id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 25 september 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.174.845 Rolnummer: Zaak: Arrest 174845 - Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen - 25/09/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-10-03 Raadplegingen: 52 - laatst gezien 2026-06-30 01:43 Fiche Arrest nr 174.845 van 25 september 2007 Vreemdelingen - Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen Beslissing : Verwerping Samenvoeging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 174.845 van 25 september 2007 in de zaken A. 182.917/XIV-29.442 182.920/XIV-29.
- In zake : XXX die woonplaats kiezen bij Advocaat K. VERSTREPEN, kantoor houdende te 2060 ANTWERPEN, Rotterdamstraat 53 tegen : de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Russische nationaliteit, op 27 april 2007 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van 19 maart 2007 van de Vaste Beroepscommissie, waarbij zijn beroep tot hervorming van de beslissing van 26 januari 2006 van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen tot weigering van de erkenning van de status van vluchteling, wordt verworpen; Gelet op de beschikking nr. 633 van 6 juni 2007 waarbij het cassatiebe- roep toelaatbaar wordt verklaard; Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Russische nationaliteit, op 27 april 2007 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen de beslissing van 19 maart 2007 van de Vaste Beroepscommissie, waarbij haar beroep tot hervorming van de beslissing van 26 januari 2006 van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen tot weigering van de erkenning van de status van vluchteling, wordt verworpen; Gelet op de beschikking nr. 634 van 6 juni 2007 waarbij het cassatiebe- roep toelaatbaar wordt verklaard; Gelet op artikel 19 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State; Gezien het verslag opgemaakt door Auditeur M. VAN LIMBERGEN, op grond van artikel 19 van voormeld koninklijk besluit; XIV-29.442-1/6 Gelet op de kennisgeving van dat verslag aan de partijen; Gelet op de beschikkingen van 2 juli 2007 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 12 september 2007; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter A. BEIRLAEN; Gehoord de opmerkingen van Advocaat A. HAEGEMAN die, loco Advocaat K. VERSTREPEN verschijnt voor de verzoekende partijen en van Attaché K. MAES, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd R. VANDER ELSTRAETEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Over de procedure. Overwegende dat XXX en XXX elk in een afzonderlijk verzoekschrift de vernietiging vragen van de beslissing waarbij hun beroep tot hervorming van de beslissingen van 26 januari 2006 van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen tot weigering van de erkenning van de status van vluchteling, wordt verworpen; dat de beslissing die ten aanzien van XXX werd genomen steunt op de verwerping van het beroep van XXX, haar echtgenoot; dat, in het belang van een goede rechtsbedeling, het aangewezen is beide beroepen wegens verknochtheid samen te behandelen en te berechten;
- Over de ontvankelijkheid van de beroepen. 2.
- Wat het beroep van XXX betreft: 2.1.
- Overwegende dat verzoeker als enig middel aanvoert: “SCHENDING VAN DE MOTIVERINGSPLICHT, zoals bepaald in artikelen 39/65 en 57/22 van de Wet betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen van 15 december 1980 Tegenpartij ontzegt verzoeker in de bestreden beslissing het vluchtelingen- en het subsidiaire beschermingsstatuut louter en alleen omwille van het ontbreken van een XIV-29.442-2/6 begin van bewijs van identiteit en nationaliteit van verzoekers vage en oppervlakkige verklaringen. Hierdoor miskent tegenpartij een doorslaggevend objectief gegeven uit het administra- tieve dossier namelijk de origine van verzoekers echtgenote. Zoals duidelijk blijkt uit het hele administratieve dossier, uit het inleidende verzoekschrift en het verzoekschrift tot voortzetting en uit de voor tegenpartij bestreden beslissing van het Commissariaat- generaal en niet betwist wordt