← België

Arrest 175110 - Milieuvergunningen - 27/09/2007

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 27 september 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.175.110 Rolnummer: A. 183597/VII-36993 Zaak: Arrest 175110 - Milieuvergunningen - 27/09/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-10-08 Raadplegingen: 57 - laatst gezien 2026-06-30 02:14 Fiche Arrest nr 175.110 van 27 september 2007 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Milieuvergunningen Beslissing : Verwerping Inwilliging tussenkomst Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 175.110 van 27 september 2007 in de zaak A. 183.597/VII-36.

  1. In zake : Willy MERTENS, die woonplaats kiest bij advocaten A. MEEUSEN en P. BOGAERTS, kantoor houdende te ANTWERPEN, Stoopstraat 1, bus 4 tegen : de deputatie van de provincie ANTWERPEN. tussenkomende partij : Jozef VAN GASTEL, die woonplaats kiest bij advocaat K. VAN WYNSBERGE, kantoor houdende te LEUVEN, Diestsevest
  2. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Willy MERTENS op 25 mei 2007 heeft ingediend om de schorsing te vorderen van de tenuitvoerlegging van het besluit van de deputatie van de provincie ANTWERPEN van 8 maart 2007 waarbij het beroep ingediend door verzoeker tegen de beslissing van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Wuustwezel van 4 september 2006, houdende het verlenen aan Jozef VAN GASTEL van de milieuvergunning voor het exploiteren van een tuinbouwbedrijf, gelegen te Wuustwezel, Berkendreef, ongegrond wordt verklaard en de beroepen beslissing wordt bevestigd; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur E. LANCKSWEERDT; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen; VII-36.993-1/7 Gelet op de beschikking van 13 juli 2007 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 6 september 2007; Gehoord het verslag van kamervoorzitter L. HELLIN; Gehoord de opmerkingen van advocaat M. WENDRICKX die, loco advocaat A. MEEUSEN verschijnt voor verzoeker, van bestuurssecretaris M. MICHIELS, die verschijnt voor de verwerende partij, en van advocaat K. VAN WYNSBERGE, die verschijnt voor de tussenkomende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur E. LANCKSWEERDT; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  3. De gegevens van de zaak Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
  4. Op 7 juni 2006 dient Jozef VAN GASTEL bij het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Wuustwezel een milieuvergunningsaanvraag in voor de exploitatie van een nieuwe inrichting, met name een tuinbouwbedrijf gespecialiseerd in het telen van tomaten. Het gaat om een nieuwe serre die volledig autonoom zal worden uitgebaat. Uit de aanvraag blijkt dat er gemiddeld twintig werknemers zullen worden tewerkgesteld. 1.
  5. Verzoeker is omwonende van de inrichting. 1.
  6. Op 7 augustus 2006 verkrijgt Jozef VAN GASTEL een stedenbouwkundige vergunning voor het slopen van bijgebouwen, het uitbreiden van bestaande serres en het bouwen van een tuinbouwloods. Het betreft de bouwvergunning die nodig is voor het realiseren van het tuinbouwbedrijf waarvoor de in deze aangevochten milieuvergunning wordt verleend. Het blijkt niet dat die bouwvergunning is aangevochten. VII-36.993-2/7 1.
  7. In het kader van het openbaar onderzoek dat voorafgegaan is aan het verlenen van de thans bestreden milieuvergunning worden geen bezwaren of opmerkingen ingediend. 1.
  8. Op 4 september 2006 verleent het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Wuustwezel aan Jozef VAN GASTEL een milieuvergunning voor de exploitatie van een tuinbouwbedrijf. 1.
  9. Op 11 oktober 2006 dient verzoeker een administratief beroep in tegen die milieuvergunning. 1.
  10. In het kader van die beroepsprocedure worden de vereiste adviezen uitgebracht. Ze zijn allemaal gunstig. De wezenlijke inhoud van deze adviezen is terug te vinden in de aanhef van het bestreden besluit. Verzoeker heeft in die procedure een nota ingediend. 1.
