id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 28 september 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.175.142 Rolnummer: A. 81516/X-8596 Zaak: Arrest 175142 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 28/09/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-10-18 Raadplegingen: 55 - laatst gezien 2026-07-02 02:53 Fiche Arrest nr 175.142 van 28 september 2007 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 175.142 van 28 september 2007 in de zaak A. 81.516/X-8596. In zake : Charles ULLENS de SCHOOTEN, die woonplaats kiest bij advocaat M. DENYS, kantoor houdende te 1560 HOEILAART, de Quirinilaan 2 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat M. van DIEVOET, kantoor houdende te 1000 BRUSSEL, Boomstraat 14. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Charles ULLENS de SCHOOTEN op 11 december 1998 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van: 1. het besluit van 18 september 1998 van de Vlaamse minister van Openbare Werken, Vervoer en Ruimtelijke Ordening houdende intrekking van het besluit van 3 mei 1996 en houdende verwerping van zijn beroep tegen het besluit van 22 februari 1994 van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Kraainem waarbij de vergunning wordt geweigerd voor het bouwen van een woning op een perceel gelegen te Kraainem, A. Bechetlaan, kadastraal bekend sectie C, nr. 55/q, en 2. het besluit van 23 juli 1998 van de Vlaamse regering houdende definitieve vaststelling van het ontwerpplan tot aanvulling van het gewestplan Halle- Vilvoorde-Asse op het grondgebied van de gemeenten Affligem, Asse, Beersel, Grimbergen, Groot-Bijgaarden, Hoeilaart, Kappelle-op-den-Bos, Kraainem, Linkebeek, Merchtem, Overijse, Sint-Genesius-Rode, Sint- Pieters-Leeuw, Vilvoorde, Wezembeek-Oppem en Zaventem, waarbij de grond waarvoor de bouwvergunning werd aangevraagd tot parkgebied wordt bestemd, bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 18 november 1998; X-8596-1/13 Gelet op het arrest nr. 82.094 van 16 augustus 1994 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissingen wordt verworpen; Gezien het verzoekschrift tot voortzetting, op 16 september 1999 ingediend door de verzoeker; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur A. EYLENBOSCH; Gelet op de beschikking van 29 april 2003 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memorie van de verzoeker; Gelet op de beschikking van 7 februari 2007 waarbij de terecht- zitting bepaald wordt op 2 maart 2007; Gehoord het verslag van staatsraad J. BOVIN; Gehoord de opmerkingen van advocaat B. VANDEN BERGHE, die loco advocaat M. DENYS verschijnt voor de verzoeker, en van advocaat M. van DIEVOET, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur A. EYLENBOSCH; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; 1. De feiten Overwegende dat het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Kraainem op 28 februari 1994 aan de verzoeker de vergunning heeft geweigerd voor het bouwen van een villa op het perceel gelegen te Kraainem, X-8596-2/13 A. Bechetlaan, kadastraal bekend sectie C, nr. 55/q; dat de Vlaamse regering het beroep van de verzoeker op 3 mei 1996 heeft verworpen; dat, na schorsing bij arrest van de Raad van State nr. 73.627 van 13 mei 1998, de verwerende partij met het eerste bestreden besluit haar besluit van 3 mei 1996 heeft ingetrokken en het beroep opnieuw heeft verworpen; dat de verwerping steunt op het tweede bestreden besluit, zijnde het inmiddels op 23 juli 1998 vastgestelde besluit van de Vlaamse regering houdende vaststelling van het ontwerpplan tot aanvulling van het gewestplan Halle- Vilvoorde-Asse op het grondgebied van de gemeenten Affligem, Asse, Beersel, Grimbergen, Groot-Bijgaarden, Hoeilaart, Kappelle-op-den-Bos, Kraainem, Linkebeek, Merchtem, Overijse, Sint-Genesius-Rode, Sint-Pieters-Leeuw, Vilvoorde, Wezembeek-Oppem