← België

Arrest 175199 - Varia (sociale zaken en volksgezondheid) - 01/10/2007

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 01 oktober 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.175.199 Rolnummer: A. 98064/IX-2627 Zaak: Arrest 175199 - Varia (sociale zaken en volksgezondheid) - 01/10/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-12-06 Raadplegingen: 57 - laatst gezien 2026-06-30 02:37 Fiche Arrest nr 175.199 van 1 oktober 2007 Sociale zaken en volksgezondheid - Varia (sociale zaken en volksgezondheid) Beslissing : Vernietiging Verwerping overige Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 175.199 van 1 oktober 2007 in de zaak A. 98.064/IX-

  1. In zake : Ingrid THEUNS, wonende te TURNHOUT, Grimstedestraat 90 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Middenstand. -------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Ingrid THEUNS op 17 november 2000 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van de beslissing van 3 april 2000 van de Commissie voor Vrijstelling van Bijdragen, ingesteld bij het bestuur van het Sociaal Statuut der Zelfstandigen van het ministerie van Midden- stand en Landbouw, waarbij haar vrijstelling verleend wordt voor de driemaande- lijkse voorlopige bijdragen van het laatste kwartaal van 1999 en het eerste kwartaal van 2000 en waarbij die vrijstelling voor de driemaandelijkse voorlopige bijdrage van het tweede kwartaal van 2000 geweigerd wordt; Gelet op de beschikking van 1 maart 2001 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend. Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur E. LANCKSWEERDT; Gelet op de beschikking van 16 maart 2006 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; IX-2627-1/8 Gelet op de beschikking van 6 juli 2007 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 17 september 2007; Gehoord het verslag van staatsraad A. VANDENDRIESSCHE; Gehoord de opmerkingen van verzoekster; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelings- hoofd E. LANCKSWEERDT; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  2. Overwegende dat de gegevens van de zaak kunnen worden samengevat als volgt: 1.
  3. Artikel 17 van het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen bepaalt dat de zelfstandigen, die menen dat zij zich in staat van behoefte bevinden of in een toestand die de staat van behoefte benadert, volledige of gedeeltelijke vrijstelling kunnen vragen van bepaalde bijdragen door zich te wenden tot de Commissie voor Vrijstelling van Bijdragen opgericht bij het ministerie van Middenstand. 1.
  4. Met toepassing van deze bepaling dient verzoekster met een brief van 24 november 1999 bij het Sociaal Verzekeringsfonds voor Zelfstandigen (hierna: het SVMB) een aanvraag in tot vrijstelling van sociale bijdragen. Uit het bijgevoegd “inlichtingsformulier A” blijkt dat zij een vrijstelling wenst voor de voorlopige en definitieve bijdragen van het vierde kwartaal van 1999 en de vier kwartalen van 2000, dat zij van 1 juli 1996 tot 14 december 1999 als zelfstandige psychologe in bijberoep gewerkt heeft en dat zij vanaf 15 december 1999 in de hoedanigheid van psychologe als zelfstandige in hoofdberoep werkt. Zij motiveert haar staat van behoefte met verwijzing naar haar inkomen enerzijds en de grote kosten die zij heeft voor de uitbouw van haar kantoor anderzijds. IX-2627-2/8 1.
  5. Op 29 november 1999 registreert het SVMB de aanvraag en stuurt ze door naar de Commissie voor Vrijstelling van Bijdragen (hierna: de Commissie). 1.
