id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 28 september 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.175.141 Rolnummer: A. 81515/X-8595 Zaak: Arrest 175141 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 28/09/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-10-18 Raadplegingen: 55 - laatst gezien 2026-06-30 02:25 Fiche Arrest nr 175.141 van 28 september 2007 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 175.141 van 28 september 2007 in de zaak A. 81.515/X-8595. In zake : 1. Eliane WITTOUCK, 2. Philip ROLIN JACQUEMYNS, die woonplaats kiezen bij advocaat M. DENYS, kantoor houdende te 1560 HOEILAART, de Quirinilaan 2 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat M. van DIEVOET, kantoor houdende te 1000 BRUSSEL, Boomstraat 14. -------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Eliane WITTOUCK en Philip ROLIN JACQUEMYNS op 11 december 1998 hebben ingediend om de nietigverklaring te vorderen van: 1. het besluit van 18 september 1998 van de Vlaamse minister van Openbare Werken, Vervoer en Ruimtelijke Ordening houdende intrekking van het besluit van 22 juli 1996 en houdende verwerping van hun beroep tegen het besluit van 22 september 1994 van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Wezembeek-Oppem waarbij de vergunning wordt geweigerd voor het verkavelen van gronden op een perceel gelegen te Wezembeek-Oppem, Fuji-domein 11, kadastraal gekend onder sectie D, nrs. 341/n, 347, 350/a en 343/a, en 2. het besluit van 23 juli 1998 van de Vlaamse regering houdende definitieve vaststelling van het ontwerpplan tot aanvulling van het gewestplan Halle- Vilvoorde-Asse op het grondgebied van de gemeenten Affligem, Asse, Beersel, Grimbergen, Groot-Bijgaarden, Hoeilaart, Kappelle-op-den-Bos, Kraainem, Linkebeek, Merchtem, Overijse, Sint-Genesius-Rode, Sint- Pieters-Leeuw, Vilvoorde, Wezembeek-Oppem en Zaventem, waarbij de gronden waarvoor de verkavelingsvergunning werd aangevraagd, tot parkgebied worden bestemd; X-8595-1/11 Gelet op het arrest nr. 82.093 van 16 augustus 1999 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissingen wordt verworpen; Gezien het verzoekschrift tot voortzetting, op 16 september 1999 ingediend door de verzoekende partijen; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur A. EYLENBOSCH; Gelet op de beschikking van 29 april 2003 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memorie van de verzoekende partijen; Gelet op de beschikking van 7 februari 2007 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 2 maart 2007; Gehoord het verslag van staatsraad J. BOVIN; Gehoord de opmerkingen van advocaat B. VANDEN BERGHE, die loco advocaat M. DENYS verschijnt voor de verzoekende partijen, en van advocaat M. van DIEVOET, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur A. EYLENBOSCH; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; 1. De feiten Overwegende dat de verzoekende partijen eigenaar of mede- eigenaar zijn van percelen grond gelegen te Wezembeek-Oppem, Fuji-domein 11, kadastraal bekend sectie D, nrs. 347, 341/n, 343/a en 350/a; dat het college van X-8595-2/11 burgemeester en schepenen van de gemeente Wezembeek-Oppem bij besluit van 22 september 1994 een verkavelingsvergunning voor die percelen heeft geweigerd; dat de Vlaamse regering bij besluit van 22 juli 1996 hun beroep tegen dit weigeringsbesluit heeftverworpen wegens strijdigheid met het bij koninklijk besluit van 7 maart 1977 vastgestelde gewestplan Halle-Vilvoorde-Asse, dat de bedoelde gronden tot parkgebied bestemt; dat, na schorsing bij arrest van de Raad van State nr. 73.817 van 20 mei 1998, de verwerende partij met het eerste bestreden besluit van 18 september 1998 haar besluit van 22 juli 1996 heeft ingetrokken en het beroep opnieuw heeft verworpen; dat de verwerping steunt op het tweede bestreden besluit, zijnde het inmiddels op 23 juli 1998 vastgestelde besluit van de Vlaamse regering houdende definitieve vaststelling van het ontwerpplan tot