← België

Arrest 175412 - Openbaar ambt van Gemeenschappen en Gewesten - Aanwerving en loopbaan - 05/10/2007

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 05 oktober 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.175.412 Rolnummer: A. 69369/IX-987 Zaak: Arrest 175412 - Openbaar ambt van Gemeenschappen en Gewesten - Aanwerving en loopbaan - 05/10/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-10-15 Raadplegingen: 63 - laatst gezien 2026-06-30 03:07 Fiche Arrest nr 175.412 van 5 oktober 2007 Openbaar ambt - Openbaar ambt van Gemeenschappen en Gewesten - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 175.412 van 5 oktober 2007 in de zaak A. 69.369/IX-

  1. In zake : Stéphan VANDENBRANDE, die woonplaats kiest bij advocaat B. HOSTE, kantoor houdende te IZEGEM, Burgemeester Vandenbogaerdelaan 18 tegen : de VLAAMSE GEMEENSCHAP. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Stéphan VANDENBRANDE op 15 juni 1996 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van “het besluit van het college van secretarissen-generaal houdende definitieve uitspraak van de vermelding ‘onvoldoende’, aan verzoeker ter kennis gebracht met aangetekend schrijven gedateerd op 17.04.1996”; Gelet op het arrest nr. 155.845 van 6 maart 2006 waarbij de debatten worden heropend en waarbij het door de auditeur-generaal aangeduide lid van het auditoraat wordt belast met het verder onderzoek van de zaak; Gezien het aanvullend verslag opgemaakt door eerste auditeur- afdelingshoofd W. VAN NOTEN; Gelet op de beschikking van 12 mei 2006 die de neerlegging ter griffie van het aanvullend verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memorie van de verzoekende partij; Gelet op de beschikking van 16 juli 2007 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 1 oktober 2007; IX-987-1/6 Gehoord het verslag van kamervoorzitter P. LEMMENS; Gehoord de opmerkingen van advocaat C. VAN ACHTER, die loco advocaat B. HOSTE verschijnt voor de verzoeker, en van advocaat P. DEVERS, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelings- hoofd W. VAN NOTEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Over de gegevens van de zaak
  2. De verzoeker is assistent bij het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, Departement Algemene Zaken en Financiën, Administratie Logistiek, Afdeling Logistieke Dienstverlening. Op 22 februari 1996 wordt hem door zijn twee evaluatoren de evaluatie “onvoldoende” toegekend. Op 19 maart 1996 verklaart de Raad van Beroep van het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap het door de verzoeker ingestelde beroep ontvankelijk en adviseert hij aan het College van secretarissen-generaal met twee stemmen vóór, één stem tegen en één ongeldige stem dat de evaluatie “onvoldoen- de” niet gegrond is. Op 4 april 1996 aanvaardt het College van secretarissen-generaal het voorstel van zijn voorzitter om de “einduitspraak ‘onvoldoende’ jegens Stéphan VANDENBRANDE definitief (uit te spreken)”. Die beslissing wordt geformaliseerd in een besluit van het college van 15 april
  3. Dit laatste besluit, dat aan de verzoeker ter kennis gebracht is bij aangetekend schrijven van 17 april 1996, vormt het voorwerp van het voorliggende beroep. IX-987-2/6 Over het tussenarrest nr. 155.845 van 6 maart 2006
  4. Bij arrest nr. 155.845 van 6 maart 2006 heeft de Raad van State een door het auditoraat ambtshalve aangevoerd middel ongegrond verklaard, en de debatten heropend. Over de gegrondheid van het beroep 3.
