← België

Arrest 175250 - Bewakingsondernemingen - 02/10/2007

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 02 oktober 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.175.250 Rolnummer: A. 183977/XII-5135 Zaak: Arrest 175250 - Bewakingsondernemingen - 02/10/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-10-08 Raadplegingen: 59 - laatst gezien 2026-06-30 02:45 Fiche Arrest nr 175.250 van 2 oktober 2007 Instellingen, Binnenlandse zaken en lokale besturen - Bewakingsondernemingen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 175.250 van 2 oktober 2007 in de zaak A. 183.977/XII-

  1. In zake : Fahrettin CANDAN, die woonplaats kiest bij advocaat J. Robbroeckx, kantoor houdende te Antwerpen-Wilrijk, Jules Moretuslei 374-376 tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken. -------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIIe KAMER, Gezien het enig verzoekschrift dat Fahrettin Candan op 12 juni 2007 heeft ingediend om de nietigverklaring en de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van de beslissing van 13 april 2007 van de minister van Binnenlandse Zaken om hem geen identificatiekaart uit te reiken voor het uitoefenen van bewakingsactiviteiten; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgesteld door eerste auditeur-afdelingshoofd W. Van Noten over het beroep tot nietigverklaring, op grond van artikel 93 van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State en over de vordering tot schorsing; XII-5135-1/10 Gelet op de beschikking van 22 augustus 2007, waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 11 september 2007; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; Gehoord het verslag van staatsraad J. Lust; Gehoord de opmerkingen van advocaat K. Turkry, die loco advocaat J. Robbroeckx verschijnt voor verzoeker, en van attaché B. Hoffer, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd W. Van Noten; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, OVERWEEGT WAT VOLGT : De feiten
  2. Op 26 juni 2006 vraagt de bewakingsonderneming G4 Security Services NV een identificatiekaart aan voor verzoeker voor een uitvoerende functie binnen de onderneming. In het verslag van 30 oktober 2006 over het veiligheidsonderzoek wordt melding gemaakt van een vonnis van 14 januari 2005 van de rechtbank van eerste aanleg te Gent waarin jegens verzoeker de opschorting van de uitspraak van de veroordeling wordt gelast wegens feiten van opzettelijke slagen en verwondingen. De commissie Onderzoeken naar de Veiligheidsvoorwaarden adviseert op 27 november 2006 dat verzoeker niet aan de veiligheidsvoorwaarden voldoet en dat een procedure tot weigering van de afgifte van een identiteitskaart moet worden aangevat. XII-5135-2/10 Met een brief van 18 januari 2007 deelt de minister van Binnenlandse Zaken aan verzoeker mee dat hij overweegt de afgifte van de identificatiekaart te weigeren. Verzoeker reageert daarop met een verweerschrift van 6 maart
  3. De bestreden beslissing weigert uiteindelijk de identificatiekaart in essentie op grond van de volgende motivering : “Overwegende dat blijkt uit de aanvraag dat U beoogde activiteiten van bewaking en in het bijzonder activiteiten van goederenbewaking uit te oefenen. Dat een elementaire voorzorgsmaatregel van de Minister van Binnenlandse die omtrent de aanvraag moet beslissen, er in bestaat erover te waken dat de mensen die tewerkgesteld worden in de bewakingssector een profiel vertonen van terughoudendheid en over de kwaliteit beschikken om op een geweldloze wijze en met respect voor de rechten en de vrijheden van de medeburgers deze functies uit te oefenen; Dat het de taak is van de overheid een afweging te maken van de feiten die van die aard zijn ernstige tekortkoming kunnen uitmaken aan het vertrouwen dat door de maatschappij in deze personen wordt gesteld; Overwegende dat U opzettelijke slagen en verwondingen ten laste wordt gelegd met arbeidsongeschiktheid tot gevolg. Dat U voor