← België

Arrest 175090 - Milieuvergunningen - 27/09/2007

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 27 september 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.175.090 Rolnummer: A. 113994/VII-25283 Zaak: Arrest 175090 - Milieuvergunningen - 27/09/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-10-08 Raadplegingen: 56 - laatst gezien 2026-06-30 02:10 Fiche Arrest nr 175.090 van 27 september 2007 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Milieuvergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 175.090 van 27 september 2007 in de zaak A. 113.994/VII-25.

  1. In zake : Gerardus VAN NIJLEN, die woonplaats kiest bij advocaat H. SEBREGHTS, kantoor houdende te ANTWERPEN, Mechelsesteenweg 27 tegen : de deputatie van de provincie ANTWERPEN. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, VIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Gerardus VAN NIJLEN op 11 december 2001 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van de bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen van 23 augustus 2001 waarbij het beroep van verzoeker ingesteld tegen de beslissing van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Retie van 13 april 2001, houdende de weigering van de vergunning om een veeteeltbedrijf te exploiteren, gelegen Berg 34 te Retie, ongegrond wordt verklaard en de beroepen beslissing wordt bevestigd; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd M. LEFEVER; Gelet op de beschikking van 11 mei 2006 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gezien de laatste memorie van verzoeker; VII-25.283-1/12 Gelet op de beschikking van 26 juli 2007 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 13 september 2007; Gehoord het verslag van kamervoorzitter L. HELLIN; Gehoord de opmerkingen van advocaat H. SEBREGHTS, die verschijnt voor verzoeker, en van bestuurssecretaris M. MICHIELS, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur- afdelingshoofd M. LEFEVER; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  2. De feiten Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat: 1.
  3. Verzoeker is beenhouwer en baat sinds 1982 ook een veeteeltbedrijf uit waarin hij dieren kweekt voor zijn beenhouwerij. Op dat ogenblik was er geen milieuvergunning vereist voor een dergelijk bedrijf. Bij de inwerkingtreding van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning (hierna: milieuvergunningsdecreet) en het daarmee verbonden vergunningsplichtig worden van verzoekers bedrijf kon hij een vergunning verkrijgen door enkele aangifte. Verzoeker heeft evenwel geen dergelijke aangifte gedaan en beschikte dus niet over een milieuvergunning bij aktename. Sinds 1998 doet hij wel aangifte bij de Mestbank en deze administratie brengt hem er naar eigen zeggen in juli 2000 van op de hoogte dat hij een onvergunde inrichting exploiteert. 1.
  4. Op 31 j a nua r i 2001 dient ve r z oe ke r e e n milieuvergunningsaanvraag in voor een veeteeltinrichting met 82 koeien en kalveren. De vergunning wordt hem door het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Retie op 13 april 2001 geweigerd omdat zijn bedrijf, VII-25.283-2/12 vermits hij nooit voorheen een milieuvergunning had aangevraagd, geen vergunde mestproductie had en zijn aanvraag dus een verhoging van de mestproductie tot gevolg zou hebben wat in strijd zou zijn met artikel 33ter, §1, 1/, c), van het decreet van 23 januari 1991 inzake de bescherming van het leefmilieu tegen de verontreiniging door meststoffen (hierna: meststoffendecreet). Aldus sluit het college zich aan bij de adviezen die de Vlaamse Landmaatschappij (hierna: VLM) e n d e I n t e r g e me e n t e l i j k e M i l i eu d i e n s t - Intercommunale Ontwikkelingsmaatschappij voor de Kempen (hierna: IMD-IOK) hebben verleend over de aanvraag. 1.
  5. Verzoeker tekent op 11 mei 2001 beroep aan tegen deze beslissing bij de bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen. In zijn beroepschrift argumenteert hij dat het gegeven dat hij niet eerder een milieuvergunning heeft aangevraagd te wijten is aan het feit dat de gemeente hem niet heeft geïnformeerd van het feit dat zijn bedrijf vergunningsplichtig was geworden, terwijl zij toch op de hoogte was van het bestaan van zijn bedrijf, en beweert hij dat er geen stijging van de bestaande mestproductie is vermits hij geen uitbreiding van zijn, de facto bestaand, bedrijf vraagt. 1.
