id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 27 september 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.175.092 Rolnummer: A. 183261/VII-36983 Zaak: Arrest 175092 - Milieuvergunningen - 27/09/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-10-08 Raadplegingen: 59 - laatst gezien 2026-06-30 02:11 Fiche Arrest nr 175.092 van 27 september 2007 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Milieuvergunningen Beslissing : Verwerping Inwilliging tussenkomst Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 175.092 van 27 september 2007 in de zaak A. 183.261/VII-36.
- In zake :
- Wilfried DECLERCK,
- Rosa COOLS, die woonplaats kiezen bij advocaat M. RYELANDT, kantoor houdende te BRUGGE, Filips de Goedelaan 11 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat J. BERGÉ, kantoor houdende te LEUVEN, Naamsestraat
- tussenkomende partij : de n.v. VABEKO, die woonplaats kiest bij advocaat T. MALFAIT, kantoor houdende te GENT, Kasteellaan
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Wilfried DECLERCK en Rosa COOLS op 14 mei 2007 hebben ingediend om de schorsing te vorderen van de tenuitvoerlegging van het besluit van de Vlaamse minister van Openbare Werken, Energie, Leefmilieu en Natuur van 8 maart 2007 houdende uitspraak over de beroepen aangetekend tegen de beslissing van de deputatie van de provincieraad van West-Vlaanderen van 17 augustus 2006, houdende het verlenen van de milieuver- gunning aan de n.v. VABEKO om een mestverwerkingsinstallatie, gelegen te Staden, Kleine Veldstraat 37, te exploiteren; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur G. DE BLEECKERE; VII-36.983-1/14 VII-36.983-2/14 Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen; Gelet op de beschikking van 13 juli 2007 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 20 september 2007; Gehoord het verslag van staatsraad E. BREWAEYS; Gehoord de opmerkingen van advocaat M. RYELANDT, die verschijnt voor de verzoekende partijen, van advocaat N. SCHEEPMANS die, loco advocaat J. BERGÉ verschijnt voor de verwerende partij, en van advocaat T. MALFAIT, die verschijnt voor de tussenkomende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur G. DE BLEECKERE; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- De tussenkomst Met een verzoekschrift van 5 juni 2007 vraagt de n.v. VABEKO, houder van de bestreden vergunning, om in het administratief kort geding te mogen tussenkomen. Dit verzoek kan worden ingewilligd.
- De feiten 2.
- De tussenkomende partij heeft op 13 april 2006 een milieuver- gunningsaanvraag ingediend bij de deputatie van de provincie West-Vlaanderen om een mestverwerkingsinstallatie met een verwerkingscapaciteit van 30.000 ton per jaar te exploiteren, gelegen aan de Kleine Veldstraat 37 te Staden. Deze aanvraag omvat onder meer de opslag van 5.745 m³ dierlijke mest in ambachtelijke zone, een effluentlagune van 16.000 m³ in agrarisch gebied, en een mestverwerkingsinstallatie type BIO ARMOR met een capaciteit van 30.000 ton/jaar (scheider 15kW, 2 nitrificatie/denitrificatiebekkens van elk 3.000 m³, en 6 beluchters van 30 kW). VII-36.983-3/14 De inrichting is gelegen grotendeels in een gebied voor ambachtelijke bedrijven en KMO's en deels (de lagune) in agrarisch gebied volgens het gewestplan Roeselare-Tielt (en tevens volgens het naderhand goedgekeurd GRUP "Heuvelrug"). De verzoekende partijen, echtgenoten, wonen samen in hun eigendom gelegen Akkerstraat 3 te Staden. Uit de door de partijen neergelegde stukken blijkt dat de effluentlagune zich op een afstand van ongeveer 150 meter van de eigendom van de verzoekende partijen zal bevinden, en dat de afstand tussen de woning en de mestverwerkingsinstallatie nog groter is. Volgens de tussenkomende partij bedraagt deze afstand meer dan 300 meter. 2.
