id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 27 september 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.175.118 Rolnummer: A. 62037/X-10089 Zaak: Arrest 175118 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 27/09/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-10-09 Raadplegingen: 56 - laatst gezien 2026-06-30 02:17 Fiche Arrest nr 175.118 van 27 september 2007 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 175.118 van 27 september 2007 in de zaak A. 62.037/X-10.089. In zake : 1. Marc VANDEWOESTIJNE, 2. Dorinne VAN HOUTTE, die woonplaats kiezen bij advocaat M. DENYS, kantoor houdende te 1560 HOEILAART, de Quirinilaan 2 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat J. BOSSUYT, kantoor houdende te 8310 BRUGGE, Bossuytlaan 35. tussenkomende partij : de NATIONALE MAATSCHAPPIJ DER BELGISCHE SPOORWEGEN (N.M.B.S.), thnas de N.M.B.S.-HOLDING, die woonplaats kiest bij advocaten P. GERARD en K. RONSE, kantoor houdende te 1050 BRUSSEL, Louizalaan 583. -------------------------------------------------------------------------------------------------- DE RAAD VAN STATE, Xe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Marc VANDEWOESTIJNE en Dorinne VAN HOUTTE op 25 januari 1995 hebben ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 1 december 1993 van de gemachtigde ambtenaar waarbij aan de N.M.B.S. de voorwaardelijke vergunning wordt verleend voor het afschaffen van de overweg nr. 24 en het bouwen van een overbrugging N50 te Pittem; Gelet op het arrest nr. 53.191 van 10 mei 1995 waarbij de schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit wordt verworpen; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; X-10.089-1/17 Gezien het verslag opgemaakt door adjunct-auditeur A. VAN MINGEROET; Gelet op de beschikking van 7 februari 2001 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memories; Gelet op de beschikking van 12 december 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 19 januari 2007; Gehoord het verslag van staatsraad D. MOONS; Gehoord de opmerkingen van advocaat B. VANDENBERGHE, die loco advocaat M. DENYS verschijnt voor de verzoekende partijen, van advocaat J. BOSSUYT, die verschijnt voor de verwerende partij, en van advocaat K. RONSE, die verschijnt voor de tussenkomende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur A. VAN MINGEROET; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; 1. Feiten Overwegende dat de feitelijke gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat: 1.1. De verzoekers baten een landbouwbedrijf uit, gelegen te Pittem, aan de Brugsesteenweg nr. 125, op een perceel kadastraal bekend sectie A nr. 1526/a2, sectie A nr. 1526/d2 en sectie A nr. 1526/z. Dit perceel is gelegen vlak bij de kruising van de Brugsesteenweg met de spoorlijn 73 Deinze-De Panne. 1.2. Het geschil draait rond de aanleg, in het raam van de electrificatie van de lijn, van een viaduct over de spoorlijn, met daarnaast parallelle X-10.089-2/17 verbindingswegen - ondermeer naar de eigendom van de verzoekers ter vervanging van de bestaande gelijkvloerse overweg. In dat kader wordt de N.M.B.S. bij besluit van 13 mei 1994 gemachtigd over te gaan tot de onteigening van bovenvermelde percelen, bestaande uit o.m. een voortuin met oprit naar het erf en een uitweg tussen de eigendom van de verzoekers en het eigendom van de vader van de eerste verzoeker. Blijkens de goedgekeurde plannen behelzen de werken het aanleggen van hellingen voor de opritten aan weerszijden van het eigenlijke bruggedeelte (maximum hoogte aan de landhoofden: 7,50 meter). Aan de kant van de eigendom van de verzoekers, waarlangs één der parallelle verbindingswegen (3.50 meter breed) met voetpad (1 meter breed) worden aangelegd, is de bouw van een verticale muur ter ondersteuning van het talud voorzien. 1.3. Op 27 augustus 1993 dient de tussenkomende partij bij het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, Administratie voor Ruimtelijke Ordening en huisvesting een aanvraag in tot het bouwen van een overbrugging teneinde de overweg nr. 24 af te schaffen op het grondgebied van Pittem, meer bepaald op het perceel gesitueerd te L. 73 - Pittem - Kp 36.694. 1.4. Op 17 september 1993 verleent het college van burgemeester en schepenen van Pittem volgend gunstig advies: “Hierbij hebben wij de eer U mede te delen dat ons college van burgemeester en schepenen in zitting van 15 september 1993, GUNSTIG advies heeft verleend aan de aanvraag van de NMBS voor het afschaffen van overweg 24 en het bouwen van een overbrugging te Pittem, Brugsesteenweg. Het desbetreffende bouwwerk is niet gelegen binnen de omschrijving van een goedgekeurd APA of verkaveling. Het bijzonder plan van aanleg nr. 7bis ‘Ambachtspark II’ is palende aan deze werken. Onze gemeente beschikt niet over een gemeentelijke bouw- en verkavelingsverordening. Gezien de werken zich situeren langs een gewestweg dient u zich, voor wat de rooilijn betreft, te wenden tot het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap en Verkeer, Dienst Wegeninfrastructuur en Verkeer te Brugge”. 