id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 25 september 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.174.846 Rolnummer: A. 182021/XIV-28975 Zaak: Arrest 174846 - Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen - 25/09/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-10-03 Raadplegingen: 54 - laatst gezien 2026-06-30 01:43 Fiche Arrest nr 174.846 van 25 september 2007 Vreemdelingen - Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 174.846 van 25 september 2007 in de zaak A. 182.021/XIV-28.
- In zake : XXX, XXX, die woonplaats kiezen bij Advocaat S. VAN ROSSEM, kantoor houdende te 2018 ANTWERPEN, Boomgaardstraat 93 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Binnenlandse Zaken. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- DE VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift datXXX en XXX, handelend in eigen naam en in de hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordigers van hun minderjarig kind XXX, allen van Nepalese nationaliteit, op 26 maart 2007 hebben ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissingen van 12 februari 2007 van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen, Eerste Nederlandse Kamer, waarbij wordt geweigerd hen als vluchteling te erkennen en hen geen subsidiaire beschermingsstatus wordt toegekend; Gelet op de beschikking nr. 424 van 12 april 2007 waarbij het cassatieberoep toelaatbaar wordt verklaard; Gelet op artikel 19 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State; Gezien het verslag opgemaakt door Auditeur R. VERCRUYSSEN, op grond van artikel 19 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dat verslag aan de partijen; Gelet op de beschikking van 2 juli 2007 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 12 september 2007; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter A. BEIRLAEN; XIV-28.975-1/7 Gehoord de opmerkingen van Advocaat K. DASSEN die, loco Advocaat S. VAN ROSSEM verschijnt voor de verzoekende partijen en van Advocaat E. MATTERNE die, loco Advocaat C. DECORDIER verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd R. VANDER ELSTRAETEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Over de gegrondheid van het beroep. 1.
- Overwegende dat verzoekers als enig middel aanvoeren: “2.
- MOTIVERINGSVERPLICHTING Verzoeker werd geweigerd als vluchteling door het Commissariaat generaal. Dat in het inleidende verzoekschrift de raadsman, punt per punt, de redenen heeft weerlegd waarom verzoeker niet terug kan momenteel naar Nepal en wat zijn concrete angst is .. DAT VERZOEKER ZICH NIET KAN VERZOENEN MET DE MOTIVERING WAAROM HIJ NIET ERKEND WORDT EN HEM HET SUBSIDIARE BESCHER- MINGSTATUUT WERD GEWEIGERD. Dat de enige motivering luidt;
- DE ALGEMENE SITUATIE IN NEPAL LAAT NIET LANGER TOE DE SUBJECTIEVE REDENEN VAN VERZOEKER te OBJECTIVEREN AAN DE HAND VAN DE ACTUELE SITUATIE.
- Dat er geen elementen voorhanden zijn die toelaten aan te nemen dat er in zijne hoofde een reëel risico op ernstige schade bepaald in artikels 48/4 § 2 van voormelde wet van 15 december 1980 voorhanden is , dat dergelijk element ook niet door de Commissie ontwaard wordt. Dat echter de voorwaarden om te ressorteren onder de vluchtelingenconventie of om hem het beschermingsstatuut toe te kennen in zijn hoofde te spreken , niet onderzocht zijn. Dat dit voor hem wel degelijk zo is. Dat hij ook in de huidige context nog steeds angst heeft van de autoriteiten , maar vooral van de MAOISTEN, die massaal aanwezig zijn.. Dat hij immers door de maoïsten is ontvoerd en nadien bedreigd en dat hij nadien door zijn autoriteiten onder druk gezet werd om niet de minste hulp meer te bieden. Dat verzoeker immers helemaal niet inziet op welke basis men zijn argumenten weerlegt en motiveert waarom het aanhalen van de algemene situatie zou maken dat hij niet , in aanmerking komt voor erkenning als vluchteling minstens voor het subsidiaire beschermingsstatuut... Dat verzoeker dan ook meent dat zijn aanvraag niet op een zorgvuldige wijze werd behandeld. Dat er geen rekening werd gehouden met het intern conflict dat in Nepal heerst. Dat