id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 27 september 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.175.107 Rolnummer: A. 84276/V-1553 Zaak: Arrêt / Arrest 175107 - Divers (fonction publique) / Varia (openbaar ambt) - 27/09/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-10-12 Raadplegingen: 80 - laatst gezien 2026-06-30 03:09 Versie(s): Versie FR Fiche Arrest nr 175.107 van 27 september 2007 Openbaar ambt - Varia (openbaar ambt) Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 175.107 van 27 september 2007 in de zaak A. 84.276/V-1553. In zake : August ADRIAENSEN, die woonplaats kiest bij advocaat R. ROMBAUT, kantoor houdende te ANTWERPEN, Justitiestraat 18 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Sociale Zaken, die woonplaats kiest bij advocaat E. PLAVSIC, kantoor houdende te ANTWERPEN, Oudaan 22-24, tussenkomende partij : Joël LIVYNS, die woonplaats kiest bij advocaat P. BERTRAND, kantoor houdende te HUY, rue Delloye Matthieu 4 --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, Ve K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat August ADRIAENSEN op 21 mei 1999 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het koninklijk besluit van 19 maart 1999 waarbij Joël LIVYNS met ingang van 1 september 1999 wordt benoemd tot administrateur-generaal van de Hulpkas voor Ziekte- en Invaliditeitsverzekering, alsmede van de impliciete weigering hem tot dat ambt te benoemen; Gelet op het arrest nr. 84.740 van 18 januari 2000 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit wordt verworpen; V-1553-1/12 Gezien het verzoek tot voortzetting van de rechtspleging ingediend op 5 april 2000 door de verzoekende partij; Gezien het verzoekschrift tot tussenkomst van 27 juni 2000; Gelet op de beschikking van 1 augustus 2000 die de tussenkomst van Joël LIVYNS toelaat; Gezien de memorie van de tussenkomende partij; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur-generaal M. ROELANDT; Gelet op de beschikking van 19 november 2001 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memories; Gezien de aanvullende memories; Gelet op de beschikking van 24 april 2007 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 31 mei 2007; Gehoord het verslag van kamervoorzitter P. LEMMENS; Gehoord de opmerkingen van advocaat R. ROMBAUT, die verschijnt voor de verzoeker, van advocaat E. PLAVSIC, die verschijnt voor de verwerende partij, en van advocaat P. BERTRAND, die verschijnt voor de tussenkomende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd M. LEFEVER; V-1553-2/12 Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, OVERWEEGT WAT VOLGT : Over de gegevens van de zaak 1. De vacante betrekking van administrateur-generaal van de Hulpkas voor Ziekte- en Invaliditeitsverzekering (H.Z.I.V.) wordt bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 4 februari 1999. De functiebeschrijving voor dit ambt luidt als volgt: “De administrateur-generaal van de H.Z.I.V. wordt belast met het dagelijks beheer van de instelling waarvan de voornaamste opdrachten de betaling van de tegemoetkoming van de verplichte verzekering in de uitgaven voor geneeskundige verzorging en de betaling van de uitkeringen zijn. In verband hiermee is hij ten opzichte van het Beheerscomité verantwoordelijk voor het beheer van de instelling op het vlak van de financiën en de informatica. Hij houdt toezicht op de directie van de verschillende gewestelijke diensten door middel van de controle op de activiteiten ervan inzake naleving van de vigerende wetgeving. Hij zorgt voor de goede werking van de verschillende diensten van het centraal bestuur zowel in de technische aspecten ervan (boekhouding, juridische dienst) als qua