← België

Arrest 175196 - Leger en bijzondere korps - Aanwerving en loopbaan - 01/10/2007

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 01 oktober 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.175.196 Rolnummer: A. 183875/IX-5670 Zaak: Arrest 175196 - Leger en bijzondere korps - Aanwerving en loopbaan - 01/10/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-10-12 Raadplegingen: 54 - laatst gezien 2026-06-30 02:35 Fiche Arrest nr 175.196 van 1 oktober 2007 Openbaar ambt - Leger en bijzondere korps - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 175.196 van 1 oktober 2007 in de zaak A. 183.875/IX-

  1. In zake : Alain MEERTS, die woonplaats kiest bij advocaat P. CRISPYN, kantoor houdende te MARIAKERKE, Mazestraat 16 tegen :
  2. de lokale politiezone Rode nr. 5403,
  3. de evaluatiecommissie voor het ambt van korpschef bij de politiezone Rode, die woonplaats kiezen bij advocaten D. D’HOOGHE en L. SCHELLEKENS, kantoor houdende te BRUSSEL, Central Plaza, Loksumstraat
  4. ----------------------------------------------------------------------------------------------------- -- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Alain MEERTS op 6 juni 2007 heeft ingediend om de schorsing te vorderen van de tenuitvoerlegging en de nietigver- klaring van de beslissing van 23 maart 2007 van de evaluatiecommissie voor het ambt van korpschef van de politiezone Rode om hem de beoordeling “voldoende” toe te kennen en van de beslissing van 4 april 2007 van dezelfde evaluatiecommissie om, na onderzoek van de bezwaren van verzoeker, haar beslissing niet te herformu- leren; Gezien de nota van de verwerende partijen; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur H. COLIN; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; Gelet op de beschikking van 12 juli 2007 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 10 september 2007; IX-5670-1/6 Gehoord het verslag van staatsraad A. VANDENDRIESSCHE; Gehoord de opmerkingen van advocaat P. CRISPYN, die verschijnt voor de verzoekende partij, en van advocaat L. SCHELLEKENS die, loco advocaat D. D’HOOGHE verschijnt voor de verwerende partijen; Gehoord het eensluidend advies van auditeur H. COLIN; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, OVERWEEGT WAT VOLGT : De feiten 1.
  5. Bij koninklijk besluit van 4 september 2002 wordt verzoeker aangewezen in de functie van korpschef van de lokale politie van de politiezone Drogenbos/Linkebeek/Sint-Genesius-Rode (de politiezone Rode, nr 5403). Dit mandaat vangt aan op 1 oktober 2002 en duurt vijf jaar. 1.
  6. Op 17 juni 2005 vraagt verzoeker de voorzitter van de evaluatie- commissie om over te gaan tot een tussentijdse evaluatie. In het desbetreffend verslag van 8 december 2005 concludeert de evaluatiecommissie dat verzoeker voldoening schenkt in het ambt, maar worden wel vier verbeterpunten aangegeven:

(1)een striktere aansturing van de lokale recherche en het verbeteren van de infostroom naar en van het AIK,
(2)aandacht voor het financiële management (opstellen meerjarenplan),
(3)aandacht voor communicatie (intern en extern) en
(4)voorzien in een opleidingsplan. Op 9 december 2005 verklaart verzoeker zich akkoord met de in het verslag geformuleerde verbeterpunten. 1.
  1. Op 13 december 2006 vraagt verzoeker de voorzitter van de politieraad over te gaan tot de eindevaluatie met het oog op de hernieuwing van zijn mandaat. Hij dient het vereiste synoptisch verslag in. 1.
  2. Op 19 maart 2007 vindt het evaluatiegesprek plaats tussen verzoeker en de evaluatiecommissie. IX-5670-2/6 1.
  3. In haar eindverslag van 23 maart 2007 kent de evaluatiecommissie verzoeker de beoordeling “voldoende” toe. Die beoordeling impliceert dat de functie van korpschef vacant wordt. Deze beslissing vormt het eerste voorwerp van de vordering. 1.
