id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 27 september 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.175.027 Rolnummer: A. 185099/XII-5196 Zaak: Arrest 175027 - Overheidsopdrachten - 27/09/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-10-01 Raadplegingen: 53 - laatst gezien 2026-06-30 01:58 Fiche Arrest nr 175.027 van 27 september 2007 Overheidsopdrachten en openbare werken - Overheidsopdrachten Beslissing : Bevolen Inwilliging tussenkomst Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 175.027 van 27 september 2007 in de zaak A. 185.099/XII-
- In zake : de VZW GROEP INTRO, die woonplaats kiest bij advocaat W. De Cuyper, kantoor houdende te Sint-Niklaas, Vijfstraten 57 tegen : de VLAAMSE DIENST VOOR ARBEIDSBEMIDDELING EN BEROEPSOPLEIDING (VDAB), die woonplaats kiest advocaten D. D'Hooghe en E. Lefevre, kantoor houdende te 1000 Brussel, Loksumstraat
- tussenkomende partijen :
- de STAD GENT,
- de VZW JOB & C/-CBW,
- de VZW ORANJE die woonplaats kiezen bij advocaat H. Van Burm, kantoor houdende te Gent, Cyriel Buyssestraat
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE VOORZITTER VAN DE XIIe KAMER, Gezien het enig verzoekschrift dat de VZW Groep Intro op 11 september 2007 heeft ingediend om bij uiterst dringende noodzakelijkheid de schorsing en de nietigverklaring te vorderen van “de beslissing van de Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding van ongekende datum, meegedeeld aan verzoekster bij aangetekend schrijven van 3 september 2007, waarbij aan de prijsofferte van verzoekster voor perceel I-C naar aanleiding van de openbare aanbesteding [sic] nr. 07/1012 'Trajectbegeleiding en competentieversterking van werkzoekenden behorende tot de 4 prioritaire kansengroepen' geen gunstig gevolg XII-5196-1/12 werd gegeven en geoordeeld werd dat de offerte van JOB&CO-CWB, Oranje, Stad Gent de meest voordelige is”; Gezien de nota van de verwerende partij; Gelet op de beschikking van 13 september 2007 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 20 september 2007, om 10.00 uur; Gezien het op 17 september 2007 ingediende verzoekschrift waarbij de stad Gent, de VZW Job & C/-CBW en de VZW Oranje vragen in het administratief kort geding te mogen tussenkomen; dat zij voordeel blijken te halen uit de bestreden beslissing en erbij belang hebben dat de vordering wordt afgewezen; dat hun verzoek dienvolgens moet worden ingewilligd; Gehoord het verslag van kamervoorzitter D. Verbiest; Gehoord de opmerkingen van advocaat E. Rentmeesters, die loco advocaat W. De Cuyper verschijnt voor de verzoekende partij, van advocaten L. Schellekens en E. Lefevre, die loco advocaat D. D'Hooghe verschijnen voor de verwerende partij, en van advocaat B. Van Lee, die verschijnt voor de tussenkomende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur P. Barra; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, OVERWEEGT WAT VOLGT : De gegevens van de zaak
- De in het geding zijnde overheidsopdracht voor diensten wordt gegund met de procedure van de algemene offerteaanvraag met als voorwerp (bestek, blz. 6) : “In het kader van prioriteit 1 van het ESF Vlaanderen wordt met Vlaamse en Europese overheidsmiddelen een aanbesteding aan arbeidsmarktactoren opgezet voor de begeleiding en competentieversterking van niet werkende werkzoekenden behorende tot de 4 prioritaire kansengroepen zoals bepaald in de VDAB-beheersovereenkomst. Deze zijn: werkzoekenden met een XII-5196-2/12 arbeidshandicap, ouderen (50+), allochtonen en kortgeschoolden. Voor elke kansengroep moet er rekening gehouden worden met het genderaspect. Deze opdracht wordt geformuleerd vanuit de regieopdracht van de VDAB, waarbij de organisatie zelf niet meedingt. De VDAB zet de Europese middelen (ESF) in als een flankerend financieringsinstrument ten aanzien van de te behalen doelstellingen inzake mainstreaming. De VDAB wenst via deze aanpak jaarlijks 5.790 startende trajectbegeleidings- acties (brede en intensieve begeleiding) en 3.870 