en Zaventem, waarbij de grond waarvoor de bouwvergunning werd aangevraagd, opnieuw tot parkgebied wordt bestemd; 2. Ontvankelijkheid van het beroep 2.1. Overwegende dat de verwerende partij opwerpt dat het beroep tegen het eerste bestreden besluit laattijdig is, en dat de verzoeker daardoor geen belang heeft bij het beroep tegen het tweede bestreden besluit; dat zij toelicht dat de verzoeker in het verzoekschrift stelt dat het eerste bestreden besluit (van 18 september 1998) haar werd betekend op 12 september 1998; 2.2. Overwegende dat de verzoeker repliceert dat het om een materiële vergissing gaat, dat uit het administratief dossier blijkt dat het eerste bestreden besluit haar werd betekend op 12 oktober 1998, en dat het besluit van 18 september 1998 onmogelijk op 12 september 1998 betekend kon worden; 2.3. Overwegende dat de verzoeker in de laatste memorie voor de ontvankelijkheid enkel verwijst naar de memorie van wederantwoord; 2.4. Overwegende dat de verzoeker terecht opmerkt dat het om een materiële vergissing moet gaan; dat het besluit van 18 september 1998 immers onmogelijk op een vroegere datum betekend kon worden; dat de exceptie wordt verworpen; X-8596-3/13 3. Ten gronde 3.1. Overwegende dat de verzoeker tegen het als eerste bestreden besluit van 18 september 1998 van de Vlaamse minister van Openbare Werken, Vervoer en Ruimtelijke Ordening, drie middelen aanvoert; 3.2.1.1. Overwegende dat de verzoeker in een eerste middel de schending aanvoert van het artikel 18 van de grondwet (afschaffing van de burgerlijke dood) en van de artikelen 6 en 13 van het EVRM, doordat “verzoeker sinds bijna twintig jaar, nl. de beste duur van een periode van een mensenleven, verstoken blijft van elke efficiënte rechtshulp”; Overwegende dat de verzoeker in een tweede middel de schending aanvoert van artikel 2, § 2, van de stedenbouwwet, van het ministerieel besluit van 29 maart 1974 houdende voorlopige vaststelling van het ontwerpgewestplan Halle- Vilvoorde-Asse, van artikel 6.1.2.1.4., van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerpgewestplannen en de gewestplannen, van het redelijkheids-, rechtszekerheids- en zorgvuldigheidsbe- ginsel, en uit kennelijke rechtsverwerking; dat hij in substantie stelt dat de bestreden weigering een terrein betreft waarvan een eerder vastgestelde bestemming als parkgebied bij arrest van de Raad van State nr. 23.556 van 11 oktober 1983 vernietigd werd, dat de overheid gedurende bijna zestien jaar niets heeft gedaan om het vernietigingsarrest ten uitvoer te leggen, dat het ontwerpgewestplan een bestemming als woonparkgebied voorzag en dat er geen reden bestond om deze bestemming te wijzigen, dat een en ander ertoe moet leiden dat “de betrokken rechtsonderhorige er mag en moet kunnen van uitgaan dat de overheid kennelijk vrede neemt met de bestemming van de grond in het ontwerpgewestplan” en dat het de minister “aldus toekwam het bestemmingsvoorschrift van het ontwerpgewestplan als woonparkgebied toe te passen, en de aanvraag van verzoeker daaraan te toetsen”; 3.2.1.2. Overwegende dat de verwerende partij op het eerste middel in essentie antwoordt dat zij geen enkel verband ziet tussen de weigering van een vergunning en de bepalingen waarvan de schending wordt aangevoerd, dat, wat de schending van artikel 6 EVRM betreft, voor zover dit artikel al van toepassing zou kunnen zijn, niet op concrete en pertinente wijze wordt aangeduid op welk ogenblik en in welke mate haar de toegang tot de rechter zou zijn ontzegd en/of de daarbij verleende waarborgen zouden zijn geschonden, dat artikel 13 EVRM bovendien X-8596-4/13 enkel kan worden aangevoerd samen met de schending van een andere verdragsbe- paling, en subsidiair dat “het recht op effectief