beheer van het personeel en van de huishoudelijke dienst". De verzoeker, die op dat ogenblik adjunct-administrateur-generaal van de H.Z.I.V. is, de tussenkomende partij, die op dat ogenblik kabinetschef is van de Minister van Sociale Zaken, en twee andere personen dienen hun kandidatuur in. Het Beheerscomité van de H.Z.I.V. geeft op 10 maart 1999 zijn advies over de verschillende kandidaten, met toepassing van artikel 9, laatste lid, van de wet van 25 april 1963 betreffende het beheer van de instellingen van openbaar nut van sociale zekerheid en sociale voorzorg. De notulen van de vergadering van 10 maart 1999 luiden als volgt: “III.
- d)Kandidaten voor de betrekking van Administrateur-generaal die op 1/9/99 vacant wordt (nota B.C. nr. 5366) Aangezien de (Heer) ADRIAENSEN betrokken is bij deze nota verlaat hij de zitting. De (Heer) R. geeft toelichting en is van oordeel dat de kandidatuur van de (Heer) K.S. niet in aanmerking kan genomen worden omdat indien een V-1553-3/12 Nederlandstalig kandidaat voorgesteld wordt, de kandidatuur van de (Heer) ADRIAENSEN dient voorgesteld te worden. De (Heer) R. verklaart eveneens dat het niet de gewoonte is dat het advies dat aan de Minister moet worden gegeven, betrekking zou hebben op de taalrol van de kandidaat die hij moet benoemen. Hij vestigt er de aandacht op dat een gemotiveerd advies dient te worden gegeven. De leden van het Beheerscomité hebben per post de gedetailleerde en volledige dossiers van alle kandidaten toegestuurd gekregen met inbegrip van de curriculum vitae en andere stavingsstukken zodat zij allen ruimschoots gelegenheid hebben gehad kennis te nemen van de professionele en andere kwaliteiten van de verschillende kandidaten. De (Heer) T. deelt mede dat eerst de ontvankelijkheid van alle kandidaturen dient nagegaan te worden. Hij legt er de nadruk op dat het niet onze taak is om een beslissing te nemen betreffende de taalrol. De (Heer) T. somt de criteria op die zouden moeten worden onderzocht: - ontvankelijkheid van de kandidaturen; - diploma’s, titels en ervaring in de sociale sector; - anciënniteit in de sociale sector en eventueel bij de H.Z.I.V.; - kwaliteit van de verleende diensten. Tot slot weerhoudt het Beheerscomité volgende criteria: - vorming en ervaring (in o.m. een leidinggevende functie); - management; - opgedane ervaring, - anciënniteit in de sociale sector. Het Beheerscomité wijdt vervolgens een discussie aan de individuele kwaliteiten van de kandidaten. Uit deze bespreking in het licht van de gestelde criteria blijkt dat: - de heer K.S. geen enkele professionele ervaring heeft inzake sociale zekerheid; - de kandidaturen van J.D., Joël LIVYNS en A.V. beantwoorden aan de gestelde vereisten qua opleiding, anciënniteit in de sociale zekerheid en wat A.V. betreft ervaring bij de H.Z.I.V.; - de kandidatuur van Gust ADRIAENSEN, gelet op de gevolgde opleiding en behaalde diploma’s, zijn ruime anciënniteit in de sociale zekerheid, zijn ruime ervaring in zijn huidige functie bij de instelling, op volledige wijze beantwoordt aan de voor de vacante functie gestelde criteria. Verschillende leden van het Beheerscomité laten opmerken dat voor de continuïteit van de werking en de hoge mate van samenwerken en vertrouwen binnen de instelling, in hoofde van de administrateur-generaal er inderdaad rekening moet gehouden worden met de ervaring die in een gelijksoortige functie werd opgedaan. De leden van het Beheerscomité zijn het eens over het feit dat de kandidaturen allen als ontvankelijk kunnen beschouwd worden. De (Heer) V.Dl. laat opmerken dat de geheime stemming zich opdringt en vraagt dat deze wordt toegepast. De (Heer) V.Dm. doet een oproep om te trachten als Beheerscomité een zo