id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 25 september 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.174.961 Rolnummer: A. 118793/IX-3280 Zaak: Arrest 174961 - Politie - 25/09/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-10-01 Raadplegingen: 53 - laatst gezien 2026-06-30 01:50 Fiche Arrest nr 174.961 van 25 september 2007 Instellingen, Binnenlandse zaken en lokale besturen - Politie Beslissing : heropening debatten Aanvullend verslag Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 174.961 van 25 september 2007 in de zaak A. 118.793/IX-3280. In zake : XXXX, tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken, die woonplaats kiest bij de Federale politie DGP/DPS, gevestigd te BRUSSEL, Fritz Toussaintstraat 47. -------------------------------------------------------------------------------------------------- - DE RAAD VAN S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat XXXX op 27 maart 2002 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van “de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 28 november 2001 dat IX-3280-1/12 verzoeker de voor de staat van officier van de federale politie onontbeerlijke morele hoedanigheden niet bezit”; Gelet op het arrest nr. 110.248 van 16 september 2002 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit wordt verworpen; Gezien het verzoek tot voortzetting van de rechtspleging ingediend op 17 oktober 2002 door de verzoekende partij; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur H. COLIN; Gelet op de beschikking van 12 mei 2006 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memories; IX-3280-2/12 Gelet op de beschikking van 4 juli 2007 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 3 september 2007; Gehoord het verslag van staatsraad A. VANDENDRIESSCHE; Gehoord de opmerkingen van advocaat J. GHOOS, die verschijnt voor de verzoekende partij, en van adviseurs [RG] en [KP], die verschijnen voor de verwerende partij; Gehoord het advies van auditeur H. COLIN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; 1. Overwegende dat de gegevens van de zaak kunnen worden samengevat als volgt : 1.1. Op 16 oktober 1997 wordt verzoeker door de Regie der Luchtwegen aangeworven in de hoedanigheid van stagedoend IX-3280-3/12 onderluchthavenmeester. Hij wordt aangesteld in de functie van agent van luchthavenpolitie ten behoeve van de luchthaven Brussel-Nationaal. Op 6 maart 1995 was hij door de gemeenteraad van de stad Brussel tuchtrechtelijk afgezet uit het ambt van politieagent. Met zijn arrest nr.146.478 van 23 juni 2005 heeft de Raad van State het door verzoeker ingestelde beroep tot nietigverklaring van dat tuchtbesluit verworpen. 1.2. Ter uitvoering van de wet van 17 november 1998 houdende integratie van de zeevaartpolitie, de luchtvaartpolitie en de spoorwegpolitie in de rijkswacht (hierna: de wet van 17 november 1998) wordt verzoeker op 1 maart 1999 als onderluchthavenmeester opgenomen in de categorie bijzonder politiepersoneel van de rijkswacht. Hij wordt aangewezen voor het Veiligheidsdetachement Nationale Luchthaven - afdeling politiezorg te Zaventem (VDNL). 1.3. Op 16 juni 1999 vraagt verzoeker om overgeplaatst te worden naar het operationeel korps van de rijkswacht met bijzondere politiebevoegdheid (het zogenaamde ‘FIFI-statuut’). IX-3280-4/12 Met ingang van 26 juni 1999 wordt hij benoemd in de graad van wachtmeester bij de rijkswacht binnen de personeelscategorie met bijzondere politiebevoegdheid, dienst luchtvaartpolitie van het operationeel korps van de rijkswacht. 