← België

Arrest 175184 - Wapens - 28/09/2007

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 28 september 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.175.184 Rolnummer: A. 147551/XII-4051 Zaak: Arrest 175184 - Wapens - 28/09/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-10-03 Raadplegingen: 61 - laatst gezien 2026-06-30 02:30 Fiche Arrest nr 175.184 van 28 september 2007 Instellingen, Binnenlandse zaken en lokale besturen - Wapens Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 175.184 van 28 september 2007 in de zaak A. 147.551/XII-

  1. In zake : Alfons CALLE, die woonplaats kiest bij advocaat S. De Vleeschauwer, kantoor houdende te Stekene, Kerkstraat 16 tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de gouverneur van de provincie Oost-Vlaanderen. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, XIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Alfons Calle op 12 februari 2004 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 11 december 2003 van de gouverneur van de provincie Oost-Vlaanderen waarbij zijn vergunning tot het voorhanden hebben van een verweervuurwapen wordt ingetrokken; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgesteld door eerste auditeur-afdelingshoofd W. Van Noten; Gelet op de beschikking van 26 september 2006 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memorie van de verwerende partij; Gelet op de beschikking van 9 maart 2007 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 8 mei 2007; Gehoord het verslag van staatsraad J. Lust; XII-4051-1/5 Gehoord de opmerkingen van attaché F. Dhont, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur- afdelingshoofd W. Van Noten; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, OVERWEEGT WAT VOLGT : De voornaamste feiten
  2. Op 24 mei 1996 wordt aan verzoeker de vergunning verleend tot het voorhanden hebben van een verweervuurwapen. Hij brengt op 23 september 2003 een hond om. De korpschef van de lokale politie vraagt de gouverneur van de provincie Oost-Vlaanderen met een brief van 26 september 2003 te overwegen de vergunning in te trekken. De procureur des Konings te Dendermonde sluit zich daarbij aan en adviseert de intrekking van de vergunning. Bij besluit van 11 december 2003 trekt de gouverneur de vergunning in. De grond van de zaak
  3. Verzoeker voert in een eerste middel de schending van de hoorplicht aan. Hij argumenteert onder meer dat hij niet voorafgaandelijk is gehoord, ofschoon de bestreden beslissing steunt op zijn persoonlijk gedrag en zijn rechtstoestand nadelig beïnvloedt.
  4. De verwerende partij antwoordt in de memorie van antwoord dat de hoorplicht niet van toepassing was omdat de intrekking van de vergunning geen maatregel is die de belangen van de betrokkene zwaar aantast, dat de hoorplicht evenmin moet nageleefd worden wanneer de feiten vatbaar zijn voor eenvoudige constatering, wat hier het geval is, en dat het eigendomsrecht dient te wijken “van zodra er een gevaar is voor de openbare orde”. XII-4051-2/5 De verwerende partij voegt daar in de laatste memorie nog aan toe dat de feiten te dezen vaststonden zodat het geen zin had en dus niet noodzakelijk was verzoeker voorafgaandelijk te horen, dat een inschatting van het gevaar van verzoekers wapenbezit voor de openbare orde en veiligheid hier niet aan de orde kwam omdat de feiten “er zonder meer van overtuigden dat het wapenbezit van verzoeker een reëel gevaar vormt voor de openbare orde en veiligheid”, dat bovendien verzoeker de schending van de hoorplicht tijdig, vóór het bestuur, moet opwerpen en niet voor het eerst bij de Raad van State mag aanvoeren dat de hoorplicht geschonden is.
  5. De bestreden beslissing wordt hierdoor gemotiveerd dat verzoeker een labiel persoon is, zijn gedrag niet combineerbaar is met wapenbezit en zijn houding een gevaar betekent voor zichzelf, voor derden en voor de openbare orde en veiligheid. De beslissing verwijst naar een incident waarbij verzoeker een hond ombrengt met een wapen, naar onderzoek waaruit zou blijken dat de buurtbewoners er zich over beklagen dat verzoeker regelmatig gebruik maakt van zijn wapen om dieren te doden, naar een zwaar verkeersongeval waarin hij betrokken is geweest en waarna hij zich “soms op een niet normale manier gedraagt”, en naar de verklaring van zijn huisarts dat hij niet geschikt is om een vuurwapen te bezitten. Door de vergunning van verzoeker tot het voorhanden hebben van een verweervuurwapen op grond van die gegevens in te trekken, moet de bestreden beslissing geacht worden hem op een meer dan geringe wijze nadelig in zijn belangen te raken. Krachtens een algemeen beginsel van behoorlijk bestuur kan een dergelijke beslissing slechts genomen worden nadat de betrokkene in de gelegenheid is gesteld zijn zienswijze aangaande de voorgenomen maatregel naar voren te brengen.
  6. De Raad van State valt niet bij dat de verwerende partij daar in onderhavig geval van vrijgesteld was om reden dat de feiten vatbaar zouden zijn geweest voor een directe, eenvoudige constatering door het bestuur en dat het horen van verzoeker hoe dan ook niet de beslissing zou hebben kunnen beïnvloeden. In principe immers is het afwegen van het gevaar van iemands wapenbezit voor de openbare orde en veiligheid niet gelijk te stellen met de directe vaststelling van een feit. Het blijkt niet dat het te dezen anders is, ook al zou er over alvast één van de feitelijke gegevens die de verwerende partij in aanmerking heeft genomen geen XII-4051-3/5 twijfel bestaan, namelijk dat verzoeker met zijn wapen een hond heeft doodgeschoten. Het is, tenslotte, onduidelijk wanneer verzoeker “voor het bestuur zelf” de hoorplicht had kunnen doen gelden, aangezien hij door de intrekkingsmaatregel onverhoeds overvallen blijkt.
  7. Het middel verantwoordt de gevraagde vernietiging; het is gegrond. Weliswaar belet de vernietiging niet dat in de toekomst jegens verzoeker eenzelfde maatregel wordt genomen, weze het dan in beginsel ná hem gehoord te hebben. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
  8. Vernietigd wordt het besluit van 11 december 2003 van de gouverneur van de provincie Oost-Vlaanderen waarbij de vergunning van Alfons Calle tot het voorhanden hebben van een verweervuurwapen wordt ingetrokken. Artikel
  9. De kosten van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verwerende partij. XII-4051-4/5 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op achtentwintig september 2007, door de XIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. D. VERBIEST, kamervoorzitter, J. LUST, staatsraad, G. VAN HAEGENDOREN, staatsraad, Mevr. S. DOMS, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DOMS. D. VERBIEST. XII-4051-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.175.184 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.