  6. Met een brief van 29 februari 2000 wordt verzoekster uitgenodigd naar de zitting van de Commissie van 3 april
  7. Op die zitting legt zij een nota neer. 1.
  8. Met een brief van 14 april 2000 wordt verzoekster in kennis gesteld van de beslissing van de Commissie, die luidt als volgt: “Beslissingsnr : 611220.172.11 N 01 Inzake : THEUNS INGRID (...) DE COMMISSIE VOOR VRIJSTELLING VAN BIJDRAGEN Gelet op het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen, inzonderheid op de artikelen 15, 17 en 22; Gelet op het koninklijk besluit van 19 december 1967 houdende algemeen reglement in uitvoering van het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen, inzonderheid op de artikelen 80 tot 94 bis; Gelet op artikel 17, eerste lid, van voornoemd koninklijk besluit nr. 38, luidend als volgt : ‘De zelfstandigen die zich in staat van behoefte bevinden of in een toestand die de staat van behoefte benadert, kunnen volledige of gedeeltelijke vrijstelling aanvragen van de verschuldigde bijdragen door zich te wenden tot de in artikel 22 voorziene Commissie’; Gelet op artikel 90, § 2, tweede lid, van voornoemd koninklijk besluit van 19 december 1967, luidend als volgt : ‘De aanwezigheid ter zitting van de aanvrager is niet vereist. Indien hij hiertoe de wens uitdrukt, kan hij persoonlijk verschijnen of zich laten vertegenwoordigen of bijstaan hetzij door een advokaat, drager in voorkomend geval van stukken, hetzij door iedere andere persoon voorzien van een geschreven volmacht en voor ieder geval aanvaard door de voorzitter’; Gelet op de aanvraag ingediend op 24/11/1999 en geregistreerd op 29/11/1999; Overwegende dat deze aanvraag op de volgende driemaandelijkse voorlopige bijdragen betrekking heeft : 4/1999; Gelet op de andere stukken van het dossier; Aangezien uit de stukken van het dossier blijkt dat de betrokkene zich bevindt in een toestand die de staat van behoefte benadert, waardoor een gedeeltelijke vrijstelling gerechtvaardigd is; Gehoord betrokkene in haar uiteenzetting; BESLIST : Vrijstelling wordt verleend voor de volgende driemaandelijkse voorlopige bijdragen: van 4/1999 t.e.m. 1/
  9. Vrijstelling wordt geweigerd voor de volgende driemaandelijkse voorlopige bijdragen : 2/
  10. Aldus uitgesproken ter zitting van 03/04/2000”. IX-2627-3/8 1.
  11. Deze beslissing vormt het voorwerp van het onderhavig beroep. 2.
  12. Overwegende dat verzoekster met het bestreden besluit de vrijstelling verkregen heeft voor de betaling van de driemaandelijkse bijdragen over de periode 4/1999 tot en met 1/2000; dat ambtshalve vastgesteld wordt dat zij er geen belang bij heeft dat, wat die periodes betreft, het besluit van 3 april 2000 vernietigd wordt; 2.
  13. Overwegende dat de verwerende partij in haar memorie van antwoord de ontvankelijkheid van het beroep betwist, aangezien verzoekster het verzoekschrift niet ondertekend heeft; dat uit het dossier blijkt dat verzoekster het verzoekschrift wel degelijk ondertekend heeft; dat de exceptie verworpen wordt; 3.
  14. Overwegende dat verzoekster de schending van artikel 149 van de Grondwet aanvoert doordat de bestreden beslissing niet gemotiveerd is en behept met fouten; dat zij erop wijst dat artikel 17 van het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen bepaalt dat de zelfstandigen die zich in een staat van behoefte bevinden of in een toestand die de staat van behoefte benadert, volledige of gedeeltelijke vrijstelling van de verschuldigde bijdragen kunnen verkrijgen maar dat de wet nergens de criteria verduidelijkt om te bepalen wanneer men volledige of slechts gedeeltelijke vrijstelling kan verkrijgen; dat zij betoogt dat de bestreden beslissing enkel stelt dat de aanvraag betrekking heeft op kwartaal 4/1999 en dat “betrokkene zich bevindt in een toestand die de staat van behoefte benadert, waardoor een gedeeltelijke vrijstelling gerechtvaardigd is”, terwijl aldus niet aangegeven wordt op welke grond de Commissie tot de vrijstelling voor slechts twee kwartalen besloten heeft en niet tot de volledige vrijstelling voor de door verzoekster gevraagde periode van vijf kwartalen, en terwijl evenmin gespecifieerd wordt wat de staat van behoefte is of de “toestand die de staat van behoefte benadert”; dat zij ook nog stelt dat, waar de bestreden beslissing geen uitspraak doet over haar aanvraag voor het derde en vierde kwartaal van 2000, zij niet antwoordt op haar verzoek en op die wijze het “relativi- teitsbeginsel” schendt; 3.