aanvulling van het gewestplan Halle-Vilvoorde-Asse op het grondgebied van de gemeenten Affligem, Asse, Beersel, Grimbergen, Groot-Bijgaarden, Hoeilaart, Kappelle-op-den-Bos, Kraainem, Linkebeek, Merchtem, Overijse, Sint-Genesius-Rode, Sint-Pieters- Leeuw, Vilvoorde, Wezembeek-Oppem en Zaventem, waarbij de gronden waarvoor de verkavelingsvergunning werd aangevraagd, opnieuw tot parkgebied worden bestemd; 2. Ten gronde 2.1. Overwegende dat de verzoekende partijen tegen het als eerste bestreden besluit van 18 september 1998 van de Vlaamse minister van Openbare Werken, Vervoer en Ruimtelijke Ordening, drie middelen aanvoeren; 2.1.1.1. Overwegende dat de verzoekende partijen in een eerste middel de schending aanvoeren van artikel 18 van de Grondwet (afschaffing van de burgerlijke dood) en van de artikelen 6 en 13 van het EVRM, doordat de verzoekende partijen “sinds bijna twintig jaar, nl. de beste duur van een periode van een mensenleven, verstoken blij(ven) van elke efficiënte rechtshulp”; Overwegende dat de verzoekende partijen in een tweede middel de schending aanvoeren van artikel 2, § 2, van de “stedenbouwwet”, van het ministerieel besluit van 29 maart 1974 houdende voorlopige vaststelling van het ontwerpgewestplan Halle-Vilvoorde-Asse, van artikel 6.1.2.1.4., van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerpgewestplannen en de gewestplannen, van het redelijkheids-, rechtszekerheids- en zorgvuldigheidsbeginsel, en kennelijke rechtsverwerking; dat X-8595-3/11 in het middel wordt uiteengezet dat de bestreden weigering een terrein betreft waarvoor de gewestplanbestemming onwettig is vastgesteld zoals blijkt uit een arrest van de Raad van State nr. 23.556 van 11 oktober 1983, dat de overheid gedurende bijna zestien jaar niets heeft gedaan om het vernietigingsarrest ten uitvoer te leggen, dat het ontwerpgewestplan een bestemming als woonparkgebied voorzag en dat er geen reden bestond om deze bestemming te wijzigen, dat een en ander ertoe moet leiden dat “de betrokken rechtsonderhorige er mag en moet kunnen van uitgaan dat de overheid kennelijk vrede neemt met de bestemming van de grond in het ontwerpgewestplan” en dat het de minister “aldus toekwam het bestemmingsvoorschrift van het ontwerpgewestplan als woonparkgebied toe te passen, en de aanvraag van verzoeker daaraan te toetsen”; 2.1.1.2. Overwegende dat de verwerende partij op het eerste middel in essentie antwoordt dat zij geen enkel verband ziet tussen de weigering van een verkavelingsvergunning en de bepalingen waarvan de schending wordt aangevoerd, dat, wat de schending van artikel 6 EVRM betreft, voor zover dit artikel al van toepassing zou kunnen zijn, niet op concrete en pertinente wijze wordt aangeduid op welk ogenblik en in welke mate hun de toegang tot de rechter zou zijn ontzegd en/of de daarbij verleende waarborgen zouden zijn geschonden, dat artikel 13 EVRM bovendien enkel kan worden aangevoerd samen met de schending van een andere verdragsbepaling, en subsidiair dat “het recht op effectief rechtsherstel” nog niet betekent “dat in uitvoering van de in deze zaak gevelde arresten, de grond van de verzoekende partijen zonder meer in een woonparkgebied moet worden bestemd”; Overwegende dat de verwerende partij op het tweede middel in essentie antwoordt dat de verzoekende partijen geen belang hebben bij dit middel aangezien het arrest nr. 23.556 van 11 oktober 1983 andere kadastrale percelen betreft dan deze waarvan de verzoekende partijen (mede)eigenaars zijn, dat, indien de overheid na 's Raads arrest nr. 23.556 van 11 oktober 1983 opnieuw de vernietigde bestemming beoogde, zij die intentie diende neer te leggen in een ontwerpgewestplan, dat het tweede bestreden besluit de bestemming van de litigieuze percelen vastlegt als parkgebied, dat het eerste bestreden besluit derhalve diende te worden getoetst aan dit besluit en de minister hierdoor niet op discretionaire wijze een evaluatie van de goede plaatselijke aanleg heeft gemaakt; X-8595-4/11 