rechtsherstel” nog niet betekent “dat in uitvoering van de in deze zaak reeds gevelde arresten, het perceel van de verzoekende partij door de overheid zonder meer in een woonparkgebied moet worden bestemd”; Overwegende dat de verwerende partij op het tweede middel in essentie antwoordt dat, indien de overheid na het arrest nr. 23.556 van 11 oktober 1983 opnieuw de vernietigde bestemming beoogde, zij die intentie diende neer te leggen in een ontwerpgewestplan, dat het tweede bestreden besluit de bestemming van het litigieuze perceel vastlegt als parkgebied, dat het eerste bestreden besluit derhalve diende te worden getoetst aan dit besluit en dat de minister hierdoor niet op discretionaire wijze een evaluatie van de goede plaatselijke aanleg maakte; 3.2.1.3. Overwegende dat de verzoeker met betrekking tot het eerste middel in essentie repliceert dat hij verstoken is gebleven van efficiënte rechtshulp doordat de overheid hem “elke vergunning halsstarrig (
- is)blijven weigeren”; Overwegende dat de verzoeker met betrekking tot het tweede middel in essentie repliceert dat hij zich, op grond van het ontwerpgewestplan en rekening houdend met de bezwaren en adviezen, in een “verkregen situatie”, nl. de bestemming woonpark voor het litigieuze perceel, bevond en dat de overheid, bij het opnieuw vastleggen van een gewestplanbestemming na een gedeeltelijke vernieti- ging van het vigerende gewestplan, deze “verkregen situatie” moest eerbiedigen; 3.2.1.4. Overwegende dat de verzoeker in de laatste memorie met betrekking tot het eerste middel in essentie niets meer toevoegt aan hetgeen hij reeds heeft uiteengezet; Overwegende dat de verzoeker in de laatste memorie met betrekking tot het tweede middel in essentie stelt dat de overheid, om te beslissen of het voorlopig vastgestelde ontwerpgewestplan nog kan dienen als startpunt van een procedure of dat een nieuw ontwerpgewestplan moet worden opgemaakt, niet enkel dient rekening te houden met de tijdsduur die is verlopen tussen het voorlopig vastgestelde gewestplan en de definitieve vaststelling, doch tevens moet letten op wijzigingen of omstandigheden die verreikende gevolgen hebben gehad voor de bestemming van het gebied, dat de verwerende partij dergelijke wijzigingen of X-8596-5/13 omstandigheden niet heeft aangetoond, dat de geldigheidsduur van drie jaar van een voorlopig vastgesteld ontwerpgewestplan niet dwingend is en het verstrijken van deze termijn niet impliceert dat onmiddellijk een nieuw gewestplan opgemaakt dient te worden; dat hij ten slotte erop wijst dat in 1974 ontwerpgewestplannen nog bindende kracht hadden, en dat de overheid haar beleid niet steeds vrij kan herzien ongeacht de rechtsgevolgen; 3.2.1.5. Overwegende, met betrekking tot de twee middelen tezamen, dat het arrest van de Raad van State nr. 23.556 van 11 oktober 1983 het koninklijk besluit van 7 maart 1977 waarbij het gewestplan Halle-Vilvoorde-Asse wordt vastgesteld, vernietigt in zoverre het de bestemming van parkgebied geeft aan de percelen van de verzoeker, gelegen te Kraainem, kadastraal bekend sectie C, 55/n (deel), 70/f, 56/h, 60/g (deel) en 55/q; dat het dit doet omdat de bestemming “woonpark” in het bij ministerieel besluit van 29 maart 1974 voorlopig vastgestelde ontwerpgewestplan naar “parkgebied” is gewijzigd, zonder dat die bestemmingswij- ziging steun vindt in het openbaar onderzoek en de raadplegingen of anderszins door motieven wordt gedragen; Overwegende dat in geval van vernietiging van een bestemmings- voorschrift de overheid ten gevolge van het arrest verplicht is voor de betrokken gronden opnieuw een bestemming vast te stellen; dat de overheid daar te dezen pas na verloop van zowat veertien jaar toe is kunnen komen; dat hoe dan ook hiermee het rechtsherstel is gerealiseerd, waarvan het eerste middel