← België

Arrest 175109 - Milieuvergunningen - 27/09/2007

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 27 september 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.175.109 Rolnummer: A. 183656/VII-36994 Zaak: Arrest 175109 - Milieuvergunningen - 27/09/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-10-08 Raadplegingen: 56 - laatst gezien 2026-06-30 02:13 Fiche Arrest nr 175.109 van 27 september 2007 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Milieuvergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 175.109 van 27 september 2007 in de zaak A. 183.656/VII-36.

  1. In zake :
  2. Palmyre VAN TASSEL,
  3. Geert COLPHIJN, die woonplaats kiezen bij advocaat G. JACOBS, kantoor houdende te BRUSSEL, de Henninstraat 67-69 tegen : de deputatie van de provincie VLAAMS-BRABANT, die woonplaats kiest bij advocaat K. VAN ALSENOY, kantoor houdende te BRUSSEL, Antoine Dansaertstraat
  4. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Palmyre VAN TASSEL en Geert COLPHIJN op 29 mei 2007 hebben ingediend om de schorsing te vorderen van de tenuitvoerlegging van het besluit van de deputatie van de provincie VLAAMS-BRABANT van 8 maart 2007 waarbij het beroep ingediend tegen de beslissing van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente PEPINGEN van 7 november 2006, houdende het verlenen aan de n.v. AGRO-TECHNICS van de milieuvergunning voor het verder uitbaten en veranderen van een inrichting, gelegen te Pepingen, Hoge Kouter 3, niet wordt ingewilligd en de beroepen beslissing wordt bevestigd; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur E. LANCKSWEERDT; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen; Gelet op de beschikking van 13 juli 2007 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 6 september 2007; VII-36.994-1/13 Gehoord het verslag van kamervoorzitter L. HELLIN; Gehoord de opmerkingen van advocaat M. HERTEGONNE die, loco advocaat G. JACOBS verschijnt voor de verzoekende partijen, en van advocaat K. VAN WYNSBERGE die, loco advocaat K. VAN ALSENOY verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur E. LANCKSWEERDT; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  5. De gegevens van de zaak. 1.
  6. De n.v. AGRO-TECHNICS baat aan de Hoge Kouter 3 te Pepingen een inrichting uit voor het persen en stockeren van koolzaad en andere granen. De verzoekende partijen zijn omwonenden van de inrichting. 1.
  7. Op 14 juni 2006 dient de n.v. AGRO-TECHNICS een milieuvergunningsaanvraag in voor het hernieuwen en uitbreiden van een bestaande inrichting. 1.
  8. Tijdens zijn zitting van 10 oktober 2006 beslist het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Pepingen de beslissingstermijn met 45 dagen te verlengen. Die beslissing steunt op de overweging "dat een grondig onderzoek nodig is van de, tijdens het openbaar onderzoek, ingediende bezwaren". 1.
  9. Op 7 november 2006 verleent het college van burgemeester en schepenen aan de n.v. AGRO-TECHNICS een vergunning voor het verder exploiteren en veranderen van haar inrichting, derwijze dat de bestaande inrichting zou worden omgevormd naar een inrichting voor de opslag en de verwerking van koolzaad en koolzaadolie. 1.
  10. Tegen deze milieuvergunning stellen een aantal omwonenden beroep in. Zij voeren, samengevat, aan dat de gemeente buiten de wettelijk voorgeschreven termijn haar beslissing heeft genomen. Voorts doen zij gelden dat VII-36.994-2/13 de vergunning is verleend in strijd met de planologische voorschriften en met de goede plaatselijke ruimtelijke ordening. De beroepindieners stellen zich vragen bij de veiligheid van de inrichting (ontvlambaarheid van de koolzaadolie) en zij wijzen op lawaaihinder en hinder ten gevolge van de trillingen vanwege het vrachtvervoer. De maatregelen wat betreft geur- en stofhinder zouden volgens hen ook inadequaat zijn. In hoofdorde vragen de beroepindieners dat de deputatie zou vaststellen dat de beslissing van het college van burgemeester en schepenen laattijdig werd genomen zodat de milieuvergunning als geweigerd moet worden beschouwd, en deze beslissing omwille van de rechtszekerheid uit het rechtsverkeer te halen. In ondergeschikte orde wordt gevraagd de milieuvergunning integraal te weigeren. 1.