competentieversterkingsacties (finaliteitsgerichte opleidingen voor werkzoekenden die regionaal oververtegenwoordigd zijn in de werkloosheid) te financieren die zich prioritair richten naar de kansengroepen. Voor competentieversterkende acties social profit wordt per uitbestede opleiding een kansengroepobjectief vastgelegd. Voor alle projecten in kader van deze opdracht geldt als uitgangspunt “de kortste (kostenefficiënte) weg naar duurzame tewerkstelling in het Normaal Economisch Circuit”. De opdracht wordt verdeeld in percelen en wel als volgt : - de opdracht bestaat uit 5 hoofdactiviteiten meer bepaald A. Trajectbegeleiding voor werkzoekenden met een arbeidshandicap B. Competentieversterking voor werkzoekenden met een arbeidshandicap C. Trajectbegeleiding voor werkzoekenden uit de kansengroepen ouderen (+50), allochtonen en kortgeschoolden D. Competentieversterking voor werkzoekenden uit de kansengroepen ouderen (50+), allochtonen en kortgeschoolden E. Competentieversterking social profit - betreffende de voormelde hoofdactiviteiten A, B, C en D zijn de volgende gebiedsomschrijvingen bepaald: I. VDAB-regio Gent/Eeklo II. VDAB-regio’s Sint-Niklaas/Dendermonde en Aalst/Oudenaarde III. VDAB-regio Antwerpen/Boom IV. VDAB-regio’s Mechelen en Turnhout V. VDAB-regio’s Leuven en Vilvoorde VI. VDAB-regio’s Brugge en Kortrijk/Roeselare en Oostende/Ieper VII. VDAB-regio’s Hasselt en Tongeren VIII. Brussel (niet voor A en C) - voor hoofdactiviteiten A en C is elk perceel een combinatie van een gebiedsomschrijving en een hoofdactiviteit. XII-5196-3/12 Het hier in het geding zijnde perceel is I-C d.w.z. trajectbegeleiding voor werkzoekenden uit de kansengroepen ouderen (+50), allochtonen en kortgeschoolden voor de VDAB-regio Gent/Eeklo. Onder artikel 1.2.6.
- van het bestek (blz. 18) worden de gunningscriteria vermeld. Voor de percelen met lettercodes A en C zijn dat : "AC-G1 de aanpak en methodiek (inclusief bereikbaarheid en infrastructuur) van de trajectbegeleiding voor kansengroepen 30 % AC-G2 de engagementen en wijze van behalen inzake: 30 % / uitstroom / bereik van de prioritaire kansengroepen, inclusief genderneutraliteit / bijdrage aan toeleiding naar kansenberoepen en -sectoren AC-G3 de deskundigheid en ervaring van de medewerkers die trajectbegeleiding zullen uitvoeren, inzake 20 % / (methodieken van) trajectbegeleiding / werken met personen uit de prioritaire kansengroepen / kennis van de lokale arbeidsmarkt(werking) / de caseload voor deze opdracht AC-G4 de prijs, inclusief BTW voor BTW-plichtigen 20 %"; Een nadere toelichting nopens de gunningscriteria wordt gegeven op blz.
- van het bestek. Klaarblijkelijk is ook nog een Handleiding voorhanden “beoordeling offerte Trajectbegeleiding van werkzoekenden behorende tot de 4 prioritaire kansengroepen” (hoofdactiviteiten A en C) (stuk 4 van de verzoekende partij). Uit deze handleiding kan worden afgeleid dat er voor de eerste drie gunningscriteria in subcriteria is voorzien: Voor AC-G3 worden drie subcriteria bepaald namelijk : * AC-G3-1 Deskundigheid en ervaring van de trajectbegeleiders inzake begeleiding van werkzoekenden, specifiek de kansengroepen (5 punten) * AC-G3-2 Deskundigheid, kennis en ervaring van de trajectbegeleiders ten aanzien van de bemiddeling naar vacatures (10 punten) * AC-G3-3 Caseload
- De verzoekende partij tekent onder meer in voor perceel I-C met een prijs van 450.000 euro, BTW niet inbegrepen. XII-5196-4/12 Met een brief van 3 september 2007 stelt de verwerende partij de verzoekende partij in kennis van het feit dat ze geen gunstig gevolg kan geven aan de offerte voor perceel I-C. In bijlage tot deze brief steekt wat genoemd wordt “de gemotiveerde gunningsbeslissing van deze opdracht” maar wat een niet-ondertekend “proces-verbaal van de gunning” blijkt dat de evaluatie bevat. In de voormelde brief wordt verwezen naar een wachtperiode van 10 dagen waarbinnen de mogelijkheid wordt geboden zich in rechte te voorzien. Uit de bijlage blijkt dat er tien inschrijvers waren.
