← België

Arrest 175369 - Milieuvergunningen - 04/10/2007

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 04 oktober 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.175.369 Rolnummer: A. 181835/VII-36959 Zaak: Arrest 175369 - Milieuvergunningen - 04/10/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-10-26 Raadplegingen: 63 - laatst gezien 2026-06-30 03:05 Fiche Arrest nr 175.369 van 4 oktober 2007 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Milieuvergunningen Beslissing : Verwerping Inwilliging tussenkomst Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 175.369 van 4 oktober 2007 in de zaak A. 181.835/VII-36.959. In zake : 1. Gabriëlle PHILIPS, wonende te TERVUREN-VOSSEM, Flosstraat 4 2. Fernand GILLIJNS, die woonplaats kiest bij advocaten T. DEWANDRE en Ph. VAN WESEMAEL, kantoor houdende te BRUSSEL, Jan Jacobsplein 5 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat I. LAUREYS, kantoor houdende te BUGGENHOUT, Provincialebaan 20. tussenkomende partij : de n.v. AQUAFIN, die woonplaats kiest bij advocaten B. ASSCHERICKX en I. COOREMAN, kantoor houdende te BRUSSEL, Ninoofsesteenweg 643. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Gabriëlle PHILIPS en Fernand GILLIJNS op 19 maart 2007 hebben ingediend om de schorsing te vorderen van de tenuitvoerlegging van het besluit van de Vlaamse minister van Openbare Werken, Energie, Leefmilieu en Natuur van 15 januari 2007 "houdende herziening van het ministerieel besluit (...) van 12 juni 2005 houdende uitspraak over de beroepen aangetekend tegen de beslissing (...) van 2 december 2004 van de bestendige deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant, houdende het verlenen van vergunning aan de n.v. AQUAFIN, Dijkstraat 8, 2630 Aartselaar, om een rioolwaterzuiverings-installatie, gelegen te 3080 Tervuren, Flosstraat z/n, te exploiteren"; VII-36.959-1/34 Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur P. SOURBRON; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen; Gelet op de beschikking van 17 juli 2007 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 6 september 2007; Gehoord het verslag van kamervoorzitter L. HELLIN; Gehoord de opmerkingen van advocaat T. DEWANDRE, die verschijnt voor tweede verzoeker, van advocaat K. VAN WYNSBERGE die, loco advocaat I. LAUREYS verschijnt voor de verwerende partij, en van advocaat K. PHLIPS die, loco advocaat I. COOREMAN verschijnt voor de tussenkomende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur P. SOURBRON; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; 1. Het verzoek tot tussenkomst. Overwegende dat de n.v. AQUAFIN, begunstigde van de bestreden vergunning, met een verzoekschrift van 10 april 2007 heeft gevraagd om in het administratief kort geding te mogen tussenkomen; dat haar verzoek kan worden ingewilligd; 2. De gegevens van de zaak. Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : VII-36.959-2/34 2.1. Op 3 augustus 2004 dient de tussenkomende partij bij de bestendige deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant een milieuvergunningsaanvraag in voor het exploiteren van een rioolwaterzuiveringsinstallatie aan de Flosstraat te Tervuren. Tot het voorwerp van de aanvraag behoort in concreto : - een rioolwaterzuiveringsinstallatie van 17.000 inwonersequivalent omvattende : twee persleidingen, een mechanische zuivering door een automatisch fijnrooster, een manueel rooster, een zandvanger, twee trommelzeven met automatische afsluiter, een biologische zuivering door een bioreactor, een fijnbellenbeluchting, een membraanextractie-eenheid, een koolstofdosering, slibverwerking door een indiktafel, een polyelektroliet-aanmaakinstallatie, een PE-dosering, een slibbuffertank en een regenbezinktank; - een transformator van 800 kVA; - twee luchtcompressoren van elk 7,5 kW; - de opslag van circa 22.500 kg defosfatatiemiddel, 3.300 kg PE, 1.100 kg Na0Cl en 1.200 kg Hcl; - de opslag van 1.000 liter smeerolie en 1.000 liter afgewerkte olie; - een laboratorium. 2.2. Bij besluit van 2 december 2004 verleent de bestendige deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant de gevraagde milieuvergunning voor een termijn van twintig jaar. De vergunning wordt afhankelijk gesteld van de naleving van een aantal bijzondere voorwaarden. 2.3. Op 12 januari 2005 stellen Gabriëlle PHILIPS, Fernand GILLIJNS en Hubert SOMMERYNS beroep in tegen die vergunning. 2.4. De adviezen die in de beroepsprocedure worden uitgebracht stellen alle de verwerping van het beroep voor. 2.5. Met een besluit van 12 juni 2005 wordt het administratief beroep ongegrond verklaard en de beroepen beslissing bevestigd. 2.6. Tegen voormeld besluit stellen Gabriëlle PHILIPS en Fernand GILLIJNS een beroep tot nietigverklaring en een vordering tot schorsing in bij de Raad van State (zaak A. 166.020/VII-34.590). VII-36.959-3/34 Bij 's Raads arrest nr. 157.252 van 31 maart 2006 wordt de schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit bevolen. 2.7. Op 15 januari 2007 neemt de Vlaamse minister van Openbare Werken, Energie, Leefmilieu en Natuur een besluit waarbij het door de Raad van State geschorste besluit van 12 juni 2005 wordt "opgeheven". Tegelijk wordt opnieuw uitspraak gedaan over de beroepen die waren ingesteld tegen het besluit van 2 december 2004 van de bestendige deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant : de beroepen worden ongegrond verklaard en de beroepen vergunning voor het exploiteren van een rioolwaterzuiveringsinstallatie wordt bevestigd. Dit besluit maakt het voorwerp uit van voorliggende vordering tot schorsing; 3. De ontvankelijkheid van de vordering. Overwegende dat de tussenkomende partij als exceptie opwerpt dat de vordering laattijdig is ingesteld, omdat het besluit op 16 januari 2007 aan de raadslieden van de verzoekende partijen is betekend en het verzoekschrift tot schorsing slechts op 21 maart 2007 zou zijn ingediend; dat uit de stukken evenwel blijkt dat het verzoekschrift op 19 maart 2007 aangetekend aan de Raad van State werd verstuurd; dat de exceptie derhalve faalt; 4. De gegrondheid van de vordering ingesteld door eerste verzoekster. Overwegende dat eerste verzoekster ter zitting niet is verschenen en evenmin is vertegenwoordigd; dat luidens artikel 4, derde lid, van het koninklijk besluit van 5 december 1991 tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State, de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging moet worden afgewezen "wanneer de eiser noch verschijnt noch vertegenwoordigd is"; dat om die redenen de vordering van eerste verzoekster wordt afgewezen; 5. De gegrondheid van de vordering ingesteld door tweede verzoeker. Overwegende dat krachtens artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging kan worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden VII-36.959-4/34 aangevoerd die de nietigverklaring van de aangevochten akte of verordening kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden akte of verordening een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; 5.1.1. Overwegende dat tweede verzoeker in een eerste middel de schending aanvoert van artikel 4 van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening, artikel 2, § 1,van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996, het koninklijk besluit van 7 april 1977 houdende vaststelling van het gewestplan Leuven, de artikelen 11.4.1, 15.4.6.1, 17.6.2 en 20 van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en gewestplannen, de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen en van het zorgvuldigheids-, het rechtszekerheids- en het vertrouwensbeginsel als algemene beginselen van behoorlijk bestuur, en het ontbreken van de rechtens vereiste grondslag, doordat het bestreden besluit de milieuvergunning verleent voor het oprichten van een rioolwaterzuiveringsinstallatie (hierna: RWZI) op percelen die deels in een zone voor gemeenschapsvoorzieningen en openbare nutsvoorzieningen zijn gelegen, en deels in een landschappelijk waardevol agrarisch gebied, terwijl bij het verlenen van een milieuvergunning de bindende en verordenende kracht van de voorschriften van de plannen van aanleg geëerbiedigd moet worden en de milieuwetgeving daarom ondergeschikt is aan de wetgeving betreffende de stedenbouw en de ruimtelijke ordening, zodat een milieuvergunning in principe moet worden geweigerd wanneer zij, zelfs gedeeltelijk, in strijd is met de plannen van aanleg, terwijl de bestemming als landschappelijk waardevol agrarisch gebied het gebruik van dit gebied beperkt tot de landbouw in de ruime zin en zodoende de exploitatie en de oprichting van een RWZI in zulk gebied uitsluit; dat verzoeker betoogt dat het koninklijk besluit van 28 december 1972, alsook de ministeriële omzendbrief van 8 juli 1997, expliciet bepalen dat bij gebruik voor landbouw in de ruime zin, de schoonheidswaarde van het landschap niet in gevaar mag worden gebracht, zodanig dat in deze gebieden het landschapskarakter zoveel mogelijk moet worden bewaard en bijzondere aandacht moet worden besteed aan de esthetische aspecten van nieuwe inplantingen of verbouwingen, dat naast het planologische criterium, met name de agrarische bestemming, aldus ook het criterium van de landschappelijke en esthetische waarde niet veronachtzaamd mag worden door de besturen die kennis nemen van aanvragen die zich situeren in het gebied, dat de vergunningverlenende overheid dan ook niet alleen moet onderzoeken of de aanvraag in overeenstemming is met de in de VII-36.959-5/34 grondkleur aangegeven bestemming van het gebied, maar tevens moet onderzoeken of de beoogde handelingen en werken wel in overeenstemming kunnen worden gebracht met de eisen van vrijwaring van het landschap, dat, ook indien het gebied reeds structureel aangetast zou zijn, de overheid de plicht heeft om aan landschapsontwikkeling te doen, dat een groenscherm in die gevallen niet van aard kan zijn om de planologisch-esthetische bezwaren te ondervangen, doch integendeel een indicatie vormt dat de overheid de constructie als hinderlijk en onesthetisch aanziet, dat in casu moet worden vastgesteld dat de oprichting van een bufferzone voor een RWZI geenszins als "gebruik voor de landbouw in de ruime zin" kan worden beschouwd, dat dit alles des te meer klemt, nu in de bestreden vergunning nergens met een woord wordt gerept over de bestaanbaarheid van deze bufferzone met de bestemming als agrarisch gebied, laat staan over de verenigbaarheid van de installatie met het landschappelijk waardevol karakter van dit agrarisch gebied, dat het feit dat de werken in het agrarisch gebied beperkt zouden zijn tot de aanplanting van een bufferzone niet automatisch met zich brengt dat deze werken verenigbaar zijn met de algemene bestemming als landschappelijk waardevol én agrarisch gebied, dat daarnaast, zelfs indien de verwerende partij zonder expliciet naar artikel 20 van het koninklijk besluit van 28 december 1972 te verwijzen, van oordeel zou zijn dat zij zich voor deze werken kan beroepen op dat artikel, zij dan nog uit het oog verliest dat dit artikel slechts kan worden aangewend in zeer uitzonderlijke omstandigheden en dat dit uitgesloten is in het geval van tegenstrijdige functies, dat de aanplanting van de bufferzone, onlosmakelijk verbonden met de oprichting van de RWZI, niet alleen strijdig is met de gewestplanbestemming en het landschappelijk waardevol karakter ervan, maar het de bestreden vergunning tevens ontbreekt aan enige concrete motivering met betrekking tot de toepassing van de uitzonderingsmaatregel bedoeld in artikel 20 van het koninklijk besluit van 28 december 1972 en de verenigbaarheid met de omliggende gebieden en bebouwing, dat in het bestreden besluit evenmin wordt aangegeven waaruit zou blijken dat de in te planten bufferzone verenigbaar is met de algemene bestemming en met het architectonisch karakter van het betrokken gebied, dat uit de