het jarenlange uitblijven bekritiseert; Overwegende dat niet kan worden aangenomen dat het onwettig verzuim van de verwerende partij om voor de gronden in een planbestemming te voorzien, haar van de betreffende verplichting vrijstelt; dat het enkele feit “dat het (op 29 maart 1974 voorlopig vastgesteld) ontwerpgewestplan een bestemming als woonparkgebied voorzag waartoe in het dossier geen reden bestond om deze bestemming te wijzigen” en dat de verwerende partij zich overdreven laat van haar voormelde verplichting kwijt, niet toelaten aan haar toe te schrijven dat zij “kennelijk vrede neemt met de bestemming van de grond in het ontwerpgewest- plan”; dat zelfs als dat wel zo mocht zijn, die vermoede wil ten tijde van het eerste bestreden besluit hoe dan ook achterhaald bleek te zijn door de besluiten van 17 juni 1997 en 23 juli 1998 van de Vlaamse regering houdende voorlopige vaststelling van het ontwerpgewestplan tot wijziging van het gewestplan Halle-Vilvoorde-Asse, X-8596-6/13 respectievelijk definitieve vaststelling van het betreffende plan, die de grond van de verzoeker uitdrukkelijk tot parkgebied bestemmen; dat de verzoeker in de laatste memorie ten onrechte ervan uit gaat dat de verwerende partij bij het opnieuw vastleggen van de bestemming van de betrokken percelen had moeten vertrekken van het ministerieel besluit van 29 maart 1974 houdende voorlopige vaststelling van het ontwerpgewestplan Halle-Vilvoorde-Asse; dat immers het feit dat een te lange tijd verstrijkt tussen het einde van de drie jaar durende gelding van een voorlopig vastgesteld ontwerpgewestplan en het tijdstip waarop het gewestplan definitief wordt vastgesteld, tot gevolg kan hebben dat zowel het ontwerpgewestplan als de adviezen die erover werden verstrekt, evenals de bezwaarschriften die door de particulieren ertegen werden ingediend, hun geldigheid als processtukken verliezen of gewoon niet meer pertinent zijn doordat binnen die tijd genomen beslissingen of veranderingen in de toestand of andere omstandigheden te verreikende wijzigingen aan de bestemming van het betrokken gebied zouden hebben aangebracht; dat in dat geval het voorlopig vastgestelde ontwerpgewestplan niet langer geacht kan worden de voorbereiding te zijn van het definitief vast te stellen gewestplan en ook het definitief gewestplan inhoudelijk niet meer kan worden beschouwd als het eindpunt van een procedure waarin het voorlopig vastgestelde ontwerpgewestplan de eerste etappe was; dat uit de hiervoor vermelde gegevens van de zaak niet anders kan worden besloten dan dat dit in casu het geval was; Overwegende dat het eerste en het tweede middel niet gegrond zijn; 3.2.2.1. Overwegende dat de verzoeker in een derde middel de schending aanvoert van artikel 53, § 2, van de stedenbouwwet en van het recht om te worden gehoord; dat hij uiteenzet dat door de schorsing van het weigeringsbesluit van 3 mei 1996 en de intrekking ervan, de procedure moet worden hernomen vanaf de dag volgend op de dag dat het administratief beroep werd ingesteld en dat dit inhoudt dat de vraag van de verzoeker om in het kader van de beroepsprocedure te worden gehoord, herleeft, zodat hij opnieuw moest worden gehoord; 3.2.2.2. Overwegende dat de verwerende partij antwoordt dat de verzoeker geen belang heeft bij het middel omdat hij heeft nagelaten in het verzoekschrift de nieuwe gegevens te vermelden die hij zou hebben aangebracht tijdens de nieuwe hoorzitting, dat uit niets blijkt dat de procedure ab ovo hervat diende te worden, dat de hoorplicht in casu niet geldt omdat de minister niet over een discretionaire X-8596-7/13 bevoegdheid beschikt, en dat de overheid ingevolge eerdere procedures reeds op de hoogte was van het standpunt van de verzoeker; 3.2.2.3. Overwegende dat de verzoeker repliceert dat een deel van de middelen