- Bij de beoordeling van gunningscriterium G3 wordt in het gunningsverslag (“proces-verbaal van de gunning”) het volgende vermeld (blz. 120-121) : “Groep Intro Oost-Vlaanderen - dossier 60 De inschrijver zet negen trajectbegeleiders in, die alle en gemiddeld beschikken over meer dan voldoende competenties inzake de begeleiding van werkzoekenden en specifiek de kansengroepen. De trajectbegeleiders getuigen ook van meer dan voldoende deskundigheid, kennis en ervaring ten aanzien van bemiddeling naar vacatures. De voorgestelde caseload is aangepast voor deze opdracht” en “JOB & CO - CBW, Oranje, Stad Gent - dossier 101 De inschrijver zet 9 medewerkers in. Deze medewerkers beschikken gemiddeld over meer dan voldoende competenties op het vlak van trajectbegeleiding van werkzoekenden, specifiek de kansengroepen. De medewerkers beschikken verder gemiddeld over voldoende deskundigheid, kennis en ervaring op vlak van bemiddeling van werkzoekenden uit de kansenroepen. De voorgestelde caseload is aangepast voor deze opdracht”. Uit de rangschikking (blz. 122) blijkt dat de verzoekende partij (dossier 60) en de tussenkomende partij (dossier 101) voor G3 elk het maximaal aantal punten bekomen, namelijk 20 punten. Over de vier gunningscriteria samen verkrijgt de tussenkomende partij 89 punten en de verzoekende partij 87 punten. Als eindbeoordeling voor perceel I-C wordt gesteld dat de offerte van de tussenkomende partij, inschrijver JOB & CO - CBW, Oranje, Stad Gent, de meest voordelige is. XII-5196-5/12 De grondvoorwaarden voor de schorsing
- Krachtens artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid kan worden besloten onder de drievoudige voorwaarde dat uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is, dat ernstige middelen worden aangevoerd die de nietigverklaring van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; 5.
- Wat de eerste en de derde in het voormelde artikel 17 gestelde voorwaarden betreft, beroept de verzoekende partij zich inzake het nadeel op de kans om zelf de in het geding zijnde opdracht te kunnen uitvoeren, die zij door de gevraagde schorsing wil vrijwaren. Zij verwijst daarbij ook naar de mogelijkheid expertise op te doen en naar de financiële waarde van de opdracht. Voorts motiveert zij haar keuze voor de procedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid door te verwijzen naar het risico, dat de bestreden toewijzingsbeslissing aan de gekozen inschrijver zou worden betekend en aldus een overeenkomst tot stand zou komen, en naar artikel 21bis, §2, van de wet van 24 december 1993 betreffende de overheidsopdrachten en sommige opdrachten voor aanneming van werken, leveringen en diensten. Betreffende de eerste en derde voorwaarde gedraagt de verwerende partij zich naar de wijsheid van de Raad van State. De tussenkomende partij betwist het aanwezig zijn van het rechtens vereiste nadeel. Zij wijst daartoe vooral op de zuiver financiële impact van de bestreden beslissing voor de verzoekende partij. 5.
