← België

Arrest 175021 - Dienst Vreemdelingenzaken - 26/09/2007

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 26 september 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.175.021 Rolnummer: A. 185137/XIV-29719 Zaak: Arrest 175021 - Dienst Vreemdelingenzaken - 26/09/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-10-09 Raadplegingen: 56 - laatst gezien 2026-06-30 01:56 Fiche Arrest nr 175.021 van 26 september 2007 Vreemdelingen - Dienst Vreemdelingenzaken Beslissing : Bevolen Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK nr. 175.021 van 26 september 2007 in de zaak A. 185.137/XIV-29.

  1. In zake : Andranik MKRTCHIAN, die woonplaats kiest bij Advocaat I. JANSSEN, kantoor houdende te 1080 BRUSSEL, Paalstraat 14 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Justitie. --------------------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Andranik MKRTCHIAN, van Armeense nationaliteit, op 15 september 2007 heeft ingediend om bij uiterst dringende noodzakelijkheid de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van het besluit van de Minister van Justitie van 22 augustus 2007 waarbij de uitlevering van verzoeker aan de regering van Armenië wordt toegestaan, aan verzoeker betekend op 12 september 2007; Gelet op de beschikking van 18 september 2007 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gezien de nota van de verwerende partij; Gelet op de beschikking van 18 september 2007 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 26 september 2007 om 14.00 uur; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter A. BEIRLAEN; Gehoord de opmerkingen van Advocaat I. JANSSEN die, loco Advocaat J.-Y. CARLIER verschijnt voor de verzoekende partij en van Advocaat B. DERVEAUX, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd R. VANDER ELSTRAETEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; XIV-29.719-1/12
  2. Over de gegevens van de zaak. Overwegende dat de voornaamste gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat: 1.
  3. Verzoeker dient op 13 oktober 1998 een asielaanvraag in, welke wordt afgesloten door een weigeringsbeslissing van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen van 15 juni
  4. 1.
  5. Gevolg gevend aan een verzoek tot rechtshulp van de Armeense overheid wordt verzoeker op 2 december 2004 aangehouden met het oog op uitlevering. Verzoeker wordt op 24 december 2004 door de Raadkamer in vrijheid gesteld. 1.
  6. Op 2 maart 2005 wordt een nieuw verzoek om rechtshulp toelaatbaar verklaard door de Federale Overheidsdienst Justitie. Bij beschikking van 4 augustus 2006 verklaart de Raadkamer het rechtshulpverzoek uitvoerbaar. De Kamer van Inbeschuldigingstelling bevestigt deze beslissing op 11 september
  7. Op 10 januari 2007 wordt aan verzoeker een uitleveringsbesluit van 29 november 2006 ter kennis gebracht. Deze beslissing wordt geschorst bij ’s Raads arrest nr. 166.879 van 17 januari
  8. 1.
  9. Bij aangetekend schrijven van 10 november 2006 verklaart verzoeker zich andermaal vluchteling. Op 16 januari 2007 neemt de Minister van Binnenlandse Zaken een beslissing tot weigering van in overwegingname van een asielaanvraag. Het verzoek tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid tegen deze beslissing wordt verworpen bij ’s Raads arrest nr. 167.142 van 25 januari
  10. 1.
  11. Een verzoek tot het opleggen van voorlopige maatregelen wordt verworpen bij ’s Raads arrest nr. 170.698 van 2 mei
  12. 1.
  13. Op 21 april 2007 wordt verzoeker opnieuw van zijn vrijheid beroofd en wordt het ministerieel besluit van 21 februari 2007 betekend, dat zijn uitlevering aan Armenië toestaat. Bij arrest nr. 170.969 van 9 mei 2007 schorst de Raad van State de tenuitvoerlegging van deze beslissing. 1.
