← België

Arrest 175111 - Varia (ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu) - 27/09/2007

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 27 september 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.175.111 Rolnummer: A. 182876/VII-36975 Zaak: Arrest 175111 - Varia (ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu) - 27/09/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-10-08 Raadplegingen: 57 - laatst gezien 2026-06-30 02:14 Fiche Arrest nr 175.111 van 27 september 2007 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Varia (ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu) Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 175.111 van 27 september 2007 in de zaak A. 182.876/VII-36.

  1. In zake : Louis DE VRY, wonende te MALLE, Leegstede 19 tegen : de v.z.w. HET BELGISCH FJORDENPAARDENSTAMBOEK, gevestigd te HOUFFALIZE-TAILLES, Mont
  2. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Louis DE VRY op 30 april 2007 heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van de beslissing van de fokcommissie van 2 november 2002 waarbij de hengst van verzoeker, "Almglimt" genaamd, niet langer wordt toegelaten tot de fokkerij, en om het opleggen van een dwangsom te vorderen indien zijn hengst niet voor het leven wordt vrijgesteld, alsook indien het arrest niet zou worden bekendgemaakt in het eerstvolgend nummer van "Het Belgisch Fjordenpaard"; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur W. WEYMEERSCH; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen; Gelet op de beschikking van 13 juli 2007 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 20 september 2007; Gehoord het verslag van staatsraad E. BREWAEYS; Gehoord de opmerkingen van advocaat H. HENDRICKX, die verschijnt voor verzoeker, en van advocaat L. DUPONT, die verschijnt voor de verwerende partij; VII-36.975-1/6 Gehoord het eensluidend advies van auditeur W. WEYMEERSCH; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  3. De rechtspleging Verzoeker heeft op 29 juni 2007 ter griffie van de Raad van State een "memorie van wederantwoord" ingediend. Dit processtuk is niet voorzien in het procedurereglement betreffende de schorsingsprocedure voor de Raad van State en moet bijgevolg uit de debatten worden geweerd.
  4. De feiten 2.
  5. Verzoeker is eigenaar van een hengst, genaamd "Almglimt", behorend tot het ras van de Fjordenpaarden. Deze hengst werd als fokhengst erkend. 2.
  6. De thans bestreden beslissing is genomen met toepassing van het koninklijk besluit van 10 december 1992 betreffende de verbetering van paardachtigen, dat onder meer het volgende stelt: "Art.
  7. Behoudens afwijking toegestaan door de Minister, geldt de toelating van een hengst tot de voortplanting slechts voor één dekseizoen en ze kan hernieuwd worden". 2.
  8. Op 2 november 2002 vindt er een hengstenkeuring plaats te Bilzen. De fokcommissie beoordeelt de hengst "Almglimt" van verzoeker als volgt: "- De hengst geeft afstammelingen van een vrij goed type met redelijk correcte voorhand, de bespiering is goed tot de achterhand en een goede lichaamsbouw. - Er werd echter vastgesteld dat bij de dit jaar voortgebrachte paarden, met inbegrip van 3-jarigen, er 80% slechts een 6 of minder haalden als beoordeling voor de beenstanden en kwaliteit. De meeste opmerkingen waren: beenstanden achter; minder zuivere sprongen; weinig stuwing achter; zwakke bespiering achter. - Tevens werd bij de voortgebrachte paarden een minder rastypische beweging vastgesteld in de achterhand". VII-36.975-2/6 2.
  9. Hierop dagvaardt verzoeker op 16 april 2003 de verwerende partij om te verschijnen voor de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen teneinde de gedaagde te horen veroordelen om het paard, "Almglimt", vooralsnog op te nemen op de lijst van voor het leven vrijgestelde fokhengsten en om deze opname te vermelden in haar driemaandelijks tijdschrift. 2.
  10. De verwerende partij stelt in het kader van die procedure dat de rechtbank geen rechtsmacht heeft om te oordelen over de vordering. 2.
  11. In haar vonnis van 6 mei 2005 beoordeelt de rechtbank van eerste aanleg van Antwerpen dat zij geen rechtsmacht heeft om over het eerste onderdeel van de tegenvordering te oordelen, omdat de Raad van State terzake bevoegd is. 2.
  12. Bij arrest van 7 maart 2007 van het Hof van beroep te Antwerpen wordt het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg van Antwerpen op dit punt, in graad van beroep, bevestigd. 2.
