← België

Arrest 175194 - Varia (ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu) - 01/10/2007

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 01 oktober 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.175.194 Rolnummer: A. 110703/X-10564 Zaak: Arrest 175194 - Varia (ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu) - 01/10/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-10-18 Raadplegingen: 55 - laatst gezien 2026-06-30 02:34 Fiche Arrest nr 175.194 van 1 oktober 2007 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Varia (ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu) Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 175.194 van 1 oktober 2007 in de zaak A. 110.703/X-10.564. In zake : Henri BRUFFAERTS, die woonplaats kiest bij advocaat M. DENYS, kantoor houdende te 1560 HOEILAART, de Quirinilaan 2 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat P. DECLERCQ, kantoor houdende te 3010 LEUVEN, Tiensesteenweg 271. D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Henri BRUFFAERTS op 24 september 2001 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 29 juni 2001 van de Vlaamse regering “houdende stopzetting van een procedure voor de opmaak van het gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan ‘Camargue’, in de gemeente Bertem”, bij uittreksel bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 26 juli 2001. Gelet op het arrest nr. 112.141 van 31 oktober 2002 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing wordt verworpen; Gezien het verzoekschrift tot voortzetting, op 22 november 2002 ingediend door Henri BRUFFAERTS; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd F. DE BUEL; X-10.564-1/8 Gelet op de beschikking van 4 mei 2005 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memories; Gelet op de beschikking van 3 april 2007 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 4 mei 2007; Gehoord het verslag van staatsraad J. BOVIN; Gehoord de opmerkingen van advocaat B. VANDENBERGHE, die loco advocaat M. DENYS verschijnt voor de verzoekende partij, en van advocaat P. DECLERCQ, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur- afdelingshoofd F. DE BUEL; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; 1. Feiten Overwegende dat de verzoeker eigenaar is van het kampeerterrein “Camargue”, gelegen te Bertem, Ormendaal 11a, en stelt hiervoor alle wettelijke vergunningen te hebben verkregen, met name : “- een kampeervergunning van 25 augustus 1972; - een bouwtoelating dd. 21 juni 1974 voor het bouwen van een sanitair gebouw; - een bijkomende kampeervergunning en bouwtoelating dd. 25 november 1986 voor het dempen van een vijver; - een kampeervergunning van 27 november 1986 voor het inrichten van een kampeerterrein met 45 plaatsen; - een bouwtoelating van 25 januari 1990 voor het bouwen van een berging voor onderhoudsmateriaal; - een attest dd. 12 september 1997 houdende goedkeuring van brandveiligheidsvoorzieningen voor openluchtrecreatieve verblijven; - een attest van de gemeente Bertem houdende bevestiging van de bouw van een waterzuiveringsinstallatie”; X-10.564-2/8 dat verzoekers kampeerterrein volgens de bestemmingsvoorschriften van het bij koninklijk besluit van 7 april 1977 vastgestelde gewestplan Leuven is gelegen in natuurgebied; dat artikel 25 van het besluit van de Vlaamse regering van 23 februari 1995 betreffende de exploitatie van de terreinen voor openluchtrecreatieve verblijven, bepaalde wat volgt : “Art. 25. § 1. De exploitanten van de terreinen die op het ogenblik van de inwerkingtreding van dit besluit over een vergunning beschikken, afgegeven overeenkomstig de wet van 30 april 1970 op het kamperen, dienen na de inwerkingtreding van dit besluit een vergunning aan te vragen. De terreinen die op het ogenblik van de inwerkingtreding van dit besluit geen vergunning hebben, afgegeven overeenkomstig de wet van 30 april 1970 op het kamperen, moeten minstens een principiële vergunning hebben aangevraagd op 31 december 1997. Deze aanvraag moet een plan bevatten met een fazering in de tijd waaruit opgemaakt