1.5. Het Bestuur Landinrichting en -beheer verleent op 13 oktober 1993 volgend advies: X-10.089-3/17 “Gelet het hier een zaak van openbaar nut betreft, gelet de bestaande hoofdinfrastructuren, het feit dat weinig of geen landbouwbelangen worden geschaad kan gesteld dat zowel uit landbouwkundig oogpunt als uit oogpunt van ontwikkeling van een goede landinrichting (het) vooropgestelde kan worden aanvaard”. 1.6. De Administratie Wegeninfrastructuur en Verkeer geeft op 25 oktober 1993 een ongunstig advies. Dit advies is gesteund op technische overwegingen, die niet relevant zijn voor huidig annulatieberoep. 1.7. Op 1 december 1993 verleent de gemachtigde ambtenaar de gevraagde vergunning onder voorwaarden. Dit is het thans bestreden besluit; 2. Ontvankelijkheid 2.1. Overwegende dat de verzoekers het volgende stellen betreffende de ontvankelijkheid ratione temporis van het annulatieberoep. “Herhaaldelijk en voor het laatst op 4 november 1994 hebben beroepers mededeling gevraagd van de eventuele bouwtoelating. Op geen enkel moment heeft de tegenpartij daaraan gevolg gegeven totdat beroepers in het gemeenrechtelijk kort geding hebben vastgesteld dat er geen geldige bouwvergunning was (zie copie van de dagvaarding in kort geding in bijlage). Het is pas na de inleiding van het gemeenrechtelijk kort geding dat de raadsman van de NMBS de bestreden bouwvergunning heeft meegedeeld (cfr. brief dd. 17 januari 1995). Beroepers hebben kennis gekregen van dit besluit door een mededeling vanwege de raadsman van de NMBS op 17 januari 1995”; 2.2. Overwegende dat de verwerende partij bij wege van exceptie opwerpt dat de verzoekers hun verzoekschrift tot nietigverklaring laattijdig hebben ingediend; dat de verwerende partij deze exceptie als volgt formuleert: “Het verzoek dient afgewezen gezien dit verzoek is ingediend buiten de termijn van 60 dagen. Verzoekers beweren dat zij slechts voor het eerst kennis hebben gekregen van de bouwvergunning en dit op 17.01.1995. Daartegenover is in het vonnis van 27.10.1994 duidelijk sprake van de ‘afgifte van de bouwvergunningen’ zodat eisers dan ook zekerlijk gehouden waren met ingang van 25.10.1994 (datum ter terechtzitting) dat er bouwvergunningen waren verleend, de nodige inlichtingen te nemen. X-10.089-4/17 Het behoorde hen dan ook - zekerlijk vanaf dat ogenblik - zich in te lichten bij de bevoegde overheden, voorzover zij al niet reeds in bezit waren en nauwkeurige kennis hadden van de volledige inhoud der vergunning. Dit maakt dan ook dat de termijn van 60 dagen verstreek op uiterlijk 24 december 1994. Waar verzoekers hun verzoek in nietigverklaring ten laatste dienden in te stellen binnen de 60 dagen vanaf het ogenblik dat zij op de hoogte waren van de bouwvergunning, hetgeen met zekerheid te situeren is op ten laatste 25.10.1994 en met absolute zekerheid ten laatste op 27.10.1994 (Datum Vonnis van de Heer Vrederechter van Tielt), is het dan ook duidelijk dat het door verzoekers op 25.01.1995 ingediende verzoek bij de Raad van State - betrekkelijk de vernietiging van de beslissing dd. 01.12.1993 absoluut laattijdig is en buiten de termijn van 60 dagen werd ingediend. Dienvolgens dient dan ook besloten tot onontvankelijkheid ‘ratione temporis’ van hun verzoek in nietigverklaring”; 2.3. Overwegende dat de tussenkomende partij de exceptie van laattijdigheid, die zij ook aanvoert, als volgt adstrueert: “De verzoekende partijen houden voor kennis te hebben gekregen van het besluit van de gemachtigde ambtenaar van 1 december 1994 door de raadsman van de NMBS op 17 januari 1995 waardoor zij voorhouden het annulatieberoep binnen de termijn van 60 dagen (
- te)hebben ingediend. Zoals het Vlaamse Gewest terecht opmerkt kan deze stelling niet bijgetreden worden. Het blijkt inderdaad dat tijdens de pleidooien op 25 oktober 1994 en in het vonnis van 27 oktober 1994 waarbij de onteigening wordt toegestaan dat het bestaan van de bouwvergunning ter sprake is gekomen. Uit artikel 4 van het besluit van de regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling administratie van de Raad van State vloeit voort dat men heeft willen voorkomen dat de gelding van de administratieve beslissingen te lang onzeker zou blijven. Dit impliceert dat dhr. en mevr. Vandewoestijne de verplichting hadden om zelf binnen een redelijke termijn gebruik te maken van de hun door artikel 2 van het K.B. van 21 oktober 1971 tot uitvoering van artikel 63 van de stedenbouwwet geboden mogelijkheid om ten gemeentehuize kennis te nemen van de afgegeven bouwvergunningen. Uit het verzoekschrift van de verzoekers blijkt dat zij evenwel niet van deze mogelijkheid gebruik hebben gemaakt, vermits zij zeggen te hebben afgewacht tot zij op de hoogte werden gesteld van de bouwvergunning door de raadsman van de NMBS in de kort gedingzaak voor de Voorzitter van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brugge. De vordering van de verzoek(st)ers is dus onontvankelijk ratione temporis”; 2.4. Overwegende dat de verzoekers deze exceptie als volgt beantwoorden: “In de memorie van antwoord werpt het Vlaams Gewest een exceptie van onontvankelijkheid