1.4.1. Op 31 augustus 1999 wordt verzoeker, als houder van het brevet van politiecommissaris of adjunct-politiecommissaris, door de directeur-generaal van het personeel van de rijkswacht toegelaten tot de opleiding tot kandidaat-officier aan de applicatieschool van de School voor Officieren van de Koninklijke Rijkswachtschool. Er wordt daarbij toepassing gemaakt van artikel 60 van het koninklijk besluit van 25 januari 2000 betreffende de benoeming en de bevordering van de personeelsleden van de zeevaartpolitie, de luchtvaartpolitie en de spoorwegpolitie die naar de rijkswacht overgeplaatst zijn en houdende diverse andere statuutbepalingen omtrent die personeelsleden (hierna het koninklijk besluit van 25 januari 2000), krachtens hetwelk de betrokkenen enkel moeten slagen in de beroepscyclus waarvan sprake in artikel 28bis, § 1, tweede lid, van het koninklijk besluit van 9 april 1979 betreffende de werving en de vorming van het personeel van het operationeel korps van de rijkswacht. De opleiding start op 1 september 1999. IX-3280-5/12 1.4.2. Op 22 december 1999 zendt de directeur ‘Operaties’ van het VDNL aan de commandant van de applicatieschool inlichtingen met betrekking tot bepaalde gedragingen van verzoeker. Het betreft enerzijds een krantenartikel van 18 oktober 1994 betreffende de feiten die hebben geleid tot zijn tuchtrechtelijke afzetting, op 6 maart 1995, bij de politie van de stad Brussel en anderzijds het relaas van een poging om in 1999 een verkeersinbreuk te vergoelijken met een verwijzing naar een dienstopdracht. Als gevolg daarvan wint de commandant van de applicatieschool inlichtingen in met het oog op de redactie van het reglementair voorgeschreven moraliteitsverslag dat dient opgemaakt in het kader van de vraag of verzoeker de morele hoedanigheden bezit voor de aanstelling in de graad van onderluitenant bij de rijkswacht. 1.4.3. Op 7 januari 2000 vraagt verzoeker om de opleiding tot officier te beëindigen “mits behoud FIFI-statuut VDNL”. Op dat verzoek wordt ingegaan. IX-3280-6/12 1.5.1. Op 12 september 2000 doet verzoeker een nieuwe aanvraag om toegelaten te worden tot de “beroepscyclus aan de applicatieschool sessie 2001 ” die in januari 2001 aanvangt. 1.5.2. Op 11 oktober 2000 besluit de directeur-generaal van het personeel van de rijkswacht, verwijzende naar de antecedenten en naar artikel 6, § 1, derde lid, 1, van de statutaire wet van 27 december 1973 dat bepaalt dat de morele hoedanigheden van kandidaten getoetst worden vooraleer zij in de graad van onderluitenant kunnen worden aangesteld, dat, “als betrokkene bij zijn vraag blijft, de volgende voorschriften (zullen) worden nageleefd : 1 de Comd RSP zal een grondig moraliteitsonderzoek organiseren; 2 zolang die procedure niet is beëindigd, zal betrokkene in het VDNL werkzaam blijven; 3 zo blijkt dat betrokkene aan de moraliteitsvoorwaarden voldoet, zal hij tot de opleiding worden toegelaten conform artikel 60 (van het koninklijk besluit van 25 januari 2000); 4 alle stukken m.b.t. het gevoerde moraliteitsonderzoek zullen in het persoonlijk dossier van betrokkene worden opgenomen.” IX-3280-7/12 1.5.3. Daaromtrent ondervraagd, handhaaft verzoeker zijn aanvraag. Op 11 december 2000 wordt formeel opdracht gegeven tot uitvoering van het moraliteitsonderzoek, dat met betrekking tot de overgang naar de personeelscategorie van het operationeel korps van de rijkswacht met algemene politiebevoegdheid (het zogenaamde “full-statuut”) voorgeschreven is door artikel 13, 1, van het koninklijk besluit van 26 januari 1999 tot vaststelling van de inwerkingtreding van sommige bepalingen van de wet van 17 november 1998 houdende integratie van de zeevaartpolitie, de luchtvaartpolitie en de spoorweg- politie in de rijkswacht en houdende de regeling van de integratie van de zeevaartpolitie, de luchtvaartpolitie en de spoorwegpolitie in de rijkswacht (hierna: het koninklijk besluit van 26 januari 1999). 1.6. Op 5 januari 2001 zendt de commandant van de brigade Dilbeek van de federale politie het gevraagde moraliteitsonderzoek aan de Algemene Directie van het Personeel. De commissaris-generaal van de federale politie adviseert op 13 februari 2001 dat hij de resultaten van het moraliteitsonderzoek “onverkort bijtreedt”, dat de bevindingen vervat in IX-3280-8/12 het moraliteitsonderzoek (“Ptn 1.a, b, c en d en 2.f”) en het advies van de directie Recrutering en Selectie tot een ongunstig advies leiden en dat hij derhalve van oordeel is dat verzoeker “de voor de staat van officier van de federale politie onontbeerlijke morele hoedanigheden niet bezit”. Verzoeker dient een verweerschrift in. Op 19 oktober 2001 besluit de commissie van beroep, ingesteld door artikel 6, § 3, van de wet van 27 december 1973 : “(...) Na het verhaal ontvankelijk te hebben verklaard, na onderzoek van de toestand van INP XXXX en de feiten die hem ten laste gelegd werden, na betrokkene verhoord te hebben en na kennis genomen te hebben van de bijkomende pleitnota die hij ter zitting heeft neergelegd, is de Commissie van Beroep van oordeel dat INP XXXX niet over de vereiste morele hoedanigheden beschikt, onontbeerlijk voor de staat van officier van de federale politie. Motivering 1. De Commissie baseert haar negatief advies uitsluitend op volgende elementen uit het moraliteitsonderzoek. 