  6. De VLM herneemt hetzelfde advies als in de procedure in eerste aanleg en de afdeling Milieuvergunningen (hierna: AMV) adviseert eveneens negatief. Zij motiveert haar standpunt als volgt: "Overwegende dat AMV enkel kan vaststellen dat beroeper nooit over enige vergunning heeft beschikt, hoewel hij tenminste sinds 1990 vergunningsplichtig is; de inrichting kan dan ook alleen als ‘nieuw’ beschouwd worden; het advies van VLM en de bestreden beslissing zijn terecht; er is geen vergunning, geen vergunde mestproductie en deze aanvraag dient als nieuwe inrichting ongunstig te worden beoordeeld; De beroepsargumenten kunnen hieraan niets veranderen; dat exploitant geen landbouwer in hoofdberoep is, dat de gemeente hem nooit heeft verwittigd dat een vergunning diende aangevraagd, dat zijn bedrijfsvoering kadert in de betrachtingen van de Minister, zijn niet van die aard om hiervoor een vergunning te verlenen. De bestreden beslissing dient bevestigd". Op grond van deze adviezen geeft ook de Provinciale Milieuvergunningscommissie (hierna: PMVC) een negatief advies dat zij als volgt motiveert na eerst de overwegingen van de AMV te hebben aangehaald: "(...) Het beroep ingediend door de exploitant is niet gegrond, zoals geargumenteerd door de AMV. (...) De PMVC volgt de ongunstige adviezen". VII-25.283-3/12 VII-25.283-4/12 1.
  7. Op 23 augustus 2001verwerpt de bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen het beroep van verzoeker en bevestigt de beslissing van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Retie. Haar dragende motieven zijn als volgt verwoord: "Overwegende dat de aangifte van het aanslagjaar 1993 tot op heden nooit werd ontvangen zodat de inrichting, overeenkomstig de bepalingen van het Mestdecreet, te beschouwen is als een inrichting die noch een bestaande landbouwinrichting, noch een bestaande veeteeltinrichting is; dat de exploitant nooit een milieuvergunning heeft aangevraagd voor de inrichting (cfr. beroepschrift), zodat er geen vergunde mestproductie is; dat de milieuvergunningsaanvraag de vergunning beoogt van stallen voor in het totaal 82 runderen, wat neerkomt op een gewenste vergunde mestproductie van 5.602 kg N en 1.764 kg P2O5; dat de milieuvergunningsaanvraag bijgevolg, overeenkomstig de bepalingen van het Mestdecreet, te beschouwen is als een aanvraag tot verandering met stijging van de vergunde mestproductie; dat de exploitant in zijn beroepschrift weliswaar aanvoert dat hij als slager niet geabonneerd is op landbouwtijdschriften, dat de gemeente hem nooit heeft verwittigd dat hij een vergunning diende aan te vragen en dat zijn bedrijfsvoering kadert in de betrachtingen van de minister van leefmilieu (traceerbaarheid van het vlees en directe verkoop vanop het veebedrijf), maar dat deze beroepsargumenten echter niets kunnen veranderen aan de bepalingen van het Mestdecreet die o.m. vereisen dat de betrokken inrichting een bestaande veeteeltinrichting moet zijn en dat na het verlenen van de gevraagde vergunning er geen stijging mag zijn van de vergunde mestproductie; Overwegende dat gesteld kan worden dat de risico’s voor de externe veiligheid, de hinder, de effecten op het leefmilieu, op de wateren, op de natuur en op de mens buiten de inrichting veroorzaakt door de gevraagde exploitatie niet tot een aanvaardbaar niveau kunnen worden beperkt; Overwegende dat er bijgevolg aanleiding toe bestaat het ingediende beroep ongegrond te verklaren en het schepencollegebesluit te bevestigen, mits wijziging van de omschrijving en rubrieken, zoals voorgesteld door de PMVC, en mits aktename van de klasse 3-inrichtingen";