ratione temporis in van het beroep tot nietigverklaring, genomen uit het feit dat beroepers op het ogenblik van het indienen van het X-10.089-5/17 beroep tot nietigverklaring reeds langer dan 60 dagen op de hoogte zouden zijn geweest van het bestaan van de bestreden bouwvergunning. Het Vlaams Gewest beroept zich hiervoor op een passage uit het vonnis van de Vrederechter van het Kanton Tielt dd. 27 oktober 1994, waarin van de afgifte van bouwvergunningen sprake zou zijn. Het Vlaams Gewest leidt hieruit af dat beroepers reeds op het ogenblik van de terechtzitting in onteigening dd. 25 oktober 1994 op de hoogte zouden zijn geweest van het bestaan van de bestreden bouwvergunning, zodat het beroep laattijdig zou zijn ingediend, en dus onontvankelijk zou zijn. Uit nalezing van het door het Vlaams Gewest aangehaalde onteigeningsvonnis dd. 27 oktober 1994 blijkt inderdaad dat in dit vonnis naar de afgifte van bepaalde bouwvergunningen werd gerefereerd, doch dat deze geenszins slaan op de bestreden bouwvergunning, maar in tegendeel op de bouwvergunningen die beroepers kort voor de onteigening hadden verkregen voor het optrekken van hun woning en stallen langs de spoorlijn, en waaruit blijkt dat de NMBS deze bouwvergunning gunstig heeft geadviseerd. In de door het Vlaams Gewest deels geciteerde passage uit het vonnis stelt de Vrederechter enkel dat het onduidelijk is dat de NMBS, die de bouw van stallen door beroepers gunstig adviseerde, op dit ogenblik reeds van plan was de spoorwegoverbrugging te bouwen. De passage luidt als volgt: ‘Evenmin kan de rechtbank zich uitspreken over de beleidsopties van de NMBS; het is onduidelijk of er bij de afgifte van de bouwvergunningen reeds sprake was van de modernisering en electrificatie van de spoorlijn.’ De verwijzing door het Vlaams Gewest naar de bouwvergunning waarvan sprake in het voormeld onteigeningsvonnis (
- is)dus geenszins van aard om te bewijzen dat beroepers reeds op het ogenblik van de onteigeningszitting (...) op de hoogte waren van de aflevering van de bestreden bouwvergunning aan de NMBS. Zoals in het beroep tot nietigverklaring reeds uiteengezet hebben beroepers de raadsman van de NMBS in het kader van de onteigeningsprocedure herhaaldelijk om mededeling van de eventuele bouwvergunning gevraagd, een verzoek waaraan slechts gevolg is gegeven bij schrijven dd. 17 januari 1995 (cfr. uiteenzetting feiten beroep tot nietigverklaring). De onontvankelijkheidsexceptie ratione temporis van het Vlaams Gewest onder verwijzing naar het voornoemd onteigeningsvonnis steunt dus helemaal nergens op, nu de bouwvergunningen waarvan in dit vonnis sprake helemaal niet verwijzen naar de bestreden vergunning”; 2.5. Overwegende dat het bestreden besluit noch bekendgemaakt, noch aan derden betekend dient te worden, zodat krachtens artikel 4 van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, de beroepstermijn van zestig dagen ingaat de dag waarop de verzoekers er kennis van hebben gehad of geacht moeten worden er kennis van te hebben gehad; dat het evenwel niet in de macht van de verzoekers mag liggen, wanneer zij in de mogelijkheid zijn om kennis te nemen van een bestuurshandeling die zij eventueel met een annulatieberoep wensen te bestrijden, die kennisneming voor onbepaalde tijd uit te stellen en daardoor de aanvangsdatum van de termijn van beroep willekeurig te verschuiven, zodat de rechtsgeldigheid en het voortbestaan van de bedoelde bestuurshandeling buiten X-10.089-6/17 weten, zowel van de overheid van wie zij uitgaat, als van alle andere belanghebbenden, in het ongewisse wordt gelaten, met alle nadelige gevolgen van dien; dat het beginsel volgens hetwelk voorkomen moet worden dat de gelding van administratieve beslissingen te lang onzeker blijft, en dat aan voormeld artikel 4 van de procedureregeling ten grondslag ligt, eensdeels, en de noodzaak van een evenwichtige bescherming van de belangen én van de bouwheer én van de omwonenden en andere belanghebbende personen, anderdeels, meebrengen dat degenen die menen te worden benadeeld door een bouwvergunning en die het bestaan van die vergunning moeten vermoeden, verplicht zijn om binnen een redelijke termijn gebruik te maken van de mogelijkheid die hen door artikel 2 van het alsdan geldende koninklijk besluit van 22 oktober 1971 tot uitvoering van artikel 63 van de wet van 29 maart 1962 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening en van de stedenbouw, werd geboden om ten gemeentehuize kennis te nemen van de inhoud van de afgegeven bouwvergunning; dat eens die redelijke termijn verstreken, de termijn van zestig dagen om een annulatieberoep in te dienen, een aanvang neemt; 2.6. Overwegende dat noch de verwerende, noch de tussenkomende partij betwist dat de raadsman van de tussenkomende partij op 17 januari 1995 het thans bestreden besluit overmaakt aan de advocaat van de verzoekers; dat de verwerende en de tussenkomende partij in dit verband aanvoeren dat uit het tegensprekelijk vonnis van 27 oktober 1994 van het vredegerecht te Tielt, enerzijds zou blijken dat tijdens de pleidooien voor dit