- Naar aanleiding van het openbaar onderzoek van deze aanvraag worden 42 bezwaren ingediend. De adviezen uitgebracht naar aanleiding van de aanvraag zijn gunstig. Op 17 augustus 2006 beslist de deputatie de gevraagde milieuvergunning integraal te verlenen voor een termijn van twintig jaar. Er worden wel acht bijzondere voorwaarden opgelegd :
- De reactortanks dienen te voldoen aan de bepalingen, inzake uitvoering opslagplaatsen, van artikel 5.28.2.3, § 2, a (constructievoorschriften), van Vlarem II.
- Conform artikel 5.28.3.2.2, § 2 kan worden afgeweken van de verplichting om van elke aangevoerde vracht dierlijke mest een N- en P2O5-analyse uit te voeren waarbij de exploitant het analyseschema bepaalt in het meetprotocol i.h.k. van de nutriëntenbalans.
- Staalnames met het oog op de bepaling van het verwerkingsaandeel dienen minstens 24 uur op voorhand aan de Mestbank Cel Controle van de Centrale Directie te worden gemeld.
- De dikke fractie wordt bij voorkeur onmiddellijk afgevoerd of in geval van opslag op het bedrijf, gebeurt dit conform de voorschriften voor de opslag van vaste mest zoals beschreven in Vlarem met als bijkomende voorwaarde dat de opslag wordt afgedekt.
- Het lossen van verse mest en het laden van effluent mag uitsluitend gebeuren tussen 7u en 19u.
- Lossen in de open lucht: conform artikel 5.28.3.4.1, § 1, 1 /, van Vlarem II kan worden afgeweken van het lossen in een afgesloten ruimte onder volgende voorwaarden : VII-36.983-4/14 a. De gesloten tankwagen, die buiten het gebouw wordt opgesteld op een verharde ondergrond, wordt aangesloten op een afgesloten aanvoerdarm van de eveneens afgesloten voorraadkelder. Deze aanvoerdarm beschikt over een vloeistofdichte snelkoppeling die op de vrachtwagens past. b. Om te lossen worden de kleppen van de aanvoerdarm, mestkelder en de vrachtwagen geopend zodat één gesloten lossysteem wordt bekomen (een dubbel klepsysteem); na het lossen wordt de mestdarm onder hoge druk leeggeblazen of gereinigd. c. Daarnaast worden nog extra maatregelen genomen: er wordt een lekbak voorzien die in het geval van een accidentele gebeurtenis de mest alsnog kan opvangen; de vrachtwagen staat tijdens het lossen op een verharde ondergrond; alle run-off van deze verharding wordt opgevangen en wordt eveneens door de mestverwerkingsinstallatie gestuurd. d. Tijdens het bedienen van de installatie dient de nodige aandacht te worden besteed aan de nauwgezette opvolging van de interne procedures; aan het personeel dat met de losoperaties is belast, worden terzake duidelijke schriftelijke richtlijnen gegeven.
- Overdekking opslagplaatsen voor mengmest en reactortanks : Conform artikel 5.28.2.3, § 2, van Vlarem II kan worden afgeweken van de plicht om de slibtank, het bezinkingsbekken en het effluentbekken af te dekken en dit op voorwaarde dat het gehalte aan ammoniakale stikstof in het effluent lager is dan 1 kg NH4-N per 1.000 liter effluent. Conform artikel 5.28.3.4.1, § 1, 3/, van Vlarem II kan worden afgeweken van de verplichting tot afdekken van het nitrificatie/denitrificatiebekken en wel op voorwaarde dat de processen via een computergestuurd systeem op regelmatige basis worden opgevolgd en indien nodig worden bijgestuurd om een goed verloop van deze processen te allen tijde te kunnen garanderen.
- Aanvoerroutes : bijgevoegd plan moet nageleefd worden. 2.
