← België

Arrest 175315 - Varia (overheidsopdrachten en openbare werken) - 04/10/2007

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 04 oktober 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.175.315 Rolnummer: A. 185138/XII-5201 Zaak: Arrest 175315 - Varia (overheidsopdrachten en openbare werken) - 04/10/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-10-08 Raadplegingen: 50 - laatst gezien 2026-06-30 03:03 Fiche Arrest nr 175.315 van 4 oktober 2007 Overheidsopdrachten en openbare werken - Varia (overheidsopdrachten en openbare werken) Beslissing : Verwerping Inwilliging tussenkomst Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 175.315 van 4 oktober 2007 in de zaak A. 185.138/XII-

  1. In zake : de VZW THUISHULP, die woonplaats kiest bij advocaat V. Petitat, kantoor houdende te 1170 Brussel, Terhulpsesteenweg 177, bus 6 tegen : de VLAAMSE DIENST VOOR ARBEIDSBEMIDDELING EN BEROEPSOPLEIDING (VDAB), die woonplaats kiest bij advocaten D. D’Hooghe en E. Lefevre, kantoor houdende te 1000 Brussel, Loksumstraat
  2. tussenkomende partijen :
  3. de VZW FAMILIEHULP, die woonplaats kiest bij advocaat W. Mertens, kantoor houdende te Beringen, Scheigoorstraat 5
  4. de VZW GEZINSZORG VILLERS, die woonplaats kiest bij advocaten D. Erreygers, Chr. Lenders en S. Vernaillen, kantoor houdende te Antwerpen, Mechelsesteenweg
  5. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE VOORZITTER VAN DE XIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat de VZW Thuishulp op 14 september 2007 heeft ingediend om bij uiterst dringende noodzakelijkheid de schorsing te vorderen van “(1/) de beslissing s.d. van de tegenpartij, waarvan haar kennis werd gegeven bij schrijven van 4 september 2007 en waarbij werd beslist de opdracht ‘Tendering trajectbegeleiding en competentieversterking van werkzoekenden behorende tot de 4 prioritaire kansengroepen voor wat betreft perceel II-E-1 : Antwerpen-Polyvalent verzorgende’, slechts voor één lot te gunnen aan verzoekster, XII-5201-1/5 alsook (2/) tegen de impliciete weigeringsbeslissing om de overige twee loten waarvoor verzoekster zich had ingeschreven niet te gunnen aan verzoekster”; Gezien de nota van de verwerende partij; Gelet op de beschikking van 17 september 2007 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 27 september 2007, om 10.30 uur; Gezien het op 21 september 2007 ingediende verzoekschrift waarbij de VZW Familiehulp vraagt in het administratief kort geding te mogen tussenkomen; dat zij betrokken blijkt bij de bestreden beslissingen en erbij belang hebben dat de vordering wordt afgewezen; dat haar verzoek dienvolgens moet worden ingewilligd; Gezien het op 24 september 2007 ingediende verzoekschrift waarbij de VZW Gezinszorg Villers vraagt in het administratief kort geding te mogen tussenkomen; dat zij betrokken blijkt bij de bestreden beslissingen en erbij belang heeft dat de vordering wordt afgewezen; dat haar verzoek dienvolgens moet worden ingewilligd; Gehoord het verslag van kamervoorzitter D. Verbiest; Gehoord de opmerkingen van advocaat T. Dreier, die loco advocaat V. Petitat verschijnt voor de verzoekende partij, van advocaten D. D'Hooghe en E. Lefevre, die verschijnen voor de verwerende partij, van advocaat A. Beelen, die loco advocaat W. Mertens verschijnt voor de eerste tussenkomende partij, en van advocaat S. Vernaillen, die verschijnt voor de tweede tussenkomende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur P. Barra; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, XII-5201-2/5 OVERWEEGT WAT VOLGT : De gegevens van de zaak Met een brief van 4 september 2007 stelt de verwerende partij verzoekende partij in kennis van het feit dat ten dele geen gunstig gevolg kan worden gegeven aan de offerte voor perceel II-E-
  6. Deze brief bevat in bijlage hetgeen genoemd wordt “de gemotiveerde gunningsbeslissing van deze opdracht”. In de brief wordt verwezen naar een wachtperiode van 10 kalenderdagen om zich in rechte voorzien. Uit de voormelde bijlage - deel van een gunningsverslag - blijkt dat er 10 inschrijvers waren; één inschrijver, namelijk de verzoekende partij, schreef in voor drie loten, drie inschrijvers schreven in voor twee loten en de overige zes inschrijvers schreven in voor één lot. Op het einde van de laatstgenoemde bijlage volgt dan een rangschikking waaruit blijkt dat de verzoekende partij (dossier 71) voorlaatste gerangschikt wordt met 51 punten op