  4. Op 29 maart 2007 richt verzoeker een nota aan de voorzitter van de evaluatiecommissie, waarin hij uiteenzet waarom hij niet akkoord kan gaan met de inhoud van het evaluatieverslag en met de eindconclusie ervan. 1.
  5. Op 4 april 2007 beslist de evaluatiecommissie dat de opmerkingen van verzoeker geen reden kunnen zijn om de evaluatie te herformuleren. Zij stelt enerzijds vast dat deze opmerkingen in algemene bewoordingen gesteld zijn en niet ingaan op de inhoud van de acties die verzoeker genomen heeft en anderzijds dat er geen afdoend antwoord gegeven is op het verslag van de evaluatiecommissie. Deze beslissing vormt het tweede voorwerp van de vordering. De aanwijzing van de tegenpartij
  6. De verwerende partijen stellen in hun nota met opmerkingen dat, volgens de reglementering, de evaluatiecommissie bevoegd was om de bestreden beslissingen te nemen, dat zij bijgevolg als verwerende partij aangewezen moet worden en dat de lokale politiezone Rode derhalve buiten de zaak gesteld moet worden.
  7. De vordering is gericht tegen een beslissing van de evaluatiecom- missie voor het ambt van korpschef bij de lokale politie te Rode. Deze commissie is opgetreden als orgaan van de lokale politiezone Rode, die als rechtspersoon verantwoordelijk is voor de beslissingen die zijn organen nemen, die ook moet instaan voor de uitvoering van het te wijzen arrest, zoals de betaling van de kosten in geval van veroordeling. Juridisch gezien kan alleen de rechtspersoon als verwerende partij optreden. In de praktijk wordt wel aangenomen dat het orgaan, dat het bestreden besluit genomen heeft, beter geplaatst is om met kennis van zaken het verweer te voeren -reden waarom het auditoraat van de Raad van State in bepaalde gevallen het orgaan uitnodigt om een verweer te voeren-, maar uiteindelijk moet dat verweer altijd toegerekend worden aan de rechtspersoon zelf. De verwerende partij IX-5670-3/6 vraagt daarom ten onrechte dat de lokale politiezone als verwerende partij buiten de zaak gesteld zou worden. De voorwaarden voor de schorsing
  8. Overeenkomstig artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan slechts tot de schorsing van de tenuitvoerlegging worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen.
  9. Wat de tweede voorwaarde betreft, stelt verzoeker dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van het bestreden besluit hem een materieel en een moreel nadeel berokkent. Overeenkomstig artikel 76bis van de wet van 26 april 2002 houdende de essentiële elementen van het statuut van de personeelsleden van de politiediensten impliceert de beslissing om hem de beoordeling “voldoende” toe te kennen, dat het mandaat dat hij thans bekleedt, vacant wordt. Hij zal wel kunnen deelnemen aan de aanwijzingsprocedure, maar hij moet nu toch rekening houden met de mogelijkheid dat een ander wordt aangewezen. Wordt zijn mandaat onderbroken, dan tast dat de autoriteit aan die dat mandaat vereist en kan hij, wegens zijn vervanging in het mandaat en zijn herplaatsing, bijzondere beroepserva- ring verliezen. Daarnaast houdt de beoordeling “voldoende”, gelet op de vacantver- klaring die zij inhoudt, voor hem een “openbare blaam” in en verliest hij bijzondere weddetoeslagen. Tenslotte kan, bij de beoordeling van het nadeel, ook rekening gehouden worden met het flagrant karakter van een aantal middelen van openbare orde die hij aanvoert.