daarbij geen rekening werd gehouden met de door hem aangebrachte argumenten waarbij hij zeer duidelijk angst heeft van het leger en de MAOISTEN. Dat hij hiervan documenten voorlegt die zijn argumenten volledig ondersteunen. Dat hij op de lijst van de maoïsten staat als verrader. XIV-28.975-2/7 Dat het commissariaat beschikt over informatie dat indien men als verrader gekend staat er nog steeds een concreet gevaar is voor betrokkene. Dat dit alles in het verzoekschrift werd aangehaald. DAT HIEROP NIET WORDT GEANTWOORD. Dat er een beslissing genomen werd , alleen op grond van de algemene situatie in het land van herkomst, zonder zijn persoonlijke situatie te onderzoeken.. Het komen tot een beslissing op deze wijze brengt mee dat men telkens elke aanvraag tot asiel kan afwijzen zonder verder onderzoek aangezien er als enkele reden wordt opgegeven , de algemeen gewijzigde toestand in het land van herkomst. Dat dit echter alleen op zich geen reden tot weigering kan zijn. Dat deze situatie morgen terug kan veranderd zijn , wat blijkt trouwens door de informatie die nu binnenkomt waarbij stakingen het land platleggen en er dagelijks doden vallen bij geweld en onlusten . Dat de leider van de maoïsten nog steeds zijn strijdnaam gebruikt . Dat hij tevens beweert dat hij nog steeds vele wapens en strijdkrachten klaar staan heeft. Dat er nog steeds geen datum is voor de verkiezingen. Dat de ganse politieke situatie waarnaar men verwijst uiterst precair is. Dat dit dan zeker nooit tegen verzoeker als enige motivering kan worden gebruikt. Dat ondanks de vermelding van al deze elementen in het verzoekschrift hier niet verder op wordt ingegaan . . De Vaste Beroepscommissie moet op de dag van de zitting oordelen of er daadwerkelijk gevaar bestaat bij een eventuele terugkeer Doch zij moet hierbij nog wel rekening houden met alle argumenten. Het verwijzen naar een politiek akkoord op zich is niet voldoende om tot weigering over te gaan. Welke zekerheid heeft men momenteel dat het akkoord ook zal uitgevoerd worden. - geen datum voor grondwettelijke verkiezingen, die normaal voorzien zijn voor juni - geen daadwerkelijke inlevering van de wapens door de maoïsten, wat nu door de leider zelfs erkend wordt - wat met de nieuw onlusten door de taraibevolking en andere kastes die volgen - Wat met de stakingen en demonstraties die momenteel georganiseerd worden - wat met de wraaknemingen door de Maoïsten Kan men in die omstandigheden naar de algemene situatie in het land van herkomst verwijzen als enige motivering om tot weigering over te gaan. De Raad van State heeft dit argument reeds in het verleden verworpen. De huidige beslissing en de argumentatie die ervoor gegeven wordt is dan ook niet meer redelijk gelet op de gevolgen die huidige beslissing voor verzoeker heeft. De beslissing is stereotiep en is de zevende beslissing op rij met een exact gelijkaardige motivering zonder enige individualisatie. Dat hij dan ook nog steeds een concreet gevaar loopt. Dat in huidige casu er een gebrekkige motivering is aangezien beslissingen in bestuurszaken dienen gemotiveerd te worden zodanig dat de motivering de beslissing draagt en verzoeker duidelijk maakt waarom tot een dergelijke weigering werd overgegaan . Dat de motivering in huidig geval verschillende gebreken vertoont aangezien op generlei wijze werd aangetoond waarom verzoeker zijn angst voor vervolging niet aannemelijk kan maken en men gewoon overgaat tot het nemen van de weigeringsbeslissing. Hij heeft tevens onderstreept dat zijn redenen onder de Conventie vallen minstens het verkrijgen van het subsidiaire beschermingsstatuut verantwoorden. Dat hij vooral angst heeft voor de druk vanwege de MAO BADI. Dat zij immers nu de macht in handen hebben Dat zij hun eigen autoriteiten hebben en de wapens om de mensen verder te onderdruk- ken. Dat zij dit zeker zullen doen in de loop naar de komende grondwettelijke verkiezingen XIV-28.975-3/7 Op al deze elementen wordt niet ingegaan en verzoeker kan zich dan ook niet verzoenen met een dergelijke motivering om over te gaan tot weigering van zijn aanvraag. Dat men het feit waarom