  11. Met een schrijven van 21 december 2006 reageert de b.v.b.a. WELL MILIEUADVIES, namens de exploitant, de n.v. AGRO-TECHNICS, op de argumentatie van het beroepschrift. Gesteld wordt dat het college van burgemeester en schepenen op een gemotiveerde wijze heeft beslist tot een termijnverlenging. Verder wordt uitgelegd waarom de aanvraag niet strijdig is met de planologische voorschriften. Evenmin zou er strijdigheid zijn met de goede plaatselijke ruimtelijke ordening, gelet op het aantal vrachten dat wordt aangevoerd. Wat betreft de veiligheid wordt aangestipt dat koolzaadolie volkomen ongevaarlijk is. Voorts valt van de inrichting zelf geen geluidshinder te vrezen en ook de geluidsoverlast door de bijkomende transporten van en naar de inrichting zal beperkt zijn. Er zal geen drastische toename zijn van het aantal transporten. Door het lossen van het graan in een stortput zal de stofproductie beperkt blijven. Ook het groenscherm zal de stofhinder beperken. Van geurhinder is volgens de b.v.b.a. WELL MILIEUADVIES geen sprake. 1.
  12. In het kader van de ingestelde beroepsprocedure wordt een aantal adviezen uitgebracht. Zowel het agentschap Ruimtelijke Ordening, de afdeling Milieu- vergunningen, de Vlaamse Milieumaatschappij, als de Provinciale Milieuvergun- ningscommissie brengen een gunstig advies uit over de vergunningsaanvraag. 1.
  13. Op 8 maart 2007 wordt het thans bestreden besluit genomen; VII-36.994-3/13
  14. De schorsingsvoorwaarden. Overwegende dat luidens artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging kan worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de bestreden beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de akte of het reglement een moeilijk te herstellen en ernstig nadeel kan berokkenen; 2.1.
  15. Overwegende dat de verzoekende partijen in een eerste middel de schending aanvoeren van artikel 9, § 3, en artikel 10 van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning, juncto artikel 36, 4/, en artikel 36, 6/, van het besluit van de Vlaamse regering van 6 februari 1991 houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de milieuvergunning (hierna: Vlarem I), van de materiële motiveringsplicht en de motiveringsplicht in het algemeen, van artikel 2 en artikel 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen "in het bijzonder en wegens het ontbreken van de vereiste juridische grondslag en de overschrijding van de bevoegdheidsverdelende regels", doordat, eerste onderdeel, de milieuvergunningsaanvraag door het college van burgemeester en schepenen volledig en ontvankelijk werd verklaard op 27 juli 2006 waardoor de termijn van drie maanden om uitspraak te doen afliep op 29 oktober 2006, dat op 10 oktober 2006 door het college van burgemeester en schepenen een, volgens de verzoekende partijen, ongemotiveerd besluit werd genomen tot verlenging van de beslissingstermijn met 45 dagen en dat pas op 7 november 2006 een milieuvergunning werd verleend aan de n.v. AGRO-TECHNICS, dat het bestreden besluit stelt dat het verlengingsbesluit van 10 oktober 2006 wel degelijk gemotiveerd is door middel van de bewoordingen: "Er is een grondig onderzoek van de bezwaren, ingediend tijdens het openbaar onderzoek, nodig", dat in het uittreksel uit de notulen van het schepencollege - zoals deze werden overgemaakt aan de raadsman van de verzoekende partijen - deze bewoordingen niet te lezen vallen, terwijl krachtens artikel 9, § 3, van het voornoemde decreet van 28 juni 1985, juncto artikel 36, 1/, d, en 36, 4/, van Vlarem I, de gemeente over een termijn