unaniem mogelijk advies te verlenen aan de Minister en acht het belangrijk dat er een sterk signaal vanuit de instelling gegeven wordt. Het Beheerscomité gaat over tot de geheime stemming waaruit blijkt dat: - 7 stemmen werden uitgebracht ten gunste van Gust ADRIAENSEN; - 1 stem ten gunste van Joël LIVYNS; - geen stemmen ten gunste van de andere 3 kandidaten werden uitgebracht.” V-1553-4/12 Op 18 maart 1999 zendt de voorzitter van het Beheerscomité de volgende brief naar de Minister van Sociale Zaken (vertaling) : "Het Beheerscomité van de Hulpkas voor Ziekte- en Invaliditeitsverzekering heeft tijdens zijn vergadering van 10-3-1999 de sollicitaties onderzocht naar de betrekking van administrateur-generaal die vacant wordt op 1-9-1999 en heeft het volgende advies uitgebracht : "Het beheerscomité is van mening dat de sollicitatie van de heer G. ADRIAENSEN, die bij geheime stemming 7 stemmen op de 8 heeft behaald, zich beduidend meer naar voren dringt dan alle andere. Bovendien is het beheerscomité van oordeel dat die sollicitatie het meest overeenstemt met het profiel van het ambt van administrateur-generaal van de Hulpkas voor Ziekte- en Invaliditeitsverzekering. De heer ADRIAENSEN biedt immers alle vereiste garanties op het stuk van management, actieve tweetaligheid, kennis en ervaring inzake de sociale zekerheid en tevens informatica, waarvoor hij de verantwoordelijkheid draagt. Hij kent goed de Hulpkas voor Ziekte- en Invaliditeitsverzekering, een instelling waar hij sedert 1 april 1995 het ambt van adjunct-administrateur-generaal uitoefent. Bovendien boogt hij op een gedegen universitaire bagage. De aanspraken en verdiensten van de heer ADRIAENSEN worden vermeld in de bijgevoegde nota. Het beheerscomité heeft de sollicitatie van de heer J. LIVYNS, die slechts één stem op de 8 heeft behaald, niet in aanmerking genomen. Het heeft bovendien eveneens vastgesteld dat de gegadigden J.D. (F), K.S. (N) en A.V. (F) geen enkele stem hebben behaald. Een omstandig verslag van de debatten zal u worden toegezonden zodra het ontwerp van notulen van de vergadering van het beheerscomité van 10-3-1999 zal zijn goedgekeurd.” Bij koninklijk besluit van 19 maart 1999 wordt de tussenkomende partij benoemd tot administrateur-generaal van de H.Z.I.V., met ingang van 1 september 1999. De motivering van dat besluit luidt als volgt (vertaling) : “Overwegende dat uit de sollicitatie van de heer Joël LIVYNS blijkt dat hij beschikt over de vereiste hoedanigheden die vermeld worden in het bericht met de bekendmaking van de vacature en alle vereiste garanties biedt wat onder meer het management, de actieve tweetaligheid, de kennis en de ervaring inzake de sociale zekerheid betreft; Overwegende dat hij, meer bepaald op het gebied van het beheer van een instelling, een volledige administratieve loopbaan heeft doorlopen tot op een zeer hoog niveau (rang 15), wat hem in staat heeft gesteld een zeer ruime, zowel theoretische als praktische kennis op te doen op het gebied van begroting, informatica en personeelsbeleid; Overwegende bovendien dat hij gedurende zijn loopbaan heeft deelgenomen aan de ontwikkeling en de supervisie van belangrijke automatiseringsprojecten, waaronder recentelijk het project betreffende de wijze waarop de individuele gegevens van de trimestriële aangiften aan de Rijksdienst voor Sociale V-1553-5/12 Zekerheid worden ingezameld en geïnformatiseerd, en dat hij de coördinatie van het informaticabeleid van een instelling op zich heeft genomen, te weten van de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid, de belangrijkste ontvanger van de bijdragen inzake de sociale zekerheid; Overwegende bovendien dat hij in dezelfde instelling het begeleidingscomité