  14. Bij ministerieel besluit van 22 augustus 2007 wordt het geschorste besluit van 21 februari 2007 ingetrokken en wordt de uitlevering aan de regering van Armenië toegestaan. De thans bestreden beslissing luidt als volgt: “(...) Gezien de brief dd. 11.03.2005 van de Minister van Buitenlandse Zaken en de daarbij gevoegde nota van de ambassade van Armenië te Brussel waarbij de uitlevering wordt gevraagd van de Armeense onderdaan MKRTCHYAN Andranik, alias MAKARTCHIAN Andranik, geboren te Artik, Armenië op 24.12.1954; XIV-29.719-2/12 Gezien de daarbij overgelegde stukken, waaronder de “beslissing betreffende de toepassing van de arrestatie als voorzorgsmaatregel” dd. 09.12.2004 van de rechtbank van eerste aanleg van de gemeentenYerevan Kentron en Norck-Marash en dat deze beslissing te beschouwen is als een bevel tot aanhouding bij verstek met het oog op strafvervolging. Deze titel werd uitgevaardigd wegens feiten die naar Belgisch recht omschreven zijn als: valsheid in geschriften en gebruik door een openbaar ambtenaar enerzijds en verduistering door een openbaar ambtenaar anderzijds. Deze feiten werden gepleegd op Armeens grondgebied op 25.09.1997; Gezien het advies uitgebracht door de Kamer van Inbeschuldigingstelling te Antwerpen op 13.11.2006; Gelet op het Europees Uitleveringsverdrag van 13 december 1957; Gelet op de uitleveringswetten van 1 oktober 1833 en 15 maart 1874; Gelet op de schorsing door het arrest van de Raad van State dd. 17.01.2007 van het ministerieel besluit dd. 29.11.2006, betekend op 10.01.2007 om reden van het nog niet voorhanden zijn van een beslissing over de tweede asielaanvraag van betrokkene; Overwegende de niet-ontvankelijkverklaring (“refus de prise en considération”) van de tweede asielaanvraag van betrokkene bij beslissing dd. 16.01.2007 van de Minister van Binnenlandse Zaken. Aangezien het eventuele beroep bij de Raad van State tegen deze beslissing geen schorsende werking heeft; Gelet op de schorsing door het arrest van de Raad van State dd. 09.05.2007 van het ministerieel besluit dd. 21.02.2007, betekend op 21.04.2007 om reden van het de onvoldoende motivering van de non-discriminatieclausule; Overwegende dat de feiten zowel naar Belgisch als naar Armeens recht strafbaar zijn gesteld en dat voldaan is aan de voorwaarden gesteld in artikel 2.1 van voornoemd Uitleveringsverdrag; Overwegende dat de verjaring van de strafvordering noch naar Belgisch, noch naar Armeens recht is bereikt; Overwegende dat de feiten geen politiek misdrijf of een daarmee samenhangend misdrijf uitmaken; Overwegende dat niet is gebleken dat het verzoek tot uitlevering dat op een misdrijf van gemeen recht berust, is ingegeven om de opgeëiste persoon wegens zijn ras, zijn godsdienst, zijn nationaliteit of zijn politieke gezindheid te vervolgen of te straffen, noch dat zijn positie om een van deze redenen ongunstig dreigt te worden beïnvloed; Overwegende dat ten aanzien van de opgeëiste persoon er geen concrete, geïndividualiseerde aanwijzingen zijn die er op kunnen wijzen dat betrokkene na zijn uitlevering in Armenië het voorwerp zou kunnen uitmaken van een discriminatoire behandeling dan wel een behandeling, meer bijzonder vervolging, die in strijd zou zijn met artikel 3 van het Europees Verdrag ter Bescherming van de Rechten van de Mens. De Constante rechtspraak vereist een geconcretiseerd gevaar voor een eventuele discriminatoire behandeling in de zin van het toepasselijke uitleveringsverdrag en artikel 2 bis uitleveringswet van 15 maart
  15. Overwegende bijgevolg dat aan de voorwaarden en de formaliteiten inzake de uitlevering is voldaan, Besluit Artikel 1 Het Ministerieel Besluit dd. 21.02.2007 wordt ingetrokken. Artikel 2 De uitlevering van MKRTCHYAN Andranik, Alias MAKARTCHIAN Andranik, wordt aan de regering van Armenië toegestaan wegens de feiten op grond waarvan de uitlevering wordt gevraagd. (...).”;
  16. Over de gegrondheid van de vordering tot schorsing. Overwegende dat krachtens artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid kan worden besloten onder de drievoudige voorwaarde dat uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is, dat ernstige middelen worden aangevoerd XIV-29.719-3/12 die de nietigverklaring van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; 2.1.
  17. Overwegende dat, wat de eerste voorwaarde betreft, verzoeker aanvoert: “UITERST DRINGENDE NOODZAKELIJKHEID. Overwegende dat er sprake is van uiterst dringende noodzakelijkheid, gelet op het feit dat de eiser van zijn vrijheid is beroofd met het oog op zijn uitlevering naar Armenië, in uitvoering van de bestreden beslissing; Dat het evident is dat een gewoon verzoekschrift tot schorsing niet tijdig tot een arrest zou kunnen leiden gelet de dreigende en imminente uitvoering van de bestreden beslissing; Dat er trouwens een poging tot effectieve uitlevering heeft plaatsgevonden op 24 april 2007, maar die is niet doorgegaan omdat verzoeker zich onwel voelde; Dat verzoeker op dit ogenblik van zijn vrijheid is beroofd en dat uit deze eerste poging tot effectieve uitlevering aan Armenië de vastberadenheid van de Belgische overheden blijkt om de bestreden beslissing uit te voeren; Dat anderzijds moet worden vastgesteld dat de eiser het beroep met de vereiste spoed heeft ingesteld, gezien de bestreden beslissing hem werd betekend op 12 september 2007; Dat de uiterst dringende noodzakelijkheid daarom is aangetoond;”; 2.1.