vredegerecht op 25 oktober 1994 en anderzijds uit het vonnis zelf zou blijken dat het bestaan van het thans bestreden besluit ter sprake kwam, zodat het minstens vanaf 25 oktober 1994 toekwam aan de verzoekers om kennis te nemen van de verleende bouwvergunning ten gemeentehuize binnen een redelijke termijn; Overwegende dat de passus van het vonnis, waarnaar de verwerende en de tussenkomende partij verwijzen, om aan te tonen dat toen reeds sprake was van de bouwvergunning van 1 december 1993, als volgt luidt: (...) Het is niet aan huidige rechtbank om te oordelen over de opportuniteit van de geplande werken en over de eventuele negatieve gevolgen die de voorziene werkwijze kan inhouden. Evenmin kan de rechtbank zich uitspreken over de beleidsopties van de NMBS; het is onduidelijk of er bij de afgifte van de bouwvergunningen reeds sprake was van de modernisering en electrificatie van de spoorlijn”; X-10.089-7/17 2.7. Overwegende dat de verzoekers in dit verband terecht betogen dat hoewel in voornoemd onteigeningsvonnis van 27 oktober 1994 wordt gerefereerd aan de afgifte van bepaalde bouwvergunningen, deze bouwvergunningen geenszins betrekking hebben op de thans bestreden bouwvergunning, maar op de bouwvergunningen die de verzoekers kort vóór de onteigeningsprocedure verkregen voor het optrekken van hun woning en stallen langs de spoorlijn; Overwegende dat voornoemde passus van het vonnis van 27 oktober 1994 van het vredegerecht te Tielt enkel zo kan worden begrepen, wanneer hij wordt gelezen zoals de verzoekers dit doen; dat uit dit vonnis bijgevolg niet het bestaan blijkt van het thans bestreden besluit en de verzoekers op dat ogenblik nog geen initiatief dienden te nemen om kennis te nemen van dit besluit; dat bijgevolg de aanvraag van de raadsman van de verzoekers op dd. 4 november 1994 gericht aan de raadsman van de verwerende partij, tijdig is en dat de exceptie van de verwerende en van de tussenkomende partij wordt verworpen; 3. Ten gronde 3.1.1. Overwegende dat de verzoekers in een eerste middel de schendig aanvoeren van het redelijkheidsbeginsel, als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur; “(...) Doordat de bestreden bouwvergunning de afschaffing van de gelijkgrondse spooroverweg te Pittem door middel van een overbrugging vergunt, Terwijl, uit de toestand ter plaatse blijkt dat het slaan van een brug over de spoorweg ter hoogte van de woning en het landbouwbedrijf van beroepers het bedrijf van beroepers volledig ontoegankelijk maakt voor leveranciers die wegens de aard van het bedrijf (veeteelt) genoopt zijn om met (een) vrachtwagen van meer dan 10 meter lang het erf van beroepers te betreden; En terwijl, door het slaan van een brug over de spoorweg en het oprichten van een meer dan 6 meter hoge Berlijnse muur, beroepers verplicht zullen zijn de steenweg Brugge-Kortrijk op weg naar hun akkers te betreden via een levensgevaarlijke toegang. En terwijl, ten einde de brug te kunnen slaan een tallud zal moeten worden opgeworpen waar nu de voortuin van de woning van beroepers is aangelegd, zodat deze tallud van minstens zes meter hoog zal reiken tot net aan de voordeur van concluanten, en zij daardoor van elk licht en zonlicht zullen worden beroofd, En terwijl, uit de toestand ter plaatse blijkt dat de overbrugging van de spoorweg niet de enige oplossing is om de gelijkgrondse overweg over spoorlijn 73 Deinze-De Panne af te schaffen, maar in tegendeel de X-10.089-8/17 ondertunneling van de spoorlijn een andere oplossing biedt, waardoor beroepers veel minder schade zouden lijden, en die verkeerstechnisch veel aanvaardbaarder (is), zonder dat de kostprijs voor de uitvoering van dit alternatief veel hoger ligt; En terwijl, de overheid bij het nemen van besluiten en meer specifiek bij het afleveren van vergunningen de plicht heeft de aanvragen te toetsen aan hun opportuniteit en dus aan hun redelijkheid, En terwijl, de bestreden vergunning door de Gemachtigde Ambtenaar is afgeleverd met de bewering dat de overbrugging zowel vanuit de globale verkeerstechnische problematiek als vanuit het oogpunt der verkeersveiligheid de beste oplossing is, hoewel nergens blijkt dat alternatieve wijzen van afschaffing van de gelijkgrondse overweg zouden zijn onderzocht of in aanmerking genomen, En terwijl, zelfs bij de bouw van een brug geen enkel initiatief werd genomen om, door middel van kokers of een parallelweg langs het spoor een ‘menselijke’ toegang te voorzien, Zodat, de Gemachtigde Ambtenaar van de Provincie West-Vlaanderen, bij de aflevering van de bestreden bouwvergunning volledig nagelaten heeft de door de NMBS ingediende aanvraag op haar redelijkheid en opportuniteit te testen door de hierboven aangehaalde onherstelbare negatieve effecten in rekening te brengen, en zich hierdoor heeft bezondigd aan een schending van het redelijkheidsbeginsel als Algemeen Beginsel van Behoorlijk Bestuur”; 3.1.2. Overwegende dat de verwerende partij als volgt repliceert: “Vooreerst weze in het algemeen gesteld dat het duidelijk is dat de aangevoerde middelen als ongegrond dienen te worden afgewezen. Vooreerst