heeft voorgezeten, belast met de implementatie van de boordtabellen, een essentieel middel bij het invoeren van de responsabilisering van de parastatalen uit de sociale sector; Overwegende bovendien dat hij als adviseur-generaal bij de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid, waar hij onder meer bevoegd was voor het personeelsbeleid, heeft meegewerkt aan de hervorming van het personeelsbeleid, en daarmee sterk heeft bijgedragen tot de ontwikkeling van het participatiemanagement en de invoering van nieuwe evaluatieprocedures en dat hij dus terzake beschikt over een uitgesproken en ruime ervaring; Overwegende dat hij voorts, in de uitoefening van zijn verschillende ambten bij de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid en vervolgens op het kabinet van de Minister van Sociale Zaken, de diverse aspecten van de modernisering van de sociale zekerheid heeft gesuperviseerd en gecoördineerd, meer bepaald het ontwerpen, ontwikkelen en invoeren van de sociale identiteitskaart, een essentieel middel in het toekomstige beheer van de gezondheidszorg; Overwegende ten slotte dat hij, in zijn ambt van kabinetschef van de Minister van Sociale zaken, zitting heeft in beheersorganen die van wezenlijk belang zijn in het stelsel van de sociale zekerheid, te weten het Beheerscomité van de sociale zekerheid en de Algemene Raad van het RIZIV, en hij hierdoor een ruime en gedetailleerde visie heeft kunnen verwerven op alle problemen die rijzen inzake de sociale zekerheid, inzonderheid in de sector gezondheidszorg, zowel wat de financiering als wat het organisatorische aspect ervan betreft; Oordelend dat er om al die redenen grond is om af te wijken van het advies van het beheerscomité”. Het koninklijk besluit van 19 maart 1999 is het thans bestreden besluit. 2. Sinds de indiening van het voorliggende beroep hebben zich nog een aantal relevante ontwikkelingen voorgedaan. 2.1. Artikel 2 van het koninklijk besluit van 13 maart 2003 betreffende het statuut van de managementfuncties van administrateur-generaal en adjunct-administrateur-generaal in de openbare instellingen van sociale zekerheid legde een proef op aan de personen die op dat ogenblik houder waren van de graad van administrateur-generaal of adjunct-administrateur-generaal, teneinde na te gaan of zij over de algemene en bijzondere competenties beschikten die in het profiel van hun managementfunctie waren vervat. Op grond van een evaluatie op basis van deze proef en een gesprek gevoerd door het betrokken personeelslid met het beheerscomité van de instelling en de voogdijminister, kon de Koning de betrokkenen de managementfunctie van administrateur-generaal respectievelijk ad- junct-administrateur-generaal toekennen, voor een periode van zes jaar. V-1553-6/12 Zowel de tussenkomende partij als de verzoeker hebben deze proef ondergaan, als houder van de graad van administrateur-generaal respectievelijk adjunct-administrateur-generaal. De verzoeker werd door de selectiecommissie op 2 april 2003 als "niet geschikt" geëvalueerd. De tussenkomende partij daarentegen werd wel geschikt verklaard. Het genoemde koninklijk besluit van 13 maart 2003 is evenwel vernietigd door de Raad van State, bij arrest nr. 122.881, Warnier, van 16 september 2003. Als gevolg van het verdwijnen uit de rechtsorde van het koninklijk besluit van 13 maart 2003 heeft de Raad van State, op een beroep van de verzoeker, bij arrest nr. 124.550 van 23 oktober 2003 ook de evaluatiebeslissing van de selectiecommissie van 2 april 2003, waarbij de verzoeker als “niet geschikt” werd geëvalueerd, vernietigd. 