van drie maanden, vanaf de verklaring van ontvankelijkheid en van volledigheid, beschikt om uitspraak te doen over de milieuvergunningsaanvraag en dat artikel 10 van het decreet van 28 juni 1985 de mogelijkheid biedt aan de bevoegde overheid om die termijn éénmaal en gemotiveerd te verlengen met 45 dagen, dat krachtens artikel 2 en 3 van de wet van VII-36.994-4/13 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, op de deputatie de verplichting rust om in de akte de feitelijke en juridische overwegingen te vermelden die aan de beslissing ten grondslag liggen en dat die motieven daarenboven dienen overeen te stemmen met de feitelijke gegevens van de zaak en voorzien moeten zijn van de vereiste juridische grondslag, wat volgens de verzoekende partijen niet het geval blijkt te zijn; dat, tweede onderdeel, de deputatie in het kader van het georganiseerd administratief beroep van 8 maart 2007 het besluit van het college van burgemeester en schepenen van 7 november 2006 heeft bevestigd en er "totaal aan voorbij is gegaan dat bij gebreke aan een tijdige beslissing, de vergunning diende geacht impliciet geweigerd te zijn overeenkomstig artikel 10 milieuvergunningsdecreet en artikel 36, 6/ Vlarem I; terwijl (...) artikel 10 alinea 2 van het milieuvergunningsdecreet juncto artikel 36, 6/ Vlarem I stelt dat de vergunning geacht wordt geweigerd te zijn indien binnen de vastgestelde of (wettig) verlengde termijn geen uitspraak werd gedaan, waardoor de bestendige deputatie niet bevoegd was om een uitspraak te doen over de expliciete beslissing van het schepencollege tot verlening van de milieuvergunning", dat bijgevolg de bestreden beslissing waarbij wordt geoordeeld dat de beslissing van het college tijdig werd genomen onwettig is, aangezien zij is gesteund op overwegingen die feitelijk onjuist zijn en de bestreden beslissing onwettig is, aangezien het de deputatie aan de vereiste materiële bevoegdheid ontbreekt om in beroep de laattijdige beslissing van 7 november 2006 door het college van burgemeester en schepenen te beoordelen; 2.1.
  16. Overwegende dat de verwerende partij in haar nota daarop, samengevat, antwoordt dat in de bestreden beslissing terecht wordt gesteld dat het besluit van het college van burgemeester en schepenen van 10 oktober 2006 was gemotiveerd op het punt van de termijnverlenging en dat die motivering zonder twijfel in het verlengingsbesluit is opgenomen, dat de verzoekende partijen bovendien geen kritiek uiten op de materiële inhoud van deze motivering en dat aangezien het eerste onderdeel van het middel feitelijke grondslag mist, het tweede onderdeel ook niet ernstig kan zijn; 2.1.
  17. Overwegende dat artikel 9, § 3, van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning bepaalt dat het college van burgemeester en schepenen binnen een termijn van drie maanden in eerste aanleg beslist over de vergunningsaanvragen van inrichtingen van tweede klasse; dat artikel 10 van hetzelfde decreet evenwel bepaalt dat bij gemotiveerd besluit de vergunningverlenende overheid de termijnen waarbinnen zij uitspraak moet doen, VII-36.994-5/13 eenmaal kan verlengen met de helft van de vastgestelde termijn en dat de vergunning wordt geacht geweigerd te zijn indien binnen de vastgestelde of verlengde termijn geen uitspraak is gedaan door de bevoegde overheid; Overwegende, in deze, dat met een besluit van 10 oktober 2006 het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Pepingen beslist heeft de termijn van uitspraak van drie maanden te verlengen met 45 dagen; dat die beslissing als