1.1. Betrokkene werd veroordeeld door de 46 correctionele kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel op 05 oktober 1994 voor het besturen van een voertuig en het veroorzaken van een verkeersongeval in zeer zware staat van alcoholische vergiftiging. IX-3280-9/12 1.2. Om zich te rechtvaardigen voor zijn verkeersovertreding begaan op 28 juli 1999 met zijn persoonlijk voertuig op de Keizer Karellaan te Ganshoren, heeft hij middelen aangewend die deontologisch niet te verantwoorden zijn. 1.2.1. Tijdens een telefonisch gesprek met een collega van de politie van Ganshoren heeft hij gevraagd of de mogelijkheid bestond deze overtreding plaatselijk te seponeren. Hij gaf de uitleg dat hij van dienst was (wat niet met de waarheid strookt) en dat hij bezig was met een onderzoek in de omgeving. 1.2.2. Op 10 augustus 1999 heeft hij gebruik gemaakt van een officieel document uitgaande van het Detachement van de Nationale luchthaven om mee te delen dat volgens hem vervolging niet opportuun was. 2. De commissie is van oordeel dat deze houding onverenigbaar is met de vereiste morele hoedanigheden voor de staat van officier van de federale politie”. 1.7. Op 28 november 2001 neemt de minister van Binnenlandse Zaken dan het thans bestreden besluit. Het luidt als volgt : “Betreft : Beoordeling van de morele hoedanigheden van INP XXXX Juridische grondslag : 1. artikel 27 van de wet van 27 december 2000 houdende diverse bepalingen met betrekking tot de rechtspositie van het personeel van de politiediensten 2. koninklijk besluit van 15 oktober 1979 betreffende de commissie van beroep inzake morele hoedanigheden van de kandidaten voor IX-3280-10/12 toelating tot de rijkswacht en van de leerlingen van de scholen van de rijkswacht Na studie van het dossier, ben ik van oordeel dat XXXX , wegens de volgende feiten, de voor de staat van officier van de federale politie onontbeerlijke morele hoedanigheden NIET BEZIT : 1) het besturen van een voertuig en het veroorzaken van een verkeersongeval op 28 januari 1993 terwijl hij in zeer zware staat van alcoholische vergiftiging verkeerde, waarna hij de volledige lader van zijn dienstwapen leegschoot in een naburige woning van waaruit hij de politie had verwittigd; 2) het aanwenden van middelen die deontologisch niet te verantwoorden zijn, om een op 28 juli 1999 gepleegd verkeersmisdrijf te rechtvaardigen met name,
- a)het verzoek aan een collega om die overtreding te seponeren, waarbij hij aanvoerde dat hij op dat ogenblik dienst had (hetgeen niet het geval was) en hij bezig was met een onderzoek van de omgeving;
- b)het gebruik maken van een officieel document van het Detachement van de Nationale Luchthaven waaruit volgens hem moet blijken dat een vervolging niet opportuun was. Ik sluit mij derhalve aan bij de adviezen van de commissaris-generaal van de federale politie en van de commissie van beroep en beslis dat XXXX de voor de staat van officier van de federale politie onontbeerlijke morele hoedanigheden NIET BEZIT.” 1.8. Verzoeker stelt dat hij op 4 februari 2002 kennis gekregen heeft van het voornoemde besluit. IX-3280-11/12 2.1. Overwegende dat verzoeker zijn belang bij deze zaak gelegen ziet in de mogelijkheid om toegelaten te worden tot de opleiding van officier bij de federale politie en in voorkomend geval in zijn aanstelling als aspirant-officier; dat hij ook stelt dat de beoordeling van zijn morele kwaliteiten zijn goede naam krenkt; 2.2. Overwegende dat de verwerende partij van oordeel is dat de vernietiging van het bestreden besluit voor verzoeker geen nuttig effect kan hebben; dat zij betoogt: - een vernietiging zal niet betekenen dat