  18. Overwegende dat de verwerende partij zich wat de hoogdringendheid betreft, schikt naar de wijsheid van de Raad; 2.1.
  19. Overwegende dat de hoogdringendheid inderdaad vaststaat; 2.2.
  20. Overwegende dat, wat de tweede voorwaarde betreft, verzoeker in een tweede middel aanvoert: “
  21. Tweede middel. Schending van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de formele motivering van bestuurshandelingen in combinatie met het artikel 3 van het EVRM. Overwegende dat de bestreden beslissing helemaal geen rekening houdt met de slechte reputatie van Armenië op het gebied van mensenrechten en in het bijzonder wat betreft de wijdverspreide folteringen die worden begaan door politieagenten tijdens voorlopige hechtenis van gevangenen en in gevangenissen; Dat de raadsman van verzoeker in zijn verzoekschrift tot schorsing in uiterst dringende noodzakelijkheid van 25 april 2007 een zeer uitgebreide argumentatie geeft omtrent de schending van artikel 3 EVRM en omtrent de onmenselijke behandeling van de gevangenen en de mensonterende situatie in de Armeense gevangenissen. Dat zowel de argumentatie met betrekking tot artikel 3 EVRM als de argumentatie aangaande de situatie van de gevangenen in de Armeense gevangenissen in het verzoekschrift tot schorsing in uiterst dringende noodzakelijkheid van 25 april 2007 uitgebreid wordt gestaafd met rechtsleer, rechtspraak en rapporten van mensenrechtenorganisaties en bevindingen van het US State Department en de European Committee for the prevention of torture and inhuman and degrading treatment or punishment (CPT). Dat deze argumentatie in onderhavig verzoekschrift zal worden hernomen vermits ze nog steeds geldig is. Dat de Raad in het tussengekomen arrest n/ 170.969 van 9 mei 2007 oordeelt dat: “Overwegende dat verzoeker in zijn middel stelt, samengevat, dat door geen rekening te houden met het risico dat hij loopt (wanneer hij, eenmaal uitgeleverd terecht komt XIV-29.719-4/12 in een Armeense gevangenis) om onmenselijk en vernederend te worden behandeld of zelfs gefolterd, de verzoekende partij artikel 3 van het E.V.R.M. (verbod op foltering en op onmenselijk en vernederende behandelingen of straffen) niet in haar oordeel heeft betrokken hetgeen leidt tot een gebrekkige motivering van het bestreden besluit waardoor de motiveringsplicht, vervat in de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen wordt geschonden; Overwegende dat de verwerende partij in haar nota antwoordt dat “het E.V.R.M., artikel 3 in het bijzonder .... daarbij vanzelfsprekend in de overwegingen (werd) betrokken”; dat zij ter terechtzitting dit standpunt herhaalt en bevestigt; Overwegende dat uit niets blijkt dat -in tegenstelling tot hetgeen de verwerende partij aanvoert- in het bestreden besluit artikel 3 van het E.V.R.M. “vanzelfsprekend” in de overwegingen werd betrokken; dat in de overwegingen alleen maar wordt gesteld dat in casu voldaan is aan de voorwaarden tot uitlevering zoals deze vervat zijn in de Belgische uitleveringswetten van 1 oktober 1833 en 15 maart 1874, zoals onderwijl gewijzigd en in het Europees Uitleveringsverdrag van 13 december 1957; dat het bestreden besluit aldus alleen maar de overwegingen, vervat in het advies van de Kamer van Inbeschuldigingstelling van Antwerpen dd. 13 november 2006 herhaalt en er niets aan toevoegt; Overwegende dat de beslissing om een vreemdeling uit leveren problemen schept vanuit het oogpunt van artikel 3 van het E.V.R.M. indien er zwaarwichtige redenen zijn om aan te nemen dat de betrokkene, na zijn uitlevering, een ernstig risico loopt om aan foltering, onmenselijke of vernederende behandelingen te worden onderworpen; dat verzoeker aan de hand van recente, onafhankelijke en voor iedereen (dus ook voor de Minister van Justitie) gemakkelijk toegankelijk bronnen (Human Rights Watch, jaarlijks verslag van 2007 betreffende Armenië; U.S. Department of State, Background note on Armenia, december 2006; Verslag van het European Committee for the prevention of Torture and Inhuman or degrading treatment or punishment (CPT) van 16 november 2006 betreffende Armenië) aantoont dat de Armeense overheden een allesbehalve vlekkeloze reputatie bezitten op het vlak van het respecteren van de mensenrechten in het algemeen en van de mensenrechten van gevangenen in het bijzonder; Overwegende dat de Minister van Justitie derhalve bij het nemen van de bestreden beslissing rekening had moet houden met - of ten minste althans enige aandacht had moeten schenken aan - de mogelijke schending van artikel 3 van het E.V.R.M. als rechtstreeks resultaat van de bestreden beslissing; dat, door het eventueel risico op de schending van artikel 3 van het E.V.R.M. niet bij haar overwegingen te betrekken, de Minister inderdaad haar beslissing onvoldoende heeft gemotiveerd;” Dat de verwerende partij in de bestreden beslissing enkel stelt dat: “Overwegende dat ten aanzien van de opgeëiste persoon er geen concrete, geïndividualiseerde aanwijzingen zijn die er op kunnen wijzen dat betrokkene na zijn uitlevering in Armenië het voorwerp zou kunnen uitmaken van een discriminatoire behandeling dan wel een behandeling, meer bijzonder vervolging, die in strijd zou zijn met artikel 3 van het Europees Verdrag ter bescherming van de Rechten van de Mens. De constante rechtspraak vereist een geconcretiseerd gevaar voor een eventuele discriminatoire behandeling in de zin van het toepasselijke uitleveringsverdrag en artikel 2bis uitleveringswet van 15 maart