behoort het de Zetel niet zich in de plaats van het Bestuur te stellen en beleidsopties en -beslissingen te toetsen. Zowel de Gemachtigde Ambtenaar als het College van Burgemeester & Schepenen en tevens de Administratie Wegeninfrastructuur en het Bestuur Landinrichting hebben de bouwaanvraag gunstig beoordeeld, respektievelijk naar aanleiding van de verstrekking van hun advies nopens de bouwaanvraag, waarbij zij zich dan ook ter dege met de gestelde problematiek hebben ingelaten, zoals ondermeer de beoordeling van het evenwicht tussen de naburige erven, te weten enerzijds de bestaande woning en het -bedrijf en anderzijds de bouw van de viaduct. De Overheid heeft haar beslissing gesteund en gemotiveerd op een zowel rechtens als feitelijk gedegen grondslag, met strikte eerbiediging van het redelijkheidsbeginsel, en na onderzoek en beoordeling van het volledige dossier in al haar facetten. De wijze waarop eisers 'verhalen' dat de talud voor hun woning zal worden aangelegd tot op 6 meter hoogte en reikende tot aan hun voordeur, is het duidelijkste bewijs dat eisers in het rijk der fantasie leven en zich blijkbaar nooit de moeite hebben getroost de plannen nader te bekijken en te bestuderen. Zoals hierboven reeds gesteld zal er geen berm zijn aan de zijde van het erf van eisers, doch wel een steunmuur, en dit op een afstand van respektievelijk 18,50 m (van de nieuwe woning) en 12 m (van de oude woning). Ook de hoogte zal geen 6 m zijn doch respektievelijk hoogstens gemiddeld 4 m en 3 m. Ook de bedieningsweg zal een uiteindelijke breedte hebben van 3,50 m + 1 m verhard voetpad naast de steunmuur, of globaal 4,50 m. Ook het Bestuur Bruggen en Wegen van het Vlaamse Gewest is in deze tussengekomen, hetgeen moge blijken uit het advies dat hen werd gevraagd op X-10.089-9/17 27.08.1993 en 14.09.1993, waarna op 25.10.1993 advies werd verleend, welke gegevens werden vermeld als meerdere voorwaarden in de bouwvergunning. De inplanting zelf van de in het bezwaar bedoelde viaduct schaadt geenszins de goede ruimtelijke ordening aangezien de ruimtelijke draagkracht van het gebied niet wordt overschreden en de voorziene verweving van functies de aanwezige of te realiseren bestemmingen in de onmiddellijke omgeving niet in het gedrang brengt, noch verstoort. Specifiek kan voor wat betreft het eerste middel nog gesteld worden, in aansluiting met de stelling van het auditoraat in het verslag in de schorsingszaak, dat men uit zuiver theoretisch oogpunt kan stellen dat er voor de afschaffing van de overweg vier oplossingen mogelijk zouden kunnen zijn, met name - de overbrugging van de spoorlijn, - de overbrugging van de baan door de aanleg van een spoorwegbrug, - de onderdoorgang van de spoorlijn (volgens verzoekers de voor de hand liggende oplossing), of - de onderdoorgang van de rijweg. Geredelijk kan men dan ook veronderstellen dat tijds- en kostenbesparende factoren van determinerende aard zijn geweest voor de door tussenkomende partij gekozen techniek, wat daarom nog niet betekent dat die optie als kennelijk onredelijk zou moeten worden beschouwd. De vraag voor welke oplossing het best kon worden geopteerd lijkt voor het overige veeleer te moeten worden afgedaan als een zuiver technisch probleem, met andere woorden dus een beleidskwestie, waarmede de Raad van State zich binnen de perken van zijn marginale toetsingsbevoegdheid niet vermag in te laten. Daarenboven mag eveneens niet voorbijgegaan worden aan het feit dat de spoorlijn hier paalt aan een gebied dat in het gewestplan is voorzien als een reservegebied voor uitbreiding van de ambachtelijke bedrijvengebied. Dit houdt dan ook in dat hier absoluut rekening dient mede gehouden te worden, zodat op planologisch gebied hier geenszins sprake kan zijn van een zogenoemde kennelijke onredelijkheid. (...)”; 3.1.3. Overwegende dat de verzoekers als volgt dupliceren: “In zijn poging tot weerlegging van het eerste middel van beroepers, genomen uit de schending van het redelijkheidsbeginsel, stelt het Vlaams Gewest in eerste instantie dat het redelijkheidsbeginsel zogezegd niet kan geschonden zijn, nu verschillende besturen zich bij wijze van advies over de bouwvergunningsaanvraag van de NMBS hebben uitgesproken ‘en zich dan ook ter dege met de gestelde problematiek hebben ingelaten’. Nochtans blijkt uit de evolutie van de feitelijke toestand naargelang de realisatie van het viaduct vordert dat de voornoemde adviserende instanties zich bij het onderzoeken van de bouwaanvraag niet zo diep over de problematiek hebben gebogen, nu moet worden vastgesteld dat inderdaad het erf van beroepers volledig onbereikbaar is geworden voor vrachtwagens, zodanig dat de exploitatie zelf van het bedrijf in gevaar komt. Het positieve advies over de bouwvergunningsaanvraag waarin ook de aanleg van de parallelweg was begrepen die de bereikbaarheid van het bedrijf van beroepers diende te verzekeren, was dus minstens het gevolg van een te oppervlakkig onderzoek, vermits een degelijk onderzoek, zoals beroepers lieten uitvoeren, duidelijk aantoont dat de aanleg van de spoorwegbrug het bedrijf van X-10.089-10/17 