van huidig verzoekschrift, met name deze die de onwettigheid van het gewestplan betreffen, gegevens bevatten die hij als nieuwe gegevens op een hoorzitting had kunnen aanbrengen, dat de verwerende partij door de vergunning te weigeren op basis van het opnieuw definitief vastgestelde ontwerpgewestplan aantoont dat zij over een discretionaire bevoegdheid beschikt, dat de verwerende partij op het ogenblik van de beslissingname niet op de hoogte kon zijn van zijn stelling omtrent het effect op zijn percelen van de nieuwe bestemming parkgebied; 3.2.2.4. Overwegende dat de verzoeker in de laatste memorie in essentie een algemene theoretische beschouwing geeft over de hoorplicht en de gevallen waarin ervan afgeweken kan worden en daarbij tot de conclusie komt dat de afwijkingsmogelijkheden in casu niet van toepassing zijn; 3.2.2.5. Overwegende dat de verzoeker belang heeft bij het middel aangezien, indien het gegrond wordt bevonden, het leidt tot de vernietiging van het eerste bestreden besluit; dat de ter zake door de verwerende partij opgeworpen exceptie niet kan worden aangenomen; Overwegende dat, naar de eis van het op het ogenblik van het bestreden besluit geldende artikel 53, § 2, van de stedenbouwwet de aanvrager die bij de Vlaamse regering in beroep is gekomen, of zijn raadsman, op zijn verzoek door de Vlaamse regering of diens gemachtigde wordt gehoord; dat niet wordt betwist dat dit in casu ook is gebeurd; Overwegende dat geen wettelijke bepaling aan de overheid, wanneer zij haar beslissing intrekt, de verplichting oplegt om de administratieve procedure die aan de ingetrokken beslissing is voorafgegaan, ipso facto van meet af aan te hernemen; dat het ogenblik waarop deze procedure dient te worden hernomen afhankelijk is van de redenen waarop de intrekkingsbeslissing is gesteund; dat in casu de intrekking niet is gesteund op een schending van de hoorplicht; dat overigens, zoals hiervoor uiteengezet, de verzoeker naar de eis van voormeld artikel 53, § 2, van de stedenbouwwet, werd gehoord zoals door hem in zijn beroepsschrift gevraagd; dat derhalve niet dient te worden ingegaan op de door de X-8596-8/13 verzoeker in zijn laatste memorie ontwikkelde argumenten met betrekking tot de mogelijkheid tot afwijking van de hoorplicht; dat het feit dat de verzoeker stelt dat hij bij gebreke aan een nieuwe hoorzitting verstoken is gebleven van de gelegenheid zijn “stelling omtrent de onwettigheid van de gewestplanbestemming waarop de bouwweigering is gebaseerd op een hoorzitting uiteen te zetten”, aan het vorenstaan- de geen afbreuk doet; dat overigens een wettigheidstoetsing op grond van artikel 159 van de Grondwet aan de administratieve overheid is ontzegd, en dat de verzoeker eventuele onwettigheden die aan het gewestplan zouden kleven steeds kan inroepen om de vernietiging van een akte die daarop is gesteund, te verkrijgen; dat h e t m i d d e l n i e t g e g r o n d i s ; 3.2. Overwegende dat de verzoeker tegen het tweede bestreden besluit van 23 juli 1998 van de Vlaamse regering, twee middelen inroept; 3.2.1.1. Overwegende dat de verzoeker in een eerste middel de schending aanvoert van het gezag van gewijsde van de arresten van de Raad van State nr. 23.556 van 11 oktober 1983 en nr. 73.627 van 13 mei 1998, en van artikel 37 van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State; dat volgens de toelichting van het middel de verwerende partij het arrest van de Raad van State nr. 23.556 van 11 oktober 1983 niet correct heeft uitgevoerd, dat “de Raad van State in dit arrest vaststelde dat bij de vaststelling van het Gewestplan Halle-Vilvoorde- Asse met betrekking tot het litigieuze perceel op een niet wettig verklaarbare wijze was afgeweken van de bestemming van de eigendom als woonpark volgens het ontwerp-Gewestplan, nu hiervoor geen