deze feiten de opschorting van de veroordeling bekwam; dat de opschorting van de uitspraak inhoudt dat U deze feiten gepleegd heeft, ook al bent U niet veroordeeld; Overwegende dat de feiten als volgt kunnen worden samengevat (genomen uit het vonnis dd. 14 januari 2005): Op 6 september 2003 reden slachtoffers met hun wagen rond in Gent. OP een bepaald ogenblik parkeerde zich een voertuig in dubbele file, waardoor de doorgang bemoeilijkt werd. Een vrouw stapte uit en vroeg U om iets verder te gaan parkeren. U stapte evenwel uit en begon haar te slaan en te schoppen. Een medepassagier, de vader van het eerste slachtoffer, wilde tussenbeide komen maar werd door U en Uw broer geslagen (de ene hield hem vast terwijl de andere op hem sloeg). Wanneer ook de derde passagier, zijnde de moeder, haar man en dochter wilde ter hulp schieten diende ook zij slagen te incasseren. Uiteindelijk konden de drie slachtoffers in hun wagen vluchten en iets verderop de dienst 100 verwittigen. Alle drie slachtoffers vertoonden verscheidene verwondingen. Ook U en Uw broer vertoonden verwondingen (krabletsels in het gezicht...); - Overwegende dat, zowel destijds voor de rechtbank als in uw verweer dd. 13 maart 2007 U de slagen bekent maar dat u stelt dat deze werden ‘uitgelokt’ door de scheldtirade en slagen van de burgerlijke partijen. U stelt in dit verband dat er een discussie ontstond waarbij allerlei racistische uitlatingen naar Uw hoofd werden geslingerd. Na een slag in Uw gezicht heeft U zich verweerd. De hevige discussie ontaardde in een vechtpartij waarbij wederzijdse slagen en verwondingen vielen. Echter, overwegende vooreerst dat dient opgemerkt te worden dat er in het vonnis geenszins sprake is van wederzijdse slagen en Verwondingen noch van wettige zelfverdediging. Dat in casu ook enkel U en Uw broer terechtstaan voor het toebrengen van opzettelijke slagen en verwondingen. XII-5135-3/10 Overwegende dat de rechter in zijn vonnis hierover het volgende stelt (p. 7) : ‘De rechtbank hecht evenwel weinig geloof aan deze verklaringen. Uit het proces-verbaal blijkt dat [G.H.] amper 1.65 m groot is en tenger gebouwd. Het is onwaarschijnlijk dat zij de eerste beklaagde een slag zou toedienen in het aangezicht. Zij ontkent dit trouwens en wordt hierin gesteund door haar ouders. Hun verklaringen komen oprecht en geloofwaardig over. De verklaringen van de beklaagden en hun entourage daarentegen zijn met een korrel zout te nemen. Waar de beide beklaagden aanvankelijk slechts gewag maakten van een slag in het aangezicht gegeven door [G.H.], spreekt de echtgenote van de tweede beklaagde thans ook al van racistische uitlatingen die [G.H.] zich zou hebben laten ontvallen vooraleer ze de slag zou hebben toegediend én van agressief gedrag in hoofde van [G.H.].’ Overwegende dat bijgevolg dient aangenomen te worden dat er in casu geen sprake was van uitlokking en U enkel als dader (en niet als slachtoffer) dient beschouwd te worden; - Overwegende dat U zowel tegenover de rechtbank als in Uw verweer gewag maakt van racistische uitlatingen van verbalisanten in het proces-verbaal. U stelt dat in het strafdossier op p. 3 letterlijk staat te lezen: ‘er moet eerst bloed vloeien voor de Turken...’. Precies door deze houding van de verbalisanten is de racistische houding van de slachtoffers nooit tot uiting kunnen komen in het strafdossier. Echter, overwegende dat na lezing van het proces-verbaal nr. GE.43.LA.157113/2003 dd. 6 maart 2003 blijkt dat verbalisanten nergens deze zin hebben gebruikt in hun proces-verbaal; dat er in de modus operandi wél het volgende geschreven staat: ‘ De vader valt een vijftal keer. Pas als ze genoeg bloed zien, zijn ze gestopt’. Dat de rechter in dit verband het volgende stelt in zijn vonnis (p. 5) : ‘Op bladzijde 3 van het strafdossier wordt de modus operandi weergegeven. Daar staat onder meer te lezen: ‘De vader valt een vijftal keer. Pas als ze genoeg bloed zien, zijn ze gestopt’. Dit betreft geenszins een