kan worden dat het terrein binnen twee jaar na het indienen van deze vergunningsaanvraag over een vergunning kan beschikken overeenkomstig dit besluit. Alle terreinen dienen uiterlijk op 31 december 1999 over een vergunning te beschikken. § 2. Onverminderd de voorwaarden die voor de aanleg en de exploitatie van terreinen voor openluchtrecreatieve verblijven krachtens andere regelgeving worden opgelegd, wordt de datum, vermeld in § 1, derde lid, bepaald op 30 juni 2003 voor de exploitanten van terreinen die op 31 december 1999 in de onmogelijkheid verkeerden om, met betrekking tot het terrein of een gedeelte ervan, te beschikken over het attest, bedoeld in artikel 5, 10/, voor zover achtereenvolgens voldaan is aan de volgende voorwaarden : 1/ uiterlijk op 28 februari 2001 is met het oog op een planologische bestemmingswijziging van het terrein in kwestie door de provincieraad een gemotiveerd verzoek en een voorstel ingediend bij de Vlaamse regering tot opmaak van een ruimtelijk uitvoeringsplan met toepassing van artikel 188bis van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening, ingevoegd bij decreet van 26 april 2000. Van deze beslissing moet Toerisme Vlaanderen uiterlijk binnen veertien dagen, na de datum van beslissing, bij aangetekend schrijven, in kennis gesteld worden; 2/ uiterlijk op 1 juli 2001 heeft het college van burgemeester en schepenen, van de gemeente waar een terrein gelegen is dat opgenomen is in het voorstel van de provincie, bedoeld onder 1/, een ontwerp van begeleidingsplan voor de afbouw van de eventuele permanente bewoning op dat terrein bij de Vlaamse regering ingediend; 3/ uiterlijk 4 maanden nadat de uitbater van het terrein door Toerisme Vlaanderen in kennis gesteld werd van de beslissing, bedoeld onder 1/, heeft de uitbater, bij aangetekend schrijven, een beschrijvend verslag en een plan in viervoud bij Toerisme Vlaanderen ingediend waaruit het volgende blijkt :

  1. a)het terrein voldoet aan de brandveiligheidsnormen, de exploitatievoorwaarden en de classificatienormen van tenminste de laagste categorie, waarvoor geen stedenbouwkundige vergunning vereist is om deze uit te voeren. Aan deze vereiste dient blijvend voldaan te worden tot de datum van het bekomen van de vergunning;
  2. b)de lijst en de beschrijving van de werken waarvoor een stedenbouwkundige vergunning vereist zal zijn;
  3. c)het terrein zal, na het bekomen van de vereiste stedenbouwkundige vergunningen, volledig kunnen beantwoorden aan alle brandveiligheidsnormen, X-10.564-3/8 alle exploitatievoorwaarden en alle classificatienormen van tenminste de laagste categorie. Uiterlijk twee maanden na ontvangst door Toerisme Vlaanderen van het beschrijvend verslag en het plan, vermeld in het vorige lid, voeren Toerisme Vlaanderen en de bevoegde gezondheidsambtenaar een inspectie uit op het terrein. Binnen dezelfde termijn voert de territoriaal bevoegde brandweerdienst, op verzoek van Toerisme Vlaanderen, een inspectie uit op de brandveiligheidsnormen waarvoor geen stedenbouwkundige vergunning vereist is. Ingeval de territoriaal bevoegde brandweerdienst geen inspectie binnen de gestelde termijn uitvoert, voert, op verzoek van de Vlaamse minister bevoegd voor toerisme, een afvaardiging, bestaande uit minstens 2 leden, van de technische commissie brandveiligheid, bedoeld in artikel 5, § 1, van het besluit van de Vlaamse regering van 8 maart 1995 tot vaststelling van de specifieke brandveiligheidsnormen waaraan terreinen voor openluchtrecreatieve verblijven moeten voldoen, binnen 2 maanden na ontvangst van het verzoek, een inspectie uit op de brandveiligheidsnormen waarvoor geen stedenbouwkundige vergunning vereist is; 4/ uiterlijk op 1 juli 2001 is het ontwerp van het ruimtelijk uitvoeringsplan, bedoeld onder 1/, voorlopig vastgesteld door de bevoegde overheid; 5/ uiterlijk 13 maanden na de voorlopige vaststelling van het ontwerp van ruimtelijk uitvoeringsplan, is het ruimtelijke uitvoeringsplan definitief vastgesteld; 6/ uiterlijk 30 dagen na de bekendmaking in het Belgisch Staatsblad van het vaststellingsbesluit met