  8. De gegrondheid 2.1.
  9. Overwegende dat verzoeker in het eerste middel de schending aanvoert van artikel 33ter, §1, 3/, van het meststoffendecreet, van artikel 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen en van het motiveringsbeginsel, doordat het bestreden besluit de milieuvergunning weigert op grond van het feit dat er nooit door verzoeker een milieuvergunning werd aangevraagd en er thans een aanvraag wordt gedaan tot het exploiteren van een inrichting voor 82 runderen, hetgeen krachtens het besluit een stijging van de mestproductie zou veroorzaken; dat hij uiteenzet dat het "stand-still"- principe vervat in artikel 33ter, §1, 1/, c), van het meststoffendecreet, niet wordt geschonden omdat het een exploitatie betreft die de facto reeds van in 1982 bestaat VII-25.283-5/12 op dezelfde plaats en in dezelfde configuratie, dat hij thans zijn toestand regulariseert, dat, voorts, volgens voormeld artikel 33ter, §1, 3/, van het meststoffendecreet, een veeteeltinrichting nog een milieuvergunning kan bekomen onder de volgende voorwaarden: - vanaf 1 januari 2000, - binnen de perken van artikel 33ter van het meststoffendecreet, - voor de verdere exploitatie van een veeteeltinrichting of voor de verandering of herlocalisatie van een bestaande veeteeltinrichting zonder verhoging van de vergunde mestproductie, - inzoverre voor de drie voorafgaande kalenderjaren een aangifte werd gedaan bij de Mestbank en inzoverre de mestproductie overeenkomstig het meststoffendecreet werd afgezet, dat hij voldoet aan al deze voorwaarden, dat zijn aanvraag dateert van na 1 januari 2000, dat de vergunning binnen de perken is van artikel 33ter van het meststoffendecreet omdat zijn aanvraag geen verhoogde mestproductie meebrengt vermits hij enkel een vergunning vraagt voor het regulariseren van zijn reeds bestaande veestapel en de daarmee verbonden mestproductie, dat het verlenen van de vergunning aldus niet strijdig is met het stand-still principe dat in artikel 33ter, §1, van het meststoffendecreet is vermeld, dat zijn bedrijf sedert 1982 in exploitatie is, dat hij reeds sedert drie jaar aangifte doet bij de Mestbank en hij er thans voor de eerste maal door de overheid op wordt gewezen dat hij over een milieuvergunning moet beschikken, dat de veeteeltinrichting waarnaar wordt verwezen in artikel 33ter, §1, 3/, van het meststoffendecreet een duidelijke uitzonderingsbepaling op de gedefinieerde veeteeltinrichtingen is, dat dit duidelijk blijkt uit de zinsnede "zowel voor de verdere exploitatie van een veeteeltinrichting of voor de verandering of herlocalisatie van een bestaande veeteeltinrichting", dat inzoverre de verwerende partij geen toepassing maakt van artikel 33ter, §1, 3/, van het meststoffendecreet, zij die afwijking van de decretaal voorziene regel in extenso moet motiveren, wat niet is gebeurd; 2.1.
  10. Overwegende dat de verwerende partij in de memorie van antwoord vooreerst opmerkt dat artikel 33ter, §1, 3/, van het meststoffendecreet het verlenen van milieuvergunningen aan veeteeltinrichtingen slechts toelaat voor zover dit kan gebeuren zonder verhoging van de vergunde mestproductie; dat zij voorts stelt dat artikel 33ter, §1, 1/, c), van het meststoffendecreet het verlenen van milieuvergunningen verbiedt voor nieuwe veeteeltinrichtingen en voor veranderingen van bestaande veeteeltinrichtingen die een verhoging van de mestproductie tot gevolg hebben; dat zij ook wijst op de definities die in artikel 2, VII-25.283-6/12 5/ tot en met 7/ van het meststoffendecreet worden gegeven van de begrippen "nieuwe inrichting", "bestaande landbouwinrichting" en "bestaande veeteeltinrichting"; dat zij vervolgens doet gelden dat, aangezien de milieuvergunningsaanvraag betrekking heeft op een inrichting waarvoor nooit een milieuvergunning is aangevraagd en waarvoor er nooit een mestbankaangifte van het aanslagjaar 1993 tot op heden is ontvangen, men verzoekers bedrijf niet anders kan beschouwen dan als een nieuwe inrichting zonder vergunde mestproductie, dat de exploitant zijn aanvraag trouwens heeft ingediend voor een nieuwe inrichting, dat de milieuvergunningsaanvraag hoe dan ook een stijging van de mestproductie betekent, dat zij wel degelijk toepassing heeft gemaakt van artikel 33ter, §1, 3/, van het meststoffendecreet zoals blijkt uit de motivering van haar besluit; 2.1.
  11. Overwegende dat verzoeker in zijn memorie van wederantwoord stelt dat de door de verwerende partij als belangrijk aangestipte bepaling van “zonder de verhoging van de vergunde mestproductie” niet dienstig is omdat die bepaling enkel verbonden wordt aan de herlocalisatie of de verandering van een bestaande veeteeltinrichting terwijl de onderhavige betwisting niet om een dergelijke inrichting gaat; dat hij besluit dat zijn veeteeltinrichting een feitelijk bestaande inrichting is waarvoor overeenkomstig artikel 33ter, §1, 3/, van het meststoffendecreet een milieuvergunning wordt aangevraagd na 1 januari 2000 en waarbij is aangetoond dat er in de drie voorafgaandelijke jaren voor de aanvraag een mestbankaangifte werd gedaan en waarbij de mestafzet conform het meststoffendecreet werd doorgevoerd; 2.1.
