← België

Arrest 175310 - Monumenten en Landschappen - 03/10/2007

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 03 oktober 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.175.310 Rolnummer: A. 81004/X-8508 Zaak: Arrest 175310 - Monumenten en Landschappen - 03/10/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-10-18 Raadplegingen: 60 - laatst gezien 2026-06-30 03:02 Fiche Arrest nr 175.310 van 3 oktober 2007 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Monumenten en Landschappen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 175.310 van 3 oktober 2007 in de zaak A. 81.004/X-

  1. In zake : de KERKFABRIEK O.L. VROUW TEN HEMEL OPGENOMEN, die woonplaats kiest bij advocaat H. SEBREGHTS, kantoor houdende te 2018 ANTWERPEN, Mechelsesteenweg 27 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat B. STAELENS, kantoor houdende te 8000 BRUGGE, Gerard Davidstraat 46 bus
  2. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat de KERKFABRIEK O.L. VROUW TEN HEMEL OPGENOMEN op 6 november 1998 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 30 juli 1998 van de Vlaamse minister van Cultuur, Gezin en Welzijn waarbij het bouwwerk gelegen te Zandhoven (Pulderbos), Dorp 33A, kadastraal bekend sectie B, nr. 470/a (deel)werd beschermd als monument; Gelet op het arrest nr. 81.901 van 23 juli 1999 waarbij de schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit wordt bevolen; Gelet op het arrest nr. 90.165 van 11 oktober 2000 waarbij de debatten worden heropend en het door de auditeur-generaal aangewezen lid van het auditoraat wordt gelast met het aanvullend onderzoek; Gelet op het arrest nr. 117.413 van 21 maart 2003 waarbij de schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit, uitgesproken door het arrest van de Raad nr. 81.901 van 23 juli 1999, wordt opgeheven; X-8508-1/6 Gelet op het arrest nr. 117.412 van 21 maart 2003 waarbij de debatten worden heropend en het door de auditeur-generaal aangewezen lid van het auditoraat wordt gelast met het aanvullend onderzoek; Gezien het aanvullend verslag opgemaakt door auditeur P. BARRA; Gelet op de beschikking van 29 juli 2005 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het aanvullend verslag aan de partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memories; Gelet op de beschikking van 30 januari 2007 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 16 februari 2007; Gehoord het verslag van staatsraad J. BOVIN; Gehoord de opmerkingen van advocaat F. SEBREGHTS, die loco advocaat H. SEBREGHTS verschijnt voor de verzoekende partij, en van advocaat N. DE CLERCQ, die loco advocaat B. STAELENS verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur P. BARRA; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat bij arrest nr. 90.165 van 11 oktober 2000 van de Raad van State het derde middel dat de verzoekende partij aanvoert ongegrond werd bevonden; dat bij arrest nr. 117.412 van 21 maart 2003 zowel het door het auditoraat ambtshalve aangevoerde middel, als het eerste middel ongegrond werden bevonden; dat in de huidige stand van het geding slechts het tweede en vierde middel nog dienen te worden onderzocht; Overwegende dat de verzoekende partij in het tweede middel de schending aanvoert van de algemene doelstelling van artikel 1 van het decreet van 3 maart 1976 tot bescherming van monumenten en stads- en dorpsgezichten, van de X-8508-2/6 overeenkomst van 16 november 1972 inzake de bescherming van het cultureel en natuurlijk erfgoed van de wereld, van het redelijkheidsbeginsel, de zuinigheidsnorm en het vertrouwensbeginsel; dat zij doet gelden dat het beschermde pand volledig verkrot is en de bescherming te laat komt, dat, toen het pand nog te renoveren viel, de verwerende partij heeft nagelaten het te rangschikken als monument, dat enkel een tijdige bescherming in overeenstemming ware geweest met de redelijkheid en de zuinigheid; dat ingevolge het bestreden besluit de verwerende partij een omgekeerd resultaat bekomt in plaats van een efficiënte bewaring, daar een afbraak met oorspronggetrouwe wederopbouw van het “kennelijk niet meer te renoveren” gebouw, onmogelijk wordt, dat verder elke renovatie feitelijk is uitgesloten, daar een aanvraag onderworpen is aan een omslachtige en lange subsidiëringsprocedure, dat voornoemd decreet niet beoogt zorg te dragen voor volledig verkrotte panden; dat de afbraak met oorspronggetrouwe wederopbouw een “zestal miljoen (oude Belgische frank) zou kosten”, terwijl de renovatie waartoe het bestreden besluit leidt, “vijftien miljoen (oude Belgische frank)” kost; Overwegende dat het tweede middel in wezen erop neerkomt dat het bestreden besluit ondoelmatig is, omdat het beschermde pand al te zeer vervallen is; dat dit middel als zodanig aansluit bij het derde middel, waarin de schending wordt aangevoerd van het algemeen motiveringsbeginsel, en waarin wordt gesteld dat het bestreden besluit door feitelijke onjuistheden is ingegeven, bijvoorbeeld wat de slechte bouwfysische toestand van het beschermde pand betreft; dat de Raad van State het derde middel bij voormeld arrest nr. 90.165 ten gronde heeft verworpen; dat de Raad van State hierbij heeft overwogen, inzake het bezwaar van de verzoekende partij dat de bouwfysische toestand zeer slecht is, dat de koninklijke commissie voor monumenten en landschappen met kennis van zaken heeft geoordeeld en dat ze haar beoordelingsbevoegdheid niet verkeerd