enkele aanwijzing te vinden was in de bezwaren of de adviezen van de adviesverlenende organen” en dat “de Vlaamse Regering heeft gehandeld in strijd met de in hoofding van het middel aangehaalde bepalingen en beginselen, door de opmaakprocedure van het gewestplan terug van het punt nul te laten herbeginnen nu hierdoor verzoeker wordt beroofd van het verworven recht om gelet op de initiële vaststelling van het ontwerp-Gewestplan zijn eigendom in woonpark opgenomen (te zien worden)”; 3.2.1.2. Overwegende dat de verwerende partij hierop in essentie antwoordt dat in het arrest nr. 23.556 van 11 oktober 1983 wordt gesteld “dat de overheid op basis van de destijds gevoerde totstandkomingsprocedure van het definitieve gewestplan niet kon besluiten tot een wijziging van de bestemming van X-8596-9/13 het litigieuze perceel van ‘woonpark’ naar ‘parkgebied’”, dat de gewestplanprocedure na voornoemd vernietigingsarrest volledig werd hernomen, dat de verzoeker niet ervan mocht uitgaan dat zijn eigendom de bestemming woonpark had, dat “zowel gewijzigde feitelijke omstandigheden als gewijzigde juridische omstandigheden tot gevolg kunnen hebben dat lange tijd na het verstrijken van de geldigheidsduur van het ontwerpgewestplan, geen definitief gewestplan meer kan worden vastgesteld dat geacht wordt het eindpunt te zijn van de procedure aangevat bij de vaststelling van het ontwerpgewestplan”, dat de nieuwe gewestplanprocedure de overheid ditmaal wel toeliet om de bestemming parkgebied te geven aan het litigieuze perceel; 3.2.1.3. Overwegende dat de verzoeker repliceert dat door de overheid “bij de herneming van de totstandkomingsprocedure (...) geen afbreuk mag worden gedaan aan ‘verkregen situaties’, en beroeper op basis van de door niemand gecontesteerde bestemming ‘woonpark’ volgens het ontwerpgewestplan Halle- Vilvoorde-Asse, zich kon beroepen op een dergelijke ‘verkregen situatie’ om zijn gronden als woonpark bestemd te zien”; 3.2.1.4. Overwegende dat de verzoeker in de laatste memorie verwijst naar zijn argumentatie in de laatste memorie betreffende het tweede middel tegen het eerste bestreden besluit; 3.2.1.5. Overwegende dat het arrest van de Raad van State nr. 23.556 van 11 oktober 1983 het koninklijk besluit van 7 maart 1977 waarbij het gewestplan Halle-Vilvoorde-Asse wordt vastgesteld, vernietigt in zoverre het aan de percelen van de verzoeker, op een perceel gelegen te Kraainem, A. Bechetlaan, kadastraal bekend sectie C, 55/n (deel), 70/f, 56/h, 60/g (deel) en 55/q, de bestemming van parkgebied geeft; dat het de overheid ertoe verplicht de bestemming opnieuw vast te stellen; dat het arrest nr. 73.627 van 13 mei 1998 de schorsing van de tenuitvoerlegging beveelt van het besluit van 3 mei 1996 van de Vlaamse minister van Openbare Werken, Vervoer en Ruimtelijke Ordening waarbij aan de verzoeker de bouwvergunning wordt geweigerd voor het oprichten van een woning op een perceel gelegen te Kraainem, A. Bechetlaan, kadastraal bekend Sectie C, 55/q, omdat twaalf jaar na het vernietigingsarrest nr. 23.556 van 11 oktober 1983 voor de grond nog steeds geen bestemming was vastgesteld waaraan bouwaanvragen kunnen worden getoetst; dat het tweede bestreden besluit tegemoet komt aan de verplichting om de bestemming opnieuw vast te stellen; X-8596-10/13 Overwegende dat het arrest nr. 23.556 van 11 oktober 1983 de vernietiging heeft uitgesproken omdat de bestemming “woonpark” in het bij ministerieel besluit van 29 maart 1974 voorlopig vastgestelde ontwerpgewestplan werd gewijzigd naar “parkgebied”; dat het die bestemmingswijziging niet zonder meer afkeurt, maar alleen in zoverre zij geen steun vindt in het openbaar onderzoek en de raadplegingen, of niet anderszins door motieven wordt gedragen; dat voorts het arrest niet uit zichzelf ertoe verplicht de