  22. Dat verzoeker moet vaststellen dat verwerende partij het arrest n/ 170.969 van 9 mei 2007 van de Raad van State gewoon naast zich heeft neergelegd. Dat hierdoor verwerende partij wederom op manifeste wijze de motiveringsverplichting schendt. Dat de motiveringsverplichting zoals verwoord in artikel 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 zelfs op twee niveau’s wordt miskend: Enerzijds door met de inhoud zelf van de argumentatie van de raadsman van verzoeker en met de door hem neergelegde stukken geen rekening te houden. Anderzijds, wanneer verwerende partij onterecht van mening zou zijn om met deze inhoud geen rekening te houden, door na te laten in de bestreden beslissing uit te leggen waarom de inhoud van de argumentatie en de neergelegde stukken niet in acht werden genomen. Dat het artikel 3 van het EVRM een absolute bescherming biedt, van openbare orde is en geen enkele uitzondering toelaat en dus ook volledig losstaat van het gedrag van de persoon in kwestie (stuk 16: VANDE LANOTTE, J. en HAECK, Y., "Handboek EVRM. Artikelsgewijze commentaal”, Antwerpen, Intersentia, p. 162); XIV-29.719-5/12 Dat in gevallen van uitwijzing en uitlevering, het Europees Hof voor de Rechten van de Mens heeft geoordeeld dat Lidstaten moeten rekening houden met de eisen van het artikel 3 EVRM, omdat een uitwijzing of uitlevering naar een land waar een persoon folteringen of onmenselijke en vernederende behandeling riskeert te ondergaan, de verantwoordelijkheid van deze Lidstaat met zich mee kan brengen in het licht van het artikel 3 van het EVRM wanneer een schending wordt vastgesteld van het artikel voor het Hof ( stuk 16 : op. cit., p. 161); Dat in het algemeen door het Europees Hof wordt vereist dat een "ernstig en reëel risico" moet worden aangetoond door de klager (zie Soering t./ VK, arrest van 7 juli 1989, Publ. Hof, serie A, Vol. 161, §91 ); Dat er ook rekening wordt gehouden met de houding van de uitwijzende staat, zoals bijvoorbeeld in de zaken Crus Varaz and others / Zweden en Vilvarajah and others / V.K. (zoals geciteerd in stuk 16, op. cit., p. 164-165); Dat aldus in de eerstgenoemde zaken het Hof heeft benadrukt dat de Zweedse overheden veel ervaring hebben met de Chileense vluchtelingen en de situatie van de asielzoekers dan ook goed kunnen inschatten; Dat de Zweedse overheid contact heeft opgenomen met een Chileense mensenrechtenorganisatie die beweerde dat Crus Varaz nooit politiek actief is geweest ( stuk 16, op. cit., p. 165); Dat ook in de zaak Vilvarajah / VK er werd geoordeeld dat de Britse overheden veel ervaring hebben in het onderzoeken van dossiers van Srilankezen en dat elk geval individueel werd onderzocht ( stuk 16, op. cit., p. 165 ); Dat in tegenstelling tot deze voormelde zaken de verwerende partij helemaal niet is overgegaan tot een individueel onderzoek van het geval van verzoeker, omdat na de uitleveringsverzoeken van de Armeense overheden de Dienst Vreemdelingenzaken de nieuwe asielaanvraag van verzoeker heeft geweigerd in overweging te nemen, ondanks het feit dat deze uitleveringsverzoeken nieuwe elementen uitmaken in de zin van het artikel 51 /8 van de wet van 15 december 1980; Dat bovendien de verwerende partij nu beweert dat de beslissing van weigering van in overwegingname voldoende zou zijn om tot het besluit te komen dat verzoeker geen risico zou lopen op vervolging omwille van zijn politieke gezindheid, wat helemaal niet is beoordeeld door de Dienst Vreemdelingenzaken in de bijlage l3quater; Dat bovenop de verkeerde conclusies die de bestreden beslissing trekt uit de bijlage l3quater, er geen bijkomend onderzoek is gedaan naar het vaststellen van het risico op politieke vervolging door verzoeker in geval van uitlevering naar Armenië, net zomin als enig onderzoek naar de soort behandeling die verzoeker zal ondergaan indien hij zou worden teruggestuurd naar Armenië; Dat de verwerende partij hierin dus duidelijk is tekort geschoten door de bestreden beslissing helemaal niet te motiveren ten aanzien van een mogelijke schending van het artikel 3 van het EVRM, dit terwijl het nochtans algemeen geweten is dat de Armeense overheden een slechte reputatie hebben op het gebied van mensenrechten en zeer zeker ook op het gebied van respecteren van de mensenrechten van gevangenen; Dat aldus een recente artikel op www.armenialiberty.org vermeldt dat een hooggeplaatste rechter toegeeft dat de rechters in Armenië ernstig lijden aan een gebrek van onafhankelijkheid en dat zij zeer vatbaar zijn voor corruptie; Dat het jaarverslag van Human Rights Watch van 2007 over Armenië bevestigt dat folteringen en mishandelingen tijdens hechtenis door de politie en in gevangenissen nog steeds wijdverspreid zijn en dit ondanks het feit dat Armenië op 31 mei 2006 het Optional Protocol bij de Conventie tegen foltering en andere vrede, onmenselijke en vernederende behandeling en of straffen heeft goedgekeurd; Dat ditzelfde verslag eveneens bevestigt dat mensenrechten groeperingen bevestigen dat de meeste gevangenissen overbevolkt zijn dat basisrechten van de gevangenen met voeten worden gedreven; Dat deze bevindingen