- Op 28 september 2006 heeft de deputatie van de provincie West-Vlaanderen met toepassing van artikel 45 van Vlarem I nog een bijkomende bijzondere voorwaarde opgelegd : "De mestverwerkingsinstallatie dient zodanig geconstrueerd te worden dat het eenvoudig mogelijk wordt om in de toekomst eventueel (als dit nodig zou VII-36.983-5/14 blijken) een zuiveringsinstallatie voor het behandelen van de lucht van de hal (met mestscheider en opslag van de dikke fractie) alsook de lucht afkomstig van de opslagsilo van de ruwe mest aan te leggen". 2.
- Tegen deze beslissing wordt op 5 oktober 2006 een collectief beroep ingediend door omwonenden, waaronder de verzoekende partijen. De beroepsargumenten hebben beknopt samengevat betrekking op de geurhinder, de verkeersoverlast en de verkeerde ruimtelijke inplanting (niet in overeenstemming met de ministeriële omzendbrief RO/2006/01). 2.
- Naar aanleiding van dit beroep worden door de diverse bevoegde instanties adviezen verleend die gunstig zijn voor het toekennen van de milieuvergunning. 2.
- Op 8 maart 2007 besluit de verwerende partij de beroepen ongegrond te verklaren en de beslissing van de deputatie integraal te bevestigen. 2.
- Op 11 december 2006 werd intussen een stedenbouwkundige vergunning verleend voor het bouwen van een mestverwerkingsinstallatie en aanleg van een open waterput. Deze vergunning werd door de verzoekende partijen niet aangevochten.
- Beoordeling 3.
- Krachtens artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten akte of verordening kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden akte of verordening een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen. Er kan alleen rekening worden gehouden met hetgeen terzake in het verzoekschrift werd uiteengezet en gestaafd. De Raad van State kan geen acht slaan op hetgeen in later ingediende geschriften of ter terechtzitting nog door de verzoekende partijen wordt bijgebracht. 3.2.
- Het moeilijk te herstellen ernstig nadeel wordt in het verzoekschrift als volgt toegelicht : "Verzoekers zullen door de tenuitvoerlegging van het Ministerieel Besluit, mede in acht genomen het feit dat op ... (sic) door het College van VII-36.983-6/14 Burgemeester en Schepenen van Staden een stedenbouwkundige vergunning werd verleend voor de bouw van de mestverwerkingsinstallatie, een moeilijk te herstellen ernstig nadeel ondervinden. Dit nadeel bestaat uit visuele hinder, geurhinder, lawaaihinder, verkeershinder. (...) Verzoekers hebben in hun schriftelijk bezwaar van 29.05.2006 bezwaren geuit ivm - geur- en lawaaihinder In casu zal de effluentlagune, die zich amper op 150 m van de perceelsgrens van verzoekers zal bevinden, niet overdekt zijn. Ook het bezinkingsbekken en de slibtank zullen niet overdekt zijn. Er wordt niet tegemoetgekomen aan de geuite bezwaren ivm garanties nopens de constructie van de loods, er zal ook niet gelost worden in onderdruk, de emissielucht zal niet afgezogen worden en gestuurd worden over een biobedfilter. Voor zover de loods niet voldoende zal geïsoleerd worden, zullen verzoekers ook lawaaihinder ondervinden afkomstig van de scheidingsmachine in de loods. De processen zullen volgens de bestreden beslissing beweerdelijk computergestuurd zijn, doch dienen op zeer regelmatige basis opgevolgd te worden en indien nodig bijgestuurd te worden. Dit is een menselijk handelen, dat te allen tijde kan worden verwaarloosd of zelfs vergeten worden, zodat bij de minste nalatigheid er een reëel gevaar kan zijn voor geurhinder. De scheiding van de mest zou gebeuren in een gesloten hall, doch bij het openen van de poort van de hall, kan steeds geur vrijkomen. De gemeente Staden had als voorwaarden in haar advies voorgesteld om de lucht van de hall af te