2.1.1.3. Overwegende dat de verzoekende partijen met betrekking tot het eerste middel in essentie repliceren dat de overheid de verkavelingsvergunning een eerste maal heeft geweigerd op grond van een onwettig gewestplan, dat de Raad van State onder meer op grond daarvan deze weigeringsbeslissing heeft geschorst, dat de nieuwe gewestplanbestemming evenzeer onwettig is omdat geen besluit is genomen tot inherzieningstelling van het eerdere gewestplan, dat hieruit blijkt dat zij verstoken zijn gebleven van efficiënte rechtshulp doordat “de ‘beleidsdaden’ die de overheid inzake stelt (enkel erop gericht zijn) de bouwplannen van beroeper(
- s)(
- te)verijdelen” en dat “het tweede bestreden besluit (...) er louter is op gericht beroepers in hun rechtmatige verwachtingen te dwarsbomen”; Overwegende dat de verzoekende partijen met betrekking tot het tweede middel in essentie repliceren dat “op basis van het arrest nr. 23.556 van 11 oktober 1983 enkel (kan) worden afgeleid dat de gewestplanbestemming voor het perceel van beroepers onwettig was, en in toepassing van artikel 159 van de gecoördineerde Grondwet niet kon worden toegepast”, dat zij zich, op grond van het ontwerpgewestplan en rekening houdend met de bezwaren en adviezen, in een “verkregen situatie”, nl. de bestemming woonpark, bevonden en dat de overheid, bij het opnieuw vastleggen van een gewestplanbestemming na een gedeeltelijke vernietiging van het vigerende gewestplan, deze “verkregen situatie” moest eerbiedigen; 2.1.1.4. Overwegende dat de verzoekende partijen in de laatste memorie met betrekking tot het eerste middel in essentie niets meer toevoegen aan hetgeen zij reeds hebben uiteengezet; Overwegende dat de verzoekende partijen in de laatste memorie met betrekking tot het tweede middel in essentie erop wijzen dat in 1974 ontwerpgewestplannen nog bindende werking hadden en dat de overheid haar beleid niet steeds en vrij kan herzien ongeacht de rechtsgevolgen; 2.1.1.5. Overwegende, met betrekking tot de twee middelen tezamen, dat het arrest van de Raad van State nr. 23.556 van 11 oktober 1983 het koninklijk besluit van 7 maart 1977 waarbij het gewestplan Halle-Vilvoorde-Asse wordt vastgesteld, vernietigt in zoverre het de bestemming van parkgebied geeft aan welbepaalde percelen, gelegen te Kraainem, kadastraal bekend sectie C, 55/n (deel), 70/f, 56/h, 60/g (deel) en 55/q; dat het dit doet omdat de bestemming “woonpark” X-8595-5/11 in het bij ministerieel besluit van 29 maart 1974 voorlopig vastgestelde ontwerpgewestplan naar “parkgebied” is gewijzigd, zonder dat die bestemmingswijziging steun vindt in het openbaar onderzoek en de raadplegingen of anderszins door motieven wordt gedragen; Overwegende dat het aangehaalde arrest de overheid niet verplicht tot een optreden met betrekking tot de gronden van de verzoekende partijen; dat slechts in geval van vernietiging van een bestemmingsvoorschrift de overheid ten gevolge van het arrest de taak heeft voor de betrokken gronden opnieuw een bestemming vast te stellen; dat het arrest nr. 23.556 van 11 oktober 1983 niet de bestemming vernietigt van de gronden waarvoor de gevraagde verkavelingsvergunning werd geweigerd; dat die gronden steeds de bestemming “parkgebied” hebben behouden; dat voorts de motieven van een vernietigingsarrest slechts gezag van gewijsde hebben in zoverre ze dienen ter ondersteuning van wat in het dictum wordt beslist; dat het dictum van het arrest nr. 23.556 van 11 oktober 1983 geen betrekking heeft op de gronden die het voorwerp uitmaken van de verkavelingsaanvraag; Overwegende dat derhalve de bewering van de verzoekende partijen dat de verwerende partij gedurende bijna zestien jaar in gebreke is gebleven hen het rechtsherstel te verlenen dat hen ten gevolge van het in het middel ingeroepen arrest van de Raad van State toekwam en dat wegens dat verzuim de verwerende partij de verkavelingsaanvraag had dienen te toetsen aan het bij ministerieel besluit van 29 maart 1974 voorlopig