← België

Arrest 175420 - Personeel van het onderwijs - Reglementen - 05/10/2007

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 05 oktober 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.175.420 Rolnummer: A. 183508/IX-5655 Zaak: Arrest 175420 - Personeel van het onderwijs - Reglementen - 05/10/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-10-22 Raadplegingen: 57 - laatst gezien 2026-06-30 03:08 Fiche Arrest nr 175.420 van 5 oktober 2007 Openbaar ambt - Personeel van het onderwijs - Reglementen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 175.420 van 5 oktober 2007 in de zaak A. 183.508/IX-

  1. In zake : Andrée HOLSTERS, die woonplaats kiest bij het Vrij Syndicaat Openbaar Ambt, Groep Onderwijs, gevestigd te BRUSSEL, Poincarélaan 72-72 tegen : de UNIVERSITEIT GENT, die woonplaats kiest bij advocaat P. DEVERS, kantoor houdende te GENT, Kouter 71-
  2. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE VOORZITTER VAN DE IXe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Andrée HOLSTERS op 23 mei 2007 heeft ingediend om de schorsing te vorderen van de tenuitvoerlegging van de beslissing van 22 maart 2007 van het bestuurscollege van de Universiteit Gent waarbij verzoekster na haar stage niet wordt vast benoemd; Gezien het gelijktijdig ingediende verzoekschrift, waarbij dezelfde verzoekende partij de vernietiging vordert van dezelfde beslissing; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur D. MAREEN; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; Gelet op de beschikking van 18 juli 2007 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 17 september 2007; Gehoord het verslag van kamervoorzitter P. LEMMENS; IX-5655-1/6 Gehoord de opmerkingen van de verzoekster, en van advocaat P. DEVERS die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur D. MAREEN; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, OVERWEEGT WAT VOLGT :
  3. Op 6 januari 2006 beslist het Bestuurscollege van de verwerende partij om de verzoekster toe te laten tot de stage in de functie van voltijds bibliotheekmedewerker bij de bibliotheek van de faculteit Psychologie en Pedagogische Wetenschappen. Zij vangt haar stage aan op 1 februari
  4. Op 26 april 2006 wordt door haar onmiddellijke chef een tussentijdse evaluatie opgemaakt. Die evaluatie luidt “onvoldoende” De verzoekster gaat met het merendeel van de opmerkingen niet akkoord, zoals blijkt uit een uitvoerige schriftelijke reactie. Vanaf 8 mei 2006 is de verzoekster in ziekteverlof. Een opvolgingsgesprek vindt niettemin plaats op 10 mei
  5. Op 11 januari 2007 wordt door de onmiddellijke chef een eindevaluatie opgemaakt. De evaluatie “onvoldoende” wordt behouden, gelet op het feit dat de verzoekster gedurende de hele evaluatieperiode afwezig was en er dus geen nieuwe gegevens zijn ten opzichte van de tussentijdse evaluatie. De verzoekster dient tegen die eindevaluatie een bezwaar in. Op 9 februari 2007 adviseert de Raad van beroep ten behoeve van het administratief en technisch personeel dat de kwalificatie “ongunstig” niet terecht lijkt, omdat de eindevaluatie niet gemotiveerd wordt en enkel de passages uit de tussentijdse evaluatie overneemt. Volgens de Raad van beroep bestaat er minstens gerede twijfel over de procedure, nu de evaluatie enkel op grond van een zeer beperkte periode is gegeven. Daarenboven heeft de verzoekster wegens haar ziekte niet kunnen aantonen dat zij de opmerkingen van haar tussentijds evaluatieverslag ter harte heeft genomen. Ten slotte meent de Raad van beroep te mogen vaststellen dat de IX-5655-2/6 moeilijkheden inzake samenwerking met de collega’s, waarvan sprake in het tussentijds evaluatieverslag, niet noodzakelijk enkel aan de verzoekster verweten kunnen worden. De Raad van beroep concludeert dat de verzoekster een tweede kans moet krijgen, teneinde aan te tonen dat zij wel degelijk als lid van het administratief en technisch personeel kan functioneren. De Raad van beroep voegt daaraan het advies toe dat het Bestuurscollege best een structurele oplossing zou zoeken, in de zin van een andere werkomgeving voor de verzoekster. Bij besluit van 22 maart 2007 beslist het Bestuurscollege om de verzoekster na haar stage, die afloopt op 31 maart 2007, niet vast te benoemen. Het Bestuurscollege is onder meer van oordeel dat het advies van de Raad van beroep in strijd is met een reglement van de verwerende partij van 30 januari 1993, dat bepaalt dat de stage na 12 maanden beëindigd moet worden, ofwel door de omzetting ervan in een vaste benoeming, ofwel door een beslissing om de stagiair niet vast te benoemen. Het Bestuurscollege overweegt voorts dat er in het dossier geen elementen te vinden zijn die een vaste benoeming zouden verantwoorden. Dit besluit vormt het voorwerp van de voorliggende vordering.