  12. Overwegende dat verzoeker in zijn laatste memorie volhardt in zijn argumentatie wat betreft het vervuld zijn van de voorwaarden van artikel 33ter, §1, 3/, van het meststoffendecreet; dat hij stelt dat de vergunningsstop uiteraard geldt voor aanvragen die een verhoging van de mestproductie tot gevolg hebben, dat dit impliceert dat enkel milieuvergunningsaanvragen voor nieuwe inrichtingen of voor de verhoging van de mestproductie van bestaande inrichtingen, niet kunnen worden vergund, dat zijn aanvraag echter een regularisatievergunning met betrekking tot een bestaande inrichting betreft zonder dat daar een uitbreiding van de inrichting aan wordt gekoppeld; dat hij benadrukt dat hij gedurende drie kalenderjaren voorafgaand aan de milieuvergunningsaanvraag een mestbankaangifte heeft gedaan en gedurende deze drie voorafgaandelijke jaren een decreetconforme mestafzet heeft gerealiseerd, dat deze aangiften duidelijk laten blijken welke mestproductie er op zijn bedrijf tot stand kwam, dat de berekeningen steunen op de aangifte waarin hij aangeeft een gemiddelde bezetting van 82 dieren te hebben op VII-25.283-7/12 een totaal van 125 standplaatsen, dat thans eveneens een milieuvergunning is aangevraagd voor het exploiteren van een veeteeltbedrijf met 82 dieren, dat de mestproductie niet de in het bestreden besluit aangegeven verhoging met zich mee zal brengen; 2.1.
  13. Overwegende dat artikel 33ter van het meststoffendecreet ten tijde van de bestreden beslissing luidde als volgt: "§1 Met betrekking tot de exploitatie van landbouw- en veeteeltinrichtingen gelden de volgende regels: 1/ tot en met 31 december 2004: (...) c) kan met betrekking tot de diersoorten, bedoeld in artikel 5, geen nieuwe milieuvergunning als bedoeld in het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning worden verleend voor nieuwe veeteeltinrichtingen, noch voor veranderingen van bestaande veeteeltinrichtingen die een verhoging van de vergunde mestproductie, te berekenen volgens artikel 33bis,§2, van de bestaande veeteeltinrichtingen tot gevolg hebben, behoudens wanneer het gaat om een herlocalisatie van een bestaande veeteeltinrichting voortvloeiende uit ruilverkavelingen, landinrichting, natuurinrichting en/of onteigeningen om openbaar nut en de nieuwe of bijkomende mestproductie niet hoger is dan deze van de definitief stopgezette bestaande veeteeltinrichting; (...) 3/ vanaf 1 januari 2000 kan binnen de perken van dit artikel de milieuvergunning, als bedoeld in het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning, zowel voor de verdere exploitatie van een veeteeltinrichting of voor de verandering of herlocalisatie van een bestaande veeteeltinrichting zonder verhoging van de vergunde mestproductie, slechts worden verleend inzoverre in het kader van de overeenkomstige milieuvergunningsaanvraag als bedoeld in het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning, voor de drie voorafgaande kalenderjaren voor de desbetreffende veeteeltinrichting werd voldaan aan de aangifteplicht bij de Mestbank en in zoverre de mestproductie die op de veeteeltinrichting voor de drie voorafgaande kalenderjaren werd geproduceerd, overeenkomstig de bepalingen van dit decreet werd afgezet"; Overwegende dat, zoals blijkt uit de memorie van toelichting bij het meststoffendecreet (parl. st. Vl. R. stuk 1317 - 1998-1999 - nr.1 - p. 7), deze bepaling ertoe strekt een algemene vergunningsstop voor veeteeltinrichtingen in te stellen, afgezien van de hernieuwing en de verplaatsing van lopende vergunningen; dat artikel 33ter, § 1, 1/, c), van het meststoffendecreet stelt dat, enerzijds, geen milieuvergunningen kunnen worden verleend voor nieuwe veeteeltinrichtingen en, anderzijds, dat voor bestaande inrichtingen geen uitbreiding van de vergunde mestproductie kan worden vergund; dat aldus alle vergunningsplichtige inrichtingen worden geviseerd; dat evengenoemd artikel neerkomt op een verbod om milieuvergunningen te verlenen die een verhoging van de vergunde mestproductie tot gevolg hebben; dat de opwerping van