volgt wordt verantwoord: "Overwegende dat een grondig onderzoek nodig is van de, tijdens het openbaar onderzoek, ingediende bezwaren; Overwegende dat bijgevolg niet binnen de vastgestelde termijn van drie maanden, te rekenen vanaf de datum van bevestiging van de ontvankelijkheid en volledigheid van de milieuvergunningsaanvraag, uitspraak kan worden gedaan over de betreffende aanvraag; Overwegende dat derhalve de uitspraaktermijn wordt verlengd met 45 dagen, (...)"; Overwegende dat het besluit tot verlenging van de beslissingstermijn slechts een louter voorbereidende handeling is, voorafgaand aan de eindbeslissing over de aanvraag van de verzoekende partijen; dat die beslissing bijgevolg op zichzelf de verzoekende partijen geenszins grieft omdat zij geen enkele invloed heeft op de inhoud van de uiteindelijke uitspraak over hun beroep; dat de door het milieuvergunningsdecreet ingestelde mogelijkheid tot verlenging van de termijnen "een meer verantwoorde, betere besluitvorming" beoogt, hetgeen in beginsel in het belang is, zowel van de aanvrager van een vergunning, als van de bescherming van mens en leefmilieu; dat de eisen die men aan de motivering van een dergelijke beslissing oplegt, gerelateerd dienen te worden aan het belang van die beslissing en aan de snelheid waarmee ze moet worden genomen; dat in dat verband op de eerste plaats er rekening mee dient te worden gehouden dat de overheid snel, binnen de decretaal bepaalde termijnen, moet beslissen om een stilzwijgende weigeringsbeslissing te voorkomen; dat dan ook wordt aangenomen dat de verwerende partij in redelijkheid tot de conclusie is gekomen dat zij, teneinde een grondig onderzoek te kunnen verrichten van de ingediende bezwaren waaruit blijkt dat de inrichting omstreden was, de beslissingstermijn met 45 dagen moest verlengen; dat overigens de verzoekende partijen niet aantonen dat de motieven onjuist of kennelijk onredelijk zouden zijn; dat in het bestreden besluit dan ook terecht is vastgesteld dat het besluit van 10 oktober 2006 de redenen van de termijnverlenging vermeldt, zodat de beslissing ten gronde werd genomen vóór het VII-36.994-6/13 einde van de verlengde beslissingstermijn; dat het eerste middel in zijn beide onderdelen niet ernstig is; 2.2.
  18. Overwegende dat de verzoekende partijen in een tweede middel de schending aanvoeren van artikel 11.4.1 van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp- gewestplannen en gewestplannen (hierna: "het inrichtingsbesluit"), van de motiveringsplicht in het algemeen en van artikel 2 en artikel 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen in het bijzonder; dat zij hierbij uiteenzetten dat de vergunde activiteit betrekking heeft op percelen die zijn gelegen in agrarisch gebied, dat zowel in het bezwaarschrift van 29 augustus 2006 ingediend bij het college van burgemeester en schepenen, als in het beroepschrift van 8 december 2006 ingediend bij de deputatie, door de verzoekende partijen is aangevoerd dat de te vergunnen activiteit niet verenigbaar is met de gewestplanbestemming van agrarisch gebied aangezien nergens het grondgebonden karakter wordt aangetoond, dat, noch in de beslissing van het college van burgemeester en schepenen van 7 november 2006, noch in de beslissing van de deputatie van 8 maart 2007, dit argument wordt beantwoord of zelfs wordt aangegeven waarom dergelijke inrichting wel in agrarisch gebied past, dat krachtens artikel 11.4.1 van het inrichtingsbesluit agrarische gebieden bestemd zijn voor landbouw in de "ruime zin" waarbij, volgens de ministeriële