  7. Als eindbeoordeling wordt voorgesteld de loten toe te wijzen in volgorde van rangschikking; alle eerste acht inschrijvers bekomen de opdracht waarvoor ze ingeschreven waren; de negende gerangschikte, de verzoekende partij, krijgt het laatste lot -terwijl zij voor drie loten had ingeschreven- en de laatste inschrijver, krijgt geen lot. De grondvoorwaarden voor de schorsing. Krachtens artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid worden besloten onder de drievoudige voorwaarde dat uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is, dat ernstige middelen worden aangevoerd die de nietigverklaring van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen. Wat betreft de derde voorwaarde voert de verzoekende partij als moeilijk te herstellen ernstig nadeel aan dat ze beoogt met de voorliggende vordering XII-5201-3/5 uiteindelijk nog zelf de opdracht te kunnen uitvoeren. Zij verduidelijkt daarbij dat zonder de gevraagde schorsing haar de kans ontnomen wordt tot het verwerven van een belangrijke referentie bestaande uit een prestigieus project voor een openbare instelling, met een aanzienlijke waarde. De verzoekende partij vordert de schorsing van de tenuitvoerlegging van een beslissing waarvan ze bij de voormelde brief van 4 september 2007, kennis kreeg en waaruit blijkt dat haar offerte slechts voor één lot werd gekozen en de andere twee loten waarvoor ze had ingeschreven, haar niet werden toegewezen. De verzoekende partij beperkt haar vordering tot die beslissing en geeft als voorwerp van haar vordering niet de beslissing aan waarbij de twee litigieuze loten van de opdracht worden toegewezen aan andere inschrijvers. In haar inleidend verzoekschrift bij de uiteenzetting van de uiterst dringende noodzakelijkheid wijst de verzoekende partij er nochtans op dat ze vreest dat de betrokken toewijzingsbeslissing betekend zal worden. Voorts wordt in het haar medegedeelde gunningsverslag melding gemaakt van de inschrijvers die worden voorgesteld voor de twee niet aan haar toegewezen loten. Uit hetgeen voorafgaat blijkt dat een schorsing van de bestreden beslissing zoals deze in het schorsingsverzoekschrift is omschreven, het door de verzoekende partij aangevoerd nadeel niet kan weren. Immers, zelfs indien de gevraagde schorsing wordt bevolen, wordt de toewijzingsbeslissing betreffende de aan de verzoekende partij niet-toegewezen loten en haar uitvoering onverlet gelaten en het is door de tenuitvoerlegging van die beslissing dat het aangevoerde nadeel -de opdracht betreffende die twee loten niet zelf te kunnen uitvoeren- wordt teweeggebracht. De verzoekende partij heeft geen voorziening tegen die toewijzingsbeslissing ingesteld, ook niet na kennisname van de nota en het administratief dossier van de verwerende partij. Het nadeel waarvan de verzoekende partij aanvoert dat het haar bedreigt, kan dus niet worden tenietgedaan of vermeden door de gevraagde schorsing. Aan de derde van de door het voormelde artikel 17 gestelde voorwaarden is dus niet voldaan. Die vaststelling volstaat om de vordering af te wijzen. XII-5201-4/5 OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
  8. De verzoeken tot tussenkomst van de VZW Familiehulp en de VZW Gezinszorg Villers in het administratief kort geding worden ingewilligd. Artikel
  9. De vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt verworpen. Artikel
  10. De kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. De kosten van de tussenkomsten in de schorsingsprocedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid, bepaald op 250 euro, komen ten laste van de tussenkomende partijen, elk voor de helft. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op vier oktober 2007, door : de H. D. VERBIEST, kamervoorzitter, Mevr. S. DOMS, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DOMS. D. VERBIEST. XII-5201-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.175.315 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.180.940 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.