men dan toch al dan niet het subsidiaire beschermingsstatuut toekent wordt zelfs niet toegelicht, laat staan gemotiveerd. Buiten de gronden voor vervolging moet men nog nagaan of op dit ogenblik verzoeker concreet een ernstig gevaar loopt op schade indien hij zou terugkeren dit is ontegen- sprekelijk het geval Dit wordt niet onderzocht en ook niet gemotiveerd waarom dat niet zo zou zijn. Dat de situatie in zijn dorp ernstig blijft. Dat de kans op wraaknemingen en druk van de maoïsten ernstig is en reëel en een groot risico vormt om ernstige schade toe te brengen aan verzoeker. Dat verzoeker dit heeft toegelicht doch dat hierover niet het minste is terug te vinden in de beslissing. Dat hij hier nochtans stukken had neergelegd die dit bevestigen in zijn specifieke situatie. Dat immers de voorwaarden totaal verschillend zijn en dat men dan ook moet motiveren, als men niet tot erkenning overgaat. waarom men ook niet overgaat tot het toekennen van het subsidiair beschermingsstatuut zoniet blijft dit statuut dode letter. Wat in casu het geval is. Deze motivering draagt de beslissing niet, integendeel verzoeker heeft alleen het gevoel gekregen dat zijn aanvraag zeer snel moest behandeld worden zonder dit grondig te doen, terwijl de werkelijke belangrijke fundamentele redenen onbeantwoord zijn gebleven. Dat verzoeker nogmaals het werkelijke gevaar wenst te benadrukken dat hij loopt bij een eventuele terugkeer. Dat hiervoor tevens verwezen wordt naar het rapport van Buitenlandse zaken met het reisadvies., dat hieruit blijkt dat nog vele districten onder Mao Badi controle staan en ontoegankelijk zijn .. De problematiek ter plekke is dus zeer ernstig en de beslissing van de Vaste Beroeps- commissie is dan ook onbegrijpelijk met betrekking tot het niet toekennen van de subsidiaire beschermingsstatus.. Dat hij ondertussen ook een procedure heeft ingeleid op grond van artikel 9 ten derde, dat hij niet terug kan op grond van artikel 3 van het EVRM zonder het risico te lopen opgepakt en gefolterd te worden. Dat verzoeker dan ook met aandrang vraagt huidige beslissing te willen vernietigen omwille van zijn gebrekkige motivering en onzorgvuldige behandeling.”; 1.
- Overwegende dat blijkens de motivering van de aangevochten beslissingen de aanvragen om erkenning als vluchteling van de verzoekende partijen worden verworpen op basis van de volgende vaststellingen: de verzoekende partijen dienen aan te tonen dat hun aangevoerde vervolgingsvrees actueel is, waarbij het determinerend is of zij op het ogenblik dat de beslissingen worden genomen een toevluchtsoord nodig hebben voor een te verwachten risico op vervolging in het land van oorsprong; deze vrees dient tevens geobjectiveerd te worden; de toestand in hun land van oorsprong, Nepal, is gevoelig gewijzigd wat onder meer resulteerde in het staken van de vijandelijkheden, het ophouden van de schendingen van het internationaal humanitair recht, het engagement van beide partijen om het staakt het vuren om te zetten in een permanente vrede en het zetelen van de maobadi in het interim-parlement vanaf 15 januari 2007; er zijn geen gegevens voorhanden XIV-28.975-4/7 dat deze situatie instabiel is; de verzoekende partijen die voorhouden het slachtoffer te zijn geweest van de Nepalese burgeroorlog erkennen de gewijzigde situatie en brengen geen contra-indicatie bij; gelet op de actuele situatie maken zij niet aannemelijk bij terugkeer nog een vervolging te moeten vrezen; er kan geen vervolgingsvrees in de zin van artikel 1, A