omzendbrief van 8 juli 1997 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp- gewestplannen en gewestplannen, moet worden nagegaan of de activiteiten wel degelijk een grondgebonden karakter, een nauwe relatie met het landbouwproces en een strikte relatie met de voortgebrachte landbouwproducten vertonen, dat krachtens de motiveringsverplichting en krachtens de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen de bevoegde overheid verplicht is om een afdoende motivering op te nemen in haar beslissing die de rechtzoekende in staat stelt te begrijpen op grond van welke feitelijke en juridische gegevens tot een bepaalde beslissing, in casu, tot de verenigbaarheid van de vergunde inrichting met de bestemmingsvoorschriften, is gekomen, dat bijgevolg het bestreden besluit van 8 maart 2007 waarbij wordt besloten tot de verenigbaarheid van de bestreden beslissing met de gewestplanbestemming, zonder op afdoende wijze aan te geven waarom de inrichting wel degelijk, en ondanks de geformuleerde kritiek van de verzoekende partijen, in het beroepschrift als bestaanbaar en verenigbaar met de bestemming agrarisch gebied kan worden beschouwd, de in het middel aangehaalde bepalingen VII-36.994-7/13 en beginselen schendt, dat de verzoekende partijen zowel in hun bezwaarschrift als in hun beroepschrift er op hebben gewezen dat naast het opslaan van de gewassen er tevens sprake is van verwerking, persing en opslag van het eindproduct, dat, aangezien er sprake is van verwerkende nijverheid, een dergelijke activiteit niet onder de noemer "agrarische activiteit" kan worden gecatalogeerd, dat de activiteit evenmin als para-agrarisch kan worden beschouwd doordat de criteria van "het ministerieel besluit van 8 juli 1997 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en de gewestplannen niet werden vervuld", dat de activiteit geen grondgebonden karakter vertoont omdat nergens in de wijde omgeving koolzaad wordt geteeld of gereproduceerd en er derhalve evenmin sprake kan zijn van een nauwe of strikte relatie met het plaatselijke landbouwproces dan wel met de voortgebrachte landbouwproducten; 2.2.
  19. Overwegende dat de verwerende partij in haar nota daarop, samengevat, antwoordt dat de evaluatie en weerlegging van de argumentatie van de verzoekende partijen aangaande de onverenigbaarheid met de bestemmings- voorschriften duidelijk werd opgenomen in het bestreden besluit, dat in dat besluit vooreerst wordt gesteld dat de productie en opslag van granen en koolzaad een agrarische activiteit is, en dat hierover redelijkerwijze weinig betwisting kan bestaan, dat voorts wordt gesteld dat de koudpersing van koolzaad tot koolzaadolie een eerste bewerking van de eigen grondstof is in afwachting dat deze verder behandeld wordt, hetgeen wel degelijk een para-agrarische activiteit is die aansluit bij de landbouw en er op is afgestemd, dat vervolgens in het bestreden besluit er wordt op gewezen dat het grondgebonden karakter van het bedrijf, de nauwe relatie met het landbouwproductieproces en de strikte relatie van het bedrijf met de voortgebrachte landbouwproducten overduidelijk zijn, aangezien de exploitant gronden huurt voor de teelten van granen en koolzaad en hij deze zelf opslaat, dat hij evenmin onder agro-industrie valt die die gebruiksklare consumptiegoederen aflevert, dat het begrip "para-agrarisch bedrijf" niet restrictief moet worden uitgelegd, en dat zo*n bedrijf niet aan de grond gebonden moet zijn, zodat het volstaat dat de activiteit onmiddellijk bij de landbouw aansluit en er op afgestemd is; 2.2.