  6. Overeenkomstig artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan slechts tot de schorsing van de tenuitvoerlegging worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen. 3.
  7. In verband met het moeilijk te herstellen ernstig nadeel voert de verzoekster vooreerst aan dat zij 57 jaar oud is, en dat die leeftijd op de huidige arbeidsmarkt allerminst als een voordeel wordt gezien. Met verwijzing naar de resultaten van een studie van de mobiliteit op de arbeidsmarkt bij 50- tot 64-jarigen is zij van oordeel dat haar toekomstperspectieven op professioneel vlak, binnen het vakgebied waarvoor zij zich gespecialiseerd heeft, er niet rooskleurig uitzien. Een beëindiging van haar loopbaan lijkt door de gemiste kans bij de verwerende partij onafwendbaar. IX-5655-3/6 De verzoekster voert voorts aan dat zij zich bijzondere inspannin- gen getroost heeft om een functie als bibliotheekmedewerkster te kunnen uitoefenen. Zij verwijst in dit verband naar een aantal specifieke opleidingen die zij gevolgd heeft. Ten slotte voert de verzoekster aan dat zij in de uiteenzetting van de middelen aantoont dat de bestreden beslissing flagrant en ernstig onwettig is. De ernst van die onwettigheid moet mede in rekening worden gebracht bij de beoordeling van het vereiste van een moeilijk te herstellen ernstig nadeel. De ernstige onwettigheid leidt er immers toe dat de verzoekster moeilijk volledige genoegdoening zal krijgen indien de afloop van de procedure ten gronde moet worden afgewacht. 3.
  8. Bij de beoordeling van het aangevoerde nadeel dient rekening te worden gehouden met het feit dat de verzoekster niet vast benoemd was, en dus niet verkeerde in de positie van iemand die bij haar vaste benoeming geschikt was bevonden en plots niet langer geschikt werd geacht. Zij diende integendeel door haar stage haar geschiktheid nog aan te tonen. Zoals de verwerende partij terecht aanvoert, is het risico van een ongunstige afloop na een stageperiode inherent aan een proeftijd. Het niet verkrijgen van een vaste benoeming na afloop van de stage kan dan ook moeilijk op zich als een ernstig nadeel beschouwd worden. Weliswaar voert de verzoekster aan dat dit nadeel in haar geval ernstig en moeilijk te herstellen is, gelet op haar leeftijd. De Raad van State is echter door dit argument niet overtuigd. Niet enkel voert de verzoekster slechts zeer algemene gegevens aan, die bovendien met de tijd kunnen evolueren, maar bovendien blijkt zij in een relatief recent verleden bij de verwerende partij en daarvóór bij een andere werkgever tewerkstellingsmogelijkheden te hebben gevonden die met haar opleidingsniveau overeenstemmen. Ook al is de Raad van State zich ervan bewust dat de verzoekster het moeilijk kan hebben als zij in competitie moet treden met jongere werkzoekenden, toch vindt de Raad dat de verzoekster niet voldoende aannemelijk maakt dat zij ten gevolge van het bestreden besluit geen enkele mogelijkheid meer zou hebben om haar beroepsleven voort te zetten. IX-5655-4/6 Het feit dat de verzoekster zich bijzondere inspanningen getroost heeft om zich te bekwamen in het bibliotheekwezen kan aan deze vaststelling niets veranderen. Die inspanningen zijn immers niet noodzakelijk vruchteloos, nu de verzoekster zich daarop verder kan beroepen bij het zoeken naar nieuwe tewerkstel- lingsmogelijkheden. Ten slotte moet eraan herinnerd worden dat het vereiste van ernstige middelen en het vereiste van een moeilijk te herstellen ernstig nadeel twee afzonderlijke voorwaarden zijn, en dat het niet mogelijk is de ene voorwaarde vervuld te achten omdat de andere vervuld is. Anders dan de verzoekster lijkt te suggereren, mag het ernstig karakter van de middelen in de regel dus niet betrokken worden bij de beoordeling van het bestaan, de ernst en het moeilijk te herstellen karakter van het aangevoerde nadeel. Er zijn geen redenen die te dezen aanzetten tot een afwijking van dat beginsel. 3.
  9. De conclusie is dan ook dat de verzoekster niet aantoont dat zij een ernstig en moeilijk te herstellen nadeel lijdt.
  10. Hieruit volgt dat niet voldaan is aan een van de bij artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State opgelegde voorwaarden om de schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing te kunnen bevelen. Die vaststelling volstaat om de vordering af te wijzen. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
  11. De vordering tot schorsing wordt verworpen. Artikel
  12. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten wordt uitgesteld. IX-5655-5/6 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op 5 oktober 2007, door : de H. P. LEMMENS, kamervoorzitter, Mevr. V. WAUTERS, griffier. De griffier, De voorzitter, V. WAUTERS. P. LEMMENS. IX-5655-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.175.420 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.199.230 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.