in de bestreden beslissing, noch in die van verzoeksters echtgenote, is verzoekers echtgenote van Tsjetsjeense origine. Door de etnische origine van zijn echtgenote loopt verzoeker een verhoogd risico op vervolging in de zin van de Conventie van Genève of op ernstige schade in de zin van artikel 48/4 van de Vreemdelingenwet. Door hier in de bestreden beslissing geen rekening mee te houden, schendt tegenpartij de haar wettelijk opgelegde motiveringsplicht. Tegenpartij motiveert niet waarom ze in voorliggende zaak haar eigen rechtspraak en die van de Raad van State niet volgt die Tsjetsjenen waarbij zekerheid bestaat over de identiteit en afkomst - zelfs al was hun laatste feitelijke verblijfplaats in de Russische Federatie in Ingusetië, zoals in voorliggend geval -, het voordeel van de twijfel gunt aangezien ze het slachtoffer zijn van een collectieve vervolging (zie o.a. VBV, nr. 04- 3066/E610, 22 september 2005, CPRR n/ 04-2702/F1703, 15 février 2005, VBV, nr. 03-3310/F1756, 4 maart 2005 en VBV, nr. 04-2805/E623 (voor in Ingusetië verblijvende Tsjetsjeen) en RvSt, arrest nr. 154.726, 9 februari 2006). In voorliggend geval wordt niet getwijfeld aan de Tsjetsjeense origine van verzoekers echtgenote zodat de hier aangehaald jurisdictie dan ook perfect toepasbaar is. Door in de bestreden beslissing niet te motiveren waarom tegenpartij in voorliggend, objectief vergelijkbaar, geval van haar eigen vaste rechtspraak afwijkt, schendt ze haar wettelijke motiveringsplicht. Rekening houdend met de hierboven aangehaalde objectieve elementen uit het administratieve dossier - de etnische origine van verzoekers echtgenote en de vaste rechtspraak van tegenpartij -, mag geconcludeerd worden dat tegenpartij op onrechtma- tige wijze tot het besluit komt dat verzoekers beroep tegen de weigeringsbeslissing van het Commissariaat-generaal ongegrond is en hem de erkenning als vluchteling of de subsidiaire bescherming ontzegt. Zo tegenpartij die elementen wel in overweging had genomen, waartoe zij ook wettelijk verplicht is, dan zou dit voor verzoeker tot de erkenning als vluchteling, of toch minstens tot de toekenning van de subsidiaire bescherming hebben kunnen leiden. Tegenpartij schendt in de bestreden beslissing de wettelijke motiveringsplicht uit artikelen 39/65 en 57/22 van de Vreemdelingenwet. De bestreden beslissing dient dan ook nietig verklaard te worden.”; 2.1.
- Overwegende dat, in tegenstelling tot hetgeen verzoeker laat uitschijnen, de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen hem het vluchtelingen- en subsidiaire beschermingsstatuut niet uitsluitend ontzegt omwille van het ontbreken van identiteitsdocu- menten, zoals genoegzaam blijkt uit de bewoordingen “negatieve indicatie”; dat blijkens de motivering van de bestreden beslissing het beroep van verzoeker wordt verworpen omwille van zijn vage en oppervlakkige verklaringen omtrent de activiteiten van zijn broer, waaraan hij zijn eigen problemen verbindt, en omwille van het eenmalig karakter van zijn beweerde arrestatie, die moet gezien worden tegen de achtergrond van veiligheidsacties en opgedreven controlemaatregelen; dat aldus in de bestreden beslissing genoegzaam wordt gemotiveerd waarom zijn beroep tegen de beslissing van 26 januari 2006 van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen tot weigering van de status van vluchteling wordt XIV-29.442-3/6 verworpen; dat uit geen enkel stuk van het administratief dossier blijkt dat het “doorslagge- vend objectief gegeven” van verzoekers asielaanvraag gelegen was in de Tsjetsjeense origine van zijn echtgenote; dat uit zijn inleidend beroepschrift van 14 februari 2006 en uit zijn verzoek tot voortzetting van 19 januari 2007 blijkt - integendeel en zoals terecht in de bestreden beslissing wordt gesteld - dat verzoeker zijn problemen verbindt aan de activiteiten van zijn broer; dat het middel dan ook op feitelijke gegevens steunt die voor het eerst voor de Raad van State worden aangevoerd en niet in aanmerking kunnen worden genomen; dat het enig middel niet ontvankelijk is; 2.
- Wat het beroep van XXX betreft: 2.2.