racistische uitlating doch is louter de misschien ongelukkig geformuleerde samenvatting van de verklaringen van de slachtoffers waaronder deze van [H.R.]: ‘Ze klopten met hun vuisten op mijn gezicht. Pas toen ik éen vijftal keer ben gevallen en begon te bloeden, hebben ze ons gerust gelaten’. Overwegende dat in dit verband inderdaad dient aangenomen te worden dat verbalisanten enkel een samenvatting gaven van hetgeen de slachtoffers hebben verklaard en zij geenszins uiting gaven van enige vooroordelen; - Tot slot voor wat betreft Uw stelling dat het buurtonderzoek geschiedde een jaar na de feiten, waardoor geen enkele nuttige getuige meer kon worden gevonden stelt de rechter het volgende (p. 5) : ‘Naderhand werden alle partijen verhoord en kregen zij allen de gelegenheid bepaalde opsporingshandelingen te laten afnemen. De eerste beklaagde heeft hiervan geen gebruik gemaakt. De tweede beklaagde maakt in zijn verklaring gewag van buurtbewoners die de feiten gezien hebben doch die hij niet kent bij naam. Hij heeft evenwel bij zijn verhoor niet gevraagd om daar verder onderzoek naar te verrichten. Hij heeft evenmin zelf het initiatief genomen om de namen van deze getuigen te weten te komen. Hun rechten van verdediging werden dan ook niet geschonden...’; XII-5135-4/10 Overwegende dat dan ook dient aangenomen te worden dat het (minstens gedeeltelijk) door Uw eigen toedoen is dat er geen verdere verklaringen werden afgenomen van getuigen; Overwegende dat Uw verweer, rekening houdend met bovenstaande elementen, geenszins geloofwaardig overkomt. Dat de feiten die U ten laste worden gelegd trouwens op voldoende wijze vaststaan daar een rechter, na het voeren van een strafrechterlijk onderzoek en het aanhoren van alle betrokken partijen, geoordeeld heeft dat de feiten ten laste van Uw persoon bewezen zijn. Overwegende dat de wetgever van mening is dat de personen die belast zijn met activiteiten van bewaking vaak geconfronteerd worden met conflictsituaties. Dat dit ook geldt wanneer het gaat om goederenbewaking aangezien ook deze bewakingsagenten eveneens in contact kunnen komen met een ruim publiek. Dat de uitoefening van deze delicate activiteiten vereist dat men in een conflictsituatie een evenwicht vindt tussen enerzijds een efficiënte controle en anderzijds het respect voor de fundamentele rechten van de mens; Dat het de uitdrukkelijke wil is van de wetgever dat men bij de uitoefening van de bewakingsactiviteiten, ook deze van goederenbewaking, op een preventieve manier te werk gaat en een conflict benadert vanuit een psychologische hoek eerder dan zijn toevlucht te nemen tot geweld. Gelet op de wil van de wetgever dat bewakingsactiviteiten geweldloos worden uitgeoefend, is het belangrijk na te gaan, voor elke bewakingsagent afzonderlijk, of hij in geval van conflict geneigd zal zijn terug te vallen op geweld; Dat er met reden twijfel bestaat of een persoon die in het verleden zijn toevlucht nam tot geweld, meerbepaald slagen en verwondingen toebracht, nu over de vereiste ingesteldheid beschikt om het beroep van bewakingsagent uit te oefenen, hetgeen inhoudt dat hij tijdens de uitoefening van de bewakingsactiviteiten de nodige zelfbeheersing aan de dag moet leggen; Overwegende dat het feit dat U het gebruik van fysiek geweld aanwendt in Uw privé-leven het vermoeden doet rijzen dat U tijdens de uitoefening van Uw bewakingsactiviteiten ook niet op een geweldloze manier te werk zou gaan; Dat voormelde feiten er eerder op wijzen dat u niet in staat bent om in een conflictsituatie Uw kalmte en zelfbeheersing te bewaren; Dat het gebruik van geweld niet is toegestaan tijdens de uitoefening van bewakingsactiviteiten; Overwegende dat de wetgever het voorbehouden van de toegang tot de private veiligheidssector aan moreel en professioneel betrouwbare personen als hoofddoelstelling voorop, stelde. Dat deze vooropgestelde saneringsnoodzaak in de sector impliceert dat de ingesteldheid van de betrokkenen met de nodige strengheid wordt beoordeeld; Dat op basis van voornoemde feiten ik de mening ben toegedaan dat U niet voldoet aan de voorwaarden gesteld in artikel 6, lid 1, 8/ van de bewakingswet”. XII-5135-5/10 Ten gronde