betrekking tot het definitief vastgestelde ruimtelijk uitvoeringsplan, dat de exploitatie en het gebruik van een terrein voor openluchtrecreatieve verblijven toelaat, heeft de uitbater de stedenbouwkundige vergunningen aangevraagd voor de vergunningsplichtige werken die opgenomen zijn in het beschrijvend verslag, vermeld in 3/; 7/ uiterlijk 4 maanden na de bekendmaking in het Belgisch Staatsblad, bedoeld in 6/, heeft de uitbater een vergunningsaanvraag ingediend bij Toerisme Vlaanderen; § 3. Er is niet langer voldaan aan de voorwaarden vermeld in § 2: 1/ van zodra de aldaar gestelde termijnen verstreken zijn zonder dat er gevolg aan werd gegeven; 2/ wanneer Toerisme Vlaanderen, binnen 2 maanden na de kennisgeving, bedoeld in § 2, 1/, tweede lid, aan de uitbater kennis heeft gegeven van het feit dat de Vlaamse minister, bevoegd voor ruimtelijke ordening of zijn gemachtigde, oordeelt dat het gemotiveerd verzoek en het voorstel van de provincieraad niet voldoen aan de bepalingen van artikel 188bis van het decreet houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening; 3/ wanneer Toerisme Vlaanderen aan de uitbater kennis heeft gegeven van de beslissing van de bevoegde overheid tot stopzetting van de procedure tot opmaak en vaststelling van het ruimtelijk uitvoeringsplan, bedoeld in § 2; 4/ wanneer Toerisme Vlaanderen aan de uitbater kennis heeft gegeven van het feit dat bij de inspecties, vermeld in § 2, 3/, tweede lid, vastgesteld werd dat het terrein niet voldoet aan de normen of voorwaarden bedoeld in § 2, 3/, a. In die gevallen dient uiterlijk 6 maanden nadien, de exploitatie en het gebruik van het terrein of het gedeelte ervan dat oorspronkelijk in aanmerking kwam voor de toepassing van § 2, stop gezet te worden. § 4. De bepalingen van § 2 zijn niet van toepassing op de terreinen of de gedeelten van terreinen die gelegen zijn : 1/ in de beschermde duingebieden en voor het duingebied belangrijke landbouwgebieden, aangeduid krachtens de decreten van 14 juli 1993, 21 december 1994 en 29 november 1995 houdende maatregelen tot bescherming van de kustduinen; X-10.564-4/8 2/ in een reservatiestrook overeenkomstig de gewestplanbestemming, aangeduid met betrekking tot een overeenkomstig de bepalingen van het Ruimtelijke Structuurplan Vlaanderen geselecteerde hoofdweg, primaire weg, hoofdwaterweg, hoofdspoorweg of hoofdtransportleiding.)”; dat, aangezien de verzoeker niet blijkt te beschikken over een attest, bedoeld in artikel 5, 10/, van hetzelfde besluit, met name “een attest waaruit blijkt dat het terrein gelegen is in een gebied waarvan de planologische bestemming, de exploitatie en het gebruik van een terrein voor openluchtrecreatieve verblijven toelaat”, de procedure waarin wordt voorzien bij artikel 25, § 2, voor het kampeerterrein “Camargue” werd gevolgd; dat Toerisme Vlaanderen bij een op 28 augustus 2001 ter post aangetekend schrijven de verzoeker in kennis heeft gesteld van onder meer hetgeen volgt : “Met schrijven van 29 maart 2001 heb ik u ingelicht over de beslissing van de provincieraad van Vlaams-Brabant waaruit bleek dat voor uw terrein een gemotiveerd verzoek en voorstel tot opmaak van een ruimtelijk uitvoeringsplan (RUP) bij de Vlaamse regering werd ingediend en dit binnen de gestelde termijn van 28 februari 2001. Zoals bepaald wordt in art. 25, § 2, 4/ van voornoemd exploitatiebesluit was de volgende deadline 1 juli 2001. Uiterlijk op deze datum diende de bevoegde overheid het ontwerp-RUP voorlopig vast te stellen. Voor de voorlopige vaststelling van dit ontwerp-RUP werden plenaire vergaderingen belegd en adviezen van verschillende instanties ingewonnen. Op basis van deze plenaire vergaderingen en adviezen heeft de Vlaamse regering in haar besluit van 29 juni 2001 het ontwerp-RUP 'Camargue' niet voorlopig vastgesteld waardoor de procedure tot opmaak en vaststelling van het ruimtelijk uitvoeringsplan wordt stopgezet. Dit betekent dat uw terrein niet meer weerhouden wordt om verder van de overgangsregeling te kunnen genieten. Hierdoor vervalt de overgangsregeling en dient, in toepassing van