beroepers ontoegankelijk maakt, en dus het door het Vlaams Gewest zo benadrukte evenwicht tussen de erven ontegensprekelijk schendt. Hieruit blijkt uiteraard dat de adviezen van een aantal instanties niet automatisch een garantie bieden voor het feit dat een degelijk onderzoek zou zijn gevoerd naar de exacte gevolgen van de aanleg van deze brug voor beroepers. De katastrofale gevolgen voor het bedrijf van beroepers wegen dus geenszins op tegen de zogezegde voordelen die de overbrugging van de spoorweg tegenover de ondertunneling ervan zou bieden. Het is dan ook duidelijk dat de overheid door het afleveren van de bouwvergunning zonder hierbij deze onherstelbare en nefaste gevolgen van de uitvoering van de werken op het bedrijf van beroepers na te gaan het redelijkheidsbeginsel als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur heeft geschonden. In zijn poging tot weerlegging van het eerste middel tracht het Vlaams Gewest vervolgens het impact van de aanleg van de brug op de woning en het bedrijf van beroepers te minimaliseren. Zowel uit de bouwplannen van de brug als uit het verkeersdeskundig verslag van Prof. Dr. R. Poté, en de maquette die beroepers in het kader van de schorsingsprocedure indienden bij Uw Raad blijkt dat de aanleg van de brug (de toegang tot) het bedrijf van beroepers voor vrachtwagens onmogelijk zal maken. Daarenboven wordt deze stelling, die van in den beginne zowel door de NMBS als door het Vlaams Gewest werd weggehoond, bewezen door de ontwikkeling der feiten. Naarmate de werken aan de brug vorderen ziet de bouwheer alsmaar duidelijker in dat de voorziene oplossing van de parallelweg naast de brug volledig ondoelmatig is, nu zoals beroepers steeds hebben betoogd en in voornoemd verkeersdeskundig verslag hebben aangetoond, de maneuvreerruimte voor vrachtwagens onvoldoende is om het bedrijf te kunnen bereiken en verlaten. Daarom wordt nu door de NMBS koortsachtig naar halve oplossingen gezocht in een poging om de schade van beroepers enig(s)zins te lenigen. Dusdanig heeft de evolutie van de feiten zelf bewezen dat de aflevering van de bouwvergunning manifest onredelijk is geweest, nu de aanleg van de brug waarvoor deze bouwvergunning werd afgeleverd in hoofde van beroepers quasi onherstelbare schade berokkent, en dit zonder dat de alternatieve afschaffingswijzen van de gelijkgrondse overweg in het kader van de aanvraag en de aflevering van de bouwvergunning zijn onderzocht. Het is dan ook duidelijk dat door de aflevering van de bestreden bouwvergunning het Vlaams Gewest het redelijkheidsbeginsel als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur heeft geschonden. Het eerste middel is dan ook gegrond”; 3.1.4. Overwegende dat de tussenkomende partij het volgende doet gelden: “In een eerste middel stellen verzoekers dat het bestreden besluit het redelijkheidsbeginsel als het algemeen beginsel van behoorlijk bestuur zou schenden doordat de bestreden bouwvergunning de afschaffing van de gelijkgrondse spoorwegoverweg te Pittem door middel van een overbrugging vergunt terwijl het slaan van een brug over de spoorweg ter hoogte van de woning van het landbouwbedrijf van verzoekers het bedrijf volledig ontoegankelijk zou maken voor leveranciers die wegens de aard van het bedrijf genoopt zijn om met een vrachtwagen van meer dan 10 m lang het erf van X-10.089-11/17 (verzoekers) te betreden en terwijl door het slaan van een brug over de spoorweg en het oprichten van een meer dan 6 m hoge "Berlijnse" (sic) muur verzoekers verplicht zullen zijn de steenweg Brugge-Kortrijk op weg naar hun akkers te betreden via een levensgevaarlijke toegang. Teneinde een brug te kunnen slaan zou een talud moeten worden opgeworpen waar nu de voortuin van de woning van verzoekers is aangelegd. Uit de (toestand) ter plaatse zou blijken dat de overbrugging van de spoorweg niet de enige oplossing is om de gelijkgrondse overweg over spoorlijn 73 Deinze-De Panne af te schaffen. De overheid heeft bij het nemen van een besluit en meer specifiek bij het afleveren van vergunningen de plicht de aanvraag te toetsen aan hun opportuniteit en hun redelijkheid. De bestreden vergunning zou door de gemachtigde ambtenaar zijn afgeleverd met de bewering (dat) de overbrugging zowel vanuit de globale verkeerstechnische problematiek als vanuit het oogpunt der verkeersveiligheid de beste oplossing is. Verzoekers stellen nog dat zelfs bij de bouw van de brug geen enkel initiatief werd genomen om door middel van kokers of een parallelweg langs het spoor een menselijke toegang te voorzien. Dit middel kan niet aangenomen worden. De uiteenzetting van de verzoekers (
- is)gesteund op een verkeerde appreciatie van de feitelijke gegevens. Ten onrechte stellen verzoekers dat het bedrijf volledig ontoegankelijk is voor leveranciers. De (aansluitingsweg) langsheen de talud is minimaal 3,5 meter breed vermeerderd met een verhard voetpad van 1 meter. Dit is merkelijk meer dan wat als toegangsweg voor vele landbouwbedrijven het geval is. De aansluitingsweg is dus niet het ‘minuscuul wegje’ waarover de verzoekers het hebben. Naar aanleiding van de bezwaarschriften gemaakt tijdens het eerste openbaar onderzoek in