eveneens worden gevestigd in een Background note van het US State Department; Dat een verslag van de European Committee for the prevention of torture and inhuman and degrading treatment or punishment ( CPT ) van 16 november 2006 een verslag geeft over de bevindingen van een comité, dat melding maakt van overmatig gebruik van geweld op het moment van arrestatie, fysieke mishandelingen tijdens ondervragingen en gebrekkige toegang tot een raadsman, geneesheer en informatie omtrent individuele rechten (Report to the Armenian Government on the visit to XIV-29.719-6/12 Armenia carried out by the European Committee for the prevention of torture and inhuman or degrading treatment or punishment", 16 november 2006, p.9, 10 en 13 ); Dat al deze informatie die duiden op systematische mensenrechtenschendingen van gevangenen in detentie toegankelijk zijn voor het publiek via het Internet en dat het dus gaat om elementen waar de verwerende partij kennis van moest hebben; Dat de bestreden beslissing helemaal geen rekening houdt met dit risico voor verzoeker om onmenselijke en vernederende behandelingen en zelfs folteringen te ondergaan wanneer hij in een gevangenis in Armenië zal terechtkomen, zodat dit een schending uitmaakt van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 in combinatie met het artikel 3 van het EVRM; Dat in een zaak Chahal v/ UK het Europees Hof van oordeel is geweest dat eventuele uitwijzing door het Verenigd Koninkrijk van een vermeende Sikhterrorist naar India een schending zou uitmaken van artikel 3 van het EVRM; Dat het hof in deze zaak heeft besloten tot een schending van het artikel 3 nadat de algemene toestand en meer specifiek de talloze schendingen van de mensenrechten in de Punjab-regio en meer in het algemeen in geheel India werd vastgesteld ; Dat in het geval van verzoeker de verschillende publiek toegankelijke bronnen aantonen dat er sprake is van wijdverspreide mensenrechtenschendingen in de vorm van mishandelingen en het ontzeggen van basisrechten aan de gevangenen in detentie; Dat desondanks de bestreden beslissing dit risico op schending van het artikel 3 EVRM niet heeft beoordeeld of geëvalueerd; Dat de herhaalde uitleveringsverzoeken door de Armeense overheden aantonen dat zij er zeker op gebrand zijn verzoeker in handen te krijgen, wat voor verzoeker zijn vrees nog verhoogt om onmenselijke en vernederende behandelingen en foltering te ondergaan eens hij aan de Armeense autoriteiten wordt uitgeleverd; Dat gelet op deze elementen moet worden geoordeeld dat de bestreden beslissing een schending uitmaakt van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de formele motivering van bestuurshandelingen en het artikel 3 van het EVRM;” 2.2.
  23. Overwegende dat de verwerende partij antwoordt: “Verzoeker stelt dat in het bestreden besluit geen rekening werd gehouden met de slechte reputatie van Armenië op het vlak van respect voor de mensenrechten, en dit gebrek aan appreciatie leidt tot een gebrekkige motivering van het bestreden besluit. In het arrest van 09 mei 2007 oordeelde uw Raad dat bij het nemen van het bestreden besluit de verwerende partij artikel EVRM in overweging diende te nemen en uit het bestreden besluit niet bleek dat deze zulks had gedaan. In het thans bestreden besluit overwoog verwerende partij: Overwegende dat niet is gebleken dat het verzoek tot uitlevering dat op een misdrijf van gemeen recht berust, is ingegeven om de opgeëiste persoon wegens zijn ras, zijn godsdienst, zijn nationaliteit of zijn politieke gezindheid te vervolgen of te straffen, noch dat zijn positie om één van deze redenen ongunstig dreigt te worden beïnvloed; Overwegende dat ten aanzien van de opgeëiste persoon er geen concrete, geïndividualiseerde aanwijzingen zijn die er op kunnen wijzen dat betrokkene na zijn uitlevering in Armenië het voorwerp zou kunnen uitmaken van een discriminatoire behandeling dan wel een behandeling, meer bijzonder vervolging, die in strijd zou zijn met artikel 3 van het Europees Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens. De constante rechtspraak vereist een geconcretiseerd gevaar voor een eventuele discriminatoire behandeling in de zin van het toepasselijke uitleveringsverdrag en artikel 2bis uitleveringswet 15 maart
  24. Verzoeker meent dat de motiveringsplicht uit de wet van 1991 aldus wordt miskend doordat met de informatie die verzoeker gaf in zijn vorige verzoekschriften, geen rekening wordt gehouden, enerzijds, en doordat uit het bestreden besluit niet blijkt waarom de inhoud van de argumentatie en de stukken geen rekening wordt gehouden, anderzijds. Vooreerst zal de Raad vaststellen dat de rechterlijke macht bij herhaling, in de beschikking van de Raadkamer bij de rechtbank van eerste aanleg te Mechelen, en in het advies van de Kamer van Inbeschuldigingstelling te Antwerpen, heeft vastgesteld dat de uitleveringsvoorwaarden vervuld waren; de Kamer van Inbeschuldigingstelling verleende een volkomen gusntig advies aan de Minister omtrent de uitlevering van de XIV-29.719-7/12 betrokkene met de overweging dat de betrokkene niet werd vervolgd omwille van zijn politieke gezindheid. Verzoeker was bij de procedure bijgestaan door zijn raadsman; het verzoek werd volledig behandeld met inoverwegingneming van alle toepasselijke rechtsregels, inbegrepen