art. 25, § 3, 3e lid, uiterlijk 6 maanden nadat Toerisme Vlaanderen de uitbater hiervan in kennis heeft gesteld, dus uiterlijk op 1 maart 2002, de exploitatie en het gebruik van het terrein of het gedeelte ervan dat oorspronkelijk in aanmerking kwam voor de toepassing van de overgangsregeling, stop gezet te worden. Deze overgangsperiode van 6 maanden laat u toe de lopende huurcontracten tijdig op te zeggen en uw huurders te verwittigen dat het terrein zal sluiten. Wij verzoeken u dan ook vriendelijk om uw huurders hiervan op de hoogte te brengen”; dat het besluit van 29 juni 2001 van de Vlaamse regering houdende stopzetting van de procedure voor de opmaak van een ruimtelijk uitvoeringsplan “Camargue”, in de gemeente Bertem, het voorwerp uitmaakt van dit beroep; dat dit besluit luidt als volgt : X-10.564-5/8 “VLAAMSE REGERING BESLUIT VAN DE VLAAMSE REGERING HOUDENDE STOPZETTING VAN DE PROCEDURE VOOR DE OPMAAK VAN EEN RUIMTELIJK UITVOERINGSPLAN 'CAMARGUE' IN DE GEMEENTE BERTEM Gelet op het decreet van 3 maart 1993 houdende het statuut van de terreinen voor openluchtrecreatieve verblijven, gewijzigd bij Decreet van 21 december 1994 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 1995 en gewijzigd bij decreet van 13 april 1999 tot wijziging van het decreet van 3 maart 1993 houdende het statuut van de terreinen voor openluchtrecreatieve verblijven; Gelet op het decreet van 17 december 1997 houdende bekrachtiging van de bindende bepalingen van het besluit van de Vlaamse regering van 23 september 1997 houdende de definitieve vaststelling van het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen; Gelet op het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening, inzonderheid artikel 41-43, gewijzigd bij decreet van 26 april 2000; en artikel 188bis, ingevoerd bij decreet van 26 april 2000; Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering van 23 september 1997 houdende definitieve vaststelling van het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen; Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering van 8 juni 2000 tot wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 23 februari 1995 betreffende de exploitatievoorwaarden van de terreinen voor openluchtrecreatieve verblijven en het besluit van de Vlaamse Regering van 8 maart 1995 tot vaststelling van de specifieke brandveiligheidsnormen waaraan terreinen voor openluchtrecreatieve verblijven moeten voldoen; Gelet op de beslissing van de provincieraad van 2 februari 2001 houdende goedkeuring van de voorstellen tot opmaak van ruimtelijke uitvoeringsplannen zonevreemde terreinen openluchtrecreatieve verblijven in Vlaams-Brabant conform artikel 188bis van het bovenvermeld Decreet van 18 mei 1999; Gelet op de plenaire vergadering van 24 april 2001 over het voorontwerp gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan ‘Camargue-Bertem’ en het verslag ervan; Overwegende dat de neerslag van de ruimtelijke afweging is opgenomen in de toelichting bij het ontwerp van ruimtelijk uitvoeringsplan; Overwegende dat het terrein volledig gelegen is in het EU-Vogelrichtlijngebied nr 22 Vallei van de Dijle; Overwegende dat het terrein volledig gelegen is in het natuurinrichtingsproject ‘Dijlevallei’; Overwegende dat het terrein in de uitbreidingsperimeter van het erkend natuurreservaat ‘Vijvers van Oud-Heverlee’ gelegen is; Op voorstel van de Vlaamse Minister van Economie, Ruimtelijke Ordening en Media; Na beraadslaging, BESLUIT Artikel 1. De procedure voor opmaak van het ruimtelijk uitvoeringsplan ‘Camargue-Bertem’ wordt stopgezet. Artikel 2. De Vlaams minister, bevoegd voor de ruimtelijke ordening, is belast met de uitvoering van dit besluit”; dat dit besluit bij uittreksel werd bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 26 juli 2001; X-10.564-6/8 2. Ontvankelijkheid Overwegende dat -desnoods ambtshalve- dient te worden onderzocht of de verzoeker doet blijken van het rechtens vereiste belang; Overwegende dat de procedure tot opmaak van het betrokken gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan werd gestart op grond van