vastgestelde ontwerpgewestplan Halle-Vilvoorde-Asse, niet kan worden bijgetreden; dat bovendien het arrest nr. 73.817 van 20 mei 1998 waarop de verzoekende partijen in de memorie van wederantwoord doelen, de schorsing van de tenuitvoerlegging van het ministerieel besluit van 22 juli 1996 houdende de weigering van de verkavelingsvergunning niet beveelt op grond van de onwettigheid van het gewestplan, maar wel op grond van het vermoeden dat artikel 4, vierde lid van het besluit van 5 december 1991 tot bepaling van de rechtspleging in kortgeding voor de Raad van State, verbindt aan het niet vertegenwoordigd zijn van de verwerende partij op de terechtzitting; dat ten slotte artikel 41, van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996, zoals het gold ten tijde van de tweede bestreden beslissing, niet toelaat te besluiten dat het ontbreken van een voorafgaand besluit tot inherzieningstelling leidt tot de onwettigheid van het gewestplan; dat het eerste en het tweede middel niet gegrond zijn; X-8595-6/11 2.1.2.1. Overwegende dat de verzoekende partijen in een derde middel de schending aanvoeren van artikel 53, § 2, van de stedenbouwwet en van het recht om te worden gehoord; dat zij uiteenzetten dat door de schorsing van het weigeringsbesluit van 22 juli 1996 en de intrekking ervan, de procedure moet worden hernomen vanaf de dag volgend op de dag dat het administratief beroep werd ingesteld en dat dit inhoudt dat de vraag van verzoekende partijen om in het kader van de beroepsprocedure te worden gehoord herleeft, zodat verzoekende partijen opnieuw moesten worden gehoord; 2.1.2.2. Overwegende dat de verwerende partij antwoordt dat de verzoekende partijen geen belang hebben bij het middel omdat zij hebben nagelaten de nieuwe gegevens te vermelden die zij zouden hebben aangebracht tijdens de nieuwe hoorzitting; dat zij werden gehoord, dat uit niets blijkt dat de procedure ab ovo hervat diende te worden, dat de hoorplicht in casu niet geldt omdat de minister niet over een discretionaire bevoegdheid beschikt, dat de overheid ingevolge eerdere procedures reeds op de hoogte was van het standpunt van de verzoekende partijen; 2.1.2.3. Overwegende dat de verzoekende partijen repliceren dat een deel van de middelen van huidig verzoekschrift, met name deze die de onwettigheid van het gewestplan betreffen, gegevens bevatten die zij als nieuwe gegevens op een hoorzitting hadden kunnen aanbrengen, dat de verwerende partij door de vergunning te weigeren aantoont dat zij over een discretionaire bevoegdheid beschikt, en dat de verwerende partij op het ogenblik van de beslissingname niet op de hoogte kon zijn van hun stelling omtrent het effect op hun percelen van de nieuwe bestemming parkgebied; 2.1.2.4. Overwegende dat de verzoekende partijen in de laatste memorie in essentie een algemene theoretische beschouwing geven over de hoorplicht en de gevallen waarin ervan afgeweken kan worden en daarbij tot de conclusie komen dat de afwijkingsmogelijkheden in casu niet van toepassing zijn; 2.1.2.5. Overwegende dat de verzoekende partijen belang hebben bij het middel aangezien, indien het gegrond wordt bevonden, het leidt tot de vernietiging van het eerste bestreden besluit; dat de ter zake door de verwerende partij opgeworpen exceptie niet kan worden aangenomen; X-8595-7/11 Overwegende dat, naar de eis van het op het ogenblik van het bestreden besluit geldende artikel 53, § 2, van de stedenbouwwet de aanvrager die bij de Vlaamse regering in beroep is gekomen, of zijn raadsman, op zijn verzoek door de Vlaamse regering of diens gemachtigde wordt gehoord; dat niet wordt betwist dat dit in casu ook is gebeurd; Overwegende dat geen wettelijke bepaling aan de overheid, wanneer zij haar beslissing intrekt, de verplichting oplegt om de administratieve procedure die aan de ingetrokken beslissing is voorafgegaan, ipso facto van meet af aan te hernemen; dat het ogenblik waarop deze procedure dient te worden hernomen afhankelijk is van de redenen