het EVRM, artikel 3 in het bijzonder, dat rechtstreeks in de Belgische rechtsorde werkt. c. Naast de rechterlijke controles heeft de Vaste Beroepscommissie voor Vluchtelingen en Staatlozen de asielaanvraag van de verzoeker ook reeds afgewezen. d. In het bestreden besluit overweegt de Minister enerzijds dat “de feiten geen politiek misdrijf of een daarmee samenhangend misdrijf uitmaken”, en dat “niet is gebleken dat het verzoek tot uitlevering dat op een misdrijf van gemeen recht berust, is ingegeven om de opgeëiste persoon wegens zijn ras, zijn godsdienst, zijn nationaliteit of zijn politieke gezindheid te vervolgen of te straffen, noch dat zijn positie om één van deze redenen ongunstig dreigt te worden beïnvloed.” Anderzijds werd ook overwogen: Overwegende dat ten aanzien van de opgeëiste persoon er geen concrete, geïndividualiseerde aanwijzingen zijn die er op kunnen wijzen dat betrokkene na zijn uitlevering in Armenië het voorwerp zou kunnen uitmaken van een discriminatoire behandeling, dan wel een behandeling meer bijzonder vervolging, die in strijd zou zijn met artikel 3 van het Europees Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens. De constante rechtspraak vereist een geconcretiseerd gevaar voor een eventuele discriminatoire behandeling in de zin van het toepasselijke uitleveringsverdrag en artikel 2bis uitleveringswet van 15 maart
  25. Deze overwegingen moeten worden samen gezien met de vaststelling dat de verzoeker thans geen verblijfsrecht in België kan laten gelden ingevolge beslissingen van de Dienst Vreemdelingenzaken. In casu staat het vast dat niet de uitlevering op zich in strijd is met artikel 3 EVRM, doch wel dat de gevolgen van de uitleverig strijdig zouden zijn met artikel 3 EVRM. Een uitlevering kan inderdaad een schending van artikel 3 EVRM opleveren indien er ernstige en gerechtvaardigde redenen zijn om aan te nemen dat de vreemdeling in het land waarnaar hij wordt uitgeleverd, aan foltering of mensonterende behandeling zal worden blootgesteld. Terecht verwijst de verzoeker in zijn verzoekschrift daarbij naar de rechtspraak inzake Soering. Het Hof van Cassatie heeft deze visie niet volledig gevolgd. In een arrest van 04 februari 1993 stelde het Hof enerzijds dat het EVRM geen recht op asiel inhoudt, en anderzijds dat artikel 3 EVRM de weigering van een tijdelijk verblijfsrecht aan een vreemdeling die bij uitzetting het risico loopt gefolterd te worden of onderworpen te worden aan onmenselijke of vernederende behandelingen en waardoor er zich een probleem inzake artikel 3 kan voordoen, toch niet in de weg staat. e. De beoordelingsfactoren die het Hof Mensenrechten vastegde in het arrest Soering, zoals de disproportionaliteit tussen de feiten en de straf en de vrees geen eerlijk proces te zullen krijgen, zijn van toepassing in uitleveringszaken. Maar het loutere feit dat een persoon die wordt uitgeleverd bij zijn aankomst in de ontvangende staat het gevaar loopt vervolgd te worden voor een strafbaar feit waarop een zware straf staat of een straf die zwaarder is dan de straffen die voor hetzelfde misdrijf in andere staten worden opgelegd, levert op zich geen schending op van artikel 3 EVRM, tenzij er kan worden aangetoond dat de beschuldigingen gemanipuleerd of valselijk zijn. Hoewel de uitlevering wegens een politiek misdrijf op zich en bij afwezigheid van bijzondere omstandigheden, geen schending van artikel 3 EVRM kan uitmaken, kan die uitlevering alsnog een onmenselijke behandeling uitmaken indien er reden is om te geloven dat de uitlevering van een persoon, niettegenstaande deze uitsluitend wordt gevraagd wegens misdrijven naar gemeen recht, wordt misbruikt met het doel de betrokkene in strijd met het specialiteitsbeginsel te vervolgen voor een politiek misdrijf of zelfs gewoonweg omwille van zijn politieke opinies. De onmenselijke behandeling bestaat er dan alleen in dat de vervolging kan leiden tot een ongerechtvaardigde en disproportionele veroordeling. Evenzo is de rechtspraak van het Hof voor de Mensenrechten streng in de beoordeling van de aangevoerde gronden op een risico tot onmenselijke behandeling. Het Hof maakt niet alleen een “ernstig gevaar” -test maar wijst er ook op dat de klager indicaties moet geven dat de gelaakte toestand op zijn individueel geval zal worden XIV-29.719-8/12 toegepast (“the existence of a situation comparable to his own”) en dat hij documenten moet aanbrengen over zijn individueel dossier en zijn verwachte behandeling, laat staan dat deze toestand dan slechter zou zijn dan die van andere landgenoten in hetzelfde geval. Het verwijzen naar een toestand in Armenië is onvoldoende om de bescherming van artikel 3 EVRM te ontvangen; de verzoeker dient in concreto het ernstige risico (“the real risk”) aan te tonen, voor zijn individuele geval. In het thans bestreden besluit is de verwerende partij tot de vaststelling gekomen dat dit individuele bewijs niet wordt geleverd en het geconcretiseerd gevaar bijgevolg niet wordt aangetoond. Daarin volgt de Minister de beslissingen die werden genomen inzake de asielaanvragen van de verzoeker die werden afgewezen. In die zin dient te worden vastgesteld dat de Minister in het bestreden besluit niet is tekort geschoten aan de motiveringsverplichting krachtens de wet van 29 juli
  26. ”; 2.2.3.