  13. Hierop stelt verzoeker de onderhavige vordering in bij de Raad van State tegen de beslissing van de fokcommissie van 2 november 2002 waarbij de hengst van verzoeker, "Almglimt" genaamd, niet langer wordt toegelaten tot de fokkerij.
  14. De ontvankelijkheid De door de verwerende partij opgeworpen excepties zouden slechts moeten worden onderzocht, indien de Raad van State tot de schorsing van de bestreden beslissing zou overgaan, wat, zoals hierna zal blijken, niet het geval is.
  15. De beoordeling 4.
  16. Op grond van artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten akte of verordening kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden akte of verordening een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen. Er kan alleen rekening worden gehouden met hetgeen terzake in het verzoekschrift werd uiteengezet en gestaafd. VII-36.975-3/6 De Raad van State kan geen acht slaan op hetgeen in later ingediende geschriften of ter terechtzitting nog door verzoeker wordt bijgebracht. 4.
  17. Verzoeker zet zijn moeilijk te herstellen ernstig nadeel uiteen als volgt : "Dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden akte een moeilijk te herstellen en ernstig nadeel kan berokkenen. Dat immers de hengst in kwestie op dit ogenblik 13 jaar oud is, derwijze dat hij nog slechts een beperkte periode als volwaardige fokhengst zou kunnen functioneren en deze periode mogelijk verstreken zal zijn indien de uitspraak in de procedure tot nietigverklaring dient afgewacht te worden". 4.
  18. De verwerende partij stelt in haar nota dat het beweerde nadeel van verzoeker te wijten is aan "het eigen stilzitten" van verzoeker. 4.
  19. In het kader van de vordering tot schorsing moet verzoeker bewijzen dat de bestreden beslissing hem een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen. Het is dus zaak voor verzoeker om, welbepaald in zijn verzoekschrift, het moeilijk te herstellen ernstig nadeel waarvoor hij vreest zo precies en zo gedetailleerd mogelijk uiteen te zetten en te staven met concrete en verifieerbare gegevens. Hij moet gegevens aanvoeren die enerzijds wijzen op de ernst van het nadeel dat hij ondergaat of kan ondergaan, hetgeen betekent dat hij aanduidingen moet geven omtrent de aard en de omvang van het te verwachten nadeel, en die anderzijds wijzen op de moeilijke herstelbaarheid van het nadeel. Te dezen is de uiteenzetting van het nadeel, zoals door verzoeker geformuleerd, te algemeen en te summier. Verzoeker brengt onvoldoende concrete elementen aan die het bestaan van een moeilijk te herstellen ernstig nadeel in zijnen hoofde zouden kunnen aantonen. Het is niet de taak van de Raad van State om, doende wat verzoeker had moeten doen en op gevaar af de gelijkheid tussen de procespartijen en de rechten van verdediging van de verwerende partij te schenden, zelf op zoek te gaan naar de argumenten die ter verantwoording van het nadeel konden zijn bijgebracht en om vervolgens zelf de lacunes in de onderhavige vordering te verhelpen. VII-36.975-4/6 De tijd die een annulatieprocedure in beslag neemt kan evenmin in aanmerking worden genomen als argument, aangezien het moeilijk te herstellen ernstig nadeel moet voortvloeien uit de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing en niet uit de tijd die de annulatieprocedure in beslag neemt. Het nadeel dat verzoeker beweert te ondergaan, voldoet dus niet aan de voorwaarde tot schorsing, zeker niet nu dit nadeel het gevolg is van het eigenhandig handelen van verzoeker.
  20. Er is bijgevolg niet voldaan aan de tweede voorwaarde van artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State. Deze vaststelling volstaat om de vordering tot schorsing af te wijzen.
  21. Aangezien de vordering tot schorsing moet worden verworpen, moet tevens de subsidiaire vordering tot het opleggen van een dwangsom worden verworpen, BESLUIT: Artikel
  22. De vordering tot schorsing en de vordering tot het opleggen van een dwangsom worden verworpen. Artikel
  23. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. VII-36.975-5/6 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zevenentwintig september tweeduizend en zeven, door : de H. E. BREWAEYS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. E. IMPENS, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, E. IMPENS. E. BREWAEYS. VII-36.975-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.175.111 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.205.678 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.