  4. Verzoeker voert in een eerste middel de schending aan van artikel 6 van de wet van 10 april 1990 tot regeling van de private en bijzondere veiligheid. Hij wijst er inzonderheid op dat “het bewuste incident” reeds in 2003 plaatshad en buiten de beroepssfeer gebeurde, dat het om slechts één feit gaat, waarvoor hij de opschorting verkreeg, dat het feit werd uitgelokt door een scheldtirade en slagen van de burgerlijke partijen, dat hij een blanco strafregister heeft en eerder vlekkeloos heeft gewerkt bij De Post en bewakingsopdrachten heeft uitgevoerd voor Group
  5. De bestreden beslissing weigert verzoeker de aangevraagde identificatiekaart te verlenen omdat hij “niet voldoet aan de voorwaarden gesteld in artikel 6, lid 1, 8/ van de bewakingswet”. Krachtens dat voorschrift moet verzoeker voldoen aan de veiligheidsvoorwaarden, noodzakelijk voor een uitvoerende functie, en mag hij geen feiten gepleegd hebben die, zelfs als ze niet het voorwerp hebben uitgemaakt van een strafrechtelijke veroordeling, een ernstige tekortkoming van de beroepsdeontologie uitmaken en daarom raken aan het vertrouwen in de betrokkene. De minister beschikt terzake over een ruime beoordelingsbevoegdheid.
  6. De feiten die de minister bij het nemen van zijn beslissing in aanmerking genomen heeft, zijn iets meer dan drieëneenhalf jaar oud. Die termijn is niet zolang dat de minister geacht moet worden, door met de feiten rekening te hebben gehouden, de redelijkheidsgrenzen van zijn beoordelingsbevoegdheid te hebben overschreden. Dat is des te minder het geval waar het, volgens het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg, om “zware” feiten van verkeersagressie ging. Ook de omstandigheid dat de feiten zich in het privéleven van verzoeker hebben voorgedaan, is niet van aard aan te tonen dat de minister onredelijk is geweest. In dat verband wordt in de bestreden beslissing niet verkeerdelijk overwogen dat het gebruik door verzoeker van fysiek geweld in het privéleven, het vermoeden kan wettigen dat hij ook bij de uitoefening van bewakingsactiviteiten niet, zoals door de wetgever gewenst, op een geweldloze manier tewerk zal gaan. XII-5135-6/10 Voorts moesten noch de omstandigheid dat verzoeker de opschorting van de uitspraak van de veroordeling heeft verkregen voor de feiten, noch de omstandigheid dat zij slechts eenmalig zijn geweest, de minister hebben doen voorbijzien dat het, volgens de bewoordingen van het vonnis zelf, “zware feiten van verkeersagressie” betrof die “getuigen van een totaal gebrek aan respect voor andermans fysieke en psychische integriteit”. Zulke feiten mag de minister naar redelijkheid beschouwen als een ernstige tekortkoming aan het vertrouwen dat de maatschappij moet kunnen hebben in personen tewerkgesteld in de bewakingssector. Ook de zogenaamde “uitstekende uitvoering” door verzoeker van zijn opdrachten bij De Post en Group 4 is daarvoor geen beletsel. De discussie, ten slotte, over de beweerde uitlokking van de feiten is, zoals de bestreden beslissing terecht aangeeft, reeds door het vonnis van 14 januari 2005 beslecht: het is ongeloofwaardig dat de burgerlijke partijen “begonnen” zijn.
  7. Samenvattend wordt vastgesteld dat de minister op grond van de motieven in de bestreden beslissing terecht heeft kunnen oordelen dat verzoeker niet over de ingesteldheid beschikt die verwacht mag worden van een moreel en professioneel betrouwbare bewakingsagent. Het eerste middel is ongegrond.
  8. Volgens een tweede middel schendt de bestreden beslissing “de motiveringsplicht die aan elk bestuur wordt opgelegd”. Meer bepaald komt de motivering niet tegemoet aan wat verzoeker eerder heeft doen gelden en wordt niet aangetoond dat het geïsoleerde voorval wijst op een “algemene ingesteldheid”.