  15. Overwegende dat de verwerende partij antwoordt dat de bestreden beslissing geenszins “behept is met fouten”, maar slechts één onnauwkeurigheid bevat, met name het feit dat vrijstelling verleend werd voor de kwartaalbijdrage van het vierde kwartaal van 1999, terwijl die bijdrage niet verschuldigd was omdat IX-2627-4/8 verzoekster gedurende dat kwartaal niet als zelfstandige in hoofdberoep actief was; dat zij betoogt dat die fout volledig aan verzoekster zelf te wijten is, aangezien zij aan de Commissie medegedeeld heeft dat zij vanaf 15 december 1999 als zelf- standige in hoofdberoep actief geweest zou zijn en zij nadien die foutieve informatie niet gecorrigeerd heeft op een ogenblik dat de Commissie de vergissing nog kon rechtzetten; dat zij voorts stelt dat de bestreden beslissing verder geen fouten bevat, aangezien het niet vermelden van de kwartaalbijdragen van het derde en het vierde kwartaal van 2000 voortvloeit uit artikel 91, § 4, van het koninklijk besluit van 19 december 1967 dat bepaalt dat de beslissing van de Commissie enkel betrekking kan hebben op in de toekomst verschuldigde bedragen wanneer het om een volledige vrijstelling gaat terwijl er te dezen een gedeeltelijke vrijstelling verleend werd; dat zij ook nog stelt dat artikel 149 van de Grondwet niet van toepassing is op de Commissie, die als administratief orgaan uitspraak doet over een aanvraag tot vrijstelling van bijdragen; 3.
  16. Overwegende dat verzoekster in haar memorie van wederant- woord zich afvraagt of artikel 149 van de Grondwet ook niet van toepassing is op organen van het bestuur, maar stelt dat de beslissing in ieder geval onder het toepassingsgebied valt van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen; dat zij die wet geschonden acht, aangezien het bestreden besluit de gegevens niet vermeldt waarop het steunt; 3.4.
  17. Overwegende dat sub 2.2 reeds gesteld is dat verzoekster geen belang heeft bij de vernietiging van de bestreden beslissing wat het laatste kwartaal van 1999 en het eerste kwartaal van 2000 betreft; Overwegende dat verzoekster in de nota die zij op de zitting van de Commissie van 3 april 2000 neerlegde, uitdrukkelijk het voorwerp van haar initieel verzoek beperkt heeft tot de vrijstelling voor de kwartaalbijdragen tot en met het derde kwartaal van 2000; dat aangezien zij dus zelf afzag van een vrijstelling voor het vierde kwartaal van 2000, zij geen belang heeft bij de vernietiging van de bestreden beslissing in zoverre daarin geen uitspraak wordt gedaan over de aanvraag tot vrijstelling voor de kwartaalbijdrage van het vierde kwartaal van 2000; Overwegende dat verzoekster bijgevolg enkel belang heeft bij de nietigverklaring van de bestreden beslissing in zoverre deze weigert om haar vrijstelling te verlenen voor de kwartaalbijdrage van het tweede kwartaal 2000 en IX-2627-5/8 in zoverre deze verzuimt om uitspraak te doen over de aanvraag tot vrijstelling voor de kwartaalbijdrage van het derde kwartaal van 2000; 3.4.