  11. Op 8 maart 2007 wordt het thans bestreden besluit genomen door de deputatie van de provincie Antwerpen;
  12. De tussenkomst Overwegende dat met een verzoekschrift van 14 juni 2007 Jozef VAN GASTEL, begunstigde van de bestreden vergunning, vraagt om in het administratief kort geding te mogen tussenkomen; dat dit verzoek kan worden ingewilligd;
  13. De ontvankelijkheid van de vordering Overwegende dat de tussenkomende partij opwerpt dat verzoeker vooral kritiek uit op de inhoud van de stedenbouwkundige vergunning die niet met een annulatieberoep is bestreden, dat alle argumenten die verzoeker thans aanvoert tegen de stedenbouwkundige vergunning laattijdig zijn en bijgevolg onontvankelijk; Overwegende dat over die exceptie slechts uitspraak zou moeten worden gedaan indien aan de beide cumulatieve voorwaarden om tot de schorsing van de tenuitvoerlegging over te gaan is voldaan, wat te dezen, zoals zal blijken, niet het geval is; VII-36.993-3/7
  14. De schorsingsvoorwaarden Overwegende dat luidens artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging kan worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de bestreden beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de akte of het reglement een moeilijk te herstellen en ernstig nadeel kan berokkenen; 4.
  15. Overwegende dat verzoeker met betrekking tot de tweede voorwaarde in essentie aanvoert dat hij eigenaar is van een woning met grond gelegen te Wuustwezel aan de Berkendreef 33, die paalt aan de percelen waarop bij het bestreden besluit de exploitatie van de tomatenserre wordt vergund, dat in de onmiddellijke en ruimere omgeving van zijn woning landbouwgrond is en hij over een ruime horizon beschikt, dat in de nabije omgeving er slechts twee serres staan welke op ongeveer 500 meter van elkaar zijn ingeplant, dat de bestreden milieuvergunning met zich meebrengt dat de voorziene glazen wand van 7 meter hoog op 184 meter breed zijn zicht zal ontnemen, dat de inplanting zich zal situeren op 180 meter langs de weg met een diepte van ongeveer 250 meter zodat hij vanuit zijn woning recht tegen een glazen muur zal aanzien, dat het bestreden besluit voor verzoeker eveneens verkeersoverlast zal veroorzaken aangezien de voorziene exploitatie met zich meebrengt dat elke weekdag een vrachtwagen van 20 ton zal rijden over de smalle Berkendreef, dat die verkeersoverlast nog zal toenemen aangezien de weg via een schooluitgang loopt waar de zone 30 van toepassing is, dat het plan van de gebouwen tien tafels voor vier stoelen toont zodat de serre plaats biedt voor veertig werknemers en het dagelijks komen en gaan van veertig werknemers overlast veroorzaakt, dat uit het bestreden besluit niet blijkt dat een grondige studie is voorafgegaan "van de effecten dewelke een ingreep zal veroorzaken en dit zowel op de locatie zelf als in de omgeving"; 4.
  16. Overwegende dat de verwerende partij in haar nota, samengevat, antwoordt dat verzoeker niet aantoont dat er een rechtstreeks causaal verband bestaat tussen het nadeel en de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit, dat "de visuele hinder (...) het gevolg is van de serre zelf, de constructie, en niet zozeer de milieuvergunningsplichtige activiteiten" die het voorwerp uitmaken van de onderhavige procedure, dat de visuele hinder voortvloeit uit de op 7 augustus 2006 verleende stedenbouwkundige vergunning, dat in het kader van de aflevering van VII-36.993-4/7 de stedenbouwkundige vergunning een uitgebreide ruimtelijke afweging heeft plaatsgevonden, "met inbegrip van het visuele aspect", dat daaruit blijkt dat de visuele hinder aanvaardbaar wordt geacht en dat de verwerende partij overigens niet anders kon dan rekening houden met de reeds verleende vergunning, dat grote serrebedrijven thuishoren in agrarisch gebied en dat in zulke gebieden vanwege verzoeker een hogere tolerantiedrempel wordt verwacht wat betreft visuele hinder als gevolg van serres, dat ook ten aanzien van de verkeersoverlast een hogere tolerantie aan de dag dient te worden gelegd, dat ook blijkt dat geen overmatige verkeersoverlast zal worden veroorzaakt doordat het bedrijf wordt ontsloten door een voldoende uitgeruste weg en er slechts twee vrachtwagenbewegingen per dag zullen zijn, dat ook het verkeer van de werknemers beperkt blijft, dat ten slotte de verkeershinder ten aanzien van de milieuvergunning slechts te beschouwen is als afgeleide hinder; 4.