  9. In zoverre het middel de bestreden beslissing verwijt niet formeel te antwoorden op verzoekers verweerschrift van 6 maart 2007, getuigt het van een slechte lectuur. Uit de bespreking van het eerste middel, dan weer, volgt dat de formele motieven van de beslissing ook inhoudelijk deugen en draagkrachtig zijn. XII-5135-7/10 Het tweede middel is ongegrond.
  10. Een derde middel, afgeleid uit de schending van het vertrouwensbeginsel, het redelijkheidsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel, wordt als volgt uiteengezet : “Meer bepaald kon verzoeker, rekening houdend met de hem toegekende gunst van de opschorting, erop vertrouwen dat dit geen probleem zou vormen in het kader van de veiligheidswet. Bovendien heeft de Minister niet in het minst rekening gehouden met de argumenten van verzoeker. De ‘sanctie’ van verzoeker geen veiligheidskaart af te willen leveren, staat in totale wanverhouding met de gepleegde feiten, die zoals gesteld eenmalig waren, zich in de private sfeer van verzoeker bevonden en dus niet in dienstverband, en die bovendien reeds van 4 jaar geleden dateren, zonder dat er ook maar enig ander incident ten nadele van verzoeker kan gevonden worden. De Minister heeft de hem ter beschikking staande beoordelingsvrijheid m.a.w. op een onjuiste, onwettige of kennelijk onredelijke wijze uitgeoefend. Door aldus te oordelen heeft de Minister eveneens het zorgvuldigheidsbeginsel geschonden, nu ingevolge dit beginsel de beslissing van de overheid gestoeld moet zijn op een correcte feitenvinding. Hoger werd reeds aangetoond dat dit in casu niet het geval is: de feiten zijn bewust in een verkeerd daglicht geplaatst en overtrokken weergegeven. Verzoeker heeft zijn werkzaamheden steeds nauwgezet uitgeoefend. Uit geen enkel concreet element blijkt dat hij tekort zou schieten aan de beroepsdeontologie”.
  11. Zoals ook al uit de bespreking van het eerste middel volgt, belet de opschorting van de uitspraak van de veroordeling niet dat de minister rechtmatig nog de betrokken feiten in ogenschouw mocht nemen bij zijn beoordeling of verzoeker al dan niet aan de veiligheidsvoorwaarden voldeed om bewakingsactiviteiten uit te oefenen. Het beweerde vertrouwen van verzoeker dat deze feiten “geen probleem zou[den] vormen in het kader van de veiligheidswet” is onterecht en mist grond. Voorts heeft de minister wel degelijk rekening gehouden met de argumenten van verzoeker, in die zin dat hij erop geantwoord heeft. In zoverre het middel betwist dat de minister de argumenten niet gevolgd heeft en de identificatiekaart uiteindelijk geweigerd heeft, wordt in de eerste plaats verwezen XII-5135-8/10 naar de bespreking van het eerste middel. Daaruit blijkt dat de minister op basis van correct vastgestelde en relevante feiten en binnen de grenzen van zijn discretionaire appreciatiebevoegdheid tot de weigering van de identificatiekaart heeft beslist. Wat specifiek de beweerde wanverhouding tussen de gepleegde feiten en de bestreden weigering betreft, kan hieraan nog toegevoegd worden dat de bestreden weigering dan wel streng mag heten, maar dat zij daarom niet willekeurig of onevenredig is. Alle elementen van de zaak in achtgenomen -inbegrepen de in de beslissing uitdrukkelijk aangevoerde wil van de wetgever dat bewakingsactiviteiten geweldloos worden uitgeoefend en dat de toegang tot de private veiligheidssector wordt voorbehouden aan moreel en professioneel betrouwbare personen-, komt de aangevochten weigering voor het resultaat te zijn van een voldoende afgewogen en evenwichtig oordeel van de verwerende partij. Het derde middel is ongegrond.
  12. Het beroep tot nietigverklaring moet worden verworpen, evenals bijgevolg de vordering tot schorsing. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
  13. Het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen. Artikel
  14. De vordering tot schorsing wordt verworpen. XII-5135-9/10 Artikel
  15. De kosten van de vordering tot schorsing, bepaald op 175 euro, komen ten laste van verzoeker. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op twee oktober 2007, door : de HH. J. LUST, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, F. BONTINCK, griffier. De griffier, De voorzitter, F. BONTINCK. J. LUST. XII-5135-10/10 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.175.250 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.