  10. De verwerende partijen stellen in hun nota met opmerkingen dat verzoeker zijn nadeel weinig of niet preciseert en geen bewijzen aandraagt en dat hij het overigens ook zelf relativeert aangezien hij meer dan twee maanden gewacht heeft alvorens zijn schorsingsvordering in te dienen. In ieder geval kan de verwijzing naar de ernst van de aangevoerde middelen niet betrokken worden op het nadeel, dat een afzonderlijk te beoordelen schorsingsvoorwaarde vormt. De verwijzing naar het aantasten van zijn autoriteit en verlies van beroepservaring is hypothetisch en speculatief. Het verlies van een kans op benoeming, die volgt uit de beoordeling “voldoende”, vormt geen moeilijk te herstellen ernstig nadeel, want bij IX-5670-4/6 vernietiging van die beoordeling kan verzoeker opnieuw de beoordeling “goed” verkrijgen hetgeen zal leiden tot de verlenging van zijn mandaat. Eventueel verlies van weddebijslagen vormt een financieel nadeel, dat in beginsel herstelbaar is na een vernietigingsarrest en verzoeker toont niet aan dat in zijn geval met bijzondere omstandigheden rekening gehouden moet worden. In benoemingszaken wordt het bestaan van een moreel nadeel principieel niet aanvaard, omdat dit nadeel hersteld wordt door een vernietigingsarrest en verzoeker toont niet aan dat zulks in zijn geval niet mogelijk zal zijn, daargelaten de vaststelling dat de bestreden beslissing, wegens de positieve gegevens die zij ook bevat, niet als een blaam kan worden gepercipieerd.
  11. De bestreden beslissing heeft tot gevolg dat het mandaat van verzoeker niet zonder verdere plichtplegingen kan vernieuwd worden, dat de betrekking vacant wordt en dat verzoeker in concurrentie komt met andere kandidaten. Gewis wordt zijn positie daardoor aangetast, maar toch blijft hij kans maken op een nieuwe aanstelling. In die zin is het nadeel dat verzoeker verbindt aan zijn mogelijke herplaatsing, en aan het verlies van beroepservaring en van weddetoelagen op dit ogenblik nog hypothetisch.
  12. Verzoeker blijft kansen behouden op een nieuwe aanstelling. In redelijkheid kan niet aangenomen worden dat, zo de vacantverklaring uitloopt op de verlenging van zijn mandaat, zijn autoriteit als korpschef aangetast wordt door de hier bestreden vacantverklaring.
  13. Verzoeker verwijst naar het moreel nadeel en inzonderheid naar de aantasting van zijn goede naam. Gewis kan aangenomen worden dat verzoeker de bestreden beslissing, waar zij het werk van verzoeker als korpsoverste niet op de best mogelijke wijze beoordeelt, als belastend ervaart en dat hij er aldus een moreel nadeel van ondergaat. Dergelijk moreel nadeel zal evenwel hersteld worden door een vernietigingsarrest. Verzoeker maakt niet aannemelijk dat zulk rechtsherstel niet volstaat.
  14. Verzoeker wijst, onder verwijzing naar de middelen die hij aanvoert, naar de flagrante onwettigheid van de bestreden beslissing. Hij verliest daarbij evenwel uit het oog dat de schorsingsvoorwaarde van het moeilijk te herstellen ernstig nadeel, die hier onderzocht wordt, losstaat van de voorwaarde dat ernstige middelen aangevoerd moeten worden. In ieder geval zijn de door verzoeker IX-5670-5/6 aangevoerde wetschendingen niet zo duidelijk vast te stellen dat zij, uitzonderlijk, toch kunnen betrokken worden bij de beoordeling van het moeilijk te herstellen ernstig nadeel.
  15. Verzoeker toont het bestaan van een moeilijk te herstellen ernstig nadeel niet aan. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
  16. De vordering tot schorsing wordt verworpen. Artikel
  17. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op 1 oktober 2007, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. P. LEMMENS, kamervoorzitter, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, D. MOONS, staatsraad, W. GEURTS, griffier. De griffier, De voorzitter, W. GEURTS. P. LEMMENS. IX-5670-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.175.196 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.