2.2. Het koninklijk besluit van 24 oktober 2003 betreffende het statuut van de managementfuncties van administrateur-generaal en adjunct-administrateur-generaal in de openbare instellingen van sociale zekerheid bevat een nieuwe regeling, ter vervanging van de regeling vervat in het vernietigde koninklijk besluit van 13 maart 2003. Artikel 2 van dat besluit neemt de bepalingen over van artikel 2 van het koninklijk besluit van 13 maart 2003. Het koninklijk besluit van 24 oktober 2003 heeft uitwerking met ingang van 13 maart 2003. Zoals uit de aanhef van het koninklijk besluit van 24 oktober 2003 blijkt, heeft de terugwerkende kracht tot gevolg dat de laureaten van de selectieproef, georganiseerd op basis van het vernietigde besluit van 13 maart 2003, het voordeel van de gunstige evaluatie behouden. Het statuut van de houders van een managementfunctie is voorts vastgesteld bij het koninklijk besluit van 30 november 2003 betreffende de aanduiding, de uitoefening en de weging van de managementfuncties in de openbare instellingen van sociale zekerheid. Bij koninklijk besluit van 30 november 2003 wordt aan de tussenkomende partij de managementfunctie van administrateur-generaal bij de H.Z.I.V. toegekend, met ingang van 1 oktober 2003. Als gevolg van die benoeming is, overeenkomstig artikel 5 van het genoemde koninklijk besluit van 24 oktober 2003, de graad van administrateur-generaal afgeschaft. V-1553-7/12 2.3. In de loop van 2004 wordt de verzoeker andermaal onderworpen aan een proef, nu met toepassing van het genoemde koninklijk besluit van 24 oktober 2003, om na te gaan of hij over de vereiste competenties voor de managementfunctie van adjunct-administrateur-generaal beschikt. Die proef leidt tot een nieuwe beoordeling “niet geschikt”. Tegen die beoordeling stelt de verzoeker geen beroep in. Daarop verklaart het Beheerscomité van de H.Z.I.V. de betrekking van adjunct-administrateur-generaal op 2 februari 2005 vacant. SELOR organiseert de procedure voor de selectie. De verzoeker is, samen met verscheidene andere personen, kandidaat, maar wordt door de selectiecommissie als “niet geschikt” beoordeeld. Bij koninklijk besluit van 11 januari 2007 wordt mevrouw M. benoemd in de managementfunctie van adjunct-administrateur-generaal. Noch tegen de negatieve beoordeling die over hemzelf is uitgebracht, noch tegen de benoeming van mevrouw M., heeft de verzoeker een beroep ingesteld. 2.4. Zodra de verzoeker kennis krijgt van de negatieve beoordeling door de selectiecommissie, verzoekt hij, bij schrijven van 28 maart 2006, om zijn vervroegde oppensioenstelling, met ingang van 1 februari 2007. Op 3 mei 2006 beslist het Beheerscomité van de H.Z.I.V. die aanvraag in te willigen. Bij koninklijk besluit van 19 maart 2007 wordt aan de verzoeker eervol ontslag verleend uit zijn ambt van adjunct-administrateur-generaal, met ingang van 1 februari 2007. Hij wordt tevens gemachtigd zijn pensioenaanspraken te laten gelden. Over de rechtspleging 3. Met een aangetekende zending van 28 mei 2003 heeft de verzoeker een “aanvullende memorie - actualisering van de zaak per 02.04.2003” ingediend, waarin hij de aandacht vestigt op het hiervóór genoemde koninklijk besluit van 13 maart 2003. De verzoeker voert voorts aan dat, behoudens een spoedige uitspraak van de Raad van State in de voorliggende zaak, elk voordeel uit de vernietiging van de benoeming van de tussenkomende partij verloren dreigt te gaan. De verwerende partij vraagt dat die memorie uit de debatten zou worden geweerd omdat het procedurereglement niet voorziet in zulke memories en omdat haar recht van verdediging erdoor beknot wordt. Niettemin legt zij een aantal bijkomende stukken neer met betrekking tot de “belangwekkende bestuurlijke evoluties binnen de Hulpkas”. Volgens haar zou overigens beter worden gewacht