verzoeker de onontbeerlijke morele hoedanigheden die voor de staat van officier van de federale politie vereist zijn, bezit; - het koninklijk besluit van 9 april 1979 betreffende de werving en vorming van het personeel van het operationeel korps van de rijkswacht (hierna: het koninklijk besluit van 9 april 1979) stelt de toegang tot het officierenkader afhankelijk van het volgen van een vormingscyclus die bestaat uit een voorbereidende cyclus en een beroepscyclus; krachtens artikel 2, 3, van dat besluit wordt een kandidaat die deel heeft uitgemaakt van de gemeentepolitie en wiens wijze van dienen geen voldoening geschonken heeft, niet toegelaten tot een opleidingscyclus; verzoeker is op 6 maart 1995 ontslagen bij de gemeentepolitie van de IX-3280-12/12 stad Brussel omdat hij wegens zijn tentoongespreide levenswandel het ambt van politieman in opspraak gebracht had en dat toont aan dat hij daar geen voldoening gegeven heeft; overeenkomstig artikel 60 van het koninklijk besluit van 25 januari 2000 worden de personeelsleden van de bijzondere politiediensten die overgeplaatst zijn naar het operationeel korps van de rijkswacht en die houder zijn van het brevet van politiecommissaris of adjunct-politiecommissaris -zoals verzoeker- op hun vraag toegelaten tot de beroepscyclus van de opleiding tot officier -zij zijn dus vrijgesteld van de voorbereidende cyclus- maar dat belet niet dat artikel 2, 3, op hen van toepassing is; - artikel 60 van het koninklijk besluit van 25 januari 2000 is inmiddels definitief opgeheven en verzoeker kan zich op die regeling niet meer beroepen; de opleiding 2002 tot officier gebeurt volgens de nieuwe regeling en die stelt de overgang van het basiskader naar het middenkader en het officierenkader enkel afhankelijk van het slagen in vergelijkende examens; - rekening houdend met de antecedenten van verzoeker moet een bestuur omzichtig zijn en dringt een nauwkeurige toetsing van de toelatingsvoorwaarden zich op; hij is ontslagen uit een algemene politiedienst, hij vervoegt via twee integraties (van de luchtvaartpolitie naar de rijkswacht en vervolgens naar de federale politie) opnieuw een IX-3280-13/12 algemene politiedienst en wil daar nu tot het officierenkader toetreden; het is niet onredelijk te vereisen dat officieren van de rijkswacht steeds de vereiste morele hoedanigheden moeten bezitten; 2.3. Overwegende dat verzoeker in zijn memorie van wederantwoord repliceert: - de bestreden beslissing verhindert dat hij wordt toegelaten tot de opleiding van officier of dat hij wordt aangesteld als aspirant-officier bij de politie; in geval van vernietiging zal de overheid haar beoordeling moeten overdoen en hem in voorkomend geval toelaten tot de opleiding, zoals overigens de directeur-generaal van het personeel reeds op 11 oktober 2000 besloten heeft; - artikel 2 van het koninklijk besluit van 9 april 1979 is niet op hem van toepassing, aangezien hij tot de opleiding toegelaten is met toepassing van artikel 60 van het koninklijk besluit van 25 januari 2000, wat betekent dat hij vrijgesteld was van de voorwaarden bepaald in het koninklijk besluit van 9 april 1979; - de bestreden beslissing verhindert hem de officierenopleiding te volgen overeenkomstig de vroeger bestaande regeling; in de nieuwe regeling is vereist dat hij zes jaar anciënniteit in het basiskader bezit, wat hij niet heeft, en moet hij meerdere vergelijkende examens afleggen; IX-3280-14/12 - in geval van vernietiging zal de verwerende partij zijn situatie moeten reconstrueren en, wanneer zij besluit dat hij de morele hoedanigheden bezit, hem moeten toelaten tot de vormingscyclus met inachtneming van de vrijstellingen waarop hij aanspraak kan maken; - de vaststelling dat hij de vereiste morele kwaliteiten niet bezit betekent voor hem een negatieve beoordeling en brengt zijn goede naam en faam in het gedrang; in het arrest over zijn schorsingsvordering is overigens in dat verband gezegd dat een vernietiging afdoende het moreel nadeel zal herstellen; 2.4. Overwegende dat verzoeker in zijn laatste memorie benadrukt dat bij het onderzoek van zijn toelating tot de beroepscyclus geen rekening gehouden mag worden met artikel 