  27. Overwegende dat verzoeker aanvoert dat in de bestreden beslissing geen rekening wordt gehouden met de slechte reputatie van Armenië op het vlak van mensenrechten; dat hij in het bijzonder wijst op de foltering van gevangenen, naar het jaarverslag van Human Rights Watch van 2007 waaruit zou blijken dat er folteringen en mishandelingen in de gevangenis plaatsvinden en waaruit ook zou blijken dat de basisrechten van de gevangenen in de overbevolkte gevangenissen niet worden gerespecteerd; dat hij stelt dat deze bevindingen worden bevestigd door een Backgroundnote van het US State Department, dat ook een verslag van het European Committee for the prevention of torture and inhuman and degrading treatment or punishment melding maakt van overmatig gebruik van geweld en fysieke mishandeling door Armeense overheidsdiensten; dat verzoeker erop wijst dat deze informatie publiek toegankelijk is zodat de verwerende partij er kennis van kon hebben; dat verzoeker tevens verwijst naar het arrest nr. 170.969 van 9 mei 2007 dat de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van een eerder genomen beslissing tot uitlevering beveelt; dat hij stelt dat in dit arrest de Raad van State het middel ernstig heeft bevonden waarin wordt gesteld dat de Minister geen rekening had gehouden met het risico op schending van artikel 3 EVRM en dat de motiveringsplicht werd geschonden, dat aldus de Raad van State heeft vastgesteld dat uit niets bleek dat artikel 3 EVRM in overweging werd genomen; 2.2.3.
  28. Overwegende dat uit de eerder vermelde verslagen en rapporten, die door verzoeker destijds al als stukken bij zijn verzoekschrift gevoegd werden, blijkt dat er sprake is van mensenrechtenschendingen door de Armeense overheid en meer bepaald bij arrestaties en in de gevangenissen; dat hieruit door verzoeker wordt afgeleid dat er een ernstig risico bestaat om te worden mishandeld en gefolterd in een Armeense gevangenis indien de bestreden beslissing ten uitvoer wordt gelegd; dat de beslissing van 21 februari 2007 tot uitlevering van verzoeker bij arrest nr. 170.969 van 9 mei 2007 werd geschorst omdat de Minister van Justitie bij het nemen van deze beslissing rekening had moeten houden met -of ten minste enige aandacht had moeten schenken aan- deze mogelijke XIV-29.719-9/12 schending van artikel 3 EVRM; dat door het eventueel risico op de schending van artikel 3 EVRM niet bij zijn overwegingen te betrekken de Minister haar beslissing onvoldoende had gemotiveerd; 2.2.3.
  29. Overwegende dat dienaangaande de bestreden beslissing zich ertoe beperkt te stellen dat er ten aanzien van verzoeker “geen of concrete, geïndividualiseerde aanwijzingen zijn” van een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM; dat deze redengeving zodanig summier is dat er niet uit kan worden afgeleid of het risico op foltering in de Armeense gevangenissen wel is nagegaan, laat staan om welke reden precies de Minister van oordeel is dat dit verzoekers uitlevering niet in de weg staat; dat door zonder enige nadere uitleg terzake te wijzen op het gebrek aan concrete, geïndividualiseerde aanwijzingen van een met artikel 3 EVRM strijdige behandeling, terwijl verzoeker aan de hand van recente en onafhankelijke bronnen had gewezen op de wijdverspreide folteringen en mishandelingen in Armeense gevangenissen, de Minister van Justitie haar beslissing niet voldoende heeft gemotiveerd; 2.2.3.
  30. Overwegende dat een behoorlijke motivering op dit punt des te meer nodig is nu de Uitleveringswet van 15 maart 1874, sinds de wet van 15 mei 2007, uitdrukkelijk bepaalt dat “uitlevering evenmin kan worden toegestaan wanneer er ernstige risico’s bestaan dat (men) (...) wordt onderworpen aan (...) foltering of onmenselijke en onterende behandeling”; dat tijdens de parlementaire voorbereiding van deze recente wetswijziging erop gewezen werd dat het begrip “ernstig risico” ontleend is aan de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens en dat “enige graad van waarschijnlijkheid vereist is opdat de fundamentele rechten kunnen worden geschonden” (Memorie van toelichting, Kamer 2005-06, DOC 51 2506/001, p. 10); 2.2.3.