- Overwegende dat verzoekster als enig middel aanvoert: “SCHENDING VAN DE MOTIVERINGSPLICHT, zoals bepaald in artikelen 39/65 en 57/22 van de Wet betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen van 15 december 1980 Tegenpartij ontzegt verzoekster in de bestreden beslissing het vluchtelingen- en het subsidiaire beschermingsstatuut louter en alleen omwille van de "niet-erkenning van haar echtgenoot als vluchteling. De verwerping van het beroep van haar echtgenoot brengt bijgevolg mee dat ook het beroep van verzoekster moet worden verworpen." Hierdoor miskent tegenpartij een doorslaggevend objectief gegeven uit het administra- tieve dossier dat eigen is aan verzoekster, in tegenstelling tot haar echtgenoot, namelijk haar origine. Anders dan van de in de bestreden beslissing (punt 1.1) vermelde 'Ingushetische origine', is verzoekster namelijk van Tsjetsjeense origine, zoals duidelijk blijkt uit het hele administratieve dossier, uit het inleidende verzoekschrift en het verzoekschrift tot voortzetting en uit de voor tegenpartij bestreden beslissing van het Commissariaat-generaal. Door hier in de bestreden beslissing geen rekening mee te houden, ontzegt tegenpartij verzoekster het recht op een individuele behandeling van haar asielaanvraag en schendt ze de haar wettelijk opgelegde motiveringsplicht. Tegenpartij motiveert niet waarom ze in voorliggende zaak haar eigen rechtspraak en die van de Raad van State niet volgt die Tsjetsjenen waarbij zekerheid bestaat over de identiteit en afkomst - zelfs al was hun laatste feitelijke verblijfplaats in de Russische Federatie in Ingusetië, zoals in voorliggend geval -, het voordeel van de twijfel gunt aangezien ze het slachtoffer zijn van een collectieve vervolging (zie o.a. VBV, nr. 043066/E610, 22 september 2005, CPRR n/ 04-2702/F1703, 15 février 2005, VBV, nr. 03-3310/F1756, 4 maart 2005 en VBV, nr. 04-2805/E623 (voor in Ingusetië verblijvende Tsjetsjeen) en RvSt, arrest nr. 154.726, 9 februari 2006). In voorliggend geval wordt niet getwijfeld aan verzoekers Tsjetsjeense origine zodat de hier aangehaald jurisdictie dan ook perfect toepasbaar is. Door in de bestreden beslissing niet te motiveren waarom tegenpartij in voorliggend, objectief vergelijkbaar, geval van haar eigen vaste rechtspraak afwijkt, schendt ze haar wettelijke motiveringsplicht. Rekening houdend met de hierboven aangehaalde objectieve elementen uit het administratieve dossier - de etnische origine van verzoekster en de vaste rechtspraak van tegenpartij -, mag geconcludeerd worden dat tegenpartij op onrechtmatige wijze tot het besluit komt dat verzoeksters beroep tegen de weigeringsbeslissing van het Commissariaat-generaal ongegrond is en haar de erkenning als vluchteling of de subsidiaire bescherming ontzegt. Zo tegenpartij die elementen wel in overweging had XIV-29.442-4/6 genomen, waartoe zij ook wettelijk verplicht is, dan zou dit voor verzoekster tot de erkenning als vluchteling, of toch minstens tot de toekenning van de subsidiaire bescherming hebben kunnen leiden. Tegenpartij schendt in de bestreden beslissing de wettelijke motiveringsplicht uit artikelen 39/65 en 57/22 van de Vreemdelingenwet. De bestreden beslissing dient dan ook nietig verklaard te worden.”; 2.2.
- Overwegende dat, daargelaten de vraag of er mogelijks een vergissing is geslopen in de vermelding van verzoeksters origine, uit geen enkel stuk van het administratief dossier kan worden afgeleid dat verzoekster in verband met haar Tsjetsjeense origine voor de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen enige argumentatie zou hebben ontwikkeld; dat verzoekster -integendeel- ter zitting verklaarde dat zij zich aansluit bij het door haar echtgenoot ingeroepen middel, waarin evenmin gewag wordt gemaakt van problemen omwille van verzoeksters origine; dat de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen dan ook bezwaarlijk ten grieve kan worden geduid geen rekening te hebben gehouden met een middel dat verzoekster nagelaten heeft voor haar te ontwikkelen, zodat zij kon volstaan met de verwijzing naar de verwerping van het beroep van haar echtgenoot; dat het enig middel niet ontvankelijk is; 2.
- Overwegende dat, aangezien de beroepen geen ontvankelijk rechtsmid- del bevatten, ze zelf niet ontvankelijk zijn;
- Overwegende dat er grond is om toepassing te maken van artikel 19 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State; dat de cassatieberoepen worden verworpen, BESLUIT: Artikel
- De zaken nummers A. 182.917/XIV-29.442 en 182.920/XIV-29.443 worden gevoegd. Artikel
- De beroepen worden verworpen. Artikel
- XIV-29.442-5/6 De kosten van de beroepen, bepaald op 350 euro, komen ten laste van de verzoekende partijen, elk voor de helft. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op vijfentwin- tig september tweeduizend en zeven, door : de HH. A. BEIRLAEN, kamervoorzitter, C. VERHAERT, griffier. De griffier, De voorzitter, C. VERHAERT. A. BEIRLAEN. XIV-29.442-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.174.845 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.