2, 3, van het koninklijk besluit van 9 april 1979, aangezien die bepaling betrekking heeft op de “werving” van personeel, terwijl hijzelf bij de rijkswacht binnengekomen is op grond van de wet van 17 november 1998 waarbij de luchtvaartpolitie in de rijkswacht geïntegreerd is, zodat hij daar een statuut sui generis bezit en derhalve enkel aan de voorwaarden van artikel 60 van het koninklijk besluit van 25 januari 2000 moet voldoen; dat hij daaraan toevoegt dat de verwerende partij hem initieel reeds toegelaten had tot de opleiding en dat zij daarbij terecht geen rekening gehouden heeft met de algemene IX-3280-15/12 toelatingsvoorwaarden opgenomen in het koninklijk besluit van 9 april 1979, inzonderheid het moraliteitsonderzoek en het medisch onderzoek; dat hij voorts ook nog ingaat op het moreel nadeel en stelt dat hij in een van zijn middelen wijst op het bestaan van een verdoken tuchtmaatregel, dat de bestreden beslissing in zijn persoonlijk dossier bijgehouden wordt en dat zij door het bestuur geraadpleegd zal worden bij latere kandidaatstellingen, hetgeen overigens reeds gebeurd is ter gelegenheid van zijn vraag tot overgang naar het middenkader in 2005 en 2004; IX-3280-16/12 2.5.1. Overwegende dat artikel 60 van het koninklijk besluit van 25 januari 2000 van toepassing is op de gewezen personeelsleden van de luchtvaartpolitie die de graad van onderluchthavenmeester bezaten, die werden overgeplaatst naar de personeelscategorie met bijzondere politiebevoegdheid van het operationeel korps van de rijkswacht en die sedert 1 maart 1999 werden benoemd in een gelijkwaardige graad van onderofficier; dat verzoeker in dat geval verkeert; dat hij immers als onderluchthavenmeester per 1 maart 1999 opgenomen is in de categorie bijzonder politiepersoneel van de rijkswacht, dat hij zijn overgang naar het operationeel korps van de rijkswacht met bijzondere politiebevoegdheid gevraagd heeft en per 26 juni 1999 benoemd is in de graad van wachtmeester binnen het operationeel korps, categorie met bijzondere politiebevoegdheid; 2.5.2. Overwegende dat artikel 60 van het koninklijk besluit van 25 januari 2000 verzoeker de mogelijkheid biedt om toegelaten te worden tot het tweede deel van de opleiding voor officier van de rijkswacht, georganiseerd door het koninklijk besluit van 9 april 1979; dat hij aldus vrijgesteld wordt van de voorbereidende cyclus en onmiddellijk toegang krijgt tot de beroepscyclus; IX-3280-17/12 Overwegende dat verzoeker niet betwist dat hij, in het kader van zijn aanvraag om de opleiding van kandidaat-officier te volgen, het moraliteitsonderzoek diende te ondergaan dat voorgeschreven is door artikel 6, § 1, derde lid, 1, van de wet van 27 december 1973; dat krachtens die bepaling de minister “de morele hoedanigheden” van de kandidaten beoordeelt “vooraleer deze de aanstelling in de graad van onderluitenant en de benoeming in die graad bekom(en)”, desgevallend na advies van de commissie ingesteld door artikel 6, § 3, van dezelfde wet; dat blijkens artikel 48 van het koninklijk besluit van 9 april 1979, bij het moraliteitsonderzoek nagegaan wordt of de kandidaat de “voor de staat van personeelslid van de rijkswacht onontbeerlijke morele hoedanigheden bezit”, wat betekent dat “de kandidaat van een onberispelijk gedrag is”; dat hetzelfde moraliteitsonderzoek overigens ook voorgeschreven is door artikel 13 van het koninklijk besluit van 26 januari 1999, waarbij de leden van de luchtvaartpolitie de mogelijkheid krijgen over te gaan naar de categorie van het personeel van het operationeel korps van de rijkswacht met algemene politiebevoegdheid; dat met het bestreden besluit vastgesteld wordt dat verzoeker “de voor de staat van officier van de federale politie onontbeerlijke morele hoedanigheden niet bezit”; IX-3280-18/12 2.5.3. Overwegende dat het bestreden besluit verhindert dat verzoeker aangesteld kan worden in de graad van onderluitenant bij de rijkswacht; dat verzoeker belang heeft bij de vernietiging van die beslissing, ook omdat zij steunt op een negatieve beoordeling van zijn gedrag en hem zodoende een moreel nadeel berokkent; Overwegende dat, in geval het bestreden besluit vernietigd