  5. De verzoeker roept een tweede middel in, afgeleid uit de schending van de formele motiveringsplicht, voorgeschreven bij artikel 2 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen. Volgens de verzoeker poneert de bestreden beslissing eenvoudig dat hij duidelijk tekort komt in diverse resultaatsgebieden, maar wordt nergens aangetoond waarin die tekortkomingen in concreto bestaan of welke concrete voorschriften of gedragsregels de verzoeker zou hebben overtreden. Voorts voert de verzoeker aan dat zijn verweer niet wordt weergegeven, en dat nog minder aangegeven wordt waarom dit verweer wordt afgewezen. Het volstaat uiteraard niet te vermelden dat de door hem verstrekte uitleg niet van aard was om de hem ten laste gelegde feiten te weerleggen: in concreto moet gemotiveerd worden waarom dat zo is. Ten overvloede onderstreept de verzoeker dat de summiere redengeving niet adequaat noch pertinent is. De verzoeker besluit dat hij aan de hand van de bestreden beslissing niet in staat gesteld wordt om met kennis van zaken een beroep voor te bereiden, dat een wettigheidscontrole door de rechter onmogelijk is, en dat er geen enkele garantie is voor een objectief onderzoek. 3.2.
  6. De artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen verplichten de overheid in de akte de juridische en feitelijke overwegingen op te nemen die aan de beslissing ten grondslag liggen, en dat op een “afdoende” wijze. Het afdoende karakter van de motivering betekent dat de motivering pertinent moet zijn, dit wil zeggen dat ze duidelijk met de beslissing te maken moet hebben, en dat ze draagkrachtig moet zijn, dit wil zeggen dat de aangehaalde redenen moeten volstaan om de beslissing te dragen. De formele motiveringsplicht houdt evenwel niet in dat alle door de partijen aangevoerde argumenten moeten worden beantwoord. IX-987-3/6 De belangrijkste bestaansreden van de motiveringsplicht, zoals die wordt opgelegd door de voormelde wet van 29 juli 1991, bestaat erin dat de betrokkene in de hem aanbelangende beslissing zelf de motieven moet kunnen aantreffen op grond waarvan ze werd genomen, derwijze dat blijkt, of minstens kan worden nagegaan of de overheid is uitgegaan van gegevens die in rechte en in feite juist zijn, of zij die gegevens correct heeft beoordeeld, en of zij op grond daarvan in redelijkheid tot haar beslissing is kunnen komen, opdat de betrokkene met kennis van zaken zou kunnen uitmaken of het aangewezen is de beslissing met een annulatieberoep te bestrijden. Deze redengeving moet des te concreter en preciezer zijn wanneer de beslissing afwijkt van een voorafgaand advies, ook al is dit niet bindend, dat op duidelijke en concrete elementen is gesteund. In een dergelijk geval mag de overheid zich niet beperken tot een niet gemotiveerd tegenspreken van het advies, maar moet zij integendeel duidelijk maken waarom zij van oordeel is de argumenten waarop de adviesverlenende instantie steunt niet te kunnen volgen. 3.2.
  7. Te dezen stelt de Raad van Beroep in zijn advies vast dat aan de verzoeker vooral ten laste wordt gelegd dat hij zijn taken niet op een klantvriendelijke en dienstverlenende manier vervult, maar “dat uit de stukken van het dossier blijkt dat de verzoeker zijn administratieve taken stipt en foutloos uitvoert; dat de door hem opgestelde facturen tevens correct werden opgesteld; dat hij op ordentelijke wijze de brieven klasseert; dat hij geen telfouten maakt en hij de ticketverkoop verzekert wanneer het zijn beurt is”. Vervolgens stelt de Raad van Beroep vast dat niet wordt betwist dat een aantal facturen laattijdig werden verstuurd, maar dat de administratie toegaf dat dit niet uitsluitend aan de verzoeker te wijten was. Hij stelt ook vast dat de verzoeker sedert zijn evaluatie “blijk heeft gegeven van goede wil”, zoals uit een aantal nader genoemde feiten blijkt. De Raad van Beroep concludeert “dat de tenlasteleggingen in hoofde van de verzoeker te dezen door de administratie onvoldoende werden aangetoond door bewijskrachtige stukken”, dat de administratie het nodige had moeten doen om de verzoeker beter te begeleiden en te ondersteunen, en “dat de door de overheid ten laste gelegde tekortkomingen te dezen geenszins van aard zijn om hogervermelde positieve