lezing van artikel 20 van het koninklijk besluit van 28 december 1972 overigens hoe dan ook volgt dat deze bepaling enkel kan worden aangewend voor "bouwwerken" en dus niet voor de inplanting van een bufferzone, dat de overwegingen in het bestreden besluit, dat volgens de bouwvergunning van 31 augustus 2005 de werken zich zullen beperken tot het gebied voor gemeenschapsvoorzieningen en openbare nutsvoorzieningen, aan deze vaststelling geen afbreuk doet, nu de exploitatie van de VII-36.959-6/34 RWZI zich alleszins eveneens over de terreinen gelegen in landschappelijk waardevol agrarisch gebied zal uitstrekken; 5.1.2. Overwegende dat de verwerende partij in haar nota daarop als volgt antwoordt : "De in casu beoogde bouwplaats van de kwestieuze RWZI werd beperkt gehouden tot één kadastraal perceel, namelijk het perceel nr 48a2. Dit perceel is op het planologische vlak integraal gelegen in een zone voor gemeenschapsvoorzieningen en openbare nutsvoorzieningen overeenkomstig artikel 17.6.2 van het KB van 28 december 1972. Het betreft meer bepaald de locatie van een vroegere zandgroeve, waardoor de beoogde bouwplaats zich bevindt in een kuil die - per definitie - een stuk lager gelegen is dan het omliggende akkerlandschap, en grenst aan een zogenaamde holle weg. In deze vroegere zandwinningput heeft zich in de loop van de jaren spontaan een zogenaamde pioniervegetatie ontwikkeld, dat thans het karakter van een klein bos heeft aangenomen. De beoogde bufferzone met streekeigen groen die verplichtend dient te worden voorzien bij de bouw (van) een dergelijke RWZI is gelegen in landschappelijk waardevol agrarisch gebied. Het betreft een nieuw aan te planten bos met inheemse struiken en eerder laagstammige boomsoorten op de taluds van de oude zandgroeve. Aangezien de spontaan gegroeide bebossing van de zandwinningput zal dienen te worden ontbost voor de bouw van de RWZI, zal de noodzakelijke verplichting tot compensatie worden nagekomen door de taluds van de zandgroeve te beplanten met een eerder brede bosstrook. De Afdeling Stedenbouwkundige Vergunningen van de Administratie AROHM heeft in het kader van de adviesverlening mbt de milieuvergunningsaanvraag een omstandig en gunstig advies verleend. Deze administratie oordeelde dat de inrichting in haar geheel verenigbaar was met de voor het terrein geldende planologische voorschriften. Een rioolwaterzuiveringsinstallatie is immers duidelijk een inrichting van openbaar nut. Voor wat betreft de aan te leggen bufferzone is het zo dat deze grenst aan een - spontaan ontwikkeld - bos, zodat de aanplanting met streekeigen bomen net een meerwaarde zal geven aan de bestaande met bomen omzoomde landbouwweg en bezwaarlijk als onverenigbaar kan beschouwd worden met de voor het terrein geldende planologische voorschriften. De bufferzone wordt bovendien volledig geïntegreerd in het landschap. De stedenbouwkundige vergunning werd trouwens ook in die zin verleend op 31 augustus 2005. Volgens de Afdeling Stedenbouwkundige Vergunningen zal door de inpassing van de installatie in de bestaande kuil van de vroegere zandgroeve en de aan te planten streekeigen bomen de inrichting goed opgenomen worden in het landschap en zal de landbouwweg zelfs een landschappelijke en ecologische meerwaarde verkrijgen. De holle weg zal zelfs maximaal hersteld worden naar aanleiding van de inplanting van de inrichting en de kwaliteit van het oppervlaktewater zal door de exploitatie ervan substantieel verhogen. Deze duidelijke stellingname van de bevoegde administratie druist regelrecht in tegen de bewering van verzoekers als zouden de beoogde handelingen en VII-36.959-7/34 werken niet in overeenstemming zijn met de eisen van vrijwaring van het landschap. Impliciet kan zelfs worden aangenomen dat deze bevoegde administratie van oordeel is dat de inplanting van de kwestieuze rioolwaterzuiveringsinstallatie een element van landschapsontwikkeling uitmaakt op de desbetreffende site. De vraag dient te worden gesteld of in de bestreden beslissing meer motieven dienen te worden gewijd aan de planologische verenigbaarheid van de inrichting. Verwezen wordt naar het omstandige gunstige advies van de Afdeling Stedenbouwkundige Vergunningen. Verwezen wordt ook naar de planologische toetsing naar aanleiding van het verlenen van de stedenbouwkundige vergunning aan de nv Aquafin voor de bouw van de RWZI. Uw Raad heeft de middelen van verzoekende partijen verworpen naar aanleiding van de beoordeling ervan in het kader van het administratief kortgeding + annulatieberoep dat verzoekers hadden ingesteld tegen de bouwvergunning van 31 augustus 2005. Hoe dan ook is het geenszins zo dat - wat verzoekers ook mogen beweren - 'voor het overige nergens met een woord wordt gerept' over de bestaanbaarheid van de bufferzone met de bestemming van landschappelijk waardevol agrarisch gebied. In de bestreden beslissing wordt immers uitdrukkelijk gewag gemaakt van het feit dat het nieuwe ontwerp van installatie (met de MBR-techniek) als gevolg heeft dat de installatie veel compacter geworden is en dat deze hierdoor meer verscholen wordt ingeplant achter de bestaande taluds en op een grotere afstand van de bewoners. Bovendien wordt uitdrukkelijk gesteld dat in het kader van de stedenbouwkundige vergunning de heraanleg van elders gekapte bomen zal geschieden op het perceel 49h, waardoor dit perceel enkel nog zal dienen als groenbuffer. Met deze inplanting wordt volgens de Minister een minimum aan visuele hinder bekomen. Het landschappelijk waardevolle aspect van dit gebied werd aldus zeker niet uit het oog verloren. Voor wat betreft de beweerde schendingen van bepaalde beginselen van behoorlijk bestuur wordt door verzoekende partijen niet eens uiteengezet waaruit deze schendingen zouden bestaan"; 5.1.3. Overwegende dat de tussenkomende partij op het middel als volgt argumenteert : "Ten onrechte wordt gesteld dat de RWZI deels in een zone voor gemeenschapsvoorzieningen en openbare nut(s)voorzieningen is gelegen en deels in een landschappelijk waardevol agrarisch gebied. Deze stelling is echter onjuist gezien de RWZI die het voorwerp uitmaakt van huidige stedenbouwkundige vergunning enkel in de zone voor gemeenschapsvoorzieningen en openbare nutsvoorzieningen is gelegen en niet in het landschappelijk waardevol agrarisch gebied. Dit werd trouwens uitdrukkelijk bevestigd in het arrest van de Raad van State nr.155.602 dd. 24.02.2006 waarbij het verzoek tot schorsing van de stedenbouwkundige vergunning dd. 31 augustus 2005 aan de NV AQUAFIN voor het bouwen van een rioolwaterzuiveringsinstallatie werd verworpen. Dat het hiervoor aangehaalde eerste middel door de Raad van State in haar arrest 155.602 niet ernstig werd bevonden op grond van volgende motivering : 'Overwegende dat in de motieven van het bestreden besluit wordt vastgesteld dat de betrokken percelen volgens het gewestplan Leuven VII-36.959-8/34 gelegen zijn in een gebied voor gemeenschapsvoorzieningen en openbare nutsvoorzieningen en in beperkte mate eveneens in landschappelijk waardevol agrarisch gebied. Dat evenwel meermaals wordt overwogen dat alle werken bedoeld in de vergunning, met inbegrip van de compenserende bebossing, enkel dienen te gebeuren in het gebied voor gemeenschapsvoorzieningen'. 'Overwegende dat het middel ervan uitgaat dat de bufferzone opgericht wordt in een landschappelijk waardevol agrarisch gebied; dat uit de aangehaalde motieven en het dispositief van het bestreden besluit lijkt te volgen dat dit uitgangspunt niet correct is; dat het middel aan het bestreden besluit niet verwijt dat het de bestemming van de betrokken percelen, overeenkomstig het gewestplan, verkeerd zou hebben weergegeven; dat het middel, dat lijkt te steunen op een verkeerde lezing van het bestreden besluit, niet ernstig is'. De RWZI wordt volledig gebouwd op het perceel kadastraal gekend onder afdeling 3, sectie C nr. 48 A 2 dat volledig gelegen is in de zone voor gemeenschapsvoorzieningen en openbare nutsvoorzieningen en voor een deel op het perceel kadastraal gekend onder afdeling 3, sectie C nr. 49 H. De werken bevat in de stedenbouwkundige vergunning beperken zich tot het gebied voor gemeenschapsvoorzieningen en openbare nutsvoorzieningen zoals aangegeven op het Gewestplan Leuven. Op het beplantingsplan (...) werd aangeduid welk gedeelte wordt beschouwd als ontbost en te compenseren, in het groen welk gedeelte dient behouden te worden als bos en in het blauw welk gedeelte dient voor compenserende bebossing. Het perceel 49 H dient beplant te worden met inheemse struiken. Het deel van het perceel 49 H dat zal beplant worden met inheemse struiken is nog volledig gelegen in het gebied voor gemeenschapsvoorzieningen en openbare nutsvoorzieningen. Ook in het compensatiedossier voor herbebossing is men uitgegaan van de bestemming 'gebied voor gemeenschapsvoorzieningen en openbare nutsvoorzieningen' door de voorgestelde herbebossing. Bovendien haalt het Ministerieel Besluit dd. 15.01.2007 duidelijk aan dat in de stedenbouwkundige vergunning dd. 31.08.2005 door de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar met betrekking tot de juiste bepaling van de zone 'gebied voor gemeenschapsvoorzieningen en openbare nutsvoorzieningen' het volgende werd bepaald : 'Dit houdt een meer nauwkeurige bepaling in van de precieze begrenzing van de zone 'gebied voor gemeenschapsvoorzieningen en openbare nutsvoorzieningen', zoals aangegeven op het bijgevoegd plan (bepaling gewestplan bestemmingen). De grens van het bestemmingsgebied 'gebied voor gemeenschapsvoorzieningen en openbare nutsvoorzieningen' wordt aldus aangegeven op basis van het gewestplan schaal 1/10.000 : - het woongebied met landelijk karakter situeert zich tot 110 m in de Flosstraat vanaf de bouwlijn aan de noordzijde van Hondsbergen; - de zone 'gebied voor gemeenschapsvoorzieningen en openbare nutsvoorzieningen' strekt zich uit tot 150 m in de Flosstraat gemeten vanaf de bouwlijn aan de noordzijde van Hondsbergen. - De zone 'gebied voor gemeenschapsvoorzieningen en openbare nutsvoorzieningen' situeert zich tot 110 m rechtop de Flosstraat gemeten van de westelijke zijde van de Flosstraat (waarvan de breedte bepaald wordt door het kadasterplan)'. Op het plan 'bepaling gewestplanbestemmingen' (...) wordt aangeduid tot waar de zone 'gebied voor gemeenschapsvoorzieningen en openbare nutsvoorzieningen' loopt en hieruit blijkt dat het volledige project inclusief de VII-36.959-9/34 compenserende bebossing ligt in de zone voor gemeenschapsvoorzieningen en openbare nutsvoorzieningen. Dit blijkt ook uit het uittreksel uit het gewestplan (...)"; 5.1.4. Overwegende dat in het bestreden besluit uitdrukkelijk wordt gewezen "op de ligging van de inrichting in een zone voor gemeenschapsvoorzieningen en openbare nutsvoorzieningen en in beperkte mate in landschappelijk waardevol agrarisch gebied, volgens het gewestplan Leuven, goedgekeurd bij koninklijk besluit van 7 april 1977"; dat ook met betrekking tot de ligging van de inrichting het bestreden besluit eveneens overweegt wat volgt : "Overwegende dat de stedenbouwkundige vergunning voor het bouwen van de rioolwaterzuiveringsinstallatie werd verleend op 31 augustus 2005; de werken bevat in deze stedenbouwkundige vergunning beperken zich echter tot het gebied voor gemeenschapsvoorzieningen en openbare nutsvoorzieningen zoals aangegeven op het aan de voormelde stedenbouwkundige vergunning toegevoegd(