zuigen en te sturen over een zure wasser en biobedfilter. Deze voorwaarde werd in het bestreden besluit niet opgelegd. Aangezien het effluent in de winter niet zal kunnen uitgereden worden, zal het gedurende een lange tijd in de lagune dienen gestockeerd te worden, dewelke zoals reeds hierboven gesteld, niet overdekt zal zijn. Een langere verblijftijd van het effluent heeft het niet ondenkbeeldig gevolg dat het risico op geurhinder aanzienlijker zal zijn. De woning van verzoekers bevindt zich in de zuidoostelijke windrichting, op slechts 150 meter van de perceelsgrens van de voorgenomen installatie, dus ook van de effluentlagune. Het gevaar van geurhinder zal derhalve meer dan reëel zijn. -verkeersoverlast en onveiligheid op de plaatselijke landelijke wegen. In de omgeving van de woning van verzoekers bevinden zich kleinere landelijke wegen, die zeker niet aangepast zijn voor een verhoging van het aantal transporten, laat staan dan nog zware transporten. Verzoekers wonen in de Akkerstraat te Staden, een kleine smalle binnenweg, waarbij het zelfs al moeilijk is om twee voertuigen met elkaar te laten kruisen. Het betreft een gewone landbouwweg, bedekt met een laag asfalt. Telkens wanneer verzoekers hun woning zullen verlaten, bestaat de kans dat zij zullen geconfronteerd worden met aan- of afrijdende vrachtwagen(s). Gezien de niet bewezen noodzaak van de inplanting van de installatie, toch met een relatief grote capaciteit van 30.000 ton/jaar, valt er een aanvoer te verwachten vanuit heel Zuid-West-Vlaanderen. Bovendien zou desgevallend ook nog een verhoging van de capaciteit door de exploitant in de toekomst kunnen worden gevraagd tot 60.000 ton/jaar, wat in combinatie met het reeds aanwezige verkeer van en naar het naastgelegen veevoederbedrijf, een niet aanvaardbare belasting van de landelijke wegen zal impliceren. Verzoekers hebben in hun bezwaar, alsook in het beroepschrift, duidelijk gesteld dat er een vervijfvoudiging zal zijn van het aantal transportbewegingen. VII-36.983-7/14 Het bijkomend zwaar transport, zal ook geluidshinder, stofhinder met zich meebrengen". Ter terechtzitting bevestigt de raadsman van de verzoekende partijen dat niet verder wordt aangedrongen wat het visuele nadeel betreft. 3.2.
- De verwerende partij betoogt dat de verzoekende partijen niet het bewijs aanbrengen van concrete ernstige hinder die hun levenskwaliteit op zodanige onherstelbare wijze aantast dat het bestreden besluit moet worden geschorst. Zij stelt meer bepaald het volgende : "(...) Geurhinder (...) De verzoekende partijen lijken vooral een bezwaar te uiten met betrekking tot de effluentlagune, die zich volgens hun mededeling op amper 150m van de perceelsgrens van hun eigendom bevindt. De klacht is dat de lagune niet overdekt wordt, en daardoor geurhinder zal opleveren. (...) Het bestreden besluit zegt hierover het volgende : 'Dat gelijkaardige installaties aantonen dat het gezuiverde effluent na de behandeling in de biologische reactoren slechts een laag gehalte aan ammoniakale stikstof bevat, waardoor emissie van ammoniak verwaarloosbaar is; dat art. 22 § 2 van het Mestdecreet van 22 december 2006 bepaalt dat effluenten afkomstig van de bewerking of verwerking van dierlijke mest die volgens een analyse, uitgevoerd door een krachtens art. 62 § 6 van hetzelfde Mestdecreet erkend laboratorium een lager gehalte hebben aan ammoniakale stikstof dan 1 kg NH4-N per 1000 l of 1 kg NH4N per 1000 kg, niet moeten worden ingewerkt en dat daartoe door de Mestbank een attest wordt afgegeven; dat dit gebaseerd is op het feit dat bij een ammoniakgehalte onder deze drempel, dit effluent weinig of geen geurhinder zal veroorzaken; dat in de bestreden beslissing de afwijking met betrekking tot