wordt, de verwerende partij de verplichting zal hebben om de morele hoedanigheden van verzoeker opnieuw te onderzoeken met het oog op zijn toelating tot de beroepscyclus van de officierenopleiding overeenkomstig artikel 60 van het koninklijk besluit van 25 januari 2000; dat in dat verband verzoeker terecht aanstipt dat de commandant van de rijkswacht in zijn beslissing van 11 oktober 2000 om het moraliteitson- derzoek te laten doorgaan ook gesteld heeft: “zo blijkt dat betrokkene aan de moraliteitsvoorwaarden voldoet, zal hij tot de opleiding worden toegelaten, conform voormeld artikel 60”; dat de verwerende partij er weliswaar op wijst dat het koninklijk besluit van 25 januari 2000 opgeheven is -met name door artikel 1, 40, van het koninklijk besluit van 24 augustus 2001 tot opheffing van diverse besluiten met betrekking tot de rijkswacht, de gemeentepolitie en de gerechtelijke politie, dat uitwerking heeft op 1 april 2001-, maar dat zij daaruit ten onrechte afleidt IX-3280-19/12 dat verzoeker zich thans niet meer op die bepalingen zou kunnen beroepen; dat zij immers niet aantoont dat het bestuur, uitsluitend met het oog op het rechtsherstel dat zij overeenkomstig het annulatiearrest aan verzoeker moet verlenen, geen gebruik meer zal kunnen maken van de opgeheven regeling en dat het haar, in de huidige stand van de regelgeving, onmogelijk is om verzoeker nog volgens de overgangsre- geling van artikel 60 te bevorderen; 2.5.4. Overwegende dat de verwerende partij aanvoert dat verzoeker geen belang heeft bij zijn beroep, aangezien zij ook na een vernietigingsarrest niet anders zal kunnen dan vaststellen dat verzoeker niet toegelaten zal kunnen worden tot de opleiding waarin artikel 60 van het koninklijk besluit van 25 januari 2000 voorziet; dat zij te dien aanzien artikel 2, 3, van het koninklijk besluit van 9 april 1979 in herinnering brengt, waarin bepaald is: “Worden niet toegelaten tot een opleidingscyclus: 1 (...) 2 (...) 3 de kandidaten die deel hebben uitgemaakt van de gemeentepolitie (...) en die geen voldoening hebben gegeven in hun wijze van dienen”; IX-3280-20/12 Overwegende dat het geciteerde artikel 2, 3, van het koninklijk besluit van 9 april 1979 aan het bestuur een discretionaire beoordelingsbevoegdheid verleent; dat de verwerende partij zich nog niet formeel uitgesproken heeft over de situatie van verzoeker en dat de rechtstoestand van verzoeker op dat vlak bijgevolg nog niet bepaald is; dat de verwijzing naar een redelijke opstelling die zij als behoorlijk handelend bestuur mag innemen, niet wegneemt dat een formele beslissing vereist is; dat de Raad van State niet kan vooruitlopen op een beslissing die de bevoegde overheid in voorkomend geval zou kunnen nemen, met inachtneming van alle relevante omstandigheden; dat, binnen het kader van het belang, de verwerende partij aan verzoeker dan ook niet kan tegenwerpen dat hij, omdat hij “geen voldoening gegeven heeft in zijn wijze van dienen (bij de gemeentepolitie)”, absoluut uitgesloten is van elke opleidingscyclus; 2.5.5. Overwegende, zonder dat het nodig is acht te slaan op de gegevens die verzoeker bij schrijven van 6 augustus 2007 aangevoerd heeft, dat de exceptie niet gegrond is; dat, nu het verslag over de zaak beperkt is tot het onderzoek van dit aspect van het belang, een bijkomend onderzoek uitgevoerd moet worden, IX-3280-21/12 BESLUIT: Artikel 1. De debatten worden heropend. Artikel 2. Het door de auditeur-generaal aan te wijzen lid van het auditoraat wordt ermee belast de zaak verder te onderzoeken. IX-3280-22/12 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op 25 september 2007, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. P. LEMMENS, kamervoorzitter, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, Mevr. Ch. BAMPS, staatsraad, de H. W. GEURTS, griffier. De griffier, De voorzitter, W. GEURTS. P. LEMMENS. IX-3280-23/12 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.174.961 Gerelateerde publicatie(
- s)voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2002:ARR.110.248 gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.181.407 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div