(2), Vluchtelingenconventie in aanmerking worden genomen; door de aangehaalde gewijzigde situatie in Nepal zijn er geen elementen aanwezig die ressorteren onder de bepalingen van artikel 48/4 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet) met betrekking tot de subsidiaire beschermingsstatus; de verzoekende partijen voegen evenmin andersluidende elementen in dit kader toe; dat al deze vaststellingen in de bestreden beslissingen op afdoende wijze worden toegelicht; dat het uitsluitend de feitenrechter toekomt te oordelen of de situatie in het land van oorsprong van een aanvrager om erkenning als vluchteling op een zodanige wijze is gewijzigd dat er niet langer sprake is van een toestand waarbij de betrokken vreemdeling op aannemelijke wijze kan aantonen dat hij als vluchteling dient te worden erkend; dat het uitsluitend de feitenrechter toekomt om te oordelen aan welke informatiebronnen, die tot zijn beschikking staan, hij de voorkeur geeft om deze feitelijke situatie te beoordelen; dat, als administratieve cassatierechter, het de Raad van State niet toekomt de beoordeling van de feitenrechter hiervan over te doen; dat luidens artikel 14, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State de afdeling administratie in geval van cassatieberoep “niet in de beoordeling van de zaak zelf” treedt; dat, in het licht van de door haar gemaakte vaststellingen, die worden vermeld in de motivering van de bestreden beslissingen, de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen haar appreciatiebe- voegdheid niet kennelijk te buiten is gegaan toen ze besloot dat de verzoekende partijen niet aannemelijk hebben gemaakt dat zij in geval van terugkeer nog vervolging zouden dienen te vrezen; dat de beslissingen met betrekking tot de aanvraag om erkenning als vluchteling afdoende werden gemotiveerd; dat, op basis van dezelfde motieven, met name de drastisch gewijzigde toestand in Nepal, het land van oorsprong van de verzoekende partijen, wordt besloten dat er geen elementen aanwezig zijn die vallen onder de bepalingen van artikel 48/4 van de Vreemdelingenwet en de verzoekende partijen evenmin andersluidende elementen in dit kader toevoegen; dat de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen op afdoende wijze de toestand blijkt te hebben onderzocht in het land van herkomst om een zorgvuldig oordeel te kunnen vellen met betrekking tot het beantwoorden van de verzoekende partijen aan de criteria ter toekenning van een subsidiaire bescherming; dat ondanks het feit dat de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen erop gewezen heeft dat zij bevoegd was een beslissing hierover te nemen, de verzoekende partijen nooit expliciet elementen hebben naar voren gebracht die wezen op het feit dat zij beantwoorden aan de erkenningscriteria van het statuut voorzien in artikel 48/4 van de Vreemdelingenwet; dat de schending van de XIV-28.975-5/7 motiveringsplicht, wat de beoordeling van de subsidiaire bescherming ex artikel 48/4 van de Vreemdelingenwet betreft, niet wordt aangetoond door de verzoekende partijen; dat het reisadvies waarnaar de verzoekende partijen verwijzen in casu irrelevant is daar het niet slaat op hun concrete situatie, doch slechts bedoeld is om een algemene situatieschets te geven voor bezoekers van Nepal; dat bovendien dit rapport niet eerder in de asielprocedure door de verzoekende partijen werd aangevoerd; dat artikel van het 3 E.V.R.M. niet dienstig kan worden aangevoerd tot staving van de nietigverklaring van beslissingen waarbij, zonder een terugleidingsmaatregel te nemen, uitsluitend uitspraak wordt gedaan over de hoedanigheid van vluchteling en het beantwoorden aan de criteria ter verkrijging van het subsidiaire beschermingsstatuut voorzien in artikel 48/4 van de Vreemdelingenwet; dat de huidige bestreden beslissing los staat van de beweerde aangevraagde regularisaties met toepassing van artikel 9, derde lid, van de Vreemdelingenwet; dat het enig middel, in de mate het niet onontvankelijk is, ongegrond is; 2. Overwegende dat er grond is om toepassing te maken van artikel 19 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State; dat het cassatieberoep wordt verworpen, BESLUIT: Artikel 1. Het beroep wordt verworpen. Artikel 2. De kosten van het beroep, bepaald op 350 euro, komen ten laste van de verzoekende partijen, elk voor de helft. XIV-28.975-6/7 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op vijfentwin- tig september tweeduizend en zeven, door : de HH. A. BEIRLAEN, kamervoorzitter, C. VERHAERT, griffier. De griffier, De voorzitter, C. VERHAERT. A. BEIRLAEN. XIV-28.975-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.174.846 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div