  20. Overwegende dat de overheid die geroepen is te beslissen over een aanvraag tot milieuvergunning er toe gehouden is de voorschriften van de geldende plannen van aanleg in acht te nemen, wat onder meer inhoudt dat zij de vergunning dient te weigeren indien de inrichting, of een gedeelte ervan, niet past VII-36.994-8/13 in de bindende voorzieningen van het plan; dat in deze niet wordt betwist dat de inrichting volgens het gewestplan Halle-Vilvoorde-Asse is gelegen in een agrarisch gebied; dat omtrent dergelijke gebieden artikel 11.4.1 van het inrichtingsbesluit bepaalt wat volgt: "De agrarische gebieden zijn bestemd voor de landbouw in de ruime zin. Behoudens bijzondere bepalingen mogen de agrarische gebieden enkel bevatten de voor het bedrijf noodzakelijke gebouwen, de woning van de exploitanten, benevens verblijfsgelegenheid voor zover deze een integrerend deel van een leefbaar bedrijf uitmaakt, en eveneens para-agrarische bedrijven. Gebouwen bestemd voor niet aan de grond gebonden agrarische bedrijven met industrieel karakter of voor intensieve veeteelt, mogen slechts opgericht worden op ten minste 300 m van een woongebied of op ten minste 100 m van een woonuitbrei-dingsgebied, tenzij het een woongebied met landelijk karakter betreft. De afstand van 300 m en 100 m geldt evenwel niet in geval van uitbreiding van bestaande bedrijven. De overschakeling naar bosgebied is toegestaan overeen-komstig de bepalingen van artikel 35 van het Veldwetboek, betreffende de afbakening van de landbouw- en bosgebieden"; dat hieruit blijkt dat agrarische gebieden niet enkel bestemd zijn voor landbouw in de ruime zin, maar ook voor para-agrarische bedrijven; dat, bij ontstentenis van nadere omschrijving ter zake, de term "para-agrarisch bedrijf" in zijn spraakgebruikelijke betekenis moet worden begrepen; dat daaronder moet worden verstaan bedrijven waarvan de activiteit onmiddellijk bij de landbouw aansluit en er op afgestemd is; dat in deze de bestreden beslissing vaststelt dat de teelt en opslag van granen en koolzaad een agrarische activiteit is; dat vervolgens wordt vastgesteld dat de koudpersing van koolzaad tot koolzaadolie een eerste bewerking van de eigen grondstof is, in afwachting dat deze verder wordt verhandeld; dat deze activiteiten op het eerste gezicht probleemloos onder de noemer van para-agrarische activiteit kunnen worden gebracht; dat de stelling van de verzoekende partijen dat een bedrijf, om als para-agrarisch te kunnen worden beschouwd, essentieel een grondgebonden karakter moet hebben en in een nauwe relatie moet staan met het landbouwproductieproces én met de voortgebrachte landbouwproducten, niet correct is; dat immers niet valt in te zien waarom een "para-agrarisch bedrijf" aan de grond moet zijn gebonden of in het verlengde liggen van een aan de grond gebonden activiteit; dat immers luidens het voornoemd artikel 11.4.1 van het inrichtingsbesluit de agrarische gebieden bestemd zijn voor de landbouw in de "ruime" zin; dat het gebruik van de term "ruime zin" betekent dat het begrip "landbouw" niet restrictief, doch extensief moet worden opgevat; dat hetzelfde artikel voorts bepaalt dat de "voor het (agrarisch) bedrijf noodzakelijke gebouwen" en "eveneens para-agrarische bedrijven" in de agrarische gebieden toegelaten zijn; dat bedoeld voorschrift de VII-36.994-9/13 agrarische bedrijven en de para-agrarische bedrijven op gelijke voet plaatst; dat het ten slotte regelen stelt welke specifiek voor de "niet aan de grond gebonden agrarische bedrijven" gelden, regelen met name die de afstanden vaststellen welke die bedrijven in acht moeten nemen ten opzichte van de woongebieden; dat de stellers van artikel 11.4.1 van het inrichtingsbesluit er klaarblijkelijk vanuit zijn gegaan dat agrarische bedrijven ook niet aan de grond gebonden kunnen zijn; dat logischerwijze hieruit moet volgen dat ook para-agrarische bedrijven eveneens niet aan de grond gebonden kunnen zijn; dat het volstaat dat het bedrijf "para-agrarisch" is, met andere woorden dat zijn activiteit onmiddellijk bij de landbouw aansluit en er op afgestemd is; dat het bestreden besluit vaststelt dat de exploitant gronden huurt voor de teelten van granen en koolzaad, en dat hij deze granen zelf opslaat; dat het koolzaad weliswaar niet in de nabije omgeving van het bedrijf wordt geteeld doch wel voornamelijk afkomstig is van de teelt in de omliggende gemeenten; dat zowel het koolzaad als de granen afkomstig zijn van eigen teelt, zodat het de exploitant zelf is die de producten van eigen teelt aan een eerste bewerking wenst te onderwerpen door het koolzaad koud te persen en te filteren; dat die bewerking van producten van eigen teelt onmiddellijk aansluit bij de landbouwactiviteit; dat het overigens aan de niet aan de grond gebonden agrarische bedrijven niet verboden is een industrieel karakter te hebben; dat het tweede middel niet ernstig is; 2.3.