verzoeker dat de bepaling "zonder VII-25.283-8/12 verhoging van de vergunde mestproductie" enkel slaat op het geval van de herlocalisatie of de verandering van een bestaande veeteeltinrichting en niet op een nieuwe inrichting, niet kan worden aanvaard aangezien dit een volledige uitholling zou zijn van het in deze geldende "stand-still"-principe; Overwegende dat artikel 33ter, §1, 3/, van het meststoffendecreet geen bijkomende mogelijkheid biedt, om in afwijking op de bepalingen van artikel 33ter, §1, 1/, c), van voormeld decreet, vergunningen toe te staan die een verhoging van de mestproductie tot gevolg zouden hebben; dat uit het feit dat er in de eerste zin van artikel 33ter, §1, 3/, van het meststoffendecreet sprake is van "veeteeltinrichtingen" en niet van "bestaande" of "nieuwe" veeteeltinrichtingen geenszins kan worden afgeleid dat die bepaling de mogelijkheid biedt om voor de verdere exploitatie van andere dan de in het voormeld decreet gedefinieerde "bestaande" en "nieuwe" inrichtingen toch nog een vergunning te verlenen; dat verzoeker betoogt dat vermits hij enkel vraagt om een bestaande toestand te regulariseren, zijn vergunning niets toevoegt aan de mestproductie; dat de ter zake geldende reglementering evenwel niet vertrekt van de feitelijke toestand maar wel van de gekende toestand van mestproductie op een bepaald moment; dat dit duidelijk blijkt uit de definities die in artikel 2 van het meststoffendecreet zijn opgenomen; dat bezwaarlijk kan worden aangenomen dat de decreetgever bij het formuleren van het artikel 33ter, §1, 1/, c), van het meststoffendecreet, dat een algemene "stand- still" op het niveau van de veeteeltinrichtingen tot doel had teneinde de vergunde mestproductie niet meer te laten verhogen, eveneens de mogelijkheid in gedachten zou hebben gehad van vergunningsaanvragen voor het vergunnen van inrichtingen die zonder vergunning werden geëxploiteerd en dat hij deze niet onder de vergunningsstop wilde laten vallen; dat, gelet op wat voorafgaat, het eerste middel niet gegrond is; 2.2.
  14. Overwegende dat verzoeker zich in het tweede middel beroept op de schending van het zorgvuldigheids- en het vertrouwensbeginsel, doordat hem thans wordt opgelegd over een milieuvergunning te beschikken of anders zijn exploitatie stop te zetten terwijl hij bij de overgang tussen het algemeen reglement voor de bescherming van de arbeid (ARAB) en het milieuvergunningsdecreet en diens uitvoeringsbesluiten, bij eenvoudige melding een milieuvergunning voor dertig jaar had kunnen bekomen, doch dat geen enkele overheid hieromtrent informatie verschafte, en terwijl hij steeds melding maakte van het bestaan van zijn inrichting bij de gemeente en nooit werd geïnterpelleerd inzake milieuvergunningen en mestaangiften deed sedert 1998 zonder daarover voor het overige vragen of VII-25.283-9/12 opmerkingen te krijgen tenzij in 2000, zodat er vooreerst in zijn hoofd een rechtmatig vertrouwen bestond dat zijn inrichting rechtmatig was en ter goeder trouw kon worden geëxploiteerd in de toekomst en zodat vervolgens het vertrouwen en de rechtszekerheid die hij uit de beleidslijn van diverse bevoegde administratieve diensten putte, geschonden wordt daar er wordt afgeweken van een algemene beleidslijn die men sinds 1982 ten aanzien van hem voert; dat hij uiteenzet dat de gemeentebesturen door een omzendbrief op de hoogte waren gebracht van de nieuwe regeling en dat een zorgvuldig bestuur vereist dat de gemeente als vergunningverlenende overheid de burgers op de hoogte zou brengen van deze nieuwe verplichting en van de te volgen procedures, dat men niet meer kan volhouden dat de burgers, ook al worden zij geacht de wetten te kennen, deze beter kunnen interpreteren dan de bevoegde besturen die ze dagelijks moeten toepassen, dat als deze laatsten worden geïnformeerd door de minister hoe een bepaalde decretale tekst en zijn uitvoeringsbesluiten moeten worden geïnterpreteerd, het zorgvuldigheids-beginsel vereist dat er aan de burgers daarover de nodige informatie wordt verschaft; dat hij ten slotte doet gelden dat de overheid verzoeker verkeerdelijk heeft voorgehouden dat zijn exploitatie kon worden voortgezet op de wijze zoals ontstaan in 1982, dat hij immers sedert 1982 op regelmatige wijze kennis heeft gegeven van zijn veeteeltactiviteiten zowel in de acht jaar die voorafgaan aan de decretale wijzigingen als in de elf jaar nadien, dat hij nooit door de gemeente of door een andere administratie werd gedwongen zijn exploitatie stop te zetten of zich in regel te stellen, dat men hem zijn bedrijf te goeder trouw liet uitbaten, dat er aldus bij hem een rechtmatig vertrouwen werd gewekt over de toekomst van zijn bedrijf, dat door hem nu zijn vergunning te weigeren en hem aldus te dwingen zijn bedrijf stop te zetten, de verwerende partij in strijd met het vertrouwensbeginsel handelt, dat dit beginsel er immers op neerkomt dat de burger moet kunnen vertrouwen op een vaste gedragslijn van de overheid of op toezeggingen of beloften die de overheid in een concreet geval heeft gedaan; 2.2.
  15. Overwegende dat de verwerende partij in haar memorie van antwoord repliceert dat de weigering van de vergunning louter voortvloeit uit de toepassing van de wet, dat men haar moeilijk kan verwijten dat, ten eerste, de gemeente de betrokkene er nooit op heeft gewezen dat hij ingevolge de wijziging van de regelgeving zijn vergunningssituatie in orde diende te brengen, en, ten tweede, de gemeente nooit is opgetreden tegen de exploitant en een rechtmatig vertrouwen zou hebben verwekt over de toekomst van zijn bedrijf; dat zij stelt dat voor een klasse 2-inrichting, zoals deze van verzoeker, het de gemeente is die zowel de vergunningverlenende als toezichthoudende overheid is, dat van de verwerende VII-25.283-10/12 partij niet kan worden verwacht dat zij bij elke decreetwijziging voor alle exploitanten binnen het grondgebied van de provincie zou nagaan of zij wel in orde zijn met hun milieuvergunning, en dat dan ook niet valt in te zien in welke zin zij het zorgvuldigheids- en het vertrouwensbeginsel zou hebben geschonden door het nemen van het bestreden besluit; 2.2.
  16. Overwegende dat verzoeker in zijn memorie van wederantwoord stelt dat de verwerende partij in het kader van het georganiseerd administratief beroep dezelfde beoordelingsbevoegdheid heeft als de gemeente, dat zij bij de beoordeling van het beroep had moeten vaststellen dat er in het verleden steeds een rechtmatig vertrouwen werd verleend aan verzoekers activiteit, dat zij daarbij als toezichthoudende overheid had kunnen nagaan in welke mate de gemeente verzoeker had geïnformeerd over de overgangsmaatregelen, dat men minstens had moeten vaststellen dat het ging om een bestaande veeteeltinrichting en dat verzoekers situatie voortvloeide uit nalatig bestuurlijk handelen; 2.2.
  17. Overwegende, zoals uit wat voorafgaat blijkt, dat het bestreden besluit een correcte toepassing is van de ter zake geldende reglementering die aan de overheid geen enkele keuzemogelijkheid laat om anders te beslissen; dat het vertrouwensbeginsel niet kan worden gehanteerd tegen een uitdrukkelijke wettekst in; dat zelfs indien er sprake zou zijn van een onzorgvuldig optreden vanwege de overheid, dit er niet toe kan leiden dat aan verzoeker een vergunning had moeten worden toegekend in strijd met de uitdrukkelijke decretale verplichtingen; dat het tweede middel bijgevolg niet gegrond is, BESLUIT: Artikel
  18. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  19. De kosten van het beroep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van verzoeker. VII-25.283-11/12 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zevenentwintig september tweeduizend en zeven, door de VIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. L. HELLIN, kamervoorzitter, E. BREWAEYS, staatsraad, Mevr. Ch. BAMPS, staatsraad, Mevr. E. IMPENS, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, E. IMPENS. L. HELLIN. VII-25.283-12/12 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.175.090 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.