← België

Arrest 175029 - O.C.M.W. - 27/09/2007

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 27 september 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.175.029 Rolnummer: A. 150429/XII-4945 Zaak: Arrest 175029 - O.C.M.W. - 27/09/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-10-04 Raadplegingen: 62 - laatst gezien 2026-06-30 01:58 Fiche Arrest nr 175.029 van 27 september 2007 Sociale zaken en volksgezondheid - O.C.M.W. Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 175.029 van 27 september 2007 in de zaak A. 150.429/XII-4945. In zake : Nestor INDESTEEGE, die woonplaats kiest bij advocaat E. Storms, kantoor houdende te Rotselaar, Echostraat 8 tegen : het OPENBAAR CENTRUM VOOR MAATSCHAPPELIJK WELZIJN VAN LANDEN. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, XIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Nestor Indesteege op 6 april 2004 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van 29 januari 2004 waarbij de deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant hem gedeeltelijk aansprakelijk stelt voor een verlies van het Openbaar Centrum voor Maatschappelijk Welzijn (OCMW) van Landen; Gezien de toelichtende memorie; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd R. Vander Elstraeten; Gelet op de beschikking van 9 januari 2007 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memorie van verzoeker; Gelet op de beschikking van 12 juni 2007 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 11 september 2007; Gehoord het verslag van staatsraad G. van Haegendoren; XII-4945-1\5 Gehoord de opmerkingen van advocaat E. Storms, die verschijnt voor verzoeker, en van bestuurssecretaris M. Carly, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelings- hoofd R. Van Der Gucht; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, OVERWEEGT WAT VOLGT : 1. Het voorliggend beroep is gericht tegen een besluit waarbij de deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant verzoeker, tijdelijk waarnemend ontvanger van het OCMW van Landen, gedeeltelijk aansprakelijk stelt voor een verlies van 8.843,77 euro, te weten voor een derde van het verloren bedrag. 2. Artikel 2, § 1, 2/, (thans: 3/,) van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrecht- spraak van de Raad van State bepaalt dat het verzoekschrift onder meer een uiteenzetting van de feiten en de middelen dient te bevatten. Het verzoekschrift waarin niet minstens één ontvankelijk middel voorkomt, bevat geen middelen en is niet ontvankelijk. Dit is een gebrek dat in latere processtukken overigens niet meer kan worden goedgemaakt. Onder “middel” moet worden verstaan de voldoende duidelijke omschrijving van de overtreden rechtsregel en van de wijze waarop die regel door de bestreden beslissing wordt geschonden. 3. In de inleidende akte zet verzoeker het volgende uiteen “in rechte”: “de bestreden beslissing is strijdig met de wet en substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen. A. Uit de OCMW-rekening dd. 30 september 2003 blijkt dat het ‘tekort in kas wegens diefstal of verlies’ i 4.234,18 bedraagt. De Bestendige Deputatie heeft hiermee geen rekening gehouden, wellicht omdat zij dit bedrag blijkbaar nog niet kende, maar kon zich helemaal niet XII-4945-2\5 baseren op een alleen maar geraamd bedrag om een definitief bedrag vast te stellen; Nu de raming volledig onjuist en overdreven blijkt te zijn én het exacte bedrag bekend is, dient de beslissing vernietigd te worden om alleen maar rekening te houden met voormeld exact bedrag. B. Uit alle door verzoeker bijgebrachte feitelijke gegevens blijkt dat verzoeker volledig ten onrechte aansprakelijk gesteld wordt voor ‘diefstal of verlies (