(1991)werd de oprit van de langsweg op de gewestweg ten andere speciaal aangepast en verbreed. De aansluitingsweg naar de Brugsesteenweg bedraagt minimaal 3,50 meter vermeerderd met een verhard voetpad van 1 meter. Daarenboven heeft de NMBS heel recent de mondelinge aanvraag ontvangen van de WIER (een Westvlaamse communale) om ter hoogte van de industriezone die daar momenteel in aanleg is de langsweg nog te verbreden tot 6 meter. De WIER zou die bijkomende kosten dragen.Bij de uitvoering van het kunstwerk zal hiermede rekening gehouden worden (zie bijkomend plan)(stuk 3). Bovendien zal de breedte van de afrit op de plaats van aansluiting met de steenweg minimum 20 cm meer bedragen. Het staat dus absoluut vast dat de voertuigen, hierin begrepen de landbouwvoertuigen, gelet op de ruime breedte die aanwezig zal zijn bij het oprijden van de Brugsesteenweg zich praktisch haaks zullen kunnen opstellen, alvorens een rijmanoeuver uit te voeren. Voor het overige kan de betrokkene zelf de bereikbaarheid nog verbeteren door zijn private oprit op zijn eigendom aan te passen. Verzoekers stellen dat zij na aanleg van het viaduct de weg naar hun akkers niet meer kunnen opdraaien zonder zowel zichzelf als de andere weggebruikers aan belangrijke gevaren bloot te stellen. De afrit naar de toegangsweg ligt op 22 meter van het midden van de brug. Er is dus een zichtbaarheidsafstand in de richting van Brugge. De vrijmakingstijd voor het wegverkeer om op- of af te rijden, rekening houdend met de maximale snelheid van 90 km/h bedraagt dus minimaal 8 seconden. De zichtbaarheidsafstand is ruim voldoende. In de richting van Kortrijk wordt de zichtbaarheidstoestand niet gewijzigd ten opzichte van de huidige situatie (volledig rechtlijnig tracé van de weg en quasi vlak lengteprofiel). X-10.089-12/17 De veilige afwikkeling van het wegverkeer op de gewestweg komt dus niet in het gedrang. Verzoekers beweren dat de talud ter hoogte van hun woning meer dan 6 meter zou bedragen en vlak voor hun woning zodat zij aldus van alle zonlicht zouden worden beroofd en permanent op kunstlicht aangewezen zouden zijn. Dit is niet correct. Uit de plannen valt af te le(i)den dat (de) gemeten hoogte van de noordelijke hoek van de woning het talud van de oprit op die plaats 4,65 meter (bedraagt); gemeten ter hoogte van de zuidelijke hoek zal het talud maximaal 3,90 meter bedragen. De voorgevel van de woning van de verzoekers zal 13 meter, respectievelijk 15 meter verwijderd blijven van het zichtvlak van de steunmuur. De talud zelf wordt uitgewerkt onder een 8/4 helling. Gezien de weg zo goed als noord-zuid gericht is, betekent dit dat overdag (wanneer de zon het hoogst staat) er geen hinder zal ontstaan. Het middel mist dus feitelijke grondslag. Bovendien is het evenmin in rechte verantwoord. De Raad vaan State kan zich niet in de plaats stellen van het bestuur bij het nemen van zogenaamde opportuniteitsbeslissingen. Enkel wanneer zou blijken dat de beslissing kennelijk onredelijk zou zijn, zou de Raad van State de beslissingen kunnen censureren. Dergelijk kennelijk onredelijk karakter wordt echter niet aangetoond. Betere alternatieven voor de overbrugging bestaan er niet. De N.M.B.S. wenst erop te wijzen dat de overbrugging wel degelijk talrijke voordelen biedt, die niet door andere oplossingen worden geboden : - de kosten van aanleg van een koker bedragen het dubbele van deze van de overbrugging - door de bouw van een koker zouden bepaalde voertuigen niet langer via de Brugsesteenweg kunnen oprijden; bij een koker zijn er immers beperkingen wat de vrije hoogte betreft - er is het risico voor grondbemaling van de gronden omwonenden - het treinverkeer kan verder doorgang vinden bij de bouw van de overbrugging, hetgeen niet het geval is bij tunnelwerken - indien een tunnel zou moeten gebouwd worden, zou eveneens een aansluitingsweg noodzakelijk zijn”; 3.1.
- Overwegende dat de verzoekers in hun laatste memorie, wat het eerste middel betreft, een passus aanhalen uit het auditoraatsverslag, waarin wordt ingegaan op de bijzondere appreciatiebevoegdheid van de vergunningverlenende overheid; dat de verzoekers in dit verband stellen dat “uit deze tekstpassage (...) enkel (kan) worden opgemaakt dat het Auditoraat van oordeel is dat het bestreden besluit op rechtmatige wijze gebruik heeft gemaakt van de appreciatiebevoegdheid, nu beroepers in gebreke zouden blijven het onrechtmatige gebruik in concreto aan te tonen”; dat de verzoekers daaraan nog het volgende toevoegen: “In de mate dat in het eerste middel werd ingeroepen dat het bestreden besluit net niet op een juiste manier van de appreciatiebevoegdheid van de overheid gebruik had gemaakt en dit ook aan de hand van concrete gegevens werd aangetoond, komt het beroepers onbegrijpelijk voor dat (...) (zij) onvoldoende gegevens hebben aangebracht om hun stelling te staven”; X-10.089-13/17 3.1.
- Overwegende dat de verwerende partij in haar laatste memorie niets toevoegt aan wat zij uiteenzet in haar memorie van antwoord; 3.1.7.