- Door de betekening van de bestreden toewijzingsbeslissing zou tussen de verwerende en de tussenkomende partij een overeenkomst tot stand komen tengevolge waarvan, in de lijn van de rechtspraak van de Raad van State, arrest nr. 87.983 van 15 juni 2000 van de algemene vergadering van de afdeling administratie, een gewone vordering tot schorsing naar alle waarschijnlijkheid zou worden afgewezen. Het bestaan van die overeenkomst zou de betrachting van de verzoekende partij om zelf de opdracht nog uit te voeren, ernstig bemoeilijken en zou een mogelijk herstel in natura verderaf brengen. Aldus moet worden aanvaard dat de verzoekende partij door de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing, het rechtens vereiste moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan ondergaan mede gelet op de aard en de waarde van de in het geding zijnde opdracht, XII-5196-6/12 onderworpen aan bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen. Voorts, wegens de dreigende betekening die onder verwijzing naar de wachttermijn van tien dagen, vervat in het voormelde artikel 21bis van de wet van 24 december 1993, door de verwerende partij in haar brief van 3 september 2007 wordt aangekondigd, wordt te dezen aanvaard dat de verzoekende partij terecht een beroep deed op de procedure tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid. 6.
- Wat de derde voorwaarde betreft, voert de verzoekende partij in een enig middel de schending aan van artikel 16 van de wet van 24 december 1993 betreffende de overheidsopdrachten en sommige opdrachten voor aanneming van werken, leveringen en diensten, van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, van de materiële motiveringsplicht en het motiveringsbeginsel en van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur onder meer het zorgvuldigheids- en het redelijkheidsbeginsel. Zij betoogt daartoe hetgeen volgt. Aan de inschrijver JOB & CO - CBW, Oranje, Stad Gent werd een foutieve quotering gegeven. Met toepassing van de puntenverdeling vervat in het bestek en de toelichting diende de inschrijver JOB & CO - CBW, Oranje, Stad Gent, voor G3 drie punten minder te worden toegekend meer bepaald voor het tweede subcriterium AC-G3-2, waarvoor in de voornoemde handleiding de volgende puntenverdeling wordt bepaald : De trajectbegeleiders beschikken over meer dan voldoende 10 pt deskundigheid, kennis en ervaring op vlak van bemiddeling van werkzoekenden uit de kansengroepen De trajectbegeleiders beschikken over voldoende 7 pt deskundigheid, kennis en/of ervaring op vlak van bemiddeling van werkzoekenden uit de kansengroepen De trajectbegeleiders beschikken over beperkte 3 pt deskundigheid, kennis en/of ervaring op vlak van bemiddeling van werkzoekenden uit de kansengroepen Niet te beoordelen 0 pt XII-5196-7/12 In de motivering bij de gunning wordt bij de inschrijver JOB & CO - CBW, Oranje, Stad Gent, bij het tweede subcriterium AC-G3-2 het volgende vermeld : “De medewerkers beschikken verder gemiddeld over voldoende deskundigheid, kennis en ervaring op vlak van bemiddeling van werkzoekenden uit de kansenroepen”. Dit getoetst aan het puntenverdelingskader leidt tot 7 punten i.p.v. de toegekende 10 punten. Zulks betekent in de rangschikking dat de verzoekende partij één punt meer heeft dan de tussenkomende partij. 6.
- De verwerende partij geeft toe dat de puntentoekenning en de motivering voor subcriterium AC-G3-2 elkaar tegenspreken doch merkt op dat de motivering berust op een "materiële vergissing" en de puntentoekenning van 10 punten aan de tussenkomende partij terecht is gebeurd, ondanks de motivering. Terecht werd de maximale score voor AC-G3-2 toegekend aan de tussenkomende partij en ten onrechte wordt in de motivering enkel melding gemaakt van een “voldoende” deskundigheid, kennis en ervaring op vlak van bemiddeling van werkzoekenden uit de kansengroepen. Om zulks te staven verwijst de verwerende partij naar de methodiek van evalueren : ter beoordeling van het betrokken subcriterium “deskundigheid, kennis en ervaring van de trajectbegeleiders ten aanzien van de bemiddeling naar vacatures” werden de cv’s van de voorgestelde trajectbegeleiders onderzocht; aanvankelijk concludeerde de verwerende partij dat de trajectbegeleiders van de tussenkomende partij over "voldoende" deskundigheid, kennis en/of ervaring op vlak van bemiddeling van werkzoekenden uit de kansengroepen beschikten. Ze verwijst daartoe naar stuk 9 van het administratief dossier - dat zijn scorebladen waarbij elke van de door de tussenkomende partij voorgestelde trajectbegeleider een score verkrijgt met een passende motivering. Stuk 9 geeft vier begeleiders een score van 10, vier begeleiders een score