  17. Overwegende dat de tussenkomende partij aanvoert dat de visuele hinder voortvloeit uit de stedenbouwkundige vergunning van 7 augustus 2006, zodat er geen causaal verband bestaat tussen dat nadeel en de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit, dat verzoeker die stedenbouwkundige vergunning niet heeft bestreden, dat bestemmingsvoorschriften niet verhinderen dat een glastuinbouwbedrijf zou worden opgericht en dat het loutere feit dat bouwwerken uit de toon vallen of dat een verzoeker deze bouwwerken niet had voorzien of verwacht, niet volstaat om van een moeilijk te herstellen ernstig nadeel te gewagen, dat uit de feitelijke gegevens blijkt dat verzoeker geen vrij uitzicht heeft op de percelen, onder meer omdat er reeds serres bestaan en omdat verzoekers woning volledig is ingegroeid door een ondoordringbare buffer van bomen en struiken, dat met betrekking tot de verkeershinder er slechts één vrachtwagenbeweging per dag is en er hooguit twintig werknemers zijn tewerkgesteld en zulks enkel in piekperiodes, dat niet elke werknemer met de wagen naar het werk komt, terwijl vanaf begin december tot begin februari er zelfs geen extern personeel op het bedrijf is en er in die periode ook geen vrachtwagenverkeer is voor de afvoer van de tomaten, dat een beperkte toename van de verkeersstroom niet noodzakelijk betekent dat de verkeershinder boven een aanvaardbaar niveau zou stijgen; 4.
  18. Overwegende dat indien er sprake kan zijn van visuele hinder, dergelijke hinder als nadeel in deze niet het rechtstreeks gevolg is van het verlenen van de bestreden milieuvergunning, maar wel van het verlenen van een stedenbouwkundige vergunning; dat inderdaad op 7 augustus 2006 een VII-36.993-5/7 stedenbouwkundige vergunning voor de serre van het tuinbouwbedrijf werd verleend en dat verzoeker die vergunning klaarblijkelijk niet heeft bestreden ofschoon het nadeel waarover hij zich beklaagt, zeker wat het visuele aspect betreft, precies uit deze stedenbouwkundige vergunning voortvloeit; dat bijgevolg er geen rechtstreeks causaal verband bestaat tussen het aangevoerde visuele nadeel en de bestreden milieuvergunning, zodat dit nadeel niet in aanmerking komt; dat met betrekking tot het aangevoerde nadeel van de verkeersoverlast verzoeker zelf aangeeft dat er elke weekdag één vrachtwagen langs de Berkendreef zal voorbijrijden, waar verzoeker woonachtig is; dat dergelijke dagelijkse beweging bezwaarlijk als een ernstig nadeel kan worden beschouwd; dat, voorts, de tussenkomende partij in dat verband opmerkt dat die vrachtwagenbewegingen niet het hele jaar door plaatsvinden; dat verzoeker ten onrechte heeft berekend dat er ook veertig werknemers zich van en naar het bedrijf zullen begeven, aangezien uit het aanvraagdossier en uit het advies van de afdeling Milieuvergunningen blijkt dat er slechts maximum twintig werknemers tewerkgesteld zullen worden; dat, overigens, met de tussenkomende partij wordt aangenomen dat die werknemers niet het hele jaar door maximaal worden ingezet aangezien de oogst van tomaten aan seizoenen onderhevig is; dat het ook niet vanzelfsprekend is dat elke werknemer met de eigen wagen komt; dat de aangevoerde verkeershinder als gevolg van de vergunde exploitatie dan ook geen ernstig nadeel is; Overwegende dat uit wat voorafgaat volgt dat aan één van de voorwaarden van artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State niet is voldaan; dat die vaststelling volstaat om de vordering van verzoeker af te wijzen, BESLUIT: Artikel
  19. Het verzoek tot tussenkomst van Jozef VAN GASTEL in het administratief kort geding wordt ingewilligd. Artikel
  20. De vordering tot schorsing wordt verworpen. VII-36.993-6/7 Artikel
  21. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. De kosten van de tussenkomst, bepaald op 125 euro, komen ten laste van de tussenkomende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zevenentwintig september tweeduizend en zeven, door : de H. L. HELLIN, kamervoorzitter, Mevr. E. IMPENS, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, E. IMPENS. L. HELLIN. VII-36.993-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.175.110 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.197.712 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.