het niet overkappen van het bezinkingsbekken, de slibtank en de effluentlagune werd toegestaan op voorwaarde dat het gehalte van ammoniakale stikstof in het effluent lager is dan 1 kg NH4-N per 1000 l effluent'; (...) Het bestreden besluit herneemt hiermee de motivering van de bestendige deputatie, en de verzoekende partijen brengen deze argumentatie niet in het gedrang. Het behoort dat zij aantonen dat er een ernstige geurhinder zal zijn, minstens dat het risico hierop reëel bestaat, indien de norm van 1 kg NH4-N per 1000 l effluent niet wordt bereikt. De verzoekende partijen weten dat er controle kan worden uitgeoefend, en zij kunnen indien nodig zelf handhavingsmaatregelen induceren. Uit de stedenbouwkundige vergunning blijkt des te meer het geurneutrale karakter van het eindeffluent. De overkapping van de effluentlagune is gelet op de oppervlakte (2 ha ?) technisch moeilijk en disproportioneel duur. Daarenboven zouden de verzoekende partijen zeker een bezwaar hebben tegen de visuele en esthetische hinder die op die wijze ontstaat. (...) De slibtank, het bezinkingsbekken en de reactoren bevinden zich op de behandelingssite, verder van de woning van de verzoekende partijen dan de effluentlagune. Precieze gegevens over de afstand worden overigens niet verstrekt. VII-36.983-8/14 Het kan niet worden aanvaard dat de verzoekende partijen ook voor deze beweerde hinder geen concrete gegevens verstrekken. Zij maken het op deze wijze niet aannemelijk dat er een hinder zal zijn die de normaal aanvaardbare hinder in een agrarisch gebied, en in de nabijheid van een gebied voor ambachten en KMO's, overstijgt. (...) Het biologisch proces in de reactortanks is anaëroob, en verloopt in gesloten tanks. De bestreden beslissing zegt daarover het volgende : 'Overwegende dat tijdens het nittrificatieproces de dunne fractie wordt belucht; dat de organische componenten in de dunne fractie worden afgebroken; dat de organische en ammoniakale stikstof biologisch wordt omgezet in nitraatstikstof,A dat tijdens het denittrificatieproces onder afwezigheid van beluchting nitraat wordt omgezet in moleculaire stikstof; dat dit onschadelijk gas ontsnapt uit het bekken; dat er een verblijf tijd in de reactor wordt voorzien van circa 2 maanden'; En verder: 'Overwegende dat de exploitant de biologische reactoren niet wenste te overkappen; dat mits het juist sturen van de processen in het nittrificatie/denittrificatiebekken emissies kunnen worden vermeden; dat in de bestreden beslissing wordt opgelegd dat de processen via een computergestuurd systeem op regelmatige basis worden opgevolgd en indien nodig worden bijgestuurd om een goed verloop van deze processen ten allen tijde te kunnen garanderen'; (...) De verzoekende partijen weerleggen de wetenschappelijk bewezen gegevens over het geurloze biologische proces in de reactortanks niet. Zij kunnen hun standpunt klaarblijkelijk ook niet onderbouwen met getuigenissen of ervaringen van omwonenden van reeds functionerende BIO-ARMOR-systemen. (...) Het wordt niet ingezien op welke wijze de behandeling van het effluent uit de reactor in het bezinkingsbekken en de slibtank wel een ernstige geurhinder zou kunnen veroorzaken, nu ook voor dit effluent de norm van 1 kg NH4-N per 1000 l is opgelegd. (...) Het enige argument dat de verzoekende partijen rest is hun suggestie dat er bij de computergestuurde processen in de reactortanks een fout kan ontstaan. Menselijk falen is uiteraard niet uitgesloten. De bestreden beslissing zegt daarover dat de processen moeten worden opgevolgd, zodat men de computer niet aan zichzelf overlaat. Alle voorzorgen worden opgelegd, en zullen worden genomen. Een eventueel technisch of menselijk falen kan nooit worden uitgesloten, maar