van 7 en één begeleider een score van 3 punten. Vervolgens stelt de verwerende partij dat na onderling overleg tussen de verschillende lezers van de offertes zij vaststelde dat de offerte van tussenkomende partij op subcriterium AC-G3-2 strenger beoordeeld was dan de offertes van de andere inschrijvers. Volgens de verwerende partij is zulks te wijten aan het feit dat verschillende offertes voor perceel I-C door verschillende lezers werden beoordeeld die de beoordelingselementen (bemiddeling naar vacatures, XII-5196-8/12 bemiddeling van werkzoekenden uit de kansengroepen, tewerkstellingsbevorderende initiatieven, regionale kansensectoren en beroepen (lokale arbeidsmarkt), netwerking met werkgevers en/of werknemers en het opsporen van vacatures buiten de VDAB- databanken) op verschillende wijze hebben geapprecieerd en dit vanuit een ander, te dezen voor de tussenkomende partij strenger referentiekader. Om de gelijkheid onder de inschrijvers te vrijwaren is er dan overgegaan tot de herlezing van de cv’s “waarbij zij tot de vaststelling kwam dat de trajectbegeleiders wel degelijk een maximale score verdienden op het subcriterium met betrekking tot de deskundigheid, kennis en ervaring van de trajectbegeleiders ten aanzien van de bemiddeling naar vacatures”. Hiervoor verwijst de verwerende partij naar stuk 10 van het administratief dossier dat opnieuw een scoreblad laat zien voor de negen trajectbegeleiders: thans krijgen 8 begeleiders een score van 10 en één een score van 7 punten. Op die laatste grond werd dan ook geoordeeld dat de voorgestelde personeelsleden “in meer dan voldoende” mate blijk gaven van deskundigheid, kennis en/of ervaring op vlak van bemiddeling van werkzoekenden uit de kansengroepen. “Bij vergissing wordt dit aangepast oordeel echter niet doorgevoerd in het proces- verbaal van gunning op dit punt. De globale score op het criterium AC-G3 wordt wel correct weergegeven (20 i.p.v. 17)”. Alsdan merkt de verwerende partij op dat de door belanghebbende partij voorgestelde cv’s inderdaad de ‘nieuwe’ beoordeling verantwoorden. De bestreden beslissing bevat dus gewoonweg een materiële vergissing. Een schorsing of nietigverklaring heeft geen zin nu bij een nieuwe beslissing een zelfde eindbesluit zal dienen te worden genomen. 6.
- De tussenkomende partij formuleert geen opmerkingen bij het middel.
- De stelling van de verwerende partij in haar nota berust op wat zij een materiële vergissing noemt : een deel van het gunningsverslag zou niet zijn aangepast aan de herwerkte evaluatie van de door de tussenkomende partij voorgestelde trajectbegeleiders. Uit stuk 10 blijkt inderdaad dat de negen personeelsleden van de tussenkomende partij in een tweede beoordeling betere scores halen. Opvallend is echter dat de initiële beoordelingsmotieven vervat in stuk 9 letterlijk nog altijd XII-5196-9/12 opgenomen zijn in stuk
- Wel zijn bij de personeelsleden die voorheen 7 punten haalden en thans 10 punten, volgende zinnetjes bijgevoegd : “Te strenge beoordeling in vergelijking tot meerderheid beoordelingen ¸ ok voor netwerking”. of “Te strenge beoordeling in vergelijking tot meerderheid beoordelingen ¸ zie overleg : OK” of “Criterium netwerking werd strenger beoordeeld dan in andere beoordelingen ¸ score bijstellen”. Wat het personeelslid betreft dat 3 punten haalde en thans 7, wordt bij de tweede evaluatie, zonder enige toevoeging, dezelfde motivering gegeven. De vraag rijst of deze werkwijze kan worden aangemerkt als een rechtmatige manier van evalueren. De offerte van de tussenkomende partij is blijkbaar eerst door twee lezers geëvalueerd wat in een consensusnota resulteerde. In die nota werden op grond van een motivering een aantal punten toegekend. Uit de verklaringen van de verwerende partij ter terechtzitting blijkt dat bij de offerte van de verzoekende partij twee -andere- lezers tot een consensusnota zijn gekomen. Vervolgens zou na overleg tussen meer dan twee lezers (vier lezers blijkbaar voor het nalezen van de offertes op gunningscriterium 3, subcriterium 2) blijkbaar zijn beslist om de punten van de tussenkomende partij van 7 naar 10 op te trekken. Volgens de nota van de verwerende partij gebeurde zulks omdat de offerte van de tussenkomende partij te streng beoordeeld was. Ter terechtzitting echter blijkt uit de verklaringen van de verwerende partij dat eigenlijk niet de offerte van belanghebbende partij te streng beoordeeld zou zijn geweest doch dat de offerte van verzoekende partij niet streng genoeg beoordeeld was en slechts een score van 0 op 10 verdiende. Met andere woorden kregen beide inschrijvers evenveel punten niettegenstaande de ene 7 punten verdiende i.p.v. 10 en de andere 0 punten verdiende i.p.v.