  1. e)en eensluidend verklaard afschrift van het Gewestplan Leuven schaal 1/10.000; dit houdt een meer nauwkeurige bepaling in van de precieze begrenzing van de zone 'gebied voor gemeenschapsvoorzieningen en openbare nutsvoorzieningen', zoals aangegeven op het bijgevoegd plan, (bepaling gewestplan bestemmingen). De grens van het bestemmingsgebied 'gebied voor gemeenschapsvoorzieningen en openbare nutsvoorzieningen' wordt aldus aangegeven op basis van het gewestplan schaal 1/10.000 : (...) (...) (...) dat er in het kader van de stedenbouwkundige vergunning een heraanleg van de gekapte bomen op een deel van perceel 49h voorgesteld is door de NV Aquafin, zoals opgegeven in het beplantingsplan; dat het perceelnummer 49h enkel dient als groenbuffer en dat de zone van dit perceel waarbinnen de werken worden uitgevoerd zich beperkt tot het gebied voor gemeenschapsvoorzieningen waarbinnen dit perceel gedeeltelijk gelegen is; dat de NV Aquafin aangeeft dat het klopt dat dit perceel vroeger werd aangekocht omdat er bij een klassiek waterzuiveringssysteem (vroegere vergunningsaanvragen) meer werkzone nodig was, maar tegelijk stelt dat, gezien de overstap naar een MBR-systeem het niet de bedoeling is om op dit perceel uit te breiden (ook niet in de toekomst)"; dat aldus niet kan worden betwist dat de inrichting zelf volledig in het gebied voor gemeenschapsvoorzieningen en openbare nutsvoorzieningen is gesitueerd; dat, voorts, het als groenbuffer gebruikte perceel, kadastraal gekend onder nr. 49h, deels gelegen is in het gebied voor gemeenschapsvoorzieningen en openbare nutsvoorzieningen en deels in een landschappelijk waardevol agrarisch gebied; dat in dat verband in het bestreden besluit het volgende wordt overwogen : "Overwegende dat de NV Aquafin aangeeft dat aan de vegetatie van de holleweg niet zal geraakt worden (bermen); dat de bestendige deputatie in eerste aanleg heeft opgelegd dat de negatieve impact op de holle weg tijdens de bouwfase van de RWZI dient te worden beperkt tot een minimum en dat de holle weg na de bouw van de RWZI optimaal dient te worden hersteld (hierbij dient het wegdek van de holle weg in zijn oorspronkelijke staat te worden VII-36.959-10/34 hersteld); dat er in het kader van de stedenbouwkundige vergunning een heraanleg van de gekapte bomen op een deel van perceel 49h voorgesteld is door de NV Aquafin, zoals opgegeven in het beplantingsplan; dat het perceelnummer 49h enkel dient als groenbuffer en dat de zone van dit perceel waarbinnen de werken worden uitgevoerd zich beperkt tot het gebied voor gemeenschapsvoorzieningen waarbinnen dit perceel gedeeltelijk gelegen is; dat de NV Aquafin aangeeft dat het klopt dat dit perceel vroeger werd aangekocht omdat er bij een klassiek waterzuiveringssysteem (vroegere vergunningsaanvragen) meer werkzone nodig was, maar tegelijk stelt dat, gezien de overstap naar een MBR-systeem het niet de bedoeling is om op dit perceel uit te breiden (ook niet in de toekomst)"; terwijl de stedenbouwkundige vergunning in dat verband stelt dat alle werken "en dus ook de compenserende bebossing (...) volledig (dienen) te gebeuren binnen de grenzen van de zone voor gemeenschapsvoorzieningen en openbare nutsvoorzieningen (zie toegevoegd uittreksel uit het gewestplan schaal 1/10.000)"; dat het middel ervan uitgaat dat de bufferzone wordt opgericht in een landschappelijk waardevol agrarisch gebied; dat uit wat voorafgaat volgt dat dit uitgangspunt niet correct lijkt; dat overigens de aanleg van de compenserende bebossing niet wordt opgelegd door de milieuvergunning die het voorwerp van voorliggend geding vormt maar door de stedenbouwkundige vergunning; dat het eerste middel niet ernstig is; 5.2.1. Overwegende dat tweede verzoeker in een tweede middel de schending aanvoert van de artikelen 9, 18 en 23 § 1 en 2 van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning, van de artikelen 30 en 30bis, § 1, eerste lid, en 52, 3/, van het besluit van de Vlaamse regering van 6 februari 1991 houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de milieuvergunning (Vlarem I), van de algemene beginselen van milieubeleid, meer specifiek het preventiebeginsel vervat in artikel 1.2.1, §2, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, de schending van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motiveringsplicht van de bestuurshandelingen, van het rechtszekerheids- en het zorgvuldigheidsbeginsel als algemene beginselen van behoorlijk bestuur, en machtsoverschrijding, doordat het bestreden besluit integraal de beslissing van 2 december 2004 van de bestendige deputatie van de provincie Vlaams-Brabant heeft bevestigd en zodoende met betrekking tot de grieven van verzoeker in verband met, onder meer, de te vrezen geluidshinder, als bijzondere voorwaarde stelt dat binnen de drie maanden na opstart van de RWZI, de exploitant een volledig akoestisch onderzoek dient te laten uitvoeren overeenkomstig "bijlage 4.5.2. van Vlarem II", zodat op die manier door het bestreden besluit een VII-36.959-11/34 exploitatievoorwaarde wordt opgelegd die in werkelijkheid een voorwaarde is die enkel en alleen de exploitant verplicht om aan de vergunningverlenende overheid inlichtingen te verschaffen omtrent nog ongekende, maar voor het verlenen van de vergunning relevante gegevens, terwijl buiten het geval van een vergunning op proef, een vergunning niet zo mag worden opgesteld dat de overheid of de exploitant nog een beoordelingsmarge behoudt bij het al dan niet verworven zijn van een vergunning of bij de naleving van voorwaarden en terwijl uit het bepaalde van artikel 30bis, §1, eerste lid, van Vlarem I volgt dat de vergunningsvoorwaarden, die ertoe strekken om de afgeleide hinder van de inrichting te voorkomen, in de beslissing moeten worden opgenomen, en niet naar een toekomstig ogenblik kunnen worden uitgesteld; terwijl in deze aan de exploitant nochtans de gelegenheid wordt gegeven om slechts drie maanden na het opstarten van de inrichting een akoestisch onderzoek uit te voeren en daarenboven op grond van het in artikel 1.2.1., § 2, van het voornoemde decreet van 5 april 1995 en artikel 30bis, § 1, eerste lid, van Vlarem I, verankerde preventiebeginsel pas met de exploitatie van een inrichting mag worden begonnen indien voldoende zekerheid bestaat dat dit kan gebeuren zonder dat schade of hinder aan mens of milieu wordt veroorzaakt en dat de vergunningsbeslissing daartoe de nodige garanties moet bevatten, terwijl het rechtszekerheidsbeginsel er zich tegen verzet dat belanghebbenden, zoals in casu verzoeker als onmiddellijk betrokken buurtbewoner, op het ogenblik van de vergunningverlening in de onwetendheid worden gelaten over de maatregelen die de exploitant bij de exploitatie van de inrichting dient na te leven om de hinder voor de buurt te beperken, zodat het bestreden besluit dan ook de in dit middel ingeroepen rechtsbepalingen schendt door geen effectieve, rechtens afdwingbare bijzondere voorwaarden op te leggen aan de exploitant, terwijl, indien de minister nog onzeker was omtrent de gevolgen van een bepaald deel van de exploitatie van de RWZI, bij gebrek aan voldoende gegevens omtrent de geluidshinder, en die gegevens enkel door het in werking stellen van de inrichting konden worden bekomen, hij voor de inrichting enkel een proefvergunning kon verlenen, terwijl ten slotte op het ogenblik van het nemen van het bestreden besluit de minister onmogelijk de uitslag kon weten van het nog uit te voeren akoestisch onderzoek binnen de drie maanden na het opstarten van de RWZI, waarvan de resultaten uiteraard van groot belang zijn voor de beoordeling van de verenigbaarheid van de inrichting met de nabijgelegen woningen; 5.2.2. Overwegende dat de verwerende partij in haar nota daarop als volgt antwoordt : VII-36.959-12/34 "Verzoekende partijen gaan er ten onrechte vanuit dat de exploitatie van de kwestieuze RWZI voor hen onvermijdelijk overdreven geluidshinder tot gevolg zal hebben. Zij zijn ervan overtuigd dat - zelfs bij de naleving van de (op zich reeds strenge) algemene en sectorale voorwaarden door de nv Aquafin - het risico dermate groot blijft op overdreven lawaaihinder voor henzelf als omwonenden, zodat enkel de resultaten van het nog te voeren akoestisch onderzoek voldoende uitsluitsel zullen kunnen geven omtrent deze vorm van hinderlijkheid. Zij vrezen -onterecht- dat het opleggen van een dergelijke bijzondere milieuvoorwaarde nog teveel 'beoordelingsmarge' inhoudt omtrent het al dan niet verworven zijn van de milieuvergunning of omtrent de naleving van de erin aan de exploitant opgelegde milieuvoorwaarden. Verzoekers vrezen dat (ook)deze (derde) milieuvergunningsaanvraag van de nv Aquafin die aanleiding heeft gegeven tot de thans voor Uw Raad bestreden beslissing te vaag is gebleven omtrent de - bijkomende - maatregelen die de exploitant heeft genomen om de geluidshinder zoveel als mogelijk te beperken. Zij zijn bang dat de Minister de bijzondere voorwaarde van het opleggen van een volledig akoestisch onderzoek heeft overgenomen van de beslissing van de Bestendige Deputatie om bepaalde 'onzekerheden' in zijnen eigen hoofde omtrent de hinderlijkheid van de beoogde exploitatie weg te nemen. Verzoekers beschuldigen de Minister ervan om zelfs 'leemten van een onvolledige of vage vergunningsaanvraag in extremis op te vullen' door de bijzondere voorwaarde op te leggen van een nog na de aanvang van de exploitatie uit te voeren volledig akoestisch onderzoek. De bijkomende voorwaarde van het opleggen aan de exploitant van een volledig akoestisch onderzoek is er enkel en alleen gekomen om tegemoet te komen aan de grote bezorgdheid zoals die in het kader van het openbaar onderzoek was geuit door de omwonenden (onder wie verzoekers). In de bestreden beslissing wordt nochtans omstandig gemotiveerd dat de exploitant in de desbetreffende (derde) milieuvergunningsaanvraag voldoende (en - in vergelijking met vroegere aanvragen - nog verschillende bijkomende) maatregelen heeft voorgesteld om de risico's op overdreven geluidshinder binnen een aanvaardbaar niveau te houden: 'Overwegende dat er verschillende maatregelen getroffen worden ter beperking van de geluidshinder : het mechanisch gedeelte (buiten de nabezinktank) wordt volledig overkapt en afgezogen, pompen en mixers worden ondergedompeld opgesteld, beluchtingsbekkens worden overkapt; surpressoren worden individueel omkast en in een akoestisch geïsoleerd lokaal geplaatst en hydrofoorgroepen worden in gebouwen opgesteld: dat de nv Aquafin reeds tientallen geluidsstudies heeft uitgevoerd op andere RWZI en dat deze de basis vormen van de voorgestelde maatregelen; dat detailmaatregelen (bijvoorbeeld uit welk materiaal de isolatie zal bestaan) inderdaad niet opgenomen zijn in de vergunningsaanvraag (wat ook niet verplicht is), aangezien het aan de exploitant is om ervoor te zorgen dat met de voorziene isolatie voldaan wordt aan de Vlarem-voorschriften; dat gezien de verschillende maatregelen die er genomen worden ervan kan uitgegaan worden dat er geen geluidshinder zal optreden; dat de Bestendige Deputatie enkel om tegemoet te komen aan de bezorgdheid van de omwonenden een geluidsstudie heeft opgelegd binnen de drie maanden na de opstart van de RWZI en hierbij bovendien een strenger geluidsvoorschrift heeft opgelegd, aangezien er ter hoogte van de woning gelegen in de zone voor gemeenschapsvoorzieningen en openbare nutsvoorzieningen eveneens moet voldaan worden aan de geluidsvoorschriften voor woongebieden; dat op basis van deze VII-36.959-13/34 geluidsstudie eventueel bijkomende maatregelen zullen moeten genomen worden; dat de adviesverlenende overheidsorganen er niet kunnen en mogen van uitgaan dat de werknemers van de nv Aquafin de voorziene overkappingen na een onderhoud zullen 'vergeten' terug te plaatsen; dat de nv Aquafin verder specifieert dat de geluidsisolatie in het gebouw waarin de surpressoren worden opgesteld zal bestaan uit extra dikke muren van 14 cm met isolatie en bardage, akoestische demping op aanzuig- en afzuigventilatie, dakopbouw met extra isolatie en - afhankelijk van de detailstudie - zal voorzien worden van isolatie aan de binnenzijde van de muren en het plafond'; De Minister motiveert aldus voldoende deugdelijk dat hij de bijkomende milieuvoorwaarde van een door de nv Aquafin uit te voeren volledig akoestisch onderzoek na verloop van drie