  1. en)het gedeelte waarvoor hij aansprakelijk wordt gesteld’ is daarenboven veel te hoog, minstens volledig willekeurig vastgesteld. Verzoeker heeft o.a. aan de politie verklaard dat hij ‘niets veranderd (had) aan het systeem van de portefeuille’, dat ‘ze wisten dat (zijn) bureau niet meer afgesloten kon worden (omdat het) kapot was (en dit reeds) van (bij zijn) voorganger’, dat de ‘deur van (zijn) kantoor niet afgesloten (werd) omdat onder andere een aantal mensen in het bezit zijn van een loper’, hetgeen er vooral op wijst dat het OCMW zelf volledig in gebreke gebleven is. In zijn beroepsverzoekschrift heeft verzoeker er trouwens op gewezen dat hij ‘zelf aangedrongen (heeft) op de aankoop van een kluis..., meerdere malen (bij) de sociale dienst (heeft) aangedrongen tot het nemen van sociale bijstandreke- ningen (
  2. en)gezorgd (heeft) dat (dokters en apothekers van het rustoord) eenmaal om de veertien dagen worden betaald via overschrijving’, hetgeen wijst op de aandacht van verzoeker voor een zorgvuldig beheer, waarbij getracht wordt ‘diefstal of verlies’ te vermijden, zodat hem geen onzorgvuldig beheer kan verweten worden. Verzoeker heeft ook vermeld zich ‘tot eenieders voldoening van (zijn) taak... gekweten (te hebben
  3. en)meerdere initiatieven... genomen (te hebben) om de werking van de dienst beter te organiseren’, maar de Bestendige Deputatie heeft daar geen of minstens onvoldoende rekening mee gehouden, hetgeen ook gebeurd is met de opmerking van verzoeker ‘dat volgens de rechtsleer... het bedrag van de terugbetaling in verhouding dient te staan tot de bezoldiging van de rekenplichtige (die in dit geval uiterst) gering is (voor verzoeker) gezien (zijn) bescheiden anciënniteit (en het feit dat hij) slechts waarnemend Ontvan- ger’ is geweest. Om al deze redenen dient de bestreden beslissing van de Bestendige Deputatie vernietigd te worden”. 4. Verzoeker is van mening dat de bestreden beslissing “strijdig [is] met de wet en substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen”, omdat -eerste onderdeel- de deputatie geen rekening gehouden heeft met het “exacte bedrag” en omdat -tweede onderdeel- hij “ten onrechte” aansprakelijk is gesteld zoals hij in verklaringen voor de politie en in zijn beroepschrift voor de deputatie reeds heeft vermeld. Het hiervoor overgeschreven betoog komt er in wezen op neer dat verzoeker de deputatie verwijt bij haar beoordeling over het bedrag van het tekort en omtrent verzoekers aansprakelijkheid voor dit tekort geen of onvoldoende rekening te hebben gehouden met een aantal feitelijke gegevens. De Raad van State merkt vooreerst op in zaken als de voorliggen- de geen gerecht te zijn dat in tweede instantie de beoordeling van de deputatie mag overdoen. De deputatie oordeelt in laatste aanleg over de feiten en over de grond van XII-4945-3\5 de zaak. Als administratieve cassatierechter mag de Raad van State enkel nagaan of de beslissing overeenkomstig de wet is genomen. Luidens artikel 14, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, treedt de Raad als cassatierechter niet in de beoordeling van de zaken zelf. Verzoeker wijst wel op de strijdigheid van de bestreden beslissing met “de wet” en “substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen”, doch zodoende herhaalt hij slechts in abstracto de in de wet opgenomen annulatie- gronden. Hij duidt niet aan wélke rechtsnorm naar zijn mening is overschreden en dus evenmin, a fortiori, hoé die rechtsnorm, betrokken op de bestreden akte, door het bestuur dan wel is geschonden. De Raad van State kan in het verzoekschrift geen ontvankelijk rechtsmiddel in cassatie ontwaren in de zin van voormeld artikel 2 van het algemeen procedurereglement. Het verzoekschrift is dan ook onontvankelijk. Zoals hiervoor reeds is opgemerkt, kan verzoeker dat in de toelichtende memorie of in de laatste memorie niet meer verhelpen. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel 1. Het beroep wordt verworpen. Artikel 2. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van verzoeker. XII-4945-4\5 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zevenentwintig september 2007, door de XIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. D. VERBIEST, kamervoorzitter, J. LUST, staatsraad, G. VAN HAEGENDOREN, staatsraad, Mevr. S. DOMS, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DOMS. D. VERBIEST. XII-4945-5\5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.175.029 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.