- Uit de motiveringen blijkt dit laatste echter niet: integendeel, betreffende de offerte van de tussenkomende partij blijft de motivering ongewijzigd behalve dat er een zinnetje toegevoegd wordt verwijzend naar een overleg; de beslissing geeft niet duidelijk de deelnemers en de reden aan van dat overleg; ter terechtzitting blijkt uit de verklaringen van de verwerende partij dat blijkbaar vier lezers optraden toen er vastgesteld werd dat er een “probleem” was met de offerte XII-5196-10/12 van verzoekende partij. Nochtans stijgen de aan de tussenkomende partij toegekende punten. De motivering betreffende de offerte van de verzoekende partij en de puntentoekenning blijft exact hetzelfde niettegenstaande ter terechtzitting blijkt dat de punten niet juist zouden zijn en dus ook de motivering niet juist kan zijn. Dit gebrek aan coherente motivering lijkt ook te kunnen worden afgeleid uit het feit dat in het gunningverslag, dat normalerwijze na de puntentoekenning en dus na de tweede consensusnota moet zijn opgesteld, een element uit de eerste consensusnota vermeldt. Voorts lijkt de consensusnota van de tussenkomende partij de enige die gewijzigd werd. Aldus is de initiële argumentatie in het middel, dat de puntentoekenning aan de tussenkomende partij niet overeenkomt met de motivering, niet ontkracht door de verwerende partij. Haar verweer, dat slechts een materiële vergissing voorhanden was, die bij een overdoen van de evaluatieprocedure meteen zou kunnen worden rechtgezet zonder dat de uitslag van de procedure zou zijn gewijzigd, lijkt niet te voldoen. Integendeel is uit de behandeling van de zaak gebleken dat ook de evaluatie van de verzoekende partij niet op deugdelijke grond steunt, zowel inzake motivering als puntentoekenning. De bestreden beslissing lijkt aldus te steunen op ondeugdelijke motieven, hetgeen volstaat om die beslissing in de huidige stand van de procedure als niet rechtmatig aan te merken en in zoverre het middel ernstig te bevinden. Uit hetgeen voorafgaat volgt dat is voldaan aan de voorwaarden gesteld in artikel 17, §§1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, die vervuld moeten zijn wil een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid worden toegewezen. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
- Het verzoek tot tussenkomst van de stad Gent, de VZW Job & C/- CBW en de VZW Oranje in het administratief kort geding wordt ingewilligd. XII-5196-11/12 Artikel
- Bevolen wordt de schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de beslissing - bij brief van 3 september 2007 door de verwerende partij als “gemotiveerde gunningsbeslissing” aangemerkt en door haar voorgesteld als genomen op 31 augustus 2007 - waarbij in het kader van algemene offerteaanvraag 07/1012 de trajectbegeleiding voor werkzoekenden uit de kansengroepen ouderen (+50), allochtonen en kortgeschoolden, perceel I-C,de offerte van de tussenkomende partij VZW Job&Co-CBW, Oranje, Stad Gent als de meest voordelige wordt aangemerkt. Artikel
- De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt uitgesteld. De kosten van de tussenkomst in de schorsingsprocedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid, bepaald op 375 euro, komen ten laste van de tussenkomende partijen, elk voor een derde. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zevenentwintig september 2007, door : de H. D. VERBIEST, kamervoorzitter, Mevr. S. DOMS, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DOMS. D. VERBIEST. XII-5196-12/12 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.175.027 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.183.527 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.