  21. Overwegende dat de verzoekende partijen in een derde middel de schending aanvoeren van artikel 19 van het inrichtingsbesluit en van de artikelen 21, § 2, 2/, en 25, 2/, van Vlarem I en van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen; dat zij hierbij uiteenzetten dat in hun bezwaarschrift van 29 augustus 2006 en in hun beroepschrift van 8 december 2006 is gesteld dat de te vergunnen activiteit niet overeenstemt met de goede plaatselijke ruimtelijke ordening wegens strijdigheid met de ruimtelijke draagkracht van het gebied en dat bij de boordeling van de milieuvergunnings-aanvraag het bestreden besluit van de deputatie van 8 maart 2007 zelfs stelt dat de toetsing van de goede plaatselijke aanleg niet dient te gebeuren, terwijl, uit artikel 19 van het inrichtingsbesluit samen gelezen met de artikelen 21, § 2, 2/, en 25, 2/, van Vlarem I, dergelijke verplichting wel valt af te leiden, dat de beginselen van de motiveringsplicht in het algemeen en de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen in het bijzonder de bevoegde overheid verplichten een afdoende motivering in de vergunningsverlenende akte op te nemen waaruit dergelijke verenigbaarheid met de goede plaatselijke ruimtelijke ordening blijkt; dat VII-36.994-10/13 zij voorts betogen dat de inplanting van de inrichting midden in het agrarisch gebied de ruimtelijke draagkracht en de onderlinge verwevenheid van functies in gevaar zal brengen; dat volgens hen uit het dossier blijkt dat de aanvoer van koolzaad zal zorgen voor een verhoging van de belasting van de wegen met minimaal 250 vrachtwagens per maand, dat er ook grote hoeveelheden koolzaadolie en koolzaadkoek zullen moeten worden afgevoerd, dat dit alles zorgt voor een onevenredige overlast voor de omwonenden en dat ook wordt voorbijgegaan aan de "absolute ongeschiktheid" van de wegeninfrastructuur, dat de wegen maximaal 2,8 meter breed zijn of zelfs nog smaller, dat alle invalswegen naar de Hoge Kouter voorzien zijn van verbodsborden met als maximaal gewicht 7,5 ton en dat alleen landbouwvoertuigen deze wegen mogen gebruiken, dat de verwerende partij volledig voorbijgaat aan de argumentatie van de verzoekende partijen en dat in het bestreden besluit zelfs is gesteld dat geen toetsing dient te worden uitgevoerd, dat uit artikel 19 van het inrichtingsbesluit en uit de artikelen 21, § 2, 2/, en 25, 2/, van Vlarem I volgt dat een vergunning moet worden geweigerd indien deze in strijd is met de goede plaatselijke ordening; dat het, steeds volgens de verzoekende partijen, bovendien vaste rechtspraak is van de Raad van State dat bij de beoordeling van de milieuvergunningsaanvraag rekening moet worden gehouden met de plaatselijke ruimtelijke ordening, dat in het bestreden besluit wordt gelezen dat kan worden gesteld dat het vrachtvervoer geen overmatige hinder voor de omgeving veroorzaakt, doch dat zonder een voorafgaande mobiliteitsstudie dergelijke ongefundeerde stijlformules geen afdoende motivering zijn; 2.3.
  22. Overwegende dat de verwerende partij antwoordt dat zij "een correcte toepassing gemaakt (heeft) van juiste wettelijke normen"; dat zij hierbij verwijst naar artikel 43, § 7, van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening gecoördineerd op 22 oktober 1996 en stelt dat het in casu allerminst gaat om een zonevreemd project, dat artikel 19 van het inrichtingsbesluit van toepassing is op bouw- en verkavelingsvergunningen, en dat de aangehaalde Vlarem I-bepalingen handelen over de uit te brengen adviezen; 2.3.