waarop de intrekkingsbeslissing is gesteund; dat in casu de intrekking niet is gesteund op een schending van de hoorplicht; dat overigens, zoals hiervoor uiteengezet, de verzoekende partijen naar de eis van voormeld artikel 53, § 2, van de stedenbouwwet, werden gehoord zoals door hen in hun beroepsschrift gevraagd; dat derhalve niet dient te worden ingegaan op de door de verzoekende partijen in hun laatste memorie ontwikkelende argumenten met betrekking tot de mogelijkheid tot afwijking van de hoorplicht; dat het feit dat de verzoekende partijen stellen dat zij bij gebreke aan een nieuwe hoorzitting verstoken zijn gebleven van de gelegenheid hun “stelling omtrent de onwettigheid van de gewestplanbestemming waarop de bouwweigering (lees: verkavelingsweigering) is gebaseerd op een hoorzitting uiteen te zetten”, aan het vorenstaande geen afbreuk doet; dat overigens een wettigheidstoetsing op grond van artikel 159 van de Grondwet aan de administratieve overheid is ontzegd, en dat de verzoekende partijen eventuele onwettigheden die aan het gewestplan zouden kleven steeds kunnen inroepen om de vernietiging van een akte die daarop is gesteund, te verkrijgen; dat het middel niet gegrond is; 2.2. Overwegende dat de verzoekende partijen tegen het tweede bestreden besluit van 23 juli 1998 van de Vlaamse regering twee middelen inroepen; 2.2.1.1. Overwegende dat de verzoekende partijen in een eerste middel de schending aanvoeren van het gezag van gewijsde van de arresten van de Raad van State nr. 23.556 van 11 oktober 1983 en nr. 73.627 van 13 mei 1998, en van artikel 37 van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State; dat de verzoekende partijen uiteenzetten dat de verwerende partij het arrest van de Raad van State nr. 23.556 van 11 oktober 1983 niet correct heeft uitgevoerd, dat “de Raad X-8595-8/11 van State in dit arrest vaststelde dat bij de vaststelling van het Gewestplan Halle- Vilvoorde-Asse met betrekking tot het litigieuze perceel op een niet wettig verklaarbare wijze was afgeweken van de bestemming van de eigendom als woonpark volgens het ontwerp-Gewestplan, nu hiervoor geen enkele aanwijzing te vinden was in de bezwaren of de adviezen van de adviesverlenende organen” en dat “de Vlaamse Regering heeft gehandeld in strijd met de in hoofding van het middel aangehaalde bepalingen en beginselen, door de opmaakprocedure van het gewestplan terug van het punt nul te laten herbeginnen nu hierdoor verzoekster wordt beroofd van het verworven recht om gelet op de initiële vaststelling van het ontwerp-Gewestplan haar eigendom in woonpark opgenomen (te zien worden)”; 2.2.1.2. Overwegende dat de verwerende partij in essentie antwoordt dat “de ingeroepen arresten alleen de eigendom van derden (betreffen) en (...) de uitvoering ervan geenszins de eigendom van de verzoekende partijen (treft)”; 2.1.1.3. Overwegende dat de verzoekende partijen repliceren dat door de overheid “bij de herneming van de totstandkomingsprocedure (...) geen afbreuk mag worden gedaan aan ‘verkregen situaties’, en (beroepers) op basis van de door niemand gecontesteerde bestemming ‘woonpark’ volgens het ontwerpgewestplan Halle-Vilvoorde-Asse, zich konden beroepen op een dergelijke ‘verkregen situatie’ om (hun) gronden als woonpark bestemd te zien”; 2.2.1.4. Overwegende dat de verzoekende partijen in de laatste memorie verwijzen naar hun argumentatie in de laatste memorie betreffende het tweede middel tegen het eerste bestreden besluit; 2.2.1.5. Overwegende dat het arrest van de Raad van State nr. 23.556 van 11 oktober 1983 het koninklijk besluit van 7 maart 1977 waarbij het gewestplan Halle-Vilvoorde-Asse wordt vastgesteld, vernietigt in zoverre het aan de percelen van Charles ULLENS de SCHOOTEN, gelegen te Kraainem, kadastraal bekend sectie C, 55/n (deel), 70/f, 56/h, 60/g (deel) en 55/q, de bestemming van parkgebied geeft; dat het arrest nr. 73.627 van 13 mei 1998 de schorsing beveelt van het besluit van 3 mei 1996 van de Vlaamse minister