is op zichzelf een louter hypothetische hinder waarvan nu niet kan worden gezegd dat ze ernstig zal zijn, laat staan onherstelbaar. (...) Het lossen van de ruwe mest gebeurt in open lucht, maar met waarborgen die elke geurhinder moeten vermijden. Kort gezegd bestaat de voorwaarde voor de afwijking van art. 5.28.3.4.1,§1,1/ VLAREM II erin dat een gesloten tankwagen met een vloeistofdichte snelkoppeling wordt aangesloten op een afgesloten voorraadkelder, en een dubbel klepsysteem ervoor zorgt dat de ontluchting van de voorraadkelder in de leeggepompte vrachtwagen komt. Dit gesloten systeem verhindert de verspreiding van ongewenste geuren. De verzoekende partijen slagen er niet in om aan te tonen dat deze procedure, die zich verder van hun woning op de behandelingssite voltrekt, ernstige geurhinder zal veroorzaken. (...) Het scheidingsproces van de dikke en dunne fractie, gebeurt door centrifugering in een gesloten loods. Op die plaats wordt ook de dikke fractie opgeslagen, met als bijzondere voorwaarde dat deze wordt afgedekt. De beslissing van de bestendige deputatie legt uit dat het centrifugesysteem in tegenstelling tot het scheiden door een vijzelpers geen luchtzuivering in de loods noodzakelijk maakt (...). VII-36.983-9/14 De verzoekende partijen weerleggen een en ander niet, maar menen dat het opengaan van de deuren van de loods op zichzelf geurhinder kan veroorzaken, en zij verwijzen naar een suggestie van de gemeente Staden om de lucht van de loods te laten behandelen met o.m. een biobedfilter. Deze argumenten kunnen niet overtuigen, en de (gemotiveerde) afwijzing van het advies van de gemeente Staden bewijst op zichzelf niet dat er geurhinder zal zijn. Geluidshinder (...) Geluidshinder zou voornamelijk worden veroorzaakt door de scheidingsmachine in de loods, door de beluchters van de biologische reactoren, en door het verkeer. Zowel de bestreden beslissing als de beslissing van de bestendige deputatie zeggen dat eventuele geluidshinder wordt tegengegaan door de volgende maatregelen : - De beluchters van de reactoren staan op de bodem van de reactorbekkens. - De scheider staat in de loods. - Het lossen van verse mest en het laden van het effluent gebeurt tussen 7 en 19 uur. De verzoekende partijen tonen niet aan dat zij ernstig en op een onherstelbare wijze zullen worden gehinderd. Zij zouden daartoe eerst moeten uitleggen hoe de loods en de losvloer zich ten opzichte van hun woning situeren, op welke afstand en in welke windrichting. Daarenboven zal de stedenbouwkundig verplichte aanplanting van een groen scherm, inclusief de begroeiing op de bermen van de effluentlagune - en desgevallend ook de bermen zelf - een bufferende invloed hebben op de eventuele geluidsproductie. Het verkeer is niet van die densiteit dat het tussen 7 en 19 uur van de gewone werkdagen een overmatige geluidslast kan veroorzaken, vooral niet omdat het verkeer van de inrichting slechts een beperkte vermeerdering is van het reeds aanwezige verkeer ten behoeve van de veevoederfabriek (zie ook hierna, mobiliteit). (...) Mobiliteit (...) De beslissingnemende overheden hebben rekening gehouden met het eventuele mobiliteitsprobleem, door het gebruik van aanvoerwegen op te leggen. De verzoekende partijen leggen niet uit dat de beperkte toename van het zware verkeer uit oorzaak van de mestverwerkingsinstallatie op zichzelf een moeilijk te herstellen ernstig nadeel vormt. De verergering van het mobiliteitsprobleem bedraagt maximaal 10 %, indien het in aanmerking wordt genomen dat de bestaande veevoederfabriek 120 transporten per dag genereert. In de bestreden beslissing wordt vermeld dat de aanvoer van ruwe mest zal leiden tot 6 transporten per dag. Dit is slechts 5 % van de bestaande