artikel 188bis van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening, luidend als volgt: “In afwijking van de artikelen 41 en 44 van de bepalingen van het richtinggevend en bindend gedeelte van het ruimtelijk structuurplan Vlaanderen die betrekking hebben op de taakverdeling tussen Gewest, provincies en gemeenten, kan de Vlaamse Regering, zolang er geen provinciaal ruimtelijk structuurplan is goedgekeurd voor de betrokken provincie, op gemotiveerd verzoek en op voorstel van de Provincieraad een gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan opmaken voor een aangelegenheid die in een provinciaal ruimtelijk uitvoeringsplan had moeten geregeld worden. De aanpak van de betrokken aangelegenheid moet een dringend karakter hebben. Het voorstel van de Provincieraad moet volledig zijn uitgewerkt. Het moet kaderen in het provinciaal structuurplanningsproces en in voorkomend geval verantwoord worden op basis van de bepalingen van het voorontwerp of ontwerp van provinciaal ruimtelijk structuurplan. Het moet in overeenstemming zijn met de principes van het ruimtelijk structuurplan Vlaanderen. Op het ogenblik van de goedkeuring van het eerste provinciaal ruimtelijk structuurplan voor de betrokken provincie verkrijgen de gewestelijke ruimtelijke uitvoeringsplannen die zijn opgemaakt met toepassing van het eerste lid, het statuut van provinciaal ruimtelijk uitvoeringsplan. De betrokken ruimtelijke uitvoeringsplannen waarvoor deze bepaling geldt worden opgesomd in het besluit tot definitieve vaststelling van het provinciaal ruimtelijk structuurplan en het besluit tot goedkeuring daarvan. Binnen 14 dagen na de beslissing tot goedkeuring van het provinciaal ruimtelijk structuurplan stuurt de bestendige Deputatie een afschrift van het goedkeuringsbesluit naar de gemeenten die overeenkomstig artikel 94 de bepalingen van het ruimtelijk uitvoeringsplan hebben opgenomen in hun plannenregister, met de vermelding dat de wijziging van het statuut van het plan in het register moet doorgevoerd worden. Het College van burgemeester en schepenen moet de aanpassing in het plannenregister binnen 14 dagen na ontvangst van het bericht doorvoeren”; Overwegende dat de door voormeld artikel bedoelde maatregel een overgangsregeling is waarvan de toepassing vervalt van zodra het provinciaal ruimtelijk structuurplan is goedgekeurd voor de betrokken provincie; Overwegende dat het gebied waarvoor initieel tot de opmaak van het gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan “Camargue” was beslist, is gelegen in de provincie Vlaams-Brabant; dat de Vlaamse minister van Financiën en Begroting en Ruimtelijke Ordening bij besluit van 7 oktober 2004 het ruimtelijk structuurplan X-10.564-7/8 voor de provincie Vlaams-Brabant, zoals definitief vastgesteld bij besluit van de provincieraad van Vlaams-Brabant van 11 mei 2004, bestaande uit een informatief en een richtinggevend gedeelte en uit bindende bepalingen, en gevoegd als bijlage bij dit ministerieel besluit, heeft goedgekeurd; dat dit besluit bij uittreksel werd bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 16 november 2004; dat de verzoeker derhalve niet meer doet blijken van het rechtens vereiste actueel belang bij de gevraagde vernietiging van het betrokken ministerieel besluit, aangezien bedoelde overgangsregeling voor de provincie Vlaams-Brabant niet meer van toepassing is; dat het beroep niet ontvankelijk is, BESLUIT: Artikel 1. Het beroep wordt verworpen. Artikel 2. De kosten van de vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 348,53 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op een oktober 2007, door de Xe kamer, die was samengesteld uit : de HH. R. STEVENS, kamervoorzitter, J. BOVIN, staatsraad, D. MOONS, staatsraad, Mevr. G. SCHEVENEELS, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, G. SCHEVENEELS. R. STEVENS. X-10.564-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.175.194 Gerelateerde publicatie(
  4. s)voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2002:ARR.112.141 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.