- Overwegende dat met de verzoekers wordt vastgesteld dat vanuit theoretisch standpunt voor de afschaffing van de overweg vier oplossingen mogelijk waren, met name: - de overbrugging van de spoorlijn, - de overbrugging van de rijweg door de aanleg van een spoorwegbrug, - de onderdoorgang van de spoorlijn (volgens de verzoekers de voor de hand liggende oplossing), of - de onderdoorgang van de rijweg; Overwegende dat uit het bestreden besluit blijkt dat de verwerende partij koos voor de eerste oplossing, in het kader van de uitoefening van haar discretionaire bevoegdheid, met name de overbrugging van de spoorlijn, door het aanleggen van een viaduct; dat deze keuze werd gemaakt nadat het advies van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Pittem op 17 september 1993 en dat van de Administratie Wegeninfrastructuur en Verkeer, Dienst West-Vlaanderen op 25 oktober 1993, werd ingewonnen; dat het bestreden besluit vervolgens ingaat op het planologische en het stedenbouwkundige aspect van het project en overweegt dat “voor het gebiedsdeel waarin het perceel begrepen is een bij (koninklijk) besluit van 17.12.1979 goedgekeurd gewestplan (Roeselare-Tielt) van toepassing is” en dat toepassing wordt gemaakt van artikel 20 van dat gewestplan; dat het bestreden besluit vervolgens vaststelt dat “het perceel niet gelegen is in een bij besluit goedgekeurd bijzonder plan van aanleg” en evenmin “binnen het (beheersings)gebied van een behoorlijk vergunde verkaveling”; dat het bestreden besluit daaraan toevoegt dat het project een werk van openbaar nut betreft, waarbij zowel vanuit de globale verkeerstechnische problematiek als vanuit het oogpunt van de verkeersveiligheid de realisatie van de overbrugging de meest aangewezen oplossing is; dat het bestreden besluit tenslotte overweegt dat “het ontwerp in overeenstemming is met de wettelijke bepalingen en verenigbaar is met zijn onmiddellijke omgeving en met de goede plaatselijke aanleg”; Overwegende dat het bestreden besluit tevens een aantal verkeerstechnische voorwaarden inhoudt en bepalingen bevat betreffende de aanleg van de weg en het plaatsen van vangrails; X-10.089-14/17 Overwegende dat de verzoekers in de uiteenzetting van het middel geen afdoende gegevens bijbrengen waaruit blijkt dat het in redelijkheid ondenkbaar is dat een administratieve overheid de overbrugging van de overweg met een viaduct in deze concrete situatie zou verkiezen boven de andere alternatieven; Overwegende dat de kennelijke onredelijkheid waarmee het bestreden besluit zou zijn genomen evenmin wordt aangetoond door het verslag dat op aanvraag van de verzoekers werd opgesteld in het kader van de onteigeningsprocedure; 3.1.7.
- Overwegende dat het eerste middel ongegrond is; 3.2.
- Overwegende dat de verzoekers in een tweede middel de schending aanvoeren van artikel 6, X, 1/ van de bijzondere wet van 8 augustus 1980, zoals gewijzigd door de bijzondere wet van 8 augustus 1988, “Doordat, de bouwaanvraag die aanleiding heeft gegeven tot de bestreden bouwvergunning werd ingediend en beslecht op aanvraag en planning van de N.M.B.S., Terwijl de wijziging aan een Gewestweg ook het akkoord en de medewerking vergt van het bestuur Bruggen en Wegen van het Vlaams Gewest”; 3.2.
- Overwegende dat de verwerende partij repliceert dat “de door verzoekers aangeduide bijzondere wetsbepaling, krachtens dewelke ‘de wegen en hun aanhorigheden’ als onderdeel van het bevoegdhedenpakket ‘openbare werken en vervoer’, als gewestelijke aangelegenheden zijn aangeduid, op zich geen uitstaans heeft met de zogenoemde beweerde onwettigheid”; 3.2.
- Overwegende dat de verzoekers als volgt dupliceren: “(...) Nochtans is het duidelijk dat het wetsartikel dat beroepers in het tweede middel hebben aangehaald inhoudt dat de bestreden bouwvergunning niet tot stand kon komen zonder dat het Bestuur Bruggen en Wegen hieraan zijn medewerking verleende bij de totstandkoming van de keuze waarop de gelijkgrondse overweg zou worden afgeschaft, en minstens bij de totstandkoming van de plannen voor het slaan van de brug over de spoorweg. Wanneer de vereiste tot medewerking van dit Bestuur was nageleefd, zou de kans op de schade die het slaan van de brug nu in hoofde van beroepers berokkent bovendien minstens veel kleiner zijn geweest. Het tweede middel is dus gegrond”; X-10.089-15/17 3.2.
- Overwegende dat de tussenkomende partij in essentie doet gelden dat “zoals de tegenpartij terecht heeft opgemerkt (...) het bestuur Bruggen en Wegen van het Vlaamse Gewest een tussenkomst (heeft) gedaan in deze zaak”;dat de tussenkomende partij hieruit afleidt dat het tweede middel feitelijke grondslag mist; 3.2.
- Overwegende dat de verwerende partij in haar laatste memorie zich aansluit bij het auditoraatsverslag; 3.2.
- Overwegende dat de verzoekers in hun laatste memorie verwijzen naar hun verzoekschrift en naar hun memorie van wederantwoord; 3.2.
- Overwegende dat het bestreden besluit uitdrukkelijk verwijst naar het advies van 25 oktober 1993 van de “Administratie Wegeninfrastructuur en Verkeer, Dienst West-Vlaanderen”, die deel uitmaakt van het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, Departement Leefmilieu en Infrastructuur; dat de verleende bouwvergunning trouwens een aantal voorwaarden oplegt in verband met de technische uitvoering van de gewestweg en van de brug; 3.2.
- Overwegende dat uit wat voorafgaat volgt dat het tweede middel feitelijke grondslag mist, BESLUIT: Artikel
- Het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 198,32 euro, komen ten laste van de verzoekende partijen, elk voor de helft. De kosten van de tussenkomst, bepaald op 74,37 euro, komen ten laste van de tussenkomende partij. X-10.089-16/17 Aldus te Brussel, uitgesproken in openbare terechtzitting, op zevenentwintig september 2007, door de Xe kamer, die was samengesteld uit: de HH. J. BOVIN, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, D. MOONS, staatsraad, C. ADAMS, staatsraad, Mevr. G. SCHEVENEELS, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, G. SCHEVENEELS. J. BOVIN. X-10.089-17/17 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.175.118 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div