  23. Overwegende dat het bestreden besluit met betrekking tot de door de verzoekende partijen aangevoerde verkeersproblematiek en de ongeschiktheid van de wegeninfrastuctuur als volgt luidt: "
  24. en
  25. De goede plaatselijke ruimtelijke ordening en de draagkracht van het gebied zouden dienen onderzocht te worden wanneer het zou gaan om het VII-36.994-11/13 hernieuwen of uitbreiden van een inrichting die in feite zonevreemd is (cf. art. 43 § 7 en § 8 van het DROC van 21.10.1996). De aanvraag van Agro-Technics is daarentegen wel planologisch verenigbaar met het agrarisch gebied zodat deze toetsing niet dient te gebeuren. De exploitant heeft een berekening neergelegd (zie boven pt.7) waaruit blijkt dat de aanvoer van koolzaad gedurende 1 maand per jaar (juli) voor 5 à 7 transporten per dag zal zorgen, dat de aanvoer van tarwe gedurende 1 maand per jaar (augustus) voor 2 à 4 transporten per dag zal zorgen en dat de aanvoer van maïs gedurende 2,5 maanden (half oktober tot eind december) voor 2 à 4 transporten per dag zal zorgen. Een maximum van 7 transporten per dag (van juli tot december) met landbouw-eigen voertuigen is zeker niet onaanvaardbaar. De afvoer van granen gebeurt het hele jaar door. De afvoer van koolzaadolie levert ongeveer 1 transport per week op. Bovendien gelden deze berekeningen bij een maximale productie en/of opslagcapaciteit van het bedrijf zodat kan gesteld worden dat het vrachtvervoer geen overmatige hinder voor de omgeving veroorzaakt.
  26. Zoals ook toegelicht door de exploitant werd bij het plaatsbezoek van de AMV vastgesteld dat de verkeersborden met beperking genoemd in het beroepschrift, op maar enkele invalswegen geplaatst zijn. Bovendien zijn de borden aangevuld met 'uitgezonderd laden en lossen en landbouwvoertuigen', zodat het verkeerstechnisch toegelaten is de PPO op te halen met tankwagens.
  27. Zoals boven toegelicht is het gegenereerde vervoer met tractoren niet abnormaal hoog in een landbouwgebied waar naast verkavelingswegen ook nog veel onverhard(los)wegen bestaan"; dat de verzoekende partijen de in voornoemde redenering door de exploitant aangevoerde en door de verwerende partij overgenomen cijfergegevens niet lijken te betwisten; dat geen verplichting bestaat om in deze een mobiliteitsstudie uit te voeren; dat uit wat voorafgaat volgt dat de verwerende partij niettemin oog heeft gehad voor de mobiliteitsproblematiek; dat immers bij een bezoek ter plaatse zelfs naar de verkeersborden is verwezen, zodat de verwerende partij zich niet beperkt heeft tot "ongefundeerde stijlformules" doch integendeel de mobiliteitsproblematiek zelf heeft onderkend en afdoende bestudeerd; dat de verwerende partij aldus op het eerste gezicht een gemotiveerde beoordeling heeft gegeven van de verenigbaarheid van de inrichting met de omgeving en de goede plaatselijke ruimtelijke ordening; dat het derde middel niet ernstig is; 2.
  28. Overwegende dat uit wat voorafgaat volgt dat aan de eerste voorwaarde van artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State niet is voldaan; dat die vaststelling volstaat om de vordering van de verzoekende partijen af te wijzen, BESLUIT: VII-36.994-12/13 Artikel
  29. De vordering tot schorsing wordt verworpen. Artikel
  30. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zevenentwintig september tweeduizend en zeven, door : de H. L. HELLIN, kamervoorzitter, Mevr. E. IMPENS, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, E. IMPENS. L. HELLIN. VII-36.994-13/13 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.175.109 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.181.957 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.