van Openbare Werken, Vervoer en Ruimtelijke Ordening waarbij aan Charles ULLENS de SCHOOTEN de bouwvergunning wordt geweigerd voor het oprichten van een woning op een perceel gelegen te Kraainem, A. Bechetlaan, kadastraal bekend sectie C, nr. 55/q; dat de in het middel ingeroepen arresten alleen het eigendom van een derde betreffen en dat X-8595-9/11 hun uitvoering bijgevolg geen verplichtingen inhoudt met betrekking tot het eigendom van de verzoekende partijen; dat het middel niet gegrond is; 2.2.2.1. Overwegende dat de verzoekende partijen in een tweede middel de schending aanvoeren van artikel 74 van de stedenbouwwet, de schending van het recht om gehoord te worden en de miskenning van de rechtens vereiste feitelijke grondslag; dat toegelicht wordt dat “de Regionale Commissie van Advies in het kader van de totstandkoming van het bestreden besluit op het door verzoekster ingediende bezwaar (nr. 46) in zijn vergaderingen dd. 25 mei 1998 en 15 juni 1998 antwoordde dat verkavelingen daterend van vóór de wet van 29 maart 1962, houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening en de stedenbouw van rechtswege vervallen zouden zijn”, dat dit antwoord volledig onjuist is en in strijd met de feitelijke en juridische toestand en dat dientengevolge “het gewestplan met betrekking tot haar eigendom op onwettige wijze tot stand is gekomen”; 2.2.2.2. Overwegende dat de verwerende partij in essentie antwoordt dat de door de verzoekende partijen aangehaalde passage uit het advies van de Regionale Commissie een antwoord is op een opmerking in het bezwaarschrift van 18 februari 1998 van Régine de LIEDEKERKE de PAILHE en de verzoekende partijen derhalve geen belang hebben bij het middel; 2.2.2.3. Overwegende dat de verzoekende partijen repliceren dat “dit bezwaar betrekking (heeft) op de geldigheid van de verkaveling waarmee bij het opstellen van het tweede bestreden besluit rekening (...) diende te worden gehouden, en waarbinnen ook de gronden van verzoekers gelegen zijn”, en dat “indien het tweede bestreden besluit wordt vernietigd omwille van het feit dat ten onrechte geen rekening werd gehouden met de verkaveling waarvan ook de gronden van beroepers deel uitmaken, (...) hieruit minstens de onwettigheid van de tweede bestreden besluit (kan) worden afgeleid voor zover het de gronden (...) binnen deze verkaveling een bestemming verleent die de tenuitvoerlegging van de verkaveling onmogelijk maakt”; 2.2.2.4. Overwegende dat de verzoekende partijen in de laatste memorie vooreerst een theoretische beschouwing geven over contractuele verkavelingen en hun verval, dat zij vervolgens stellen dat het bij een advies over de verkavelbaarheid tevens “gaat (...)over het gevolg dat aan de aanvragen om bouwtoelating kon worden gegeven”; X-8595-10/11 2.2.2.5. Overwegende dat het in het middel gewraakte antwoord van de Regionale Commissie van advies een bezwaarschrift “46” betreft, dat is ingediend door Régine de LIEDEKERKE de PAILHE en alleen betrekking heeft op haar gronden, op een perceel gelegen te Wezembeek-Oppem, kadastraal bekend sectie D, nrs. 350 en 344/(deel); dat de aangevoerde onwettigheid zonder gevolg is voor de vaststelling van de bestemming van de grond van de verzoekende partijen; dat het tweede middel niet gegrond is, BESLUIT: Artikel 1. Het beroep wordt verworpen. Artikel 2. De kosten van het beroep, bepaald op 694,12 euro, komen ten laste van de verzoekende partijen, ieder voor de helft. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op achtentwintig september 2007, door de Xe kamer, die was samengesteld uit : de HH. R. STEVENS, kamervoorzitter, J. BOVIN, staatsraad, D. MOONS, staatsraad, Mevr. A. TRUYENS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. TRUYENS. R. STEVENS. X-8595-11/11 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.175.141 Gerelateerde publicatie(
- s)voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:1999:ARR.82.093 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div