet gegrond is;
  11. Overwegende dat er grond is om toepassing te maken van artikel 19 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State; dat het cassatieberoep wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
  12. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  13. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op vijfentwin- tig september tweeduizend en zeven, door : de HH. A. BEIRLAEN, kamervoorzitter, C. VERHAERT, griffier. De griffier, De voorzitter, C. VERHAERT. A. BEIRLAEN. XIV-28.976-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.174.844 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.