heeft gebruikt door te oordelen dat het beschermde pand voor restauratie in aanmerking komt; Overwegende dat nergens uit voornoemd decreet kan worden afgeleid dat slechts in goede bouwfysische toestand verkerende gebouwen in aanmerking komen voor bescherming als monument; dat de raadsman van de verzoekende partij ter terechtzitting overigens uitdrukkelijk -en dit in tegenstelling tot hetgeen door de verzoekende partij wordt voorgehouden in de uiteenzetting van het middel- heeft gesteld dat het betrokken pand nog wel restaureerbaar is; Overwegende dat de stelling van de verzoekende partij, als zou de overheid zijn tekort geschoten door het pand niet eerder te beschermen, niet X-8508-3/6 aannemelijk is daar zij het pand reeds in 1982 opnam in de rangschikking van een dorpsgezicht; dat het gegeven dat de bouwvergunningsaanvraag strekkende tot sloping en wederopbouw van het litigieuze pand in 1997 werd geweigerd, gesitueerd moet worden in het kader van deze bescherming als dorpsgezicht; dat de overheid bezwaarlijk kan worden verweten dat ze in het licht van deze bescherming als dorpsgezicht de bouwvergunningsaanvraag beoordeelde; Overwegende dat het besluit van de Vlaamse regering van 5 april 1995 houdende vaststelling van het premiestelsel voor restauratiewerken aan beschermde monumenten (thans: het besluit van de Vlaamse regering van 14 december 2001 houdende vaststelling van het premiestelsel voor restauratie- werkzaamheden aan beschermde monumenten) ook rekening houdt met verbouwingen en grote restauraties; dat het bezwaar van de verzoekende partij dat er gekozen wordt voor een complexe en tijdrovende procedure vereist voor het uitvoeren van werkzaamheden, een kritiek betreft omtrent de beoordeling van de feiten; dat de Raad van State hieromtrent slechts over een marginaal toetsingsrecht beschikt; dat de verzoekende partij geen afdoende elementen bijbrengt waaruit kan blijken dat het bestreden besluit kennelijk onredelijk zou zijn; dat in zoverre wordt aangevoerd dat de bescherming niet in overeenstemming is met de “zuinigheid” kan worden volstaan met de vaststelling dat -zo dit al het geval zou zijn- dit alleszins geen schending van een rechtsregel uitmaakt; dat het middel niet gegrond is; Overwegende dat de verzoekende partij in een vierde middel de schending aanvoert van de artikelen 1 en 2 van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996, van artikel 16 van de gecoördineerde grondwet en van artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag over de Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden; dat de verzoekende partij uiteenzet dat de plannen van aanleg bindende kracht hebben en bijgevolg een hogere plaats aannemen in de rechtsorde dan individuele overheidsbeslissingen zoals het bestreden besluit, terwijl de woon-bestemming door het bestreden besluit teniet wordt gedaan, daar waar een rangschikkingsbesluit de plannen van aanleg dient in acht te nemen, en doordat het bestreden besluit elke bewoning onmogelijk maakt, en het aldus een feitelijke onteigening zonder de voorziene vergoeding betreft; Overwegende dat het vierde middel uitgaat van dezelfde premisse als het tweede middel, namelijk dat de restauratie van het pand onmogelijk is en slechts afbraak en wederopbouw aangewezen zouden zijn; dat om de reeds X-8508-4/6 aangehaalde redenen deze stelling geen steun vindt in de relevante regelgeving inzake het verlenen van restauratiepremies; dat de verzoekende partij overigens niet duidelijk maakt waaruit concreet zou blijken dat het bestreden besluit de woonfunctie onmogelijk maakt, zodat in die zin evenmin de door haar beweerde strijdigheid met de woonfunctie binnen de bestemming wordt aangetoond; dat immers de bindende kracht van de plannen van aanleg slechts geschonden wordt indien de realisatie van de bestemming volgens het gewestplan onmogelijk wordt gemaakt; dat daarenboven de bestemming in het gewestplan als woongebied niet zo eenduidig is gericht op de woonfunctie als de verzoekende partij voorhoudt; dat immers artikel 5.1.
  3. van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerpgewestplannen en gewestplannen bepaalt dat woongebied niet alleen is bestemd voor wonen, maar tevens voor handel, dienstverlening, ambacht en kleinbedrijf, voor zover deze taken van bedrijf om reden van goede ruimtelijke ordening niet in een daartoe aangewezen gebied moeten worden afgezonderd, voor groene ruimten, voor sociaal-culturele inrichtingen, voor openbare nutsvoorzieningen, voor toeristische voorzieningen, voor agrarische bedrijven; dat het vierde middel niet gegrond is, BESLUIT: Artikel
  4. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  5. De kosten van de vordering tot schorsing en van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 347,06 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. X-8508-5/6 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op drie oktober 2007, door de Xe kamer, die was samengesteld uit : de HH. R. STEVENS, kamervoorzitter, J. BOVIN, staatsraad, D. MOONS, staatsraad, Mevr. G. SCHEVENEELS, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, G. SCHEVENEELS. R. STEVENS. X-8508-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.175.310 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:1999:ARR.81.901 ECLI:BE:RVSCE:2000:ARR.90.165 ECLI:BE:RVSCE:2003:ARR.117.412 ECLI:BE:RVSCE:2003:ARR.117.413 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.