  18. Overwegende dat de beslissingen van de Commissie voor Vrijstelling van Bijdragen, die een administratief orgaan is zonder jurisdictionele bevoegdheid, niet onder toepassing vallen van artikel 149 van de Grondwet; dat die beslissingen echter wel onder toepassing vallen van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen; dat haar beslissingen dan ook de juridische en de feitelijke overwegingen moeten bevatten die aan haar besluiten ten grondslag liggen en dat deze overwegingen afdoende moeten zijn, in die zin dat zij de betrokkene in staat moeten stellen om de beweegredenen die het bestuur in zijn concreet geval in aanmerking genomen heeft, te begrijpen; 3.4.
  19. Overwegende dat de bestreden beslissing aan die voorwaarde niet voldoet, waar ze de vrijstelling voor het tweede kwartaal 2000 weigert en de vraag tot vrijstelling voor het derde kwartaal 2000 zelfs niet beantwoordt; dat immers voor de weigering van vrijstelling voor het tweede kwartaal 2000 helemaal geen verduidelijking wordt gegeven; dat die weigering ook niet te rijmen valt met de overweging dat “uit de stukken van het dossier blijkt dat de betrokkene zich bevindt in een toestand die de staat van behoefte benadert”; dat de bestreden beslissing voorts zonder meer nalaat uitspraak te doen over de vraag tot vrijstelling van de bijdragen voor het derde kwartaal 2000; dat met de uiteenzetting terzake in de memorie van antwoord, de verwerende partij haar tekortkoming aan de wet van 29 juli 1991 niet kan goedmaken; 3.4.
  20. Overwegende dat, in de mate dat de Commissie in de motivering van het bestreden besluit heeft willen aangeven dat een gedeeltelijke vrijstelling van de door verzoekster verschuldigde bijdragen haar gerechtvaardigd overkwam, nu zij zich in een toestand bevond die de staat van behoefte benaderde, dergelijke motivering niet volstaat om de weigering voor het tweede en derde kwartaal 2000 te onderbouwen; dat immers, zoals de Raad van State in zijn arrest nr. 148.760 van 12 september 2005 inzake DE VRIES heeft gesteld, artikel 17 van het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 geen verband legt tussen de staat van behoefte en de volledige vrijstelling aan de ene kant en de toestand die de staat van behoefte benadert en de gedeeltelijke vrijstelling aan de andere kant, zodat de Commissie voor elke periode waarover zij te beslissen heeft met inachtneming van de concrete IX-2627-6/8 gegevens van elke zaak moet uitmaken of de aanvrager in staat van behoefte verkeert dan wel in een toestand die deze benadert, en zij vervolgens discretionair moet beslissen of zij voor elk van die periodes een volledige dan wel een gedeeltelij- ke vrijstelling verleent; dat de weigering om verzoekster voor een bepaalde periode vrij te stellen dan ook geen steun kan vinden in de vaststelling dat haar toestand de staat van behoefte benadert; 3.4.
  21. Overwegende dat het middel gegrond is, BESLUIT: Artikel
  22. Vernietigd wordt de beslissing van 3 april 2000 waarbij de Commissie voor Vrijstelling van Bijdragen, ingesteld bij het bestuur van het Sociaal Statuut der Zelfstandigen van het ministerie van Middenstand en Landbouw, uitspraak doet over de aanvraag van Ingrid THEUNS, in zoverre haar de vrijstelling voor het tweede kwartaal van 2000 geweigerd wordt en geen uitspraak gedaan wordt over haar aanvraag tot vrijstelling voor het derde kwartaal van
  23. Artikel
  24. Het beroep wordt voor het overige verworpen. Artikel
  25. De kosten van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van de verwerende partij. IX-2627-7/8 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op 1 oktober 2007, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. P. LEMMENS, kamervoorzitter, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, Mevr. Ch. BAMPS, staatsraad, de H. W. GEURTS, griffier. De griffier, De voorzitter, W. GEURTS. P. LEMMENS. IX-2627-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.175.199 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.