V-1553-8/12 tot er klaarheid is geschapen rond het nieuw regelgevend kader, aangezien het koninklijk besluit van 13 maart 2003 op dat ogenblik voor de Raad van State is bestreden. Het belang dat een verzoeker heeft bij zijn beroep dient behouden te worden tot aan de sluiting van de debatten. Het belang raakt voorts de openbare orde. Uit die beide vaststellingen dient besloten te worden dat de partijen het recht hebben te allen tijde de aandacht van de Raad van State te vestigen op nieuwe feiten welke een weerslag kunnen hebben op het belang van de verzoeker. De aanvullende memorie van de verzoeker wordt bijgevolg niet uit de debatten geweerd. Hetzelfde geldt overigens ook ten aanzien van de memorie die de verwerende partij als antwoord op de bedoelde memorie heeft ingediend. 4. Met een schrijven van 30 mei 2007 deelt de verwerende partij een aantal bijkomende stukken mee, welke betrekking hebben op een aantal nieuwe feiten, te beginnen met het genoemde koninklijk besluit van 24 oktober 2003. Ter zitting werpt de verzoeker een bezwaar op tegen de neerlegging van die stukken. De verwerende partij heeft zich ertoe beperkt de bedoelde stukken neer te leggen. Wel heeft zij daaruit mondeling, ter zitting, bepaalde rechtsgevolgen afgeleid. De verzoeker van zijn kant heeft echter de gelegenheid gekregen om ter zitting op de nieuwe feiten in te gaan, en zijn raadsvrouw heeft van die gelegenheid ook effectief gebruik gemaakt. Er is dan ook geen aanleiding om de nieuwe reeks stukken uit de debatten te weren. Over de ontvankelijkheid van het beroep 5.1. Zowel de verwerende partij als de tussenkomende partij werpen een exceptie van onontvankelijkheid van het beroep op, afgeleid uit het verdwijnen van het belang van de verzoeker in de loop van het geding. Zij wijzen met name op het feit, enerzijds, dat het ambt van administrateur-generaal is omgezet in een mandaat, dat de tussenkomende partij is benoemd in die mandaatfunctie en dat de verzoeker V-1553-9/12 daartegen geen beroep heeft ingesteld, en anderzijds, dat de verzoeker op zijn verzoek vervroegd op pensioen gesteld is. 5.2. Artikel 19 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State bepaalt dat de beroepen tot nietigverklaring voor de afdeling bestuursrechtspraak kunnen worden gebracht door elke partij die doet blijken van een benadeling of een belang. Het belang moet bestaan, zoals gezegd, niet alleen op het ogenblik van het instellen van het beroep, maar ook bij de uitspraak daarover. 5.3. De voornaamste betrachting van iemand die, zoals de verzoeker, voor de Raad van State de rechtshandeling aanvecht waardoor hij niet wordt aangesteld in een betrekking waarvoor hij zich kandidaat heeft gesteld maar waarin integendeel iemand anders wordt aangesteld, is door de nietigverklaring ervan te verkrijgen dat die betrekking opnieuw open verklaard wordt en dat hij aldus de kans krijgt om zelf, in de plaats van degene wiens benoeming nietig verklaard is, in die betrekking te worden aangesteld en om ze daadwerkelijk waar te nemen. 5.4. Uit de hiervóór vermelde gegevens blijkt dat de tussenkomende partij bij koninklijk besluit van 30 november 2003 is aangesteld in de managementfunctie van administrateur-generaal van de H.Z.I.V. Dat besluit is niet bestreden, en is dus definitief geworden. Als gevolg van die benoeming is, overeenkomstig artikel 5 van het koninklijk besluit van 24 oktober 2003 betreffende het statuut van de managementfuncties van administrateur-generaal en adjunct-administrateur-generaal in de openbare instellingen van sociale zekerheid, de graad van administrateur-generaal afgeschaft. De afschaffing van de graad van administrateur-generaal heeft tot gevolg dat de verzoeker niet meer benoemd