  31. Overwegende dat de Minister derhalve duidelijk moet doen blijken waarom er in het geval van verzoeker geen reëel risico op foltering of onmenselijke behandeling in de Armeense gevangenissen bestaat; dat uit de bestreden beslissing niet kan worden afgeleid waarom zo’n risico in casu niet voorhanden is en zelfs niet dat dit nader zou zijn onderzocht; dat het tweede middel ernstig is; XIV-29.719-10/12 2.3.
  32. Overwegende dat, wat de derde voorwaarde betreft, de verzoekende partij aanvoert: “III HET MOEILIJK TE HERSTELLEN ERNSTIG NADEEL. Overwegende dat de uitvoering van de bestreden beslissing voor verzoeker een moeilijke en ernstig te herstellen nadeel tot gevolg zal hebben; Dat in dit verzoekschrift drie ernstige middelen worden aangehaald, zodat het moeilijk en ernstig te herstellen nadeel voor bewezen moet worden gehouden; Dat in het arrest n/ 166.879 van 17 januari 2007 van de Raad van State werd geoordeeld dat het moeilijk te herstellen ernstig nadeel werd gevormd door het feit dat de veiligheid van verzoeker in het gedrang komt wanneer hij wordt uitgeleverd aan zijn land van herkomst en dat de uitvoering van de bestreden beslissing tot gevolg zal hebben dat hij alle belang verlies bij zijn hangende asielprocedure; Dat deze motivering nog steeds gelden is, nu er nog steeds niet is aangetoond dat er geen risico zou zijn op politieke vervolging of het ondergaan van foltering, onmenselijke en vernederende behandelingen in strijd met het artikel 3 van het EVRM in geval van terugkeer naar Armenië, enerzijds omdat de tweede asielaanvraag van de eiser niet in overweging werd genomen en er geen oordeel werd geveld door de Dienst Vreemdelingenzaken omtrent het risico op politieke vervolging na de uitleveringsverzoeken door de Armeense overheid en anderzijds gelet op de wijdverspreide mensenrechtenschendingen van gevangenen in detentie in Armenië zoals bevestigd door publiek toegankelijke bronnen; Dat bovendien de bestreden beslissing geen melding heeft gemaakt van de eventuele rechtsmiddelen die hij zou kunnen aanwenden tegen de "beslissing betreffende de toepassing van arrestatie als voorzorgsmaatregelen" van de rechtbank van eerste aanleg van de gemeenten Yerevan Kentron en Norck-Marash zodat zijn rechten van verdediging worden geschonden en door de uitvoering van de bestreden beslissing hij deze rechtsmiddelen niet meer op een nuttige wijze zal kunnen aanwenden; Dat verzoeker riskeert om te worden vervolgd omwille van politieke redenen, zoals hij heeft aangehaald in zijn tweede asielaanvraag, gelet op de drogredenen aangehaald door de Armeense overheden om zijn uitlevering te vragen; Dat aan verzoeker de mogelijkheid moet worden gegeven een beslissing ten gronde te krijgen van zijn tweede asielaanvraag, nu een bijlage l3quater geen oordeel heeft geveld over het risico op vervolging omwille van politieke redenen gelet op de uitleveringsverzoeken van de Armeense overheden; Dat indien de bestreden beslissing zal worden uitgevoerd aan verzoeker het recht zal worden ontzegd om zijn rechtsmiddelen aangewend tegen de bijlage l3quater, met name de verzoekschriften tot schorsing en nietigverklaring bij de Raad van State verder op te volgen; Dat de eiser op geen enkele wijze een gevaar betekent voor de openbare orde over de veiligheid; Dat omwille van die redenen het ernstig en moeilijk te herstellen nadeel als bewezen moet worden beschouwd”; 2.3.
  33. Overwegende dat, wat het moeilijk te herstellen ernstig nadeel betreft, de verwerende partij zich schikt naar de wijsheid van de Raad; 2.3.
  34. Overwegende dat de uiteenzetting van verzoeker genoeg overtuigingskracht bezit om te besluiten dat ook aan de derde voorwaarde is voldaan;
  35. Overwegende dat aldus is voldaan aan de door artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State opgelegde cumulatieve voorwaarden om tot schorsing te kunnen overgaan, XIV-29.719-11/12 BESLUIT: Artikel
  36. Bevolen wordt de schorsing van de tenuitvoerlegging van het besluit van de Minister van Justitie van 22 augustus 2007 waarbij de uitlevering van verzoeker aan de regering van Armenië wordt toegestaan. Artikel
  37. De kosten worden voorbehouden. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting op zesentwintig september tweeduizend en zeven, door : de HH. A. BEIRLAEN, kamervoorzitter. C. VERHAERT, griffier. De griffier, De voorzitter, C. VERHAERT. A. BEIRLAEN. XIV-29.719-12/12 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.175.021 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.186.038 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.