maanden na de opstart van de exploitatie enkel heeft overgenomen uit de beslissing in eerste aanleg om de omwonenden een extra zekerheid te geven omtrent de zeer gering geworden kans op geluidshinderlijkheid uitgaande van de exploitatie van de RWZI. Bovendien blijkt uit de motieven van de bestreden beslissing zelf dat deze bijzondere milieuvoorwaarde bijzonder streng is voor de exploitant. De milieuvergunnende overheid heeft zelfs strengere normen (namelijk de normen geldend voor woongebieden) gehanteerd dan de normaliter van toepassing zijnde normen van Vlarem II. De Minister heeft daarmee - met andere woorden - aan de nv Aquafin aangegeven dat eventueel bijkomende maatregelen door de exploitant zullen dienen te worden genomen om te voldoen aan de zeer strenge geluidsvoorschriften geldend voor woongebieden. De Minister kan dan ook onmogelijk onzorgvuldigheid bij de besluitvorming worden verweten, wel integendeel"; 5.2.3. Overwegende dat de tussenkomende partij als volgt argumenteert : "In de praktijk gebeurt het opleggen van een akoestisch onderzoek binnen een zekere periode na de opstart van de RWZI, steeds om na te gaan of in werkelijkheid de opgelegde exploitatievoorwaarden voldoende zijn om de geluidshinder zoveel mogelijk te beperken. Het opleggen van een akoestisch onderzoek is een exploitatievoorwaarde. De bestreden beslissing heeft omstandig gemotiveerd dat de N.V. AQUAFIN voldoende maatregelen heeft voorgesteld om de risico*s op overdreven geluidshinder binnen een aanvaardbaar niveau te houden. Immers, in casu wordt het mechanisch gedeelte volledig overkapt en de pompen en mixers worden ondergedompeld opgesteld en de beluchtingsbekkens worden overkapt. De surpressoren worden individueel omkast en in een akoestisch geïsoleerd lokaal geplaatst en de hydrofoorgroepen worden in de gebouwen opgesteld. Deze extra-maatregelen worden genomen om de geluidshinder zoveel mogelijk te beperken en de omwonenden zoveel mogelijk garanties te geven. Een combinatie van de genomen maatregelen om de geluidshinder zoveel mogelijk te beperken en het opleggen van een akoestisch onderzoek binnen de drie maanden geeft aan de omwonenden meer garanties, zodat de omwonenden geen enkel belang hebben bij het ingeroepen tweede middel vermits, deze bijkomende voorwaarde precies is opgelegd in hun eigen belang. De vergunningverlenende overheid had zich eveneens kunnen beperken tot het stellen dat de genomen maatregelen voldoende zijn, zonder bijkomend akoestisch onderzoek binnen de drie maanden. VII-36.959-14/34 Gezien de werkelijkheid pas kan onderzocht worden wanneer de installatie werkt, is dit een bijkomende garantie voor de omwonenden. Bovendien worden er in casu strengere normen gehanteerd dan de normen die normalerwijze van toepassing zijn volgens de bijlagen 4.5.2. van VLAREM II"; 5.2.4. Overwegende dat het bestreden besluit met betrekking tot de geluidshinder als volgt overweegt : "Overwegende dat er verschillende maatregelen getroffen worden ter beperking van geluidshinder: het mechanisch gedeelte (buiten de nabezinktank) wordt volledig overkapt (en afgezogen), pompen en mixers worden ondergedompeld opgesteld, beluchtingsbekkens worden overkapt, surpressoren worden individueel omkast en in een akoestisch geïsoleerd lokaal geplaatst en hydrofoorgroepen worden in gebouwen opgesteld; dat de NV Aquafin reeds tientallen geluidsstudies heeft uitgevoerd op andere RWZI en dat deze de basis vormen van de voorgestelde maatregelen; dat detailmaatregelen (voorbeeld uit welk materiaal de isolatie zal bestaan) inderdaad niet opgenomen zijn in de vergunningsaanvraag (wat ook niet verplicht is), aangezien het aan de exploitant is om ervoor te zorgen dat met de voorziene isolatie voldaan wordt aan de Vlarem-voorschriften; dat gezien de verschillende maatregelen die er genomen worden er kan worden vanuit gegaan dat er geen geluidshinder zal optreden; dat de bestendige deputatie enkel om tegemoet te komen aan de bezorgdheid van de omwonenden een geluidsstudie heeft opgelegd binnen de 3 maanden na de opstart van de RWZI en hierbij bovendien een strenger geluidsvoorschrift heeft opgelegd, aangezien er ter hoogte van de woning gelegen in de zone voor gemeenschapsvoorzieningen en openbare nutsvoorzieningen eveneens moet voldaan worden aan de geluidsvoorschriften voor woongebieden; dat op basis van deze geluidsstudie eventueel bijkomende maatregelen zullen moeten genomen worden; dat de adviesverlenende overheidsorganen er niet van kunnen en mogen uitgaan dat de werknemers van de NV Aquafin de voorziene overkappingen na een onderhoud zullen 'vergeten' terug te plaatsen; dat de NV Aquafin verder specifieert dat de geluidsisolatie in het gebouw waarin de surpressoren worden opgesteld zal bestaan uit extra dikke muren van 14 cm met isolatie en bardage, akoestische demping op aanzuig en afzuigventilatie, dakopbouw met extra isolatie, en afhankelijk van de detailstudie zal voorzien worden van isolatie aan de binnenzijde van de muren en het plafond"; dat uit die overwegingen op afdoende wijze blijkt dat de verplichting tot het uitvoeren van een volledig akoestisch onderzoek niet werd opgelegd omdat de verwerende partij in onzekerheid verkeerde over de aanvaardbaarheid van de geluidshinder die door de exploitatie zal worden teweeggebracht; dat immers in duidelijke bewoordingen is gesteld dat rekening houdend met de diverse hinderbeperkende maatregelen die door de aanvrager van de vergunning worden voorzien - overkapping, omkasting, onderdompeling en isolatie van de onderdelen die geluidshinder produceren - "er kan worden vanuit gegaan dat er geen geluidshinder zal optreden"; dat uitdrukkelijk is aangegeven dat de effectiviteit van de voorgestelde hinderbeperkende maatregelen steunt op "tientallen" geluidsstudies VII-36.959-15/34 die de n.v. AQUAFIN heeft laten uitvoeren op andere rioolwaterzuiveringsinstallaties, dat de bijkomende voorwaarde tot het uitvoeren van een volledig akoestisch onderzoek enkel is opgelegd om tegemoet te komen aan de "bezorgdheid" van de omwonenden en dat, afhankelijk van de resultaten van dat onderzoek, eventueel bijkomende maatregelen kunnen worden genomen om de hinder voor de omwonenden verder in te perken; dat aldus met de verwerende partij wordt aanvaard dat de vergunningverlenende overheid over voldoende gegevens beschikte om het aspect geluidshinder adequaat te beoordelen; dat bijgevolg prima facie niet wordt aangenomen dat het verlenen van de bestreden milieuvergunning op enigerlei wijze afbreuk zou doen aan het rechtszekerheidsbeginsel of het preventiebeginsel waarop verzoeker steunt; dat het tweede middel niet ernstig is; 5.3.1. Overwegende dat tweede verzoeker in een derde middel de schending aanvoert van de artikelen 28, § 4, en 52, 3/, van Vlarem I, van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, van de artikelen 10 en 11 van de gecoördineerde Grondwet en van het redelijkheids, het zorgvuldigheids-, en het rechtszekerheidsbeginsel als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur; dat hij uiteenzet dat hij niet werd uitgenodigd voor een hoorzitting door de Gewestelijke Milieu- vergunningscommissie, doch enkel de tussenkomende partij, aanvrager van de milieuvergunning, alhoewel zijn raadsman uitdrukkelijk in het beroepschrift bij de minister gevraagd had om te worden gehoord; dat hij van oordeel is dat de overheid aldus een onredelijke en ongemotiveerde toepassing heeft gemaakt van de bepaling van artikel 28, § 4, van Vlarem I, luidens welk de aanvrager van een milieuvergunning door de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie wordt gehoord en dat deze commissie ook andere partijen kan horen, dat wanneer derde belanghebbenden uitdrukkelijk vragen om in de loop van de beroepsprocedure te worden gehoord en op die manier aan de overheid vragen dat deze gebruik zou maken van de mogelijkheid die haar wordt geboden door artikel 28, § 4, van Vlarem I, het redelijkheidsbeginsel, als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur, vereist dat de overheid van deze mogelijkheid gebruik maakt, dat wanneer de overheid verkiest geen gebruik te maken van deze mogelijkheid "om reden van materiële aard" en zodoende een werkelijke ongelijkheid creëert tussen de beroepindieners en de aanvrager, minstens haar beslissing om zo te handelen uitdrukkelijk dient te motiveren overeenkomstig de bepalingen van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, dat het bestreden besluit op geen enkele wijze verantwoordt waarom de VII-36.959-16/34 tussenkomende partij wel werd uitgenodigd door de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie en de andere partijen, die daar nochtans uitdrukkelijk om hadden gevraagd in hun beroepschrift, "om reden van materiële aard" door deze commissie niet werden gehoord, dat uit het bestreden besluit precies blijkt dat het horen door de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie van groot belang is voor de afloop van de beroepsprocedure, nu de talrijke en pertinente bezwaren van de niet-gehoorde beroepindieners volkomen van de hand werden gewezen; dat artikel 13, § 3, van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning, naar luid waarvan de aanvrager van een milieuvergunning op zijn verzoek gehoord wordt door de gewestelijke milieuvergunningscommissie, "ongrondwettig is, in zoverre dit een ongelijkheid in het leven roept tussen de verschillende beroepsindieners, zonder dat een redelijke en objectieve verantwoording voorhanden is, door in de beroepsprocedure enerzijds het horen door de gewestelijke milieuvergunningscommissie van de aanvrager/beroepsindiener verplicht te stellen en anderzijds - door er het stilzwijgen over te bewaren - het al dan niet horen van derde belanghebbenden beroepsindieners over te laten aan de discretionaire beoordeling van de Overheid"; 5.3.2. Overwegende dat de verwerende partij daarop in haar nota antwoordt wat volgt : "Verzoekende partij stelt dat er een ontoelaatbare onevenredigheid bestaat doordat de hoorplicht, bepaald door artikel 13§3 Milieuvergunningendecreet slechts geldt ten overstaan van de aanvrager van een milieuvergunning en niet voor derde belanghebbenden, ook al vragen deze laatste uitdrukkelijk om te worden gehoord. De toestand is zo dat de aanvrager die erom verzoekt, gehoord moet worden terwijl de indiener van een beroep, gehoord kan worden. Er geldt m.a.w. slechts een hoorplicht voor de aanvrager die er uitdrukkelijk om verzoekt. Diegene die geen aanvrager is en verzoekt om gehoord te worden, moet niet worden gehoord doch hij/zij kan worden gehoord. De heer Eerste Auditeur E. Lancksweerdt ('Overzicht van de Rechtspraak van de Raad van State i.v.m. Vlarem I en II' - LeuVeM 5, pag. 64- nr 28) stelt letterlijk het volgende : 'Wanneer daarentegen een derde belanghebbende (omwonende) die opkomt tegen een afgeleverde milieuvergunning de schending van de hoorplicht inroept, moet men vaststellen dat het openbaar onderzoek hem in de gelegenheid heeft gesteld zijn bezwaren tegen de vestiging van de inrichting te laten kennen, zodat hij in het kader van de wettelijke en reglementair voorgeschreven procedure werd gehoord (arrest nr 42.689 dd 26 april 1993 VAN LANDEGHEM). Niet vereist is dat de derde belanghebbende door het orgaan dat uiteindelijk moet beslissen omtrent de milieuvergunning wordt gehoord'. VII-36.959-17/34 Het kan niet ontkend worden dat de aanvrager en de derde belanghebbende ieder een afzonderlijk en specifiek belang hebben. Het hebben van een afzonderlijk en specifiek belang rechtvaardigt in dit geval een verschillende behandeling. Aldus kan er geen sprake zijn van ongeoorloofde discriminatie. Het kan evenmin ontkend worden dat verzoekers in de mogelijkheid zijn geweest om op bijzonder omstandige en volledige wijze hun bezwaren te laten kennen tegen de beroepen beslissing van de Bestendige Deputatie, nu hun beroepschrift niet minder dan 119 