procedure tot vaststelling van een nieuwe bestemming te hernemen vanaf het punt waarop zij volgens het arrest ontspoord is en om inzonderheid een nieuw ontwerpgewestplan voorlopig vast te stellen; dat wettige redenen kunnen bestaan om de procedure vanaf een eerder punt over te doen; dat bijgevolg de verzoeker ten onrechte meent ten gevolge van het arrest te beschikken over het “verworven recht” om zijn eigendom te zien bestemd worden tot woonpark, zoals voorzien door het op 29 maart 1974 voorlopig vastgestelde ontwerpgewestplan; dat voor het overige kan worden verwezen naar de uiteenzetting onder het tweede middel tegen het eerste bestreden besluit; dat het eerste middel niet gegrond is; 3.2.2.1. Overwegende dat de verzoeker in een tweede middel de schending aanvoert van artikel 74 van de stedenbouwwet, van het recht om gehoord te worden en de miskenning van de rechtens vereiste feitelijke grondslag; dat hij uiteenzet dat “de Regionale Commissie van Advies in het kader van de totstandkoming van het bestreden besluit op het door verzoeker ingediende bezwaar (nr. 46) in zijn vergaderingen dd. 25 mei 1998 en 15 juni 1998 antwoordde dat verkavelingen daterend van vóór de wet van 29 maart 1962, houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening en de stedenbouw van rechtswege vervallen zouden zijn”, dat dit antwoord volledig onjuist is en in strijd met de feitelijke en juridische toestand en dat dientengevolge het gewestplan met betrekking tot de eigendom van de verzoeker op onwettige wijze tot stand is gekomen; 3.2.2.2. Overwegende dat de verwerende partij in essentie antwoordt dat de door de verzoeker aangehaalde passage uit het advies van de Regionale Commissie een antwoord is op een opmerking in het bezwaarschrift van 18 februari 1998 van Régine de LIEDEKERKE de PAILHE en de verzoeker derhalve geen belang heeft bij het middel; 3.2.2.3. Overwegende dat de verzoeker in de memorie van wederantwoord niet langer ingaat op dit middel; X-8596-11/13 3.2.2.4. Overwegende dat de verzoeker in zijn laatste memorie stelt dat hij in de memorie van wederantwoord niet meer is ingegaan op het middel omdat hij “van mening (was) dat het middel voldoende duidelijk was omschreven in het beroep tot nietigverklaring zodat verdere uitleg niet langer noodzakelijk was” en dat hij het middel handhaaft; dat hijvervolgens een theoretische beschouwing geeft over contractuele verkavelingen en hun verval en stelt dat het bij een advies over de verkavelbaarheid tevens “gaat (...) over het gevolg dat aan de aanvragen om bouwtoelating kon worden gegeven”; 3.2.2.5. Overwegende dat hoe dan ook het in het middel gewraakte antwoord van de Regionale Commissie van advies een bezwaarschrift “46” betreft, dat is ingediend door Régine de LIEDEKERKE de PAILHE en alleen betrekking heeft op haar gronden gelegen te Wezembeek-Oppem, Sikkelweg, kadastraal bekend Sectie D, nrs. 350 en 344 (deel); dat de aangevoerde onwettigheid zonder gevolg is voor de vaststelling van de bestemming van de grond van de verzoeker; dat het tweede middel niet gegrond is; BESLUIT: Artikel 1. Het beroep wordt verworpen. Artikel 2. De kosten van de vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 347,06 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. X-8596-12/13 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op achtentwintig september 2007, door de Xe kamer, die was samengesteld uit : de HH. R. STEVENS, kamervoorzitter, J. BOVIN, staatsraad, D. MOONS, staatsraad, Mevr. A. TRUYENS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. TRUYENS. R. STEVENS. X-8596-13/13 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.175.142 Gerelateerde publicatie(
- s)voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:1999:ARR.82.094 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div