kan worden in de betrekking waarvoor hij zich, samen met o.m. de tussenkomende partij, kandidaat heeft gesteld. Het oorspronkelijk met het beroep nagestreefde doel kan dan ook niet meer bereikt worden. Bovendien moet vastgesteld worden dat, om zijn kansen op een aanstelling in de nieuwe managementfunctie van administrateur-generaal gaaf te houden, de verzoeker de benoeming van de tussenkomende partij in die functie had moeten aanvechten. Door geen beroep in te stellen tegen het koninklijk besluit van 30 november 2003, is die benoeming echter definitief geworden. Een eventuele V-1553-10/12 vernietiging van het bestreden koninklijk besluit van 19 maart 1999, waarbij de tussenkomende partij eerder benoemd was in het ambt van administrateur-generaal, zou de verzoeker dan ook geen kans meer kunnen bieden om in de managementfunctie benoemd te worden. Derhalve moet geconcludeerd worden dat het materieel belang, dat de verzoeker onmiskenbaar had bij het indienen van het beroep tegen het bestreden benoemingsbesluit, in de loop van het geding is teloorgegaan. 5.5. Ten overvloede moet vastgesteld worden dat de verzoeker bij koninklijk besluit van 19 maart 2007 op zijn verzoek vervroegd op pensioen gesteld is. Te dezen had de verwerende partij niet de absolute rechtsplicht om hem tot administrateur-generaal te benoemen, en heeft zij dus ook niet de rechtsplicht om zijn loopbaan met terugwerkende kracht te reconstrueren. Een vernietigingsarrest kan derhalve niet meer bijdragen tot het rechtsherstel dat de verzoeker oorspronkelijk met zijn beroep ambieerde, met name zelf tot administrateur-generaal benoemd te worden en die functie daadwerkelijk te bekleden. Ook om die reden is het materieel belang, dat de verzoeker had bij het indienen van het beroep tegen het bestreden benoemingsbesluit, teloorgegaan. 5.6. Er zijn voorts geen bijzondere omstandigheden die doen blijken van een ander belang, met name een moreel belang. De loutere genoegdoening verbonden met het onwettig horen verklaren van de bestreden handeling is in elk geval geen voldoende rechtstreeks belang. Het aldus beoogde voordeel is immers niet verbonden aan het verdwijnen van het bestreden besluit uit het rechtsverkeer, maar enkel aan het gegrond horen verklaren van een middel. Daarenboven bevatten de motieven van het bestreden besluit geen enkele overweging die, objectief gezien, van aard is de eer of de goede naam van de verzoeker aan te tasten. 5.7. De verzoeker toont derhalve niet aan dat hij nog een actueel belang heeft bij de vernietiging van de bestreden handeling. De exceptie van onontvankelijkheid is dan ook gegrond. V-1553-11/12 6. Nu het teloorgaan van het belang niet aan het toedoen van de verzoeker te wijten is, maar aan de wijziging in de terzake toepasselijke reglementering, past het de verwerende partij te verwijzen in de kosten. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel 1. Het beroep wordt verworpen. Artikel 2. De kosten van de vordering tot schorsing en van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 347,06 euro, komen ten laste van de verwerende partij. De kosten van de tussenkomst, bepaald op 123,95 euro, komen ten laste van de tussenkomende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zevenentwintig september 2007, door de Ve kamer, die was samengesteld uit : de HH. P. LEMMENS, kamervoorzitter, J. JAUMOTTE, staatsraad, E. BREWAEYS, staatsraad, W. GEURTS, griffier, De Griffier, De Voorzitter, W. GEURTS. P. LEMMENS. V-1553-12/12 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.175.107 Gerelateerde publicatie(
- s)voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2000:ARR.84.740 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div