capaciteiten van de verzoeker te ontzenuwen”. In het bestreden besluit wijst het College van secretarissen-generaal erop “dat er blijkens het beschrijvende evaluatieverslag IX-987-4/6 sprake is van duidelijke tekortkomingen in diverse resultaatgebieden”, en “dat een behoorlijke performantie naar resultaatgebieden toe blijkbaar enkel opgaat voor zover de uitgevoerde activiteiten tot de persoonlijke verantwoordelijkheid van betrokkene kunnen gerekend worden en voor zover ze geen contacten vergen met de collega's”. Vervolgens overweegt het college met betrekking tot de tekortkomingen meer bepaald het volgende: “Overwegende dat uit het beschrijvende evaluatieverslag blijkt dat de heer Stéphan VANDENBRANDE ondermaats performeert in 5 van de 7 persoonlijke competenties : ‘soepelheid’, ‘discretie’, ‘communicatievaar- digheid’, ‘goed omgaan met mensen’ en ‘zin voor goede dienstverlening’, en eerder gewoon in de persoonlijke competenties ‘orde en zorgvuldigheid’ en ‘zelfstandig kunnen werken’; Overwegende dat het College van secretarissen-generaal oordeelt dat betrokkene als niet klantgericht overkomt, geen zin voor goede dienstverlening heeft en duidelijke problemen in de sociale omgang met collega's die remmend werken op de correcte afwerking van de taken.” Het college overweegt voorts dat het feit dat de verzoeker sedert zijn evaluatie blijk gegeven heeft van beterschap irrelevant is voor de beoordeling van het voorliggende evaluatieverslag. In verband met het bezwaarschrift van de verzoeker tegen de evaluatie door de twee evaluatoren overweegt het college “dat de heer Stéphan VANDENBRANDE in zijn bezwaarschrift vrijwel alle negatieve elementen uit het evaluatieverslag poogt te weerleggen, maar hiervoor weinig overtuigende elementen aanbrengt en bovendien een aantal tekortkomingen niet betwist”. Na voorts overwogen te hebben dat de administratie niet moet aanvaarden dat een personeelslid zich voortdurend en moedwillig onhandelbaar opstelt, besluit het college dat hij “het onaangepaste gedrag van de heer Stéphan VANDENBRANDE als bewezen acht”. 3.2.
  8. Uit de aangehaalde overwegingen van het bestreden besluit blijkt dat het College van secretarissen-generaal voortgaat op de door de evaluatoren gedane vaststellingen, en daaruit een aantal conclusies trekt in verband met de wijze waarop de verzoeker zijn taken vervult. De Raad van Beroep had in zijn advies evenwel een aantal positieve capaciteiten van de verzoeker vastgesteld, en was voorts tot de conclusie gekomen “dat de tenlasteleggingen in hoofde van de verzoeker te dezen door de administratie onvoldoende werden aangetoond door bewijskrachtige stukken”. Aan die laatste conclusie gaat het College van secretarissen-generaal voorbij: uit het bestreden besluit blijkt immers niet waarom het college, in strijd met het advies van de Raad van Beroep, de “tenlasteleggingen” wel als bewezen beschouwt. De overweging dat de verzoeker “vrijwel alle negatieve IX-987-5/6 elementen uit het evaluatieverslag poogt te weerleggen, maar hiervoor weinig overtuigende elementen aanbrengt en bovendien een aantal tekortkomingen niet betwist”, kan niet beschouwd worden als een concreet antwoord op de genoemde overwegingen van de Raad van Beroep. Het bestreden besluit is dan ook niet afdoende gemotiveerd. Het middel is bijgevolg gegrond. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
  9. Vernietigd wordt het besluit van het College van secretarissen- generaal van het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap van 15 april 1996 houdende definitieve uitspraak van de vermelding “onvoldoende” tegen Stéphan VANDENBRANDE. Artikel
  10. De kosten van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 99,16 euro, komen ten laste van de verwerende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op 5 oktober 2007, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. P. LEMMENS, kamervoorzitter, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, C. ADAMS, staatsraad, Mevr. V. WAUTERS, griffier. De griffier, De voorzitter, V. WAUTERS. P. LEMMENS. IX-987-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.175.412 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.155.845 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.