pagina*s telde. Een mondelinge toelichting van hun - al abondante - schriftelijke bezwaren zou weinig of niets hebben bijgebracht om hun beroepsschrift nog te verduidelijken op de hoorzitting van de Gewestelijke Milieuver- gunningscommissie"; 5.3.3. Overwegende dat de tussenkomende partij op dit middel als volgt argumenteert : "(...) Vooreerst dient opgemerkt te worden dat er geen hoorplicht is in hoofde van de beroepindiener die uitdrukkelijk verzoekt om gehoord te worden. Er is enkel een hoorplicht voor de aanvrager indien deze verzoekt gehoord te worden. Er is echter geen sprake van schending van het gelijkheidsbeginsel aangezien de beroepindieners hun beroepschrift uitdrukkelijk hebben kunnen motiveren en hun bezwaren omstandig hebben kunnen doen kennen en aangezien de beroepindieners tevens in het kader van het openbaar onderzoek de gelegenheid hebben gekregen om hun bezwaren te laten kennen. In casu is er zeker geen sprake van schending van het gelijkheidsbeginsel gezien de N.V. AQUAFIN, hoewel zij werd uitgenodigd om gehoord te worden, uiteindelijk niet gehoord werd, omdat de N.V. AQUAFIN niet naar de hoorzitting van de gewestelijke milieuvergunningscommissie is geweest en dit per fax van 18 maart 2005 heeft laten weten. In casu werd de wettelijke voorgeschreven procedure nageleefd en kan er geen sprake zijn van schending van de hoorplicht, gezien er in casu geen hoorplicht is van de beroepindieners. Er kan evenmin schending zijn van het redelijkheids-, zorgvuldigheids- en rechtszekerheidsbeginsel, gezien in casu de N.V. AQUAFIN tevens niet werd gehoord over het beroepschrift van de tegenpartij. De N.V. AQUAFIN heeft weliswaar een dossier ingediend met weerlegging van de argumenten vermeld in het beroepschrift van verzoekers, doch deze argumenten werden door de N.V. AQUAFIN niet mondeling toegelicht, aangezien zij zelf evenmin aanwezig was op de hoorzitting van de gewestelijke milieuvergunningscommissie"; 5.3.4. Overwegende dat, luidens artikel 28, § 4, van Vlarem I dat door verzoeker als geschonden wordt geacht, de aanvrager van een milieuvergunning op zijn verzoek door de commissie wordt gehoord en dat de commissie dan ook andere partijen kan horen; dat het horen door de commissie, van andere personen dan de aanvrager, bijgevolg facultatief is; dat de ingeroepen bepaling dus niet lijkt te zijn overtreden; dat, op het eerste gezicht, evenmin de ingeroepen algemene beginselen VII-36.959-18/34 van behoorlijk bestuur lijken te zijn geschonden nu verzoeker, overeenkomstig de door Vlarem I bepaalde procedureregeling, zowel naar aanleiding van het openbaar onderzoek tijdens de procedure in eerste aanleg als in zijn beroepschrift tegen de door de bestendige deputatie genomen beslissing, zijn bezwaren, respectievelijk zijn middelen, heeft naar voor gebracht en deze laatste aan de commissie zijn ter kennis gebracht; dat verzoekers rechten bijgevolg afdoende lijken te zijn gevrijwaard en hem ongeveer op gelijke voet met de aanvrager van de vergunning lijkt te stellen; dat, aangezien er geen verplichting is om omwonenden te horen, in de uitspraak over het ingestelde beroep niet moet worden gemotiveerd waarom de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie niet is ingegaan op de vraag van de beroepindiener om te worden gehoord; dat de opgegeven redenen van "materiële aard", die in deze zijn opgegeven in de brief van 16 februari 2005 aan de raadsman van verzoeker, overbodig zijn; dat wat betreft de beweerde ongrondwettelijkheid van artikel 13, § 3, van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning, de Raad van State vaststelt dat het middel in die mate onontvankelijk is omdat hij niet vermag een decreet te toetsen aan de Grondwet; dat het derde middel niet ernstig is; 5.4.1. Overwegende dat tweede verzoeker in een vierde middel de schending aanvoert van de rubrieken 2.2.5 en 2.2.2 van de bijlage 1 bij Vlarem I, zoals gewijzigd bij besluit van de Vlaamse regering van 22 september 2006, van artikel 3 van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning, van artikel 1, 3/, van Vlarem I, van artikel 5.2.1.4. van het besluit van de Vlaamse regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne (hierna: Vlarem II), van het rechtszekerheids-, het zorgvuldigheids- en het materiële motiveringsbeginsel als algemene beginselen van behoorlijk bestuur en uit de ontstentenis van de rechtens vereiste feitelijke en juridische grondslag en met toepassing van artikel 159 van de Grondwet; dat hij uiteenzet dat de RWZI waarvoor de bestreden milieuvergunning werd afgeleverd, deels wordt ingeplant in een landschappelijk waardevol agrarisch gebied, en dit op een afstand van slechts enkele meters van een natuurgebied en een landelijk woongebied, dat het bestreden besluit volledig is gebaseerd op de uitzondering die in het leven is geroepen ingevolge het besluit van de Vlaamse regering van 22 september 2006 houdende wijziging van onder andere de bijlage 1 bij Vlarem I en meer bepaald de rubrieken 2.2.5 en 2.3.2., dat zij hierbij opmerken dat in het verleden de Raad van State steeds heeft geoordeeld dat een RWZI moet worden beschouwd als een inrichting voor het verwerken van afvalstoffen zodat artikel 5.2.1. van Vlarem II onverkort toepassing vindt en zodoende onder meer rekening dient gehouden te worden met de aanwezigheid in de omgeving en de afstand tot woonwijken, recreatiegebieden, VII-36.959-19/34 wegen en waterwegen, waterrijke gebieden, industrie, landbouw- en woongebieden, groen- en parkgebieden en het culturele erfgoed; dat het volgens verzoeker duidelijk is dat de uitzondering ingevoerd in de indelingslijst van Vlarem I door het besluit van de Vlaamse regering van 22 september 2006 "enkel en alleen werd ingevoerd 'pour les besoins de la cause', doch hieraan geen enkele milieu-technische of milieu- hygiënische wetmatigheid (...) ten grondslag ligt", dat deze wijziging aan de indelingslijst nochtans moet beantwoorden aan het rechtszekerheidsbeginsel en aan de regel van de voorspelbaarheid van de norm, die ten grondslag liggen van de in het middel aangehaalde wettelijke bepalingen, dat het niet opgaat om, enkel en alleen om sanctionering door de Raad van State te vermijden, de indelingslijst te wijzigen, zonder dat dit milieu-technisch onderbouwd is, dat de wijziging aan de voornoemde rubrieken 2.2.5 en 2.3.2 als reglementaire norm dan ook buiten toepassing dient te worden verklaard, nu deze norm strijdt met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur en het grondwettelijk legaliteitsbeginsel, dat uit de inplantingsplaats van de vergunde installatie blijkt dat deze een ongemeen ongunstige ligging heeft en er zodoende bij het bepalen van deze inplantingsplaats helemaal geen rekening werd gehouden met de aanwezigheid van en de afstand tot de in artikel 5.2.1.4. van Vlarem II vermelde gebieden en woningen, dat uit de toepassing van deze bepaling immers volgt dat een dergelijke inplantingsplaats niet kan worden vergund indien zo komt vast te staan dat de installatie op deze gebieden effecten zal ressorteren die ervoor nadelig zijn, of die met deze gebieden niet verenigbaar zijn, dat in deze geen overweging wordt gewijd aan de nabije ligging bij, onder meer, een natuurgebied en een landelijk woongebied, dat dit volgens verzoeker des te meer prangt, nu de zone voor openbaar nut, los van haar inkleuring op het gewestplan, zelf ook als een groengebied moet worden beschouwd dat aansluit bij een als zodanig ingekleurd natuurgebied; 5.4.2. Overwegende dat de verwerende partij daarop in haar nota antwoordt wat volgt : "Verzoekende partijen menen dat de bestreden beslissing zich volledig baseert op de uitzondering 'die in het leven is geroepen' bij besluit van de Vlaamse Regering van 22 september 2006 houdende wijziging van o.a. bijlage 1 bij het Vlarem I- besluit, meer bepaald de rubrieken 2.2.5 en 2.3.2. Inderdaad leest men in de motieven van de bestreden beslissing zelf : 'Overwegende dat een rioolwaterzuiveringsinstallatie geen afvalver- werkingsinstallatie is; dat volgens de definitie een afvalstof elke stof of elk voorwerp is voorkomend op de afvalstoffenlijst van de VLAREA (de omzetting van de Beschikking van de Europese Commissie 2000/522/EG van 3 mei 2000) waarvan de houder zich ontdoet; dat de richtlijn 75/442/EEG van 15 juli 1975 betreffende afvalstoffen duidelijk aangeeft dat onder andere afvalwater, met uitzondering van afvalstoffen in VII-36.959-20/34 vloeibare toestand, buiten de werkingssfeer van deze richtlijn valt (zie ook artikel 4,3/ van het Afvalstoffendecreet); dat er op een RWZI wel afvalstoffen geproduceerd worden onder de vorm van slib, die dan afgevoerd worden en niet ter plaatse verwerkt worden; dat ter plaatse enkel een eerste ontwatering plaatsvindt van het slib om de afvoer van het slib via vrachtwagens mogelijk te maken; dat dit integraal deel uitmaakt van de waterzuiveringsinstallatie zoals ook vermeld in rubriek 3.6 van de indelingslijst van titel 1 van het Vlarem; dat er enkel sprake is van tijdelijke slibopslag op de plaats van de productie, voorafgaand aan elke inzameling, in functie van een georganiseerde en regelmatige afvoer; dat er geen externe vloeibare afvalstoffen worden aangevoerd; dat stedelijk afvalwater geen industrieel afvalwater is; dat de additieven voor chemische defosfatatie niet verwerkt worden als afvalstof; Overwegende dat de Raad van State met het arrest nummer 157.252 op 31 maart 2006 de schorsing beveelt van het ministerieel besluit nr. AMV/00013 74 74/1007 van 12 juni 2005 houdende de oorspronkelijke uitspraak in beroep van huidige vergunningsaanvraag van de nv Aquafin voor de RWZI Tervuren; dat deze uitspraak stelt dat het middel ernstig is omdat de aanvraag wel degelijk een afvalverwerkingsinstallatie is en niet getoetst is aan het bepaalde in artikel 5.2.1.1 §1 van titel II van Vlarem en zodoende ook niet aan artikel 5.2.1.4., §1 van titel II van het Vlarem; dat het arrest stelt dat de bestreden beslissing ervan uitgaat dat de bedoelde inrichting geen afvalverwerking is, waar Vlarem een dubbele rubricering als hinderlijke inrichting volgens bijlage 1 van titel I van het Vlarem, niet uitsluit; Overwegende dat artikel 5.2.1.4 §1 van titel II van het Vlarem luidt als volgt : 'Bij het inrichten van een inrichting voor de verwerking van afvalstoffen dient ter bescherming van de plaats en de omgeving rekening te worden gehouden met de aanwezigheid in de omgeving van en de afstand tot : - woongebieden, recreatiegebieden, landbouwgebieden, parkgebieden of ermee vergelijkbare gebieden aangewezen op de plannen van aanleg en de ruimtelijke uitvoeringsplannen van kracht in de ruimtelijke ordening; - de landschappelijk waardevolle gebieden of ermee vergelijkbare gebieden aangewezen op de plannen van aanleg en de ruimtelijke uitvoeringsplannen van kracht in de ruimtelijke ordening; - de ruimtelijk kwetsbare gebieden; - de perimeters van gebieden, afgebakend volgens of in uitvoering van internationale verdragen, overeenkomsten of richtlijnen; - waterrijke gebieden zoals gedefinieerd in artikel 2 van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu; - wegen en waterwegen; - het culturele erfgoed, zoals beschermde monumenten, stads- en dorpsgezichten, beschermde landschappen en beschermde archeologische goederen; - de waterwingebieden en de beschermingszones type 1, II en III voor grondwater, afgebakend in toepassing van het decreet van 24 januari 1984 houdende maatregelen inzake het grondwaterbeheer, en de sub-hydrografische bekkens van oppervlaktewater bestemd voor de productie van drinkwater, afgebakend in toepassing van de wet van 26 maart 1971 op de bescherming van oppervlaktewateren tegen verontreiniging'; VII-36.959-21/34 Overwegende dat overeenkomstig het besluit van de Vlaamse Regering van 22 september2006 (BS 20 november 2006) houdende wijziging van onder andere titel I van het Vlarem met betrekking tot afvalwaterzuiveringsinstallaties door in bijlage 1, de indelingslijst de volgende uitzondering toegevoegd wordt in rubriek 2.2.5 en rubriek 2.3.2 : 'Het afscheiden van vuil en van verontreinigde stoffen uit water, rioolwater en/of afvalwater door middel van vuilroosters, roostergoedpers, zandvangers, vetvangers, voorbezinktanks, beluchtingsbassins, nabezinktanks, voorindikkers, na-indikkers, centrifugeren en/of persen, en andere procesmatige onderdelen van afvalwaterzuiveringsinstallaties als bedoeld in rubriek 3.6 en van drinkwaterzuiveringsinstallaties betreft geen inrichting voor de verwerking van afvalstoffen en is dus niet ingedeeld onder onderhavige rubriek 2'. Overwegende dat dit de hogervermelde stelling staaft dat slib wel een afvalstof is, maar de beperkte ontwatering van het slib zoals uitgevoerd door de nv Aquafin niet aanzien wordt als afvalverwerking; dat bijgevolg artikel 5.2.1.4 § 1 van titel II van het Vlarem niet van toepassing is; dat niettemin alle mogelijke hinderaspecten en de afstand ten aanzien van het nabij gelegen woongebied, e.a. geëvalueerd worden in de hogervermelde overwegenden'; Volgens verzoekende partijen werd door de Vlaamse Regering de uitzondering toegevoegd aan de indelingslijst van bijlage 1 van Vlarem I mbt afvalwaterzuiveringsinstallaties 'pour les besoins de la cause' zonder dat er enige milieu-technische of milieu-hygiënische grondslag zou bestaan voor deze uitzondering. Verzoekende partijen gaan bijna zover om te zeggen dat de Vlaamse Regering de indelingslijst zou hebben gewijzigd om te vermijden dat inzake het Ministerieel Besluit van 12 juni 2005 houdende de eerdere uitspraak in beroep zou worden vernietigd door Uw Raad. Verzoekers gaan letterlijk zo ver dat zij vragen dat de toegevoegde uitzonderingsregel 'buiten toepassing' zou dienen te worden verklaard! De Vlaamse Regering heeft bij het toevoegen van de uitzondering enkel de eigenlijk reeds lang voorheen bedoelde interpretatie voortaan ook geëxpliciteerd in de regelgeving! Dankzij de toevoeging van de uitzondering aan de indelingslijst mbt afvalwaterzuiveringsinstallaties wordt thans uitdrukkelijk in de regelgeving ingeschreven dat - daar waar slib wel degelijk een afvalstof is en blijft - de afvalwaterzuiveringsinstallaties en de drinkwaterzuiveringsinstallaties geen inrichting uitmaken voor de verwerking van afvalstoffen. Daardoor moeten deze inrichtingen niet worden getoetst aan de afstandsregels van artikel 5.2.1.4 § 1. Zulks betekent evenwel niet dat dergelijke inrichtingen niet verder zouden dienen te worden geëvalueerd op hun hinderlijkheid ten aanzien van de zogenaamde hindergevoelige gebieden. Aangezien duidelijk is uit de motieven van de bestreden beslissing dat de vergunningverlenende overheid zeer strenge milieuvoorwaarden heeft opgelegd om de milieuhinderlijkheid tot een minimum te beperken, én aangezien er geen wettelijk kader (meer) bestaat dat de vergunningverlener verplicht om de locatie van de inrichting te toetsen aan de afstandsregels die gelden voor afvalverwerkingsinstallaties, diende door de Vlaamse Minister te worden vastgesteld dat er geen beletsel bestaat om op de door de nv Aquafin bedoelde inplantingsplaats een RWZI te bouwen en te exploiteren zodat er niet verder ongezuiverd afvalwater uit de streek zou worden geloosd in de Voer. VII-36.959-22/34 Dit is niet alleen van ongemeen groot ecologisch belang voor de streek, maar is ook noodzakelijk en dringend om te voldoen aan de Europese regelgeving. Afvalwaterzuiveringsinstallaties horen per definitie thuis in zones voor openbare nutsvoorzieningen. Er is dan ook - zoals reeds meer uitgebreid uiteengezet naar aanleiding van de bespreking van het eerste middel - geen sprake van enige onverenigbaarheid per definitie van de exploitatie van een RWZI binnen een gebied voor gemeenschapsvoorzieningen en openbare nutsvoorzieningen. Zoals hierboven reeds uiteengezet is de inrichting verenigbaar en bestaanbaar met de bestemming openbare nutsvoorziening"; 5.4.3. Overwegende dat de tussenkomende partij als volgt argumenteert : "In hoofdorde dient vastgesteld te worden dat het door verzoekers ingeroepen middel onontvankelijk dient verklaard te worden gelet op de onduidelijke motivering. Verzoekers houden in het bijzonder voor dat de wijziging van de rubrieken 2.2.5. en 2.3.2., ingevoerd bij Besluit van de Vlaamse Regering dd. 22 september 2006, buiten toepassing zou dienen te worden verklaard, nu de norm strijdig zou zijn met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur en het grondwettelijk legaliteitsbeginsel. Verzoekers geven hierbij dus enkel een omschrijving van de overtreden rechtsregel en het geschonden rechtsbeginsel, maar motiveren evenwel in geen enkel opzicht op welke manier de wijziging bij Besluit van 22 september 2006 de door hen ingeroepen bepalingen en beginselen zou schenden. Het door verzoekers aangevoerde middel is onontvankelijk wegens strijdigheid met artikel 2,§1,2/ van het algemeen Procedurereglement van de Raad van State, nu uit de aangehaalde argumentatie niet blijkt op welke wijze verzoekers de aangewezen regels en beginselen geschonden achten. De bewering dat de wijziging van de indelingslijst bij Besluit dd. 22 september 2006 zou zijn ingevoerd 'pour les besoins de la cause' en niet milieu-technisch onderbouwd zou zijn wordt niet bewezen, en hieruit blijkt onvoldoende op welke wijze het recht(s)zekerheids-, zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel, alsook het legaliteitsbeginsel zou geschonden zijn. In ondergeschikte orde, mocht uw raad van oordeel zijn dat het ingeroepen middel ontvankelijk zou zijn -quod non- dient vastgesteld te worden dat het middel ongegrond is. In casu is geen schending van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, noch van het grondwettelijk legaliteitsbeginsel voorhanden. De wijziging van de rubrieken 2.2.5. en 2.3.2. werd precies ingevoerd om aan de toestand van rechtsonzekerheid tegemoet te komen. Van een schending van het rechtszekerheids- of het zorgvuldigheidsbeginsel is geen sprake. Het was immers steeds het standpunt van de Vlaamse regering dat RWZI*s niet als afvalverwerkingsinstallaties kunnen worden beschouwd, maar onder meer omwille van het arrest van de Raad van State nr. 157.252 dd. 31 maart 2006 diende deze visie op ondubbelzinnige wijze te worden vastgesteld. Deze ondubbelzinnige vaststelling is doorgevoerd door het Besluit van de Vlaamse regering dd. 22 september 2006. Het is geenszins zo dat de wijziging bij Besluit van de Vlaamse regering dd. 22 september 2006 uitsluitend werd ingevoerd 'pour les besoins de la cause'. In het arrest van de Raad van State nr. 157.252 dd. 31 maart 2006 waarbij het verzoek tot schorsing van de milieuvergunning werd ingewilligd, overwoog de Raad nochtans het volgende : 'Dat verwerende partij niet aantoont, en dat nergens uit blijkt, dat de aangebrachte wijziging tot doel had het onttrekken van VII-36.959-23/34 afvalwaterzuiveringsinstallaties met een slibbehandelingsinstallatie aan de strengere exploitatievoorwaarden die Vlarem II stelt voor inrichtingen waar afvalstoffen worden verwerkt en behandeld; dat indien dit de bedoeling zou geweest zijn - hetgeen evenwel niet vaststaat- de Vlaamse regering op ondubbelzinnige wijze Vlarem II had dienen aan te passen door uitdrukkelijk te vermelden dat sommige van die strengere voorwaarden (waaronder artikel 5.2.1.4.) niet van toepassing zijn op de afvalwaterzuiveringsinstallaties zoals deze die door de tussenkomende partij worden geëxploiteerd'. Dit laatste is door het Besluit van de Vlaamse regering dd. 22 september 2006 tot wijziging met betrekking tot afvalwaterzuiveringsinstallaties ook effectief gebeurd, waarbij een wijziging van de indelingslijst van Vlarem werd ingevoerd. In de rubriek 2.2.5 en 2.3.2. wordt immers een ondubbelzinnige uitzondering ingevoerd die luidt als volgt : 'Het afscheiden van vuil en van verontreinigende stoffen uit water, rioolwater en/of afvalwater door middel van vuilroosters, roostergoedpers, zandvangers, vetvangers, voorbenzinktanks, beluchtingsbassins, nabenzinktanks, voorindikkers, na -indikkers, centrifugeren en /of persen, en andere procesmatige onderdelen van afvalwaterzuiveringsinstallaties als bedoeld in rubriek 3.6. en van drinkwaterzuiveringsinstallaties, betreft geen inrichting voor de verwerking van afvalstoffen en is dus niet ingedeeld onder onderhavige rubriek 2'. Hiermee heeft de Vlaamse Regering de bestaande onduidelijkheid weggewerkt en werd juist tegemoet gekomen aan de opmerkingen van de Raad van State en dit precies om het rechtszekerheids-en zorgvuldigheidsbeginsel te respecteren. Het motiveringsbeginsel is evenmin geschonden. De wijziging aan de rubrieken 2.2.5 en 2.3.2. doorgevoerd bij Besluit dd. 22 september 2006 is wel degelijk milieu-technisch onderbouwd. Voor het overige kan verwezen worden naar de Reguleringsimpactanalyse die gemaakt is voor het ontwerpbesluit van de Vlaamse Regering tot wijziging van VLAREM, VLAREBO, en VLAREA met betrekking tot RWZI*s waarin besloten wordt dat het ontwerpbesluit kadert in een opzet tot juridisch corrigeren van een reeds bestaande technische situatie na het arrest van de Raad van State met nr. 152.378 dd. 08.12.2005 (...). Gelet op voorgaande argumenten gaat het bestreden besluit er terecht van uit dat de bedoelde inrichting te Tervuren geen afvalverwerkingsinstallatie is, is derhalve artikel 5.2.1.4 VLAREM II niet van toepassing. Artikel 5.2.1.4 van het Vlarem II-besluit luidt als volgt : 'Bij het inrichten van een inrichting voor de verwerking van afvalstoffen dient ter bescherming van de plaats en omgeving rekening gehouden te worden met de aanwezigheid in de omgeving van en de afstand tot : - woonwijken; - recreatiegebieden; - wegen en waterwegen; - waterrijke gebieden zoals oppervlaktewateren en andere partijen, moerassen, veengebieden en natte weilanden; - industrie-, landbouw- en woongebieden; - groen- en parkgebieden; - het culturele erfgoed, zoals beschermde monumenten, stads- en dorpsgezichten, gerangschikte landschappen en beschermde archeologische goederen; - waterwingebieden en beschermingszones;' VII-36.959-24/34 Uit de tekst van artikel 5.2.1.4. blijkt dat deze bepaling enkel van toepassing is in geval van het inrichten van een inrichting voor de verwerking van afvalstoffen, wat in casu niet het geval is. Op grond van de wijziging van de rubrieken 2.2.5 en 2.3.2. betreffen RZWI's geen inrichting voor het verwerken van afvalstoffen"; 5.4.4. Overwegende dat met het besluit van de Vlaamse regering van 22 september 2006 tot wijziging met betrekking tot afvalwaterzuiveringsinstallaties van het besluit van de Vlaamse regering van 6 februari 1991 houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de milieuvergunning, het besluit van de Vlaamse regering van 5 maart 1996 betreffende de bodemsanering en het besluit van de Vlaamse regering van 5 december 2003 tot vaststelling van het Vlaams reglement inzake afvalvoorkoming en -beheer, in verschillende rubrieken van de lijst van de als hinderlijk beschouwde inrichtingen bij onder meer Vlarem I, in de rubriek "Afvalstoffen" een uitzondering wordt ingelast waarin het volgende wordt bepaald : "Het afscheiden van vuil en van verontreinigende stoffen uit water, rioolwater en/of afvalwater door middel van vuilroosters, roostergoedpers, zandvangers, vetvangers, voorbezinktanks, beluchtingsbassins, nabezinktanks, voorindikkers, na-indikkers, centrifugeren en/of persen, en andere procesmatige onderdelen van afvalwaterzuiveringsinstallaties als bedoeld in rubriek 3.6. en van drinkwaterzuiveringsinstallaties, betreft geen inrichting voor de verwerking van afvalstoffen en is dus niet ingedeeld onder onderhavige rubriek 2"; dat op het eerste gezicht niet wordt aangenomen dat die uitzondering in de indelingslijst afbreuk doet aan het beginsel van rechtszekerheid en aan de "regel van de voorspelbaarheid van de norm"; dat immers die wijziging van de indelingslijst afdoende duidelijk is en tot gevolg heeft dat alle technische trappen van afvalwaterzuiveringsinstallaties voortaan enkel nog ingedeeld zijn onder rubriek 3.6. "Afvalwaterzuiveringsinstallaties, met inbegrip van het lozen van het effluentwater en het ontwateren van de bijhorende slibproductie"; dat, voorts, de redenering van verzoeker dat de wijziging van de indelingslijst door het voornoemd besluit van 22 september 2006 louter doorgevoerd zou zijn om "sanctionering door de Raad van State te vermijden", een loutere bewering blijft; dat het immers aan de overheid die bevoegd is om de indelingslijst van hinderlijke inrichtingen vast te stellen niet verplicht is deze ten eeuwigen dage voor de toekomst ongewijzigd te laten; dat het vierde middel niet ernstig is; 5.5.1. Overwegende dat tweede verzoeker in een vijfde middel de schending aanvoert van de artikelen 14 en 16 van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu (hierna : natuurbehouddecreet), en van de artikelen 7, § 1,1/, §2, 2/, 11 § 1,1/ en 2/, en § 2, VII-36.959-25/34 2/, van het besluit van de Vlaamse regering van 23 juli 1998 tot vaststelling van nadere regels ter uitvoering van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu; dat hij hierbij uiteenzet dat bij het bestreden besluit de milieuvergunning werd afgeleverd voor de exploitatie van een rioolwaterzuiveringsstation op twee percelen gelegen aan een holle weg en waarvan één perceel gelegen is in het landschappelijk waardevol agrarisch gebied, waardoor de holle weg zal worden gewijzigd en waardoor de vegetatie op het talud van deze holle weg zal gewijzigd of verwijderd worden, dat op grond van de zorgplicht vervat in artikel 14 van het natuurbehouddecreet iedereen die handelingen verricht of hiertoe de opdracht verleent, en die weet of redelijkerwijze kan vermoeden dat de natuurelementen in de onmiddellijke omgeving daardoor kunnen worden vernietigd of ernstig geschaad, verplicht is om alle maatregelen te nemen die redelijkerwijze van hem kunnen worden gevergd om de vernietiging of de schade te voorkomen, te beperken of te herstellen, dat het wijzigen van een holle weg verboden is op grond van artikel 7, § 1, 1/, van het voormeld besluit van 23 juli 1998, behoudens wanneer de activiteiten tot wijziging van die holle weg worden uitgevoerd op basis van een regelmatige bouwvergunning afgeleverd met toepassing van de wetgeving op de ruimtelijke ordening na advies van de afdeling Natuur van AMINAL én voor zover uitdrukkelijk is voldaan aan de bepalingen van artikel 16 van het natuurbehouddecreet inzake het tegengaan van vermijdbare schade, dat uit de verleende bouwvergunning, alsook uit de motivering van de gewestelijk stedenbouwkundig ambtenaar nochtans duidelijk valt af te leiden dat het wel degelijk de intentie is van de tussenkomende partij om een deel van het talud van de holle weg met waardevolle biologische elementen te vernietigen, dat de tussenkomende partij bij de bevoegde minister geen afwijkingsaanvraag heeft ingediend op de verbodsbepalingen van artikel 7, conform artikel 8 van het meergenoemd besluit van 23 juli 1998, dat het in de landschappelijk waardevolle agrarische gebieden verboden is om, zonder voorafgaande en uitdrukkelijke schriftelijke vergunning van het college van burgemeester en schepenen of van de bestendige deputatie van de provincieraad, 1/) houtachtige beplantingen op weg-, waterweg- of spoorwegbermen of op het talud van holle wegen te rooien of anderszins te verwijderen of te beschadigen, 2/) de vegetatie te wijzigen horende bij kleine landschapselementen (zoals een holle weg) met inbegrip van het wijzigen van vegetatie (afbranden en vernietigen, beschadigen of doen afsterven van de vegetatie met mechanische of chemische middelen) van perceelsrand-begroeiingen en sloten, behoudens wanneer deze activiteiten tot wijziging van vegetatie worden uitgevoerd op basis van een regelmatige bouwvergunning afgeleverd met toepassing van de wetgeving op de ruimtelijke ordening na advies van de afdeling Natuur van VII-36.959-26/34 AMINAL én voor zover uitdrukkelijk is voldaan aan de bepalingen van artikel 16 van het natuurbehouddecreet inzake het tegengaan van vermijdbare schade; dat verzoeker in deze van oordeel is dat schade aan de holle weg volkomen kan worden vermeden; dat het bestreden besluit weliswaar werd genomen na advies van de afdeling Natuur van AMINAL, maar dat de verwerende partij er geen zorg voor heeft gedragen, door het opleggen van voorwaarden of het weigeren van de vergunning, dat er geen vermijdbare schade aan de natuur kan ontstaan, zodat niet is voldaan aan de bepalingen van artikel 16 van het natuurbehouddecreet, dat zulks duidelijk blijkt uit het feit dat reeds in de stedenbouwkundige vergunning de gewestelijk stedenbouwkundig ambtenaar weliswaar stelt te streven naar een "maximaal" herstel van de holle weg, maar voor het overige geen enkele garantie geeft dat dit herstel ook effectief kan en zal plaatsvinden, dat de in de stedenbouwkundige vergunning geuite, doch in de bestreden vergunning niet hernomen, intentie om de bestaande holle weg "maximaal" te herstellen op zich onvoldoende is om te voldoen aan de aangehaalde decretale en reglementaire bepalingen; 5.5.2. Overwegende dat de verwerende partij in haar nota hierop als volgt antwoordt : "Verzoekende partij(
  2. en)zijn er ten onrechte van overtuigd dat de Minister de bestreden beslissing heeft genomen met schending van de zorgplicht dewelke voortvloeit uit het Natuurbehouddecreet. Verzoekers zijn van mening dat de Minister niet alle mogelijke maatregelen heeft genomen om de vernietiging of de schade te voorkomen aan natuurelementen in de onmiddellijke omgeving van de vergunde RWZI. Verzoekers doelen daarbij meer in het bijzonder op de holle weg die grenst aan het perceel waarbinnen de RWZI zich zal situeren. Het wijzigen van een holle weg is verboden op grond van artikel 7 van het Uitvoeringsbesluit van het Natuurbehouddecreet. Voor zover is voldaan aan de zorgplicht van artikel 14 van het Decreet geldt dit verbod niet wanneer de activiteiten tot wijziging van die holle weg worden uitgevoerd overeenkomstig een regelmatige bouwvergunning, na advies van de Afdeling Natuur van de Administratie AMINAL en voor zover uitdrukkelijk is voldaan aan de bepalingen van artikel 16 van het Decreet inzake het tegengaan van vermijdbare schade. Vanwege de landschappelijke, ecologische en culturele waarde van de meeste holle wegen, wordt slechts positief advies verleend door de Afdeling Natuur van de Administratie AMINAL voor activiteiten die de integriteit van een holle weg aantasten indien het 'verlies aan natuur' beperkt blijft tot een klein deel van de holle weg en ruimschoots op een andere plaats gecompenseerd wordt. Indien er met andere woorden een win-win situatie ontstaat. Aangezien tot dusver het afvalwater van Tervuren en Leefdaal rechtstreeks in de Voer wordt geloosd, heeft dit niet alleen een nefaste invloed op de waterkwaliteit van de Voer zelf, maar eveneens van deze van de Dijle na de samenvloeiing met de Voer. VII-36.959-27/34 Volgens het advies van de Afdeling Natuur wordt het -kleine- verlies aan natuur aan een -klein- gedeelte van de holle weg ruimschoots gecompenseerd door de ecologische meerwaarde die zich spontaan zal ontwikkelen in de Voer nadat het rechtstreeks lozen van afvalwater zal stoppen door de bouw van de RWZI. Het spreekt voor zich dat de daarbij uitdrukkelijk op te leggen wijze van uitvoering van de werken aan de holle weg dient te garanderen dat de aantasting van de holle weg tot een minimum zal worden beperkt. Dergelijke voorwaarden dienen in de eerste plaats te worden opgenomen in de stedenbouwkundige vergunning (bvb door het uitdrukkelijk beperken van de afgravingen van het onaangetast gedeelte van de holle weg tot een minimum, hergebruik oorspronkelijk bodemmateriaal bij herstel taluds, doortrekken talud in noordelijke richting, onmiddellijk planten van streekeigen groen waarbij grondafschuiving wordt vermeden, beperken werkbreedte tot maximum breedte wegdek holle weg, enz...). De garantie op het herstel in geval van aantastingen van de holle weg zal in de eerste plaats een zaak zijn van het toezicht op de naleving van de inmiddels verleende stedenbouwkundige vergunning. De Minister dient natuur(lijk) in het kader van de verlening van de milieuvergunning wél te blijven waken over de naleving van bepaalde 'natuurbehoudende' maatregelen die worden voorgesteld door de Afdeling Natuur als gespecialiseerd adviserend bestuur inzake. Bovendien blijkt uit de motivering van de bestreden beslissing zelf dat de Minister wel degelijk de noodzakelijke aandacht heeft gevestigd op de bepalingen van het Natuurbehouddecreet : 'Overwegende dat de nv Aquafin aangeeft dat aan de vegetatie van de holle weg niet zal geraakt worden (bermen); dat de bestendige deputatie in eerste aanleg heeft opgelegd dat de negatieve impact op de holle weg tijdens de bouwfase van de RWZI dient te worden beperkt tot een minimum en dat de holle weg na de bouw van de RWZI optimaal dient te worden hersteld (hierbij dient het wegdek van de holle weg in zijn oorspronkelijke staat te worden hersteld); dat er in het kader van de stedenbouwkundige vergunning een heraanleg van de gekapte bomen op het perceel 49h voorgesteld is door de nv Aquafin zoals opgegeven in het beplantingsplan; dat het perceel nummer 49 h enkel dient als groenbuffer; dat de nv Aquafin aangeeft dat het klopt dat dit perceel vroeger werd aangekocht omdat er bij een klassiek waterzuiveringssysteem (vroegere milieuvergunningsaanvragen) meer werkzone nodig was, maar tegelijk stelt dat, gezien de overstap naar een MBR-systeem, het niet de bedoeling is om op dit perceel uit te breiden, ook niet in de toekomst'. Aldus blijkt uit de motieven van de bestreden beslissing zelf dat -daar waar een minieme aantasting van de holle weg niet kan worden vermeden bij de bouw van de RWZI- er ook in de milieuvergunning de nodige aandacht wordt besteed om te streven naar een maximaal herstel van de holle weg zelf en bijzondere aandacht aan o.a. het herbossen van de onmiddellijke omgeving van de holle weg. Daardoor weegt het beperkt verlies van ecologische waarde als gevolg van het bouwen van de RWZI niet op tegen de ecologische meerwaarde die achteraf ontstaat (door de herbebossing, door de waterzuivering, door het doortrekken van het noordelijke deel van het talud,...) Eveneens wordt duidelijk en omstandig in de bestreden beslissing gemotiveerd waarom expliciet (opnieuw) werd gekozen voor deze inplantingsplaats en waarom derhalve een kleine aantasting van de natuurwaarde van de holle weg niet kan worden vermeden omdat deze de toegang vormt tot de inplantingsplaats van de RWZI"; VII-36.959-28/34 VII-36.959-29/34 5.5.3. Overwegende dat de tussenkomende partij als volgt argumenteert : "Verzoekende partijen wijzen erop dat de milieuvergunning werd afgeleverd voor de exploitatie van een RWZI op twee percelen gelegen aan een holle weg (nl. de Flossstraat, zijnde een klein landschapselement) en waarvan één perceel gelegen is in landschappelijk waardevol agrarisch gebied. Dit laatste is onjuist: de volledige RWZI wordt ingeplant in een zone voor gemeenschapsvoorzieningen. Verzoekende partijen roepen in dat op grond van de zorgplicht (artikel 14 van het Natuurbehouddecreet) men verplicht is om maatregelen te nemen die redelijkerwijze kunnen gevergd worden om de vernietiging of de schade te voorkomen, te beperken of te herstellen van de natuurelementen in de onmiddellijke omgeving en dat het wijzigen van een holle weg verboden is op grond van artikel 7, § 1, 1 van het uitvoeringsbesluit van het Natuurbehouddecreet, behoudens wanneer de activiteiten tot wijziging van de holle weg worden uitgevoerd op basis van een regelmatige bouwvergunning afgeleverd met toepassing van de wetgeving op de ruimtelijke ordening na advies van de Afdeling natuur van AMINAL en voor zover uitdrukkelijk is voldaan aan de bepalingen van artikel 16 van het Natuurbehouddecreet inzake het tegengaan van vermijdbare schade. Artikel 14 van het Natuurbehouddecreet stelt dat iedereen die handelingen verricht of hiertoe de opdracht verleent, en die weet of redelijkerwijze kan vermoeden dat een natuurelement in de onmiddellijke omgeving daardoor kan worden vernietigd of ernstig geschaad is, verplicht is om alle maatregelen te nemen die redelijkerwijze van hem kunnen worden gevergd om de vernietiging of de schade te voorkomen, te beperken of te herstellen. Artikel 16 van het Natuurbehouddecreet stelt dat als voor een activiteit op grond van wetten, decreten of besluiten een vergunning of toestemming van de overheid dan wel een kennisgeving of melding aan de overheid vereist is, deze overheid er zorg voor draagt door het opleggen van voorwaarden of het weigeren van de vergunning of toestemming dat er geen vermijdbare schade aan de natuur kan ontstaan (§ 1) en dat een activiteit, die onvermijdbare en onherstelbare schade aan de natuur veroorzaakt in het VEN (Vlaams Ecologisch Netwerk), kan worden uitgevoerd om bijzonder gewichtige redenen van algemeen belang en dat in dit geval alle maatregelen worden genomen om de mogelijke schade te beperken en dat er dan compensatiemaatregelen worden opgelegd. Artikel 7 § 1 van het uitvoeringsbesluit van het Natuurbehouddecreet stelt dat het wijzigen van holle wegen verboden is, maar dit verbod geldt luidens artikel 7 § 2 van het uitvoeringsbesluit van het natuurbehouddecreet niet : 1. wanneer de activiteiten worden uitgevoerd op huiskavels van een vergunde woning en /of bedrijfsgebouw, of 2. wanneer de activiteiten worden uitgevoerd op basis van een regelmatige bouwvergunning die werd afgeleverd na advies van de Afdeling natuur van AMINAL 3. wanneer ze geregeld zijn in één van de sub 3 vermelde plannen of projecten 4. wanneer het normale onderhoudswerken betreft; Bovendien kan de bevoegde minister krachtens artikel 8 § 1 van het uitvoeringsbesluit van het Natuurbehouddecreet onder de voorwaarden vermeld in de § 2 en 3 van die bepaling individuele afwijkingen toestaan. Deze mogelijke afwijkingen zijn dermate uitgebreid, zodat niet kan gesproken worden van een volledig verbod tot wijzigen van holle wegen. Gezien het verbod niet geldt voor activiteiten waarvoor een bouwvergunning werd verleend, mits het voorafgaand advies van de Afdeling Natuur en gezien het uitvoeringsbesluit van het natuurbehouddecreet geen bindende kracht verleent aan dat advies, kan men niet staande houden dat artikel 7 van het VII-36.959-30/34 uitvoeringsbesluit van het Natuurbehouddecreet de wijziging van holle wegen onmogelijk maakt. Uit deze bepalingen kan afgeleid worden dat er op het principieel verbod tot wijziging van holle wegen twee uitzonderingen bestaan : 1. Artikel 7 § 1 eerste lid, 2 voorziet dat de holle weg toch kan worden gewijzigd mits er een bouwvergunning wordt verleend na advies van de Afdeling natuur. 2. Artikel 8 voorziet een tweede mogelijkheid : de minister kan bij gemotiveerd besluit individuele afwijkingen van de verbodsbepaling toestaan. Deze twee uitzonderingen vormen twee alternatieven : - Als er een bouwvergunning na advies is, dan moet er geen individuele afwijking meer bestaan (de overheid heeft dan immers al de kans gehad om in het kader van de bouwvergunning bepaalde voorwaarden op te leggen). - Als er een individuele afwijking is, dan hoeft er geen advies verleend door de Afdeling Natuur in het kader van de bouwvergunning. In casu is in de bouwvergunning het advies van de afdeling Natuur opgenomen ( zie p. 13 van de bouwvergunning stuk 3 ). In casu wordt niet geraakt aan de holle weg hetgeen in de bestreden beslissing en in de stedenbouwkundige vergunning uitdrukkelijk wordt vermeld. Ook in het advies van de afdeling Natuur wordt gesteld dat er niet aan de holle weg wordt geraakt. In subsidiaire orde, indien uw Raad toch zou oordelen dat de holle weg wordt gewijzigd, quod non, heeft de N.V. AQUAFIN nog steeds de mogelijkheid om deze ontheffing bij ministerieel besluit van het verbod tot wijziging van de holle weg (een klein landschapselement) aan te vragen. De vergunningverlenende overheid die de milieuvergunning aflevert, dient geen advies aan de afdeling Natuur te vragen : dit middel houdt enkel verband met de stedenbouwkundige vergunning en/of de aparte ontheffing bij ministerieel besluit. De thans bestreden milieuvergunning verleent aan de N.V. AQUAFIN enkel het recht om de RWZI te exploiteren volgens de voorwaarden bepaald in de milieuvergunning en dient bijgevolg onderscheiden te worden van de stedenbouwkundige vergunning en de aparte ontheffing van het verbod bij ministerieel besluit. Deze laatste beslissingen zijn afzonderlijke administratieve rechtshandelingen dewelke afzonderlijk kunnen aangevochten worden. Door het afleveren van een milieuvergunning werden de in het vijfde middel aangehaalde bepalingen bijgevolg niet geschonden. Ook het onderdeel van het middel dat gebaseerd is op de schending van artikel 16 van het Natuurbehouddecreet, dat stelt dat de overheid voorwaarden moet opleggen om vermijdbare schade te vermijden, of de vergunning moet weigeren, kan niet ingeroepen worden als annulatiemiddel om de schorsing of vernietiging van de milieuvergunning te bekomen. Een dergelijk middel kan enkel betrekking hebben op de bouwvergunning of op de aparte ontheffing bij ministerieel besluit van het verbod tot wijziging van de holle weg. De vergunningverlenende overheid die uitspraak doet over een milieuvergunningsaanvraag dient niet het advies van de afdeling natuur te vragen. In casu is in de bestreden beslissing in ieder geval voldaan aan artikel 16 § 1 en § 2 eerste lid van het decreet Natuurbehoud aangezien in de milieuvergunning zelf en ook in de bouwvergunning de nodige eisen werden gesteld om te voorkomen dat er vermijdbare schade aan de natuur wordt toegebracht. VII-36.959-31/34 Dit werd trouwens uitdrukkelijk bevestigd in het arrest nr. 155.602 dd. 24.02.2006 waarin de Raad van State duidelijk stelde : 'Overwegende dat aldus blijkt dat de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar voorziet in maatregelen die erop gericht zijn om de holle weg zonder meer te vrijwaren waar dit mogelijk is (..) Dat de opgelegde voorwaarden voldoende duidelijk zijn. Dat op het eerste gezicht niet aannemelijk wordt gemaakt dat de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar tekort gekomen is aan de hem opgelegde zorgplicht'. Dat de Raad van State in hetzelfde arrest duidelijk overweegt dat er geen sprake is van een schending van artikel 7, noch van artikel 11 van het Besluit van de Vlaamse regering van 23 juli 1998; 'Dat de bestreden vergunning, daargelaten of zij geacht kan worden een afwijking van het bedoelde verbod ( verbod van artikel 7- eigen toevoeging) in te houden, verleend is na advies van de afdeling natuur; Dat voorts, zoals bij de bespreking van de zorgplicht bedoeld in artikel 16 § 1 van het Decreet van 21 oktober 1997 is gebleken, aan de bepalingen van dat laatste artikel lijkt voldaan te zijn. Dat het bestreden besluit dan ook niet genomen lijkt te zijn met miskenning van artikel 7 van het Besluit van de Vlaamse regering van 23 juli 1998'. 'Dat in zoverre uit artikel 11 van het Besluit van 23 juli 1998 een beperking voortvloeit van de beoordelingsbevoegdheid van de overheid die bevoegd is om een stedenbouwkundige vergunning af te geven, uit de bespreking van het verbod van artikel 7 van het genoemde besluit is gebleken dat de bestreden vergunning verleend lijkt te zijn met inachtneming van de voornoemde voorwaarden; Dat het bestreden besluit dan ook niet genomen lijkt te zijn met miskenning van het Besluit van de Vlaamse Regering van 23 juli 1998; Overwegende dat het middel niet ernstig is'. Bijgevolg is in ieder geval voldaan aan de artikelen 14 en 16 van het Decreet van 29.10.1997 betreffende het natuurbehoud. De eventuele onregelmatigheid i.v.m. het verkrijgen of het bezit van de stedenbouwkundige vergunning kan in ieder geval de wettigheid van de milieuvergunning niet in het gedrang brengen. (...)"; 5.5.4. Overwegende dat artikel 14, eerste lid, van het natuurbehouddecreet als volgt luidt : "Iedereen die handelingen verricht of hiertoe de opdracht verleent, en die weet of redelijkerwijze kan vermoeden dat de natuurelementen in de onmiddellijke omgeving daardoor kunnen worden vernietigd of ernstig geschaad, is verplicht om alle maatregelen te nemen die redelijkerwijze van hem kunnen worden gevergd om de vernietiging of de schade te voorkomen, te beperken of indien dit niet mogelijk is, te herstellen"; dat de daarin bedoelde verplichting niet geldt voor de overheid die uitspraak moet doen over een milieuvergunningsaanvraag; dat immers artikel 16, § 1, van het natuurbehouddecreet luidt : "In het geval van een vergunningsplichtige activiteit, draagt de bevoegde overheid er zorg voor dat er geen vermijdbare schade aan de natuur kan ontstaan door de vergunning of toestemming te weigeren of door redelijkerwijze voorwaarden op te leggen om de schade te voorkomen, te beperken of, indien dit niet mogelijk is, te herstellen"; VII-36.959-32/34 dat de in die bepaling bedoelde verplichting onder meer ook van toepassing is op de overheid die bevoegd is om over milieuvergunningsaanvragen uitspraak te doen; dat het bestreden besluit een in eerste aanleg opgelegde bijzondere ver- gunningsvoorwaarde bevestigt waarin wordt gesteld dat de negatieve impact op de holle weg tijdens de bouwfase van de rioolwaterzuiveringsinstallatie tot een minimum beperkt dient te blijven en de holle weg na de bouw optimaal hersteld dient te worden waarbij inzonderheid het wegdek in zijn oorspronkelijke staat hersteld moet worden; dat hiermee het bestreden besluit op het eerste gezicht tegemoet komt aan de zorgplicht vervat in voornoemd artikel 16; dat, voorts, het bestreden besluit vaststelt dat de tussenkomende partij heeft aangegeven dat aan de vegetatie van de holle weg niet zal worden geraakt en dat in het kader van de stedenbouwkundige vergunning de heraanleg wordt voorgesteld van de gekapte bomen op een gedeelte van perceel 49h; dat eveneens melding wordt gemaakt van het gunstig advies van de afdeling Natuur van de administratie Milieu-, Natuur-, Land- en Waterbeheer van 8 februari 2005 met als bijlage een tot de tussenkomende partij gericht schrijven van 4 juli 2001 waarin die afdeling concreet ingaat op de verplichtingen die voortvloeien uit het natuurbehouddecreet en zijn uitvoeringsbesluit van 23 juli 1998, meer bepaald wat betreft de afgraving en het herstel van een gedeelte van de holle weg; dat het vijfde middel bijgevolg niet ernstig is; 6. Overwegende dat geen van de middelen ernstig wordt bevonden; dat bijgevolg aan een van de voorwaarden van artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State niet is voldaan, dat die vaststelling volstaat om de vordering van tweede verzoeker eveneens af te wijzen, BESLUIT: Artikel 1. Het verzoek tot tussenkomst van de n.v. AQUAFIN in het administratief kort geding wordt ingewilligd. Artikel 2. De vordering tot schorsing wordt verworpen. VII-36.959-33/34 Artikel 3. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. De kosten van de tussenkomst, bepaald op 125 euro, komen ten laste van de tussenkomende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op vier oktober tweeduizend en zeven, door : de H. L. HELLIN, kamervoorzitter, Mevr. E. IMPENS, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, E. IMPENS. L. HELLIN. VII-36.959-34/34 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.175.369 Gerelateerde publicatie(
  3. s)gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.197.720 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.