transporten. Indien wordt aangenomen dat er nog extra verkeer zal zijn, bv. van landbouwers die zelf de ruwe mest aanvoeren, bekomt men een maximale verergering van 10 %. De voorzorgen die in de bijzondere milieuvoorwaarden met betrekking tot het lossen en laden werden genomen (dag, uren van 7 tot 19 uur) verhinderen in elk geval dat het eventuele mobiliteitsprobleem zich zou uitstrekken tot onaanvaardbare momenten van de dag en het weekend. Als voorwaarde wordt daarenboven gesteld dat de exploitant er moet voor zorgen dat vrachtwagens die leveren meteen ook effluent meenemen. Het kan niet worden aanvaard dat de verzoekende partijen het mobiliteitsprobleem artificieel opblazen door te veronderstellen dat de capaciteit van de installatie wel zal groeien van 30.000 ton per jaar tot 60.000 ton per jaar, en dat men mest zal aanvoeren uit heel Zuid-West- VII-36.983-10/14 Vlaanderen (het plaatselijke mobiliteitsprobleem wordt overigens niet beïnvloed door de herkomst van de aangevoerde fractie)". 3.2.
- Volgens de tussenkomende partij is het moeilijk te herstellen ernstig nadeel door de verzoekende partijen nagenoeg letterlijk uit hun bezwaarschrift van 29 mei 2006 overgenomen. Zij betoogt in essentie dat de uiteenzetting van de verzoekende partijen onvoldoende concreet is, dat de beweerde nadelen grotendeels worden ongedaan gemaakt door de opgelegde exploitatievoorwaarden en dat de ingeroepen nadelen een hypothetisch karakter hebben. 3.
- De verzoekende partijen bouwen hun uiteenzetting mede op vertrekkende van het uitgangspunt dat zij een moeilijk te herstellen ernstig nadeel zullen ondervinden "mede in acht genomen het feit dat (...) een stedenbouwkundige vergunning werd verleend voor de bouw van de mestverwerkingsinstallatie". De verzoekende partijen houden geen rekening met de bijzondere voorwaarden inzake geurhinder opgelegd door de deputatie, voorwaarden die door het bestreden besluit integraal worden bevestigd. In het bestreden besluit wordt uitvoerig gemotiveerd waarom de verwerende partij van oordeel is dat de geurhinder minimaal zal zijn en minstens tot een aanvaardbaar niveau kan worden beperkt. Wanneer de verzoekende partijen van oordeel zijn dat de opgelegde voorwaarden niet zullen volstaan, dan moeten zij op zijn minst toch een minimum aan argumenten aanbrengen die het aannemelijk kunnen maken dat die voorwaarden niet zullen volstaan om de geurhinder tot een aanvaardbaar niveau te beperken. Zij brengen terzake evenwel geen enkel concreet argument aan waaruit kan blijken dat de opgelegde bijzondere voorwaarden niet volstaan om de geurhinder tot een aanvaardbaar niveau te beperken. Het nadeel van de geurhinder is dus te hypothetisch en onzeker om als moeilijk te herstellen ernstig nadeel te kunnen worden gekwalificeerd. De effluentlagune werd slechts toegestaan onder de voorwaarde dat het effluent niet meer dan 1/1.000 ammoniakale stikstof mag bevatten, zodat de motivering van de verwerende partij dat de geurhinder verwaarloosbaar zal zijn aannemelijk is. Het is al te hypothetisch te veronderstellen dat deze lagune de oorzaak van geurhinder, die als een ernstig nadeel kan worden gekwalificeerd, zou kunnen zijn. Wat betreft het bezinkingsbekken en de slibtank weerleggen de verzoekende partijen het standpunt van de verwerende partij dat het VII-36.983-11/14 computergestuurd verwerkingsproces geurloos verloopt, slechts door te wijzen op een mogelijk menselijk falen. Die veronderstelling is al te hypothetisch. Aangezien luidens één van de bijzondere voorwaarden de mest wordt aangevoerd in gesloten wagens en gelost wordt via een gesloten lossysteem, is de motivering van de verwerende partij aannemelijk dat de geurhinder verwaarloosbaar zal zijn. Het is al te hypothetisch te veronderstellen dat het losproces de oorzaak van geurhinder, die als een ernstig nadeel kan worden gekwalificeerd, zou kunnen zijn. Het veroorzaken van geurhinder bij het openen van de poorten van de hall is eveneens te hypothetisch, aangezien enerzijds de "dikke fractie" wel degelijk moet worden afgedekt en aangezien anderzijds het scheidingsproces via het procédé van centrifuge verloopt, waarbij in tegenstelling tot het procédé van scheiden via vijzelpers, geen luchtzuivering nodig is zodat het aannemelijk is dat de geurhinder binnen de gesloten hall minimaal is. De lawaaihinder van de scheidingsmachine in de loods is dermate hypothetisch dat hij niet als moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan worden gekwalificeerd : de verzoekende partijen vertrekken van de niet bewezen uitgangspunten dat de loods niet voldoende zal worden geïsoleerd en dat de scheidingsmachine een dermate belangrijke geluidsbron is dat deze een onaanvaardbare geluidshinder zal produceren voor de verzoekende partijen, die op minstens meer dan 150 meter van die (gesloten) loods wonen. De verzoekende partijen worden verondersteld ter staving van hun nadeel voldoende concrete en precieze elementen aan te brengen die hun stelling kunnen staven. Te dezen is dit niet het geval. Ten aanzien van de lawaaihinder, afkomstig van het bijkomend zwaar transport, vertrekken de verzoekende partijen van het niet bewezen of gestaafd uitgangspunt dat er "een vervijfvoudiging (...) van het aantal transportbewegingen" zal zijn. In het bestreden besluit wordt gesteld dat er een 6-tal aanvoertransporten per dag zijn en dat er (alleen al) voor het naastgelegen veevoederbedrijf reeds 120 verkeersbewegingen zijn. In die context komt het de verzoekende partijen dan ook toe hun stelling, dat er een vervijfvoudiging zal zijn van het aantal transporten, te staven en minstens in hun verzoekschrift te verduidelijken hoe zij tot deze raming zijn gekomen. De verzoekende partijen laten dit na, zodat ook hier besloten moet worden dat de beweerde hinder wellicht geen VII-36.983-12/14 steun vindt in de feiten, en tenminste al te hypothetisch is om als moeilijk te herstellen ernstig nadeel te kunnen worden gekwalificeerd. Bovendien zijn er meerdere aanvoerroutes (ook opgelegd als bijzondere voorwaarde) zodat de toename van het verkeer wordt gespreid. In die context kan bezwaarlijk worden aangenomen dat de hinder die de verzoekende partijen als gevolg van de toename van het verkeer zullen ondervinden als een ernstig nadeel in de zin van artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State zou kunnen worden gekwalificeerd. De verzoekende partijen tonen niet aan dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van het bestreden besluit hen een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen. Er is niet voldaan aan de tweede voorwaarde van artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, BESLUIT: Artikel
- Het verzoek tot tussenkomst van de n.v. VABEKO in het administratief kort geding wordt ingewilligd. Artikel
- De vordering tot schorsing wordt verworpen. Artikel
- De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. De kosten van de tussenkomst, bepaald op 125 euro, komen ten laste van de tussenkomende partij. VII-36.983-13/14 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zevenentwintig september tweeduizend en zeven, door : de H